Driegeleders

door lievendebrouwere

Van een lezer kreeg ik, in reactie op mijn stukje ‘Arbeid en inkomen’ van 22 september, de volgende opmerking:
‘Bedenk dat er zelfs in het geestesleven geen productie kan zijn zonder vraag. Weinigen kunnen uit het geestesleven een volledig inkomen halen, ook in de driegeleding zal dat zo zijn.’
Toevalligerwijs kreeg ik die mail op hetzelfde moment dat de Vlaamse cultuursector moord en brand schreeuwt over de besparingsmaatregelen van de regering.
De kwestie is dus actueel, zowel voor mezelf als voor de hele kunst- en cultuursector van het land.
Van dezelfde lezer kreeg ik een dag later een nieuwe mail.
‘Onder de schrijvers zijn er tamelijk wat die nog ander werk deden. Elsschot was toch bankier, Maurice Gilliams werkte als archivaris of bibliothecaris, Spinoza brillenmaker. Maar hoe zit dat bij de schilders ? Blijkbaar ken ik te weinig biografieën. Ik heb zo het gevoel dat ze ofwel arm waren en bleven ofwel van thuis uit welstellend waren.’

20140926-133557.jpg

Afgezien van het feit dat Elsschot geen bankier maar reclamemaker was, klopt het dat veel schrijvers uit zijn tijd een job hadden, vaak in staatsdienst. Het was de toenmalige vorm van subsidiëring.
Ik heb zelf nog op een ministerie ‘gewerkt’, en als ik toen schrijver was geweest, had ik het grootste deel van mijn tijd aan het schrijven kunnen wijden.
Iedereen zou immers gedacht hebben dat ik ijverig aan m’n dossiers aan het werken was.
Nu heb ik ook wel eens zitten schilderen op m’n kantoor, maar dát viel nogal op.
Dus trok ik er ’s middags op uit, naar het Brusselse Warandepark of de oude Leopoldswijk.
Dat begon echter ook op te vallen, want een schilderij maak je niet op een uur tijd.
Ik bracht met andere woorden meer tijd buiten kantoor door dan op kantoor.
Schrijven mag dan wel compatibel zijn met een staatsjob, schilderen is dat zeker niet.
Ze hebben mij dan ook aan de deur gezet.
Dat was de gelukkigste dag uit m’n leven want nu kon ik de hele dag tekenen en schilderen en hoefde ik niet te doen alsof ik werkte.
Lang duurde dat geluk evenwel niet, want zonder werk en mét vrouw en drie kinderen, is tekenen en schilderen een stúk minder aangenaam.

Ik wil maar zeggen: was ik een schrijver geweest, dan zat ik daar waarschijnlijk nóg, op dat stoffige kantoor in de Brusselse Wetstraat.
Maar ik was een tekenaar-schilder, en dat valt NIET te combineren met een job in staatsdienst. Of in privé-dienst.
Het valt eigenlijk met geen enkele job te combineren, tenzij een job in het kunstonderwijs, maar dat kun je bezwaarlijk een echte job noemen.
Ik moet dan ook heel hard denken om een voorbeeld te vinden van een beeldend kunstenaar die een vaste job heeft of had.
Er komt er geen bij me op.
Vóór de subsidiëring werd uitgevonden, waren de meeste beeldende kunstenaars ofwel arm, ofwel van huis uit gefortuneerd, ofwel hadden ze een broer die Theo heette, ofwel hielden ze zich in leven met allerlei tijdelijke jobs die ze zo kort mogelijk hielden omdat ze hen beletten om te werken (sic).
Hun maatschappelijke positie viel niet te vergelijken met die van schrijvers of zangers.
Ze waren nu eenmaal vertegenwoordigers van het beeld en niet van het woord.
Hoe succesvol de uitzonderingen ook waren, de diepe kloof tussen die twee zo verschillende werelden konden ze niet overbruggen.
Zelfs Rubens, zowat de meest succesvolle aller schilders, kind aan huis bij de machtigen der aarde, werd op een vernederende manier op zijn nummer gezet als hij die diepe kloof niet respecteerde. Want hij was ‘maar’ een schilder, iemand die met zijn handen werkte.
Daarom kon hij – in tegenstelling tot de schrijvers – nooit tot de hogere kringen behoren, ondanks al zijn roem en rijkdom.

