Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Maand: september, 2014

Hoezei!

In een vlaag van inspiratie dichtte ik ooit het volgende poëem.
De diepere betekenis moet u er op hedendaagse wijze zelf bij bedenken.

HOEZEI !

Het groot dom hert Luxemburg
rende door het Belgisch bos
en botste op een boom.

Tetterettetteretet!
schedelde de pan zo leeg
dat het klonk tot aan de zee.
Daar vroegen de vissen zich af:
wie loopt daar zo pardaf
en dom tegen een boom?
Dat zou ons niet overkomen.
Wij, wij kijken wel uit waar we lopen,
we hebben niet eens een gewei!
Hoezei, hoezei, hoezei!
Dat is ons grote visgeluk:
geen gewei, geen gezei, geen gezever.
Ja, ook geen poten zelfs,
alleen een grote mond
waarmee we water drinken.

Het groot dom hert Luxemburg
rende door het Belgisch bos
en struikelde over zijn poten.
Het zuchtte diep en zei:
Dit land is naar de kloten!

20140924-103058.jpg

Advertenties

Belgische mythen

Met de nakende herdenking van de inhuldiging van Willem-Frederik van Nassau als koning van de Nederlanden rukt de storbui aan Belgische en andere mythes weer op.
Gelukkig kunnen we op prof. em. Els Witte rekenen om die te weerleggen.
Op 21 september 2015 zal het 200 jaar geleden zijn dat Willem-Frederik, in Brussel, ingehuldigd werd als koning Willem I van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (koning sinds 16 maart 1815).
Met die verjaardag in het verschiet roeren voor- en tegenstanders van België zich nog eens extra.

20140924-085912.jpg

In Gent wil men koning Willem bedanken voor zijn beleid dat ontegensprekelijk voor Gent een weldaad was (stichting van de rijksuniversiteit en aanleg van het kanaal Gent-Terneuzen, om maar twee spectaculaire realisaties op initiatief van koning Willem, op te noemen). Anderen vinden dan weer dat de zwakheden van de koning nog maar eens belicht moeten worden: hij was tijdens de Franse bezetting een opportunist die er niet voor terugschrok met Napoleon zoete broodjes te bakken. Eenmaal aan de macht gedroeg hij zich als een despoot naar het model van keizer-koster Josef II. Hij was een woekeraar, een twijfelaar, etc..

In de grond is die discussie niet belangrijk; elke medaille heeft twee kanten. Van de grootste figuren uit de geschiedenis kan men, met wat zoeken, kleine kantjes blootleggen. De categorie van de heiligen buiten beschouwing gelaten, uiteraard.

Interessanter is het even stil te staan bij de geschiedenisvervalsing door belgicistische “historici” van de 19de eeuw (Henri Pirenne en Cie.) i.v.m. het ontstaan van de Belgische staat en de rol die Willem I daarbij gespeeld heeft.
Hun tot op heden nog steeds populaire voorstelling van de gebeurtenissen komt hierop neer (eigenaardig genoeg, zowel in België als in Nederland):

20140924-090021.jpg
(Henri Pirenne)

België, waarbij ze niet aarzelen de wording van België te laten teruggaan tot de middeleeuwen, of zelfs tot de Romeinen, wordt na de slag bij Waterloo, gekoloniseerd door de Noord-Nederlanders, de verfoeide “Hollanders”. Zij leggen hier hun wetten op, plunderen de staatskas om de schulden van het Noorden af te lossen, proberen de katholieke godsdienst te vervangen door het Calvinisme en tot afgrijzen van de betere bevolkingsklasse, willen ze het Nederlands opleggen als bestuurstaal. Daar tegen komen de Belgische revolutionairen in opstand en deze beweging wordt volgens hen gedragen door brede volkssteun. De Belgische helden treden, zoals dat helden past, heldhaftig op, verjagen het Noord-Nederlands koninklijk leger en “bevrijden” de Zuid Nederlanders die vanaf dan, zoals in het roemrijke verleden, opnieuw fier de naam Belgen dragen.

