Onbegonnen werk

door lievendebrouwere

Gisteren 29 september vierden we Sint Michiel ofte de aartsengel Michaël.
Michaël is de leidende en inspirerende geest van de antroposofie.
Als mensen vragen ‘wat is antroposofie eigenlijk?’ dan vragen ze eigenlijk naar Michaël.
En antroposofen staan dan gewoonlijk met de mond vol tanden.
Ze weten niet meteen wat te zeggen.
Want hoe vat je de antroposofie in een paar woorden samen?
Dat is onbegonnen werk.

Rudolf Steiner heeft veel over Michaël gesproken.
Maar hij heeft over véél onderwerpen veel gesproken.
Het is echter pas helemaal aan het eind van zijn leven, in de zomer van 1924, dat hij Michaël radicaal in het centrum van de antroposofische werkzaamheid plaatst.
Tegelijk drukte hij er ook op dat die werkzaamheid een samenwerking moest zijn, een samenwerking tussen mensen die op een heel verschillende manier denken, namelijk: platonici en aristotelici.
Alleen door hun samenwerking kan Ahriman, de geest van het materialisme, overwonnen worden.
Die samenwerking was er tijdens Steiners leven niet.
Hij kon er alleen het fundament voor leggen, de grondslag, de grondsteen.
Het echte werk zou pas tegen het eind van de eeuw kunnen beginnen, als de grote platonici op aarde kwamen en zich verbonden met de antroposofische aristotelici.
Dán moest het Grote Werk beginnen, het gezamenlijke werk waarmee Michaël zich kon verbinden om de mensheid de kracht te geven het materialisme te overwinnen.
Dat Grote Werk blijft echter ‘onbegonnen’.
Iemand iets gemerkt van de grote Platonici?
Iemand iets gemerkt van een geestdriftige nieuwe samenwerking?
Iemand iets gemerkt van een grote spirituele impuls?
Ik alvast niet.
Voor zover ik kan zien, is alles bij het oude gebleven.
En met het ‘oude’ bedoel ik de toestand van vóór de Weihnachtstagung.
Wat daarna kwam – karmaonderzoek, zielenthema, Michaëlische samenwerking – is grotendeels dode letter gebleven.

Het werk van Michaël moet nog beginnen, het is – letterlijk – onbegonnen.
Er wordt geprobeerd, ongetwijfeld, maar laat Michaël nu net een geest zijn die zich enkel bezighoudt met resultaten.
Michaël is een zwijgende geest die afwacht tot er iets uit de bus komt waarmee hij iets kan aanvangen.
Pas dán verbindt hij zich ermee.
Michaël is bij uitstek degene die in de mens gelooft: hij grijpt niet in als een overbezorgde ouder, maar laat de mens zelf zijn weg zoeken in de overtuiging dat hij die op eigen kracht kan vinden.
En áls hij die gevonden heeft, dan voegt Michaël zich bij hem.
Maar niet vroeger.

Niemand houdt als Michaël het ideaal van de vrije mens voor ogen.
Dat maakt hem niet bepaald tot de meest populaire geest.
Want vrijheid verovert de mens alleen op het kwaad.
Zonder kwaad geen vrijheid.
Michaël is dan ook daar te vinden waar het kwaad bestreden wordt.
En dat is geen aangename plek.

Syrië, Irak, Israël: de strijd tegen het kwaad is er van een gruwelijke hardheid.
Maar zwartgemaskerde mannen die onschuldigen kruisigen en onthoofden, hoogopgeleide piloten die steden en dorpen bestoken met bommen en raketten: is dát een beeld van de Michaëlische strijd?
Nee, het is er precies het omgekeerde van.
Het is een broederstrijd, een strijd van mensen die in wezen complementair zijn en dus zouden moeten samenwerken, maar wier bewustzijn niet doordringt tot hun wezenlijke verwantschap en die elkaar dus op leven en dood bestrijden in de overtuiging dat de ander het vleesgeworden kwaad is dat moet uitgeroeid worden.
Het is geen Michaëlische strijd van de mens tegen het kwaad, maar een dubbelgangersstrijd, een strijd van het kwaad tegen de mens.