20140926-133646.jpg

Het verschil tussen woord en beeld, tussen schrijven en schilderen, raakt het wezen van de Europese beschaving zoals we die sinds de Oudheid kennen.
Hoeveel prachtige beelden die beschaving ook heeft voortgebracht, ze was toch altijd in de eerste plaats een beschaving van het woord.
Als antroposofen nu deze bij uitstek dualistische beschaving willen omvormen tot een driegelede beschaving, dan zullen ze eens heel diep moeten nadenken over die kloof tussen woord en beeld.
Want als ik lees dat ook in een driegelede samenleving kunstenaars een job zullen moeten gaan zoeken net als iedereen, dan vraag ik me af waarin zo’n samenleving verschilt van de huidige dualistische samenleving.

Ik hoor m’n tekenleraar nog verzuchten: ‘Vroeger, toen we jong waren, spraken wij over niets anders dan over kunst. Als ik vandaag luister naar de gesprekken van mijn leerlingen, dan gaan die over niets anders dan … geld. Hoe raak ik aan een job? Daar houden ze zich mee bezig, dat is voor hen het belangrijkste.’
Ik herinner me ook nog hoe onaangenaam ik getroffen was toen een antroposofisch kunstenaar me haarfijn uitlegde hoe je aan subsidies en werkbeurzen kon raken.
Maar zo is de realiteit: kunstenaars zijn vandaag meer bezig met geld dan met kunst.
En ze beseffen het zelf niet, want de grens tussen geld en kunst is zo vaag geworden dat beide gemakkelijk omgewisseld worden.
Verkopen is tot kunst geworden en kunst is een kwestie van verkopen geworden.

Waarom kiest vrijwel iedere jonge kunstenaar vandaag voor de Hedendaagse kunst?
Theoretisch gezien is hij volkomen vrij: voor het eerst in de geschiedenis kan hij doen wat hij wil. Geen artistieke wetten of regels binden hem nog.
Alles kan, alles mag.
En toch kiest hij bijna uitsluitend voor die ene, zeer extreme en buitenissige kunstrichting die zichzelf ‘hedendaags’ noemt.
Waarom?
Omdat alleen met dát soort kunst geld valt te verdienen (tenzij men natuurlijk over bijzondere commerciële talenten beschikt, wat bij kunstenaars zelden het geval is).
Wie NIET voor deze kunst kiest, krijgt het heel, heel moeilijk.
En jonge mensen wéten dat, ze zijn niet dom.
Of beter: ze hebben nooit iets anders geweten.
Ze zijn opgegroeid in een sfeer die geen onderscheid maakt tussen kunst en geld, tussen cultuur en economie, tussen geest en materie.
Het vormt allemaal één troebel geheel, en buiten dat geheel is er … niets.

Daarom zetten studenten het op een zuipen aan het begin van het nieuwe academiejaar: omdat op de grens tussen vakantie en school, tussen vrijheid en dwang, even het besef daagt dat de vrijheid van het geestesleven schijn is.
En dat besef willen ze instinctief verdoven, anders houden ze hun studie niet vol.

20140926-133759.jpg

Vandaag schreeuwt de gesubsidieerde kunst- en cultuursector moord en brand omdat er bespaard moet worden.
Maken ze zoveel misbaar omdat het geestesleven in gevaar komt?
Wel neen!
Ze zijn zo ontzet omdat ze dreigen te ontwaken, omdat ze dreigen geconfronteerd te worden met het feit dat er helemaal geen vrij geestesleven meer is en dat ze geen van allen zijn wat ze denken (en voorgeven) te zijn: vrije geesten die de samenleving broodnodig heeft.
Wat hen doet losbarsten in collectieve verontwaardiging is de dreiging, hoe klein ook, om naar zichzelf te moeten kijken en zich bewust te worden van le trahison des clercs waar ze zich schuldig aan maken.
Want allemaal hebben ze hun ziel verkocht voor geld.
Je krijgt vandaag immers geen subsidies – zelfs geen halve euro – als je je niet ten dienste stelt van de Mammon.