De eminente historica, Els Witte, verwijst, met haar recent verschenen studie: “Het verloren koninkrijk, het harde verzet van de Belgische orangisten tegen de revolutie” (De Bezige Bij Antwerpen 2014), met feiten, namen en data, gesteund op uitgebreid archiefonderzoek, het belgicistische verhaal naar het rijk van de fabeltjes

20140924-090145.jpg
(Els Witte)

Van een Noord Nederlandse kolonisatie is geen sprake; het volledig bestuurlijk apparaat, het leger in het Zuiden, het gerecht en de industrie, worden in het Zuiden geleid door autochtone Zuid Nederlanders (op enkele uitzonderingen na waarvoor men in het Zuiden geen geschikte kandidaten vond? Denk aan universiteitsprofessoren, waarvoor dan maar Noord Nederlanders, maar ook Pruisen en Engelsen aangetrokken werden.)

De Noord-Nederlandse provincies, verre van zich met deze gang van zaken te bemoeien, bekeken het beleid van koning Willem met argwaan. Zij vreesden concurrentie voor hun havens en hun wereldwijd handelsnetwerk, zagen met lede ogen dat ook Zuid-Nederlanders toegang kregen tot de koloniën en vreesden dat het hele avontuur hen teveel geld ging kosten. Koning Willem leek zowat de enige Noord-Nederlander die enthousiast aan de slag ging met het Verenigd Koninkrijk.

Koning Willem kreeg daarbij initieel de volle steun van de Zuid-Nederlandse ambtenaren, officieren, industriëlen en zelfs van een deel van de clerus.

Als in september 1830 de troebelen losbarsten, betuigt de integrale Zuid-Nederlandse elite haar trouw aan koning Willem, ook als zij in de eerste plaats geviseerd wordt en zij het slachtoffer wordt van de revolutie. Zij vormen vanaf dan de orangistische beweging. Maar laat er geen misverstand over bestaan, deze orangisten zijn niet de voorlopers van de latere Vlaamse Beweging en spelen ook geen rol in het ontstaan en de eerste stappen van de Vlaamse Beweging, op enkele uitzonderingen na, Jan Frans Willems bv.

20140924-090320.jpg
(Jan Frans Willems)

Het orangisme was volledig Franstalig en de leden ervan kwamen uit alle provincies van wat we nu Wallonië en Vlaanderen noemen. Orangisten hadden dus wel kritiek op de taalpolitiek van de koning maar dat deed geen afbreuk aan hun loyaliteit. Voor hen was de koning het wettig gezag en de band met de Verenigde Nederlanden. Helaas is later gebleken dat deze gepersonaliseerde band een belangrijke zwakte was bij de instandhouding van de Verenigde Nederlanden. Om die reden was ook de hetze van de belgicisten tegen de persoon van koning Willem zo hevig.

Waar kwamen de revolutionairen van de septemberdagen dan wel vandaan?

Els Witte is scherp:
Tuig, een bende schurken, begeleid door avonturiers infiltreerde het land vanuit Frankrijk met de bedoeling hier een nieuwe Franse staat op te richten. Liberale advocaten en journalisten zagen er een opportuniteit in om hun maatschappelijke denkbeelden, het liberalisme van de 19de eeuw, in de praktijk te brengen, en bezorgden aan de plundering van onze gewesten een doelstelling. Uiteraard maakten zij handig gebruik van de verpaupering van het gewone volk en de sociale onrust die daarmee gepaard ging.

20140924-090600.jpg

Men zal het ondertussen wel begrepen hebben: soortgelijke “revoluties” maken we vandaag mee in Oost Oekraïne, Syrië en Irak. Ons verhaal over 1830 is 185 jaar oud, maar het doet heel modern aan. Alleen namen en plaatsen zijn veranderd.

Het bandietenleger liquideert, vanaf september 1830, zonder pardon, het volledige Zuid-Nederlands bestuurlijk apparaat. De techniek die daarvoor gebruikt wordt, hebben we daarna in de Belgische context, nog een paar keer mogen ervaren: lijsten van te liquideren personen, intimidatie, meubels op straat gooien, huizen plunderen en in brand steken… uiteindelijk broodroof. Van een breed gedragen volksopstand is in 1830 geen sprake. Een ruime meerderheid van de bevolking blijft de koning trouw. Dat blijkt in het bijzonder uit de verkiezingen na de revolutie: ondanks intimidatie en vervalsing stemmen de kiezers voor de orangisten.

Hoe is het dan kunnen mislopen?