De Michaëlische strijd is een strijd uit inzicht, een strijd om inzicht.
Het is een strijd die, naarmate hij gewonnen wordt, verandert in een spel.
En die Michaëlische overwinning is een zelfoverwinning: de mens strijdt met zichzelf.
Hij vecht met zijn dubbelganger en die dubbelganger is hij zelf: het is het stuk van zijn ziel dat nog niet bewust is, dat nog niet aan het licht is gekomen.
Het is dat deel van de mens dat nog niet is blootgesteld aan Christus.

Michaël wordt ook wel eens ‘het gelaat van Christus’ genoemd.
Het is een gesloten, onbewogen gelaat, een gelaat waarop niets af te lezen valt.
Er is alleen een intense blik vol verwachting, vol afwachting.
Want Michaël wil dat we hem herkennen, hij wil dat we onszelf herkennen in de ander.
En die ander is niet de liefdevolle ander, wiens gezicht straalt van liefde.
Die ander is de onbewogen vreemde, die zegt: wat heb ik met u te maken?
Michaël is voor ons een vreemde geest, een geest die tegenover ons staat en ons alleen maar aankijkt, met een intense peilende blik, een blik die in onze ziel zoekt naar vermogens die nog niet wakker zijn geworden.
Plus est en vous, zeggen deze ogen.
En daar laten ze het bij.
Want Michaël wil dat we vrije mensen worden.
Daarom beschermt hij ons ook tegen het wezen van Christus.
Daarom maakt hij diens gelaat ondoorgrondelijk.
Want als het transparant wordt voor de liefde van Christus, als het gaat stralen als een zon, dan worden we erdoor verpletterd. De duisternis in ons eigen hart – onze dubbelganger dus – wordt dan zo helder zichtbaar dat we het niet kunnen verdragen en eraan ten gronde gaan.

Daarom is Michaël het gesloten, ondoorgrondelijke gelaat van Christus.
Hij verwacht van ons dat we dat gelaat doen stralen, door de strijd met het kwaad aan te gaan, door onze dubbelganger onder ogen te zien. Want het is maar naarmate we daartoe in staat zijn, dat we ook in staat zijn Christus onder ogen te zien.
De verschrikkelijke broederstrijd die in het Midden-Oosten is losgebarsten, wordt gevoed door het onvermogen Christus onder ogen te zien.
Door het contact met de – in wezen christelijke – Westerse beschaving zijn de moslims (onbewust) in contact gekomen met Christus, en diens licht heeft hun dubbelganger pijnlijk zichtbaar gemaakt.

Tijdens de afgelopen eeuwen is de moslimwereld weggezakt in lethargie, terwijl de Westerse wereld juist bruiste van de activiteit.
Die Westerse activiteit had een gewelddadige component die voor iedereen zichtbaar was. Daardoor kon bij de moslims de overtuiging postvatten dat de islam een godsdienst van vrede was.
Vandaag ontwaken ze uit die droom en worden vol ontzetting geconfronteerd met de keerzijde van de medaille: de gewelddadigheid van de islamdubbelganger.
En die plotse confrontatie kunnen ze niet aan.
In een instinctieve afweerreactie projecteren de moslims hun dubbelganger op de Westerse wereld.

Door de Islamitische Staat en andere dubbelgangersorganisaties met bommen te gaan bestoken, wakkeren we de dubbelgangersstrijd alleen maar aan.
De tegenmachten willen niets liever dan dat.
Michaël wil iets totaal anders.
Tegenover de zelfvernietiging van de broederstrijd plaatst hij de zelfoverwinning die tot broederlijke samenwerking leidt.
Die zelfoverwinning vergt eveneens een strijd, een harde strijd, maar het is geen strijd tegen mensen, het is een strijd tegen geesten, een strijd om inzicht.