De culturo’s zwelgen in verontwaardiging zoals de studenten zwelgen in bier.
Ze verdoven zichzelf om niet herinnerd te worden aan het feit dat hun geestesleven niet in de geest wortelt maar in de materie.
Ze proclameren luidkeels het maatschappelijk belang van kunst en cultuur om niet onder ogen te moeten zien dat ze de slaaf zijn van de subsidiërende staat en de handeldrijvende economie.
En die geven gene ene moer om kunst en cultuur.
Dat zijn voor hen slechts middelen om hun macht en rijkdom te vergroten.
De vertegenwoordigers van het geestesleven, of dat nu kunstenaars zijn of wetenschappers, hebben slechts één vaste grond: de wereld van de geest.
En die geest leeft in het hart van de mens, in het hart van ieder mens.

Maar als er nu één plaats is waar de hedendaagse kunst- en cultuurwereld NIET leeft, dan is het wel in het hart van de mensen.
De moderne mens draagt de zogenaamde ‘kunst van zijn tijd’ niet in zijn hart.
Hij draagt ze hoogstens in zijn hoofd (als hij tot de intellectuele elite behoort).
Of hij draagt ze in zijn buik (als hij veel geld heeft en zich een plaats bij de ‘geestelijke elite’ wil kopen).
Maar hij draagt ze zeer beslist NIET in zijn hart.
Hoe zou hij ook kunnen!
De Hedendaagse kunst doet er (letterlijk) alles aan om dat ‘hart’ af te schrikken, om het uit te lachen, om het te laten voelen dat het geen toegang heeft tot de nieuwe, glorieuze kunst van onze tijd, de kunst van de nieuwe goden, de kunst van de ingewijden.
De allereerste voorwaarde om tot deze nieuwe Parnassus toegelaten te worden, is dat men zijn hart het zwijgen oplegt.
Maar juist in dat hart leeft de geest die de voedingsbodem is voor alle kunst en cultuur.
De geest die in hoofd en buik leeft, en die zich vandaag zo nadrukkelijk manifesteert via de staat en de vrije markt, brengt geen kunst voort, tenzij anti-kunst.
Hij doet een cultuur niet groeien en bloeien, hij vernietigt ze, keert ze om tot een anti-cultuur.

Dát is het besef dat – even – daagt wanneer de kunst- en cultuurwereld wakker wordt geschud door een besparingsmaatregel van de regering: we hebben geen enkele vaste grond onder de voeten, we leven in een luchtbel.
Maar die wereld slaapt veel te diep dan dat het besef echt zou kunnen doordringen.
Toen de Nederlandse regering enkele jaren geleden overging tot een besparing van maar liefst 20%, organiseerde de kunst-en cultuursector prompt een ‘Mars der Beschaving’.
De boodschap was duidelijk: zij, de culturo’s, waren de steunpilaren van de beschaving en die beschaving wankelde omdat er in hun subsidies werd gesnoeid.
De kranten stonden er vol mee, maar de toeschouwers – het gewone volk langs de weg – haalde de schouders op voor zoveel eigendunk.
Het lachte de beschavingspilaren vierkant uit.
And that was that.
Er werd verder niet meer over gesproken.

20140926-133921.jpg

Hier in Vlaanderen zal het niet anders gaan.
De ‘culturo’s’ zullen flink van jetje geven, maar niemand zal daar wakker van liggen.
Ik maak me sterk dat er flink gegniffeld wordt om al die culturele ontzetting.
Menigeen zal denken: eindelijk beleven we nog eens wat plezier aan die kunstenmakers!
Ik zou zelfs zover durven gaan om te zeggen dat de bevolking ten aanzien van de culturele sector slechts één echte vraag heeft: wanneer houden jullie eindelijk eens op met die verspilling van ons belastinggeld!
Wie heeft er nood aan het werk van Jan Fabre, Panamarenko, Wim Vandekeybus en consoorten?
Een heel klein kringetje van ‘uitverkorenen’.
En dan rijst nog de vraag of hun behoefte dat werk geldt dan wel hun eigen uitverkorenheid.
De kunst- en cultuursector is alleen bezig met zichzelf.
Zij geeft geen moer om de behoeften van de bevolking.