Een hele reeks factoren speelden mee.
De Zuid-Nederlandse elite was overtuigd van de wettelijkheid van haar bestuur en rekende op de kracht van haar band met koning Willem. Dit ambtenarenkorps was helemaal niet opgewassen tegen bendes schurken die, met geweld en minachting van de wettelijkheid, brutaal de ambtenaren uit hun ambt verdreven. De gewraakte ambtenaren doken onder, vluchten naar het buitenland of keerden zich, gedegouteerd, af van de politieke strijd. Zij vroegen bijstand aan de koning, kregen deze ook in de vorm van geldelijke steun, maar dat was in deze omstandigheden ondoeltreffend.

De koning was naïef (hij sprak over de infiltranten/opstandelingen als “nos frères égarés”), te weinig vastberaden en vond in het Noorden geen steun voor een krachtig (militair) antwoord op de indringers.

De kroonprins (de Prins van Oranje), een wispelturige opportunist met een troebele levenswandel, vond er niets beter op dan de politiek van zijn vader te ondermijnen, uit vals begrepen ambitie. In volle opstand kandideerde hij voor de Belgische troon.

De houding van de bondgenoten was doorslaggevend en nefast.

Pruisen, Oostenrijk en Rusland (de echtgenote van de Prins van Oranje was de zuster van de tsaar) steunden koning Willem slechts met mondjesmaat. Militaire bijstand zat er niet in omdat ze in eigen land met moeilijkheden geconfronteerd waren.

De handtekeningen van twee andere grote mogendheden op het Congres van Wenen, Frankrijk en England, bleken niet veel waard te zijn. Zij gooiden het op een akkoordje om koning Willem de figuurlijke dolk in de rug te planten. Zij dachten uit de verbrokkeling van de Nederlanden voordeel te kunnen halen. Helaas, een derde partij, Duitsland, meende, enkele decennia later, te kunnen profiteren van de zwakte van de Nederlanden, om via België Frankrijk aan te vallen.

Tienduizenden Franse en Britse jongens hebben in de grote oorlog van 1914-18 de Frans – Britse strategische blunder van 1830 met hun dood betaald.

Het orangisme heeft na 1830 nog 20 jaar teruggevochten en zelfs een paar pogingen tot staatsgreep ondernomen om het wettelijk gezag te herstellen. Helaas tevergeefs.

De twijfelende houding van de koning die daarenboven de steun van de noordelijke provinciën moest ontberen, deden deze pogingen tot staatsgreep, en (toen het te laat was, gelet op de geopolitieke situatie) zelfs een militaire invasie, mislukken.

1830 kwam dus duidelijk niet tot stand op basis van een algemeen ongenoegen in de Zuidelijke Nederlanden, want de Zuid-Nederlandse elites, zowel in Vlaanderen als in Wallonië, apprecieerden in ruime meerderheid het welvaart brengend beleid van de koning. En terecht, want in 15 jaar heeft deze, ook al was hij dan een verlichte despoot, meer gedaan voor de ontwikkeling van onze gewesten met de aanleg van wegen en kanalen, de aanmoediging van nieuwe industrieën, de stichting van twee universiteiten en de inrichting van een degelijk scholennet, dan de Coburgs in de daarop volgende 150 jaar.

20140924-090842.jpg

Helaas, de feiten zijn wat ze zijn, maar de gelijkenis met sommige conflicten vandaag is opvallend.

Men beweert dat de geschiedenis zich herhaalt totdat wij het verleden goed begrepen hebben. De waarheid heeft haar rechten en geschiedenisvervalsing draagt niet bij tot een goed begrip van wat er in het verleden is gebeurd.

Dit alles in het bijzonder ter overweging van de naïeve Vlaamse politici die straks, handjes schuddend en schouderklopjes gevend, de septemberdagen van de Franse gemeenschap (die feestdag is op 27 september) mee gaan vieren.
Zo weten zij tenminste wat er dan gevierd wordt.

(Bestuur Vlaams verbond van Overheidsambtenaren)

(Bron: de-bron.org)

De stoel

20140923-175133.jpg
(Ik zit gewoonlijk in die stoel)

20140923-140401.jpg

20140923-140609.jpg

Karmaonderzoek (2)

Vanaf februari 1924 houdt Rudolf Steiner een hele reeks voordrachten over algemene karmische wetmatigheden en over het karma van enkele historische figuren.
Eind juni, midzomer, acht hij het moment gekomen om te spreken over de karmische achtergronden van de antroposofen zelf.
Daar waren twee redenen voor.
Ten eerste: de menselijke verhoudingen tussen de antroposofen waren zeer gespannen, en Rudolf Steiner meende dat die spanningen alleen konden worden opgelost wanneer er inzicht ontstond in de spirituele achtergronden van de verschillende groeperingen.
Ten tweede: de tijd was rijp om met betrekking tot karma en reïncarnatie concreet te worden. Steiner had al vaak betoogd dat de antroposofie de praktijk van het leven nodig had om de geldigheid van haar inzichten aan te tonen. Dat gold ook voor het karma-begrip: pas wanneer het praktisch werd toegepast, zou het ingang kunnen vinden in de westerse cultuur.