Deze strijd wordt (onder meer) in de antroposofische wereld gestreden.
Maar het is nog geen Michaëlische strijd.
Het is nog te veel een strijd tussen mensen, en te weinig een strijd tussen geesten.
Steeds weer zien we hoe dezelfde twee partijen tegenover elkaar komen te staan.
Steeds weer is het dezelfde tweespalt die opduikt en die antroposofische initiatieven ofwel keldert ofwel onvruchtbaar maakt.
Steeds weer botsen oude platonische zielen en jonge aristotelische zielen op elkaar.
Steeds weer stoten antroposofen zich aan dezelfde steen: de grondsteen.
Want het is tijdens de Weihnachtstagung dat Rudolf Steiner de oude en de jonge zielen aan elkaar klonk en tot een eenheid smeedde.
Hij deed dat in zijn eigen persoon, vanuit een volkomen vrije wil, vanuit een volkomen helder inzicht.

Tijdens het noodlotsjaar 1923, het jaar tussen de brand van het Goetheanum en de Weihnachtstagung, vocht Rudolf Steiner de exemplarische Michaëlische strijd uit.
Hij zag hoe de Antroposofische Vereniging verscheurd werd door de broederstrijd tussen de oude en de jonge zielen.
De spanningen tussen deze twee groepen hadden het Goetheanum figuurlijk maar ook letterlijk in lichterlaaie gezet.
Maar dit brandoffer kon de tegenmachten niet sussen.
De strijd ging verder en werd alsmaar heviger.
Tot Rudolf Steiner met een even drastische als onverwachte oplossing kwam: hij offerde zichzelf.
Hij ging als ‘bliksemafleider’ tussen beide strijdende partijen staan.
De pijlen die ze onophoudelijk op elkaar afschoten, dirigeerde hij naar zichzelf.
Hij onderging het volle gewicht van hun wederzijdse haat.
En hij vertrok geen spier.

Als een echte Michaëliet keek hij vol verwachting en geloof naar zijn leerlingen, in de hoop dat ze de grondsteen in hun hart zouden opnemen in plaats van erover te struikelen.
Hij hoopte dat ze de broederstrijd zouden transformeren tot broederlijke samenwerking.
Dát zou zijn gelaat hebben doen stralen.
Dát zou zijn lijden verlicht hebben.
Dát zou wellicht zijn leven hebben gered.

De foto’s uit het laatste jaar van Rudolf Steiners leven tonen een man wiens gelaat verwoest was.
Hij die altijd geblaakt had van gezondheid, hoewel hij aan één stuk door werkte en nauwelijks sliep, zag er nu verschrikkelijk getekend uit.
Mensen die hem een tijdje niet gezien hadden, waren ontzet door wat er op zijn gelaat te lezen stond.
Maar ze begrepen het niet.
Ze begrepen niet dat het hun eigen strijd was die zich op dat gelaat aftekende.
Dat gelaat weerspiegelde Steiners hart dat tot een slagveld was geworden waarop de antroposofen hun broederstrijd uitvochten, de strijd tussen de oude en de jonge zielen.
Dat zo wijze en wetende hart had zijn inzicht in de relatie tussen beide broederzielen aan de antroposofen geschonken en nu wachtte het tot dat inzicht opgenomen werd, tot het het hart van de antroposofen bereikte en daar de broederstrijd transformeerde tot hartverwarmende broederlijkheid.

Zo wacht ook Michaël op de mens.
Hij heeft de kosmische intelligentie – die in wezen het inzicht is in het harmonisch samenwerken van de hele kosmos – aan de mensheid geschonken en hij wacht nu af tot hij het terugkrijgt.
Want het schenken van die kosmische intelligentie was een offer: Michaël heeft er geen zeggenschap meer over.
Het lot ervan ligt in handen van de mens.
Hij moet de intelligentie weer veroveren op Ahriman, die er zich meester heeft over gemaakt en het ooit zo levendige weten herleid heeft tot een skelet van dode, abstracte ideeën.