Nu naderen we de kern van het probleem, want de paradox is dat kunstenaars zich nooit hebben beziggehouden met de behoeften van anderen.
Daar ligt nu net het verschil tussen kunst en ambacht.
De ambachtsman maakt waar hem om gevraagd wordt.
De kunstenaar maakt alleen waar hijzelf behoefte aan heeft.
Wordt hij gedwongen om toch in te gaan op een vraag van anderen, dan zal hij er alles aan doen om die vraag om te buigen tot zijn eigen vraag.

De beeldhouwer Aristide Maillol kreeg op een dag de vraag of hij een beeld kon maken dat de glorie en het heldendom van het Franse volk tot uitdrukking bracht.
Geen probleem, antwoordde hij.
Heeft u al een concept in gedachten? informeerden de afgevaardigden van de Franse regering.
Zeker, knikte de kunstenaar.
En wat zal het worden, denkt u?
Zoals gewoonlijk, antwoordde Maillol met een uitgestreken gezicht, een koppel blote billen!

20140926-134102.jpg

Maillol kon dat zeggen omdat hij de opdracht waarschijnlijk niet nodig had.
Maar ook kunstenaars die wél opdrachten nodig hadden, pasten er een mouw aan.
Goya bijvoorbeeld, de hofschilder van de Spaanse koning, stelde de koninklijke familie voor als een verzameling dégénérés.
Maar hij deed het wel op zo’n manier dat ze het niet merkten.
En Rubens dan, met zijn uitstalling van fijne vleeswaren!
Kan men zich werkelijk voorstellen dat zijn extreem zinnelijke schilderijen een antwoord waren op een vraag die leefde bij de strenge jezuïetenorde en de pilaarbijtende Spaanse koning, twee van zijn grootste opdrachtgevers?
Was het niet veeleer zo dat al dat blote vlees beantwoordde aan zijn eigen intense behoefte aan zinnelijke weelde, en dat hij geniaal genoeg was om die persoonlijke behoefte voor te stellen als de behoefte van anderen?

Het antwoord op die vraag is complex.

Geen schilderkunst is ooit zo populair geweest als de impressionistische.
Ze voorziet duidelijk in een grote en blijvende behoefte van ontelbare mensen.
Toch was iedereen geschokt toen de eerste impressionistische schilderijen opdoken.
Men schreeuwde zijn verontwaardiging van de daken.
Zo wil het althans de mythe.
Of het werkelijk zo erg was, is nog de vraag.
Eén ding is echter zeker, niemand zat te wachten op de impressionisten, niemand had hen wat gevraagd.
Als Monet en co gewacht hadden op die vraag, dan was het impressionisme er nooit gekomen.
Men kan zich zelfs de vraag stellen of er ooit kunst was ontstaan als kunstenaars gewacht hadden op een vraag van anderen.

Ik ondervind dat nu zelf in Brugge.
Ik zit daar al bijna een jaar ieder weekend op de markt met schilderijtjes.
Maar niemand van die tienduizenden toeristen heeft me ooit gevraagd om een portret te maken.
Nochtans doen ze zelf niets anders dan selfies maken.
Pas toen ik vanuit een eigen, zeer persoonlijke behoefte portretten begon te tekenen, stelden verschillende mensen vast: hé, dat wil ik ook wel!
Pas toen ze me een portret zágen tekenen, werd in hen de vraag wakker.
Maar heb ik die behoefte in hen gecreëerd (zoals de vrije markt aan één stuk door nieuwe behoeften creëert) of bestond ze reeds in hen en heb ik ze alleen wakker gemaakt door mijn voorbeeld?

Dat is eigenlijk de vraag waar het allemaal om draait.