Rudolf Steiner begint zijn voordracht van 22 juni 1924 (de 27ste karmavoordracht) met een oproep tot ernst.

Wanneer we over karma spreken, kijken we binnen in de diepste achtergronden van het bestaan. Alles wat we zien, alles wat we beleven, de hele werkelijkheid waarin we leven berust op het karma.
Waarom bestaat de kosmos? Waarom zijn er sterren, waarom zijn er wolken? Waarom een zon en een maan? Waarom zijn er dieren, planten en stenen? Waarom zijn er beken, rivieren en stromen? Waarom rotsen en bergen?
Omdat de wereld een voorraadkamer is waaruit de goden putten om het karma zichtbaar te maken.
De hele kosmos staat in dienst van het werk van de hiërarchieën aan de mens.
Zij kiezen uit die eindeloze kosmos wat ieder mens te zien krijgt tijdens zijn leven.
Alles berust dus op het karma, tot zelfs de natuurverschijnselen.

We moeten dan ook een gevoel van verantwoordelijkheid ontwikkelen ten opzichte van de karma-inzichten. We spreken hier immers over de meest esoterische zaken.
Sinds de Weihnachtstagung is dat ook aan de orde.
De Antroposofische Vereniging werd toen volledig heropgericht en vernieuwd.
Alles werd anders.
Er moest op een geheel nieuwe manier worden omgegaan met de antroposofische wijsheid.
De oude gewoonten dienden losgelaten te worden.
Wie dus toegeeft aan jaloersheden en onderlinge rancunes of meent de antroposofie wetenschappelijk te moeten bewerken, kan niet op de juiste manier over het karma nadenken.
Er moet een nieuwe, gemeenschappelijke geest door de hele antroposofische beweging gaan, er moet uit het antroposofische werk een nieuwe esoterische toon spreken.
En die vereist een nieuwe ernst.

Uit deze woorden valt op te maken dat we met de bespreking van het karma, en meer bepaald het karma van de antroposofen, een nieuw gebied betreden dat van ons een nieuwe instelling vraagt.
Het ontsluiten van dit gebied was een geweldig waagstuk.
Toen Steiner besloot de Weihnachtstagung – de kerstbijeenkomst van 1923 – samen te roepen, ging het heel slecht met de Antroposofische Vereniging. Ze verkeerde in een diepe crisis en Steiner stond op het punt de hele zaak op te geven en zich met enkele getrouwen terug te trekken.
Uit wat hij zegt over de ‘oude gewoonten’ kunnen we opmaken dat de vereniging verscheurd werd door luciferische hoogmoed enerzijds en ahrimanisch intellectualisme anderzijds.
Ofwel sloten antroposofen zich op in de ‘esoterie’ en vormden ze kliekjes die zichzelf antroposofischer en spiritueler vonden dan anderen.
Ofwel kozen antroposofen radicaal voor de ‘exoterie’ en ontdeden ze de antroposofie van alle esoterie in een poging haar salonfähig te maken.
Slechts weinigen slaagden erin de kerk in het midden te houden.
Deze tweespalt maakt Steiner radeloos, maar in plaats van deze poel van kleinzieligheid en kleingeestigheid te laten voor wat hij was, ging hij er midden in staan.
Hij maakte zichzelf tot het levende bindmiddel tussen beide extremen.

Steiner wist niet of de geestelijke wereld dit paardenmiddel zou accepteren.
De kans was reëel dat de goden zich van hem af zouden keren, want hij had de oeroude wet overtreden die zei dat esoterie en exoterie streng gescheiden moesten worden gehouden.
Op het overtreden van die wet stond sinds oudsher de doodstraf.
Wie mysteriegeheimen onthulde, en esoterie dus exoterisch maakte, moest sterven.
Maar het was niet de fysieke dood die Steiner vreesde, het was de geestelijke dood waarover hij zich zorgen maakte: de mogelijkheid dat ‘de bronnen van de antroposofie zouden opdrogen’ zoals hij het zelf uitdrukte.
Als de goden zijn ‘wetsovertreding’ niet hadden geduld, dan zou er een eind zijn gekomen aan de antroposofie. Ze zou samen met de vereniging ten gronde zijn gegaan en zijn hele levenswerk zou voor niets zijn geweest.
Dat was het kwellende dilemma waar Steiner toen voor stond: zou hij zich terugtrekken en het antroposofische wijsheidsgoed op de oude esoterische wijze behoeden zodat het niet verloren ging, of zou hij alles in de weegschaal werpen met het risico dat hij alles kwijt zou raken?