Aan die dode ideeën dankt de moderne mens zijn vrijheid.
Maar die vrijheid is leeg, ze heeft geen inhoud, ze is louter vorm.
Als we werkelijk vrij willen worden, dan moeten we onze lege denkvormen weer vullen met geest, met levende geest.
En de eerste stap daarin is de verbinding van hoofd en hart.
In ons hoofd zijn we vrij.
Maar in ons hoofd zijn we ook dood.
Leven doen we alleen in ons hart en in onze wil.
De verbinding van ons denken met de wil is voorlopig een brug te ver.
Eerst moeten hoofd en hart weer met elkaar verbonden worden.
Niemand komt tot de Vader (de wil) dan door mij (het hart), zei Christus.
En dat is dan ook de Michaëlische weg: de weg van het hoofd naar het hart.
Het hart moet het hoofd verwarmen en ontdooien.
Het hoofd moet het hart verlichten en leiden.
Dat is ook het wezen van de broederlijke samenwerking tussen platonici en aristotelici.
De aristotelici zijn de ‘koele’ denkers, de wegbereiders van de vrijheid.
Zij zijn degenen die de weg moesten effenen voor de platonici, de ‘warme’ denkers.
De aristotelici, in de betekenis die Steiner geeft aan dit begrip, zijn in feite de jonge zielen die erin geslaagd zijn uit de greep van Ahriman te blijven.
De platonici van hun kant zijn de oude zielen die erin geslaagd zijn uit de greep van Lucifer te blijven.
Om het een beetje simpel te stellen: aristotelici zijn koel maar niet bevroren, platonici zijn warm maar niet heet. En juist daardoor, door hun matiging, door hun ‘christelijke’ terughouding kunnen ze elkaar de hand reiken.

Het schoolvoorbeeld van zo’n samenwerking tussen een platonicus en een aristotelicus zien we in de vriendschap tussen Schiller en Goethe.
Goethe was de jonge, aristotelische ziel, Schiller de oude, platonische ziel.
Hun samenwerking betekende voor de Duitse beschaving wat de samenwerking tussen platonici en aristotelici aan het eind van de 20ste eeuw had kunnen betekenen.
Wie de geschiedenis een beetje kent, weet dat de samenwerking tussen beide grote Duitsers er niet zonder slag of stoot gekomen is.
Het water tussen beiden was diep: Goethe, de evenwichtige klassieke ziel keek met groot wantrouwen naar de wilde Sturm-und-Drang ziel van de tien jaar jongere Schiller die zocht naar erkenning.
Maar uiteindelijk slaagden ze er toch in de brug te slaan, en het resultaat was indrukwekkend: door hun samenwerking schreven Goethe en Schiller geschiedenis.

Die (geestes)geschiedenis moet de antroposofie nog altijd schrijven.
De aristotelici en platonici hebben elkaar nog niet gevonden.
Een eenzame platonicus als Sergej Prokofieff is daar een tragisch voorbeeld van.
In zijn kamertje in Dornach schreef hij een hele reeks dikke boeken waarin hij het werk en leven van Rudolf Steiner, de grote aristotelicus, belichtte. Maar zelf kwam hij niet tot samenwerking met de levende aristotelici in de antroposofische beweging.
Aan het eind van zijn leven raakte hij zelfs betrokken bij de zoveelste tweespalt die antroposofen onder elkaar verdeelde.
Zijn voorbeeld geeft aan voor welke keuze antroposofen staan: ofwel de Michaëlische samenwerking, ofwel de verlammende broederstrijd.
En die keuze zal een zware geestelijke strijd vergen.

Advertenties