Ik herinner me nog altijd een zonovergoten zondagochtend in oktober, meer dan veertig jaar geleden.
Ik woonde toen nog in Mechelen en zoals iedere week was ik m’n boeken gaan terugbrengen naar de bibliotheek.
Maar om de een of andere reden was die gesloten.
Het was zo’n prachtig herfstweer dat ik besloot om niet meteen naar huis terug te keren, maar van die gouden herfstochtend te genieten.
Zo kwam ik op een gegeven moment boven op de (nieuwe) Winketbrug te staan waar ik een panoramisch uitzicht had over de oude stad.
Ik zag mijn oude school liggen, het Scheppersinstituut met zijn sterrenwacht, en daarachter rees, imposant als altijd, de Sint-Romboutstoren, wakend over de nog slapende stad.
Ik stond dromerig uit te kijken over de oude daken toen het opeens was alsof ze woordenloos riepen: teken ons, teken ons!
Ik was verrast, want de idee dat de wereld getekend wil worden, was nog nooit in me opgekomen.
Ik was juist opgegroeid met de tegenovergestelde idee: dat tekenen iets uiterst persoonlijks was, iets waar de buitenwereld niks mee te maken had.

20140926-134340.jpg

Ik herinner me nog altijd heel goed dat ik op een dag in de academie stond te zwoegen op een tekening die maar niet wilde lukken.
Ik was de wanhoop nabij, en zoals steeds verscheen mijn leraar als uit het niets, precies op het moment dat ik het wilde opgeven.
Jongen, zei hij, maak je toch niet druk. Ze staan daarbuiten echt niet te wachten op je tekening, weet je!
Dat was zijn manier om mij moed in te spreken.
In die sfeer ben ik opgegroeid: een sfeer waarin kunst iets was wat je alleen voor jezelf deed, iets waar niemand anders zich voor interesseerde, iets wat in het beste geval gedoogd werd.
Niemand heeft me ooit gestimuleerd om te tekenen, zelfs mijn eigen tekenleraar niet, de man die zoveel voor me betekend heeft.
Nooit heb ik een woord van aanmoediging uit zijn mond gehoord, in al die jaren niet.
Hij was daar uiterst consequent in: tekenen moest helemaal uit jezelf komen, niemand anders had daar zaken mee.

Toen ik daar op die betoverende ochtend in oktober het slapende Mechelen ‘hoorde’ vragen om getekend te worden, was ik verbaasd en ook ontroerd.
Was het werkelijk mogelijk dat wat ik zo graag wilde ook gewild werd door de wereld daarbuiten, zelfs door een slapende stenen wereld?
Die gedachte was zo nieuw en zo ongewoon dat ik ze niet kon bevatten.
Ik dacht er dan verder ook niet over na, maar ik sloot de ervaring wel in mijn hart.
Pas tien jaar later, kwam de idee op een volkomen onverwachte manier weer naar boven, en dat was toen ik de Filosofie der Vrijheid van Rudolf Steiner las.
De idee die als een bliksem bij me insloeg, was dat de gedachten van de mens niet los staan van de wereld om hem heen: ze maken er deel van uit. Wat de mens buiten zich met zijn zintuigen waarneemt en wat er in hemzelf opduikt aan gedachten, gevoelens en impulsen, zijn twee kanten van een zelfde medaille. Er is maar één werkelijkheid, ze doet zich alleen op twee manieren aan de mens voor: in de vorm van uiterlijke, zintuiglijke waarnemingen en in de vorm van innerlijke ‘zieleroerselen’.

20140926-134436.jpg

Ik begreep van de hele Filosofie der Vrijheid geen jota, maar die ene centrale idee sloeg in als een bom en bevrijdde me van een diepe en kwellende geestelijke eenzaamheid.
Ik zat niet langer opgesloten in de overtuiging dat alles wat ik in mijn ziel beleefde niks te maken had met de wereld om me heen.
Ik dacht er op dat moment niet aan, maar Steiner bevestigde als het ware dat wat ik op die oktoberochtend op de Winketbrug gehoord had, reëel was, of toch op z’n minst reëel zou kunnen zijn.
Want uiteraard sluit niet alles wat in een mens opkomt naadloos aan bij de buitenwereld.
Juist in die kloof tussen buiten en binnen nestelen zich de tegenmachten, en met hen moet de mens worstelen om de oorspronkelijke eenheid van mens en wereld weer te herstellen.
Maar het is heel wat anders om je van die situatie bewust te zijn, dan om in de overtuiging te leven dat harmonie alleen bereikt kan worden door je ofwel aan te passen aan de buitenwereld ofwel die buitenwereld aan te passen aan jezelf.