Het was niet zomaar een persoonlijk dilemma: Steiner had de antroposofie niet uitgebouwd voor zijn eigen eer en glorie. Wel integendeel, hij had zichzelf helemaal weggecijferd om te kunnen doen wat de wereld nodig had: het bewust leren kennen van de wereld van de geest, het vinden van een uitweg uit het materialisme.
Toen Julius Schroër niet opgewassen bleek tegen die taak, rustte de hele verantwoordelijkheid op de schouders van Rudolf Steiner.
Van hem, en van hem alleen, hing de voortgang van de menselijke bewustzijnsontwikkeling af.
Het was die verpletterende verantwoordelijkheid waarmee Steiner in het crisisjaar 1923 worstelde: er hing ontzettend veel af van wat hij zou doen.
In feite lag het lot van de mensheid in zijn handen.

We kunnen ons geen voorstelling maken van de grenzeloze eenzaamheid van deze man.
Hij werd in de steek gelaten door zijn leerlingen en de geestelijke wereld zweeg.
De goden konden op dit beslissende moment niet ingrijpen zonder de vrijheid van de mens teniet te doen.
Ademloos keken ze toe.
Zou de mens waar maken waar ze hem gedurende aeonen op hadden voorbereid?
Zou er op zijn minst één iemand zijn die – op eigen kracht en uit vrije wil – datgene deed wat moest gebeuren opdat de ontwikkeling van de mens verder zou kunnen gaan?

Die noodzakelijke vrije daad bestond erin dat Rudolf Steiner zich verzette tegen de goden, dat hij De Wet overtrad die ze sinds oeroude tijden hadden ingesteld.
Als esotericus mocht hij zich niet inlaten met een exoterische vereniging.
Hij was dan ook geen lid van de Antroposofische Vereniging die hij zelf had opgericht.
Maar hij zag dat deze vereniging ten gronde ging en dat de antroposofie geen ‘schaal’ meer zou hebben waarin ze bewaard zou kunnen worden.
Ze zou verspild worden, ze zou verdampen en weer ‘ten hemel’ stijgen.
Wat moest hij doen?

Steiner besloot alles op alles te zetten.
Hij maakte zichzelf tot schaal voor de antroposofie.
Tot dan had hij alleen de inhoud verzorgd, het wijsheidsgoed.
Nu nam hij ook de vorm op zich.
Hij verbond zich met de vereniging, hij werd haar voorzitter.
De man die zichzelf tot spreekbuis van de goden had gemaakt en onmetelijke geestelijke schatten op aarde had gebracht, maakte zich nu tot dienstknecht van de mensen.
Hij nam de verantwoordelijkheid op zich voor de meest onbenullige zaken, zoals het ondertekenen van de lidmaatschapskaarten.
Hij maakte zich ook aansprakelijk voor het gedrag van de ruziemakende leden van zijn vereniging.
Hij nam hun zonden op zich.
Hij deed met andere woorden hetzelfde als Christus.

Maar is dat niet juist de grootste blasfemie die een mens kan begaan: denken dat hij Christus kan imiteren? Denken dat hij de wet kan overtreden ‘omdat Christus dat ook gedaan heeft’?
Steiner was in al zijn grootheid nederig genoeg om te beseffen dat hij maar een mens was, dat hij zich kon vergissen, en dat vergissingen op dit niveau enorme gevolgen kunnen hebben.
Hij hield dus de adem in na de Weihnachtstagung, want er stond ontzettend veel op het spel.
Had ooit een mens zoveel verantwoordelijkheid gedragen?
Had ooit een sterveling zo’n zwaarwegende beslissing moeten nemen?