En dat is ook waar het in die hele heisa over de besparingen in de culturele sector om gaat.
In die culturele sector leeft nog altijd, en zelfs meer dan ooit, de (materialistische) overtuiging waar ik in mijn jeugd zo zwaar onder gebukt ging: de overtuiging dat wat in de kunstwereld gebeurt niks te maken heeft met wat in de buitenwereld gebeurt, dat de behoeften van de kunstenaar niks te maken hebben met de behoeften van de bevolking.
En omdat men daarvan overtuigd is, bestaat er tussen beide werelden een fundamentele vijandschap: de kunstwereld voelt zich enerzijds gedwongen om zich te conformeren aan de buitenwereld (in de hoop dat ze ondanks haar anders-zijn mag blijven bestaan) en anderzijds wil ze die buitenwereld dwingen om zich te conformeren aan de kunstwereld en te worden zoals zij zelf is.
Maar van die vijandschap is de kunstwereld zich niet van bewust, en dus vloeien die twee houdingen – onderwerping en machtsuitoefening – samen.
Ze worden één verwarrend en paradoxaal geheel: een mengsel van slaafse onderwerping en agressieve intimidatie.

De moderne kunst- en cultuursector is met andere woorden niets anders dan een Westerse variant van de Islamitische Staat.
Ze is een soort terroristische organisatie die een vernederende onderwerping aan staat en economie paart aan niets ontziend (geestelijk) geweld tegen de gewone bevolking.
Daardoor wekt zij begrijpelijkerwijs een diepe weerzin bij de bevolking, die ook na honderd jaar overheersing nog altijd niks moet weten van de zichzelf ‘hedendaags’ noemende ‘kunst’.
Daarom is die kunstwereld ook ontzet wanneer haar broodheren dreigen de subsidiekraan ook maar een beetje dicht te draaien: de Islamitische Staat waar iedereen nu vol ontzetting naar kijkt, dreigt dan … een spiegel te worden.

20140926-134542.jpg

Ik vraag me af of de antroposofische driegeleders bereid zijn om in die spiegel te kijken.
Ze willen een nieuwe en een betere wereld scheppen, net zoals de kunst- en cultuursector dat wil.
En net als deze ‘hedendaagse’ cultuurwereld zijn ze in 100 jaar nog geen stap verder gekomen.
De driegelede maatschappij waar ze voor ijveren, is vandaag verder weg dan ooit.
De maatschappij is nog nooit zo dualistisch geweest als vandaag.
En nog altijd komen antroposofen er niet toe om hun eigen dualistische aard onder ogen te zien.
Als rasechte moslims weigeren ze naar zichzelf te kijken en wijten hun onvermogen aan de buitenwereld, aan de materialistische maatschappij, alsof ze daar niets mee te maken hebben, alsof het materialisme ook niet in henzelf leeft.

Als ik lees dat in de nieuwe driegelede maatschappij kunstenaars nog altijd zullen moeten vechten om te overleven, dan vraag ik mij af: wat is er zo nieuw aan die maatschappij?
Waarom al die inspanningen om een maatschappij tot stand te brengen die in wezen niet verschilt van de vorige en waarin beeldende kunstenaars gewoon het slaafje blijven van ‘de heren van het woord’?
Wat een verspilling van krachten!
Wat een tragische blindheid!
Maar ik geef toe: het IS moeilijk om in de spiegel te kijken en daar een fanatieke moslim te ontwaren.
Een mens zou voor minder de blik afwenden.
Maar is dat nu niet precies wat Rudolf Steiner van zijn leerlingen verwachtte: dat ze de blik NIET afwendden?
Was dat niet zijn eerste en belangrijkste eis: wakker blijven, de ogen niet sluiten?
Die eis gold ook de ‘driegeleders’.
Of vergis ik mij?

20140926-134623.jpg

Advertenties