Ik denk dat we in dit licht de verantwoordelijkheid moeten zien waartoe Steiner oproept in deze karmavoordracht.
Er staat veel op het spel.
We moeten ons maar eens proberen voor te stellen wat het zou betekenen voor de wereld als de moderne mens geloofde dat het met de dood niet afgelopen is, en dat alles wat hij in dit leven goed of verkeerd doet, terugkeert in een volgend leven.
Het zou wellicht de Grootste Revolutie ooit zijn.
Spreken over karma mag dus niet licht worden opgevat.
Het vergt eenzelfde soort verantwoordelijkheidszin als Steiner zelf opbracht toen hij de Wet verbrak en esoterie met exoterie verbond.

Hij begint deze 27ste voordracht dan ook met een ietwat intimiderende waarschuwing: niets van wat hij hier zegt mag op een andere manier voor een publiek uitgesproken worden dan door een letterlijke herhaling van zijn woorden.
Een vrije weergave is uitgesloten.
Ieder die het besprokene aan een of ander publiek wil doorgeven, moet eerst toestemming vragen aan Rudolf Steiner zelf.
Dat is even slikken.
Maar Steiner verzacht meteen zijn strengheid.
Alles is in orde, zegt hij, als antroposofen zich ten volle bewust zijn van de moeilijkheden die gepaard gaan met het spreken over karma.
Welke moeilijkheden dat precies zijn, is niet meteen duidelijk.
Steiner spreekt enerzijds over het feit dat men een reeks (karma)voordrachten eigenlijk van begin tot eind zou moeten bijwonen, en anderzijds over kleinzielige gewoonten zoals jaloezie en persoonlijke rancunes.
Hij lijkt daarmee te wijzen op de luciferische en ahrimanische gevaren en op de noodzaak om daartussen het gulden midden te bewaren.
Even later maant hij zijn toehoorders aan om wat hij zegt niet met het verstand te begrijpen maar met het gevoel.
Hij wil dat zijn woorden door het hart worden opgenomen.
Want, zegt hij, wie niet diep wordt aangegrepen door de karmische verbanden die hier ter sprake komen, die kan in geen enkel opzicht karma bestuderen.

Dat klinkt al heel anders dan de eerste strenge waarschuwing.
Die was blijkbaar nog bestemd voor de ‘oude’ antroposofen, de antroposofen die verdeeld waren in (esoterische) denkers en (exoterische) doeners.
Wilden zij over karma spreken, dan moesten ze dat via Rudolf Steiner doen.
Voor de ‘nieuwe’ antroposofen lag dat anders, zij namen de karma-inhouden op in hun hart en beseften heel goed hoe moeilijk het was esoterie en exoterie met elkaar te verbinden.
Steiner maant de antroposofen dus aan om zichzelf te vernieuwen zoals ook de Antroposofische Vereniging sinds de Weihnachtstagung vernieuwd is.
Hij spoort ze aan om de tweespalt tussen denken en doen te overwinnen en zich te concentreren op het midden, op het hart.
Karma is geen intellectuele aangelegenheid en het is evenmin iets wat je zomaar eventjes doet.
Het is iets dat uit het hart moet komen en met de hele ziel moet worden beleefd en begrepen.
Dat is de nieuwe gemeenschappelijke geest die door de antroposofische beweging moet gaan: antroposofie mag geen louter studieonderwerp blijven, maar het mag ook geen louter praktische zaak worden.
Het moet in de eerste plaats een hartsaangelegenheid worden.

Steiner verwijst daarmee ongemerkt naar zichzelf.
Toen hij het besluit nam om de Wet te overtreden en zich persoonlijk te verbinden met de (exoterische) Antroposofische Vereniging deed hij dat niet uit rationele overwegingen. Hij deed het evenmin omwille van de praktische resultaten die hij daarmee zou boeken.
Hij deed het louter uit liefde.
Het was een daad die uit zijn hart opwelde, uit zijn zuivere, onzelfzuchtige hart.
We lezen in de voordrachten die hij na de Weihnachtstagung hield dan ook voortdurend de oproep om vanuit het hart tot het hart te spreken.
Als dat gebeurt, dan spreken we goed.
Ook over het karma, vooral over het karma.

Karma is werkzaam in alles wat mensen meemaken, het gaat alleen schuil achter de uiterlijke gebeurtenissen.
Een biografie vermeldt gewoonlijk alleen deze zichtbare gebeurtenissen.
Zij beschrijft wat er overdag in iemands leven gebeurd is.
Maar ze zegt niks over wat er ’s nachts gebeurd is, als de mens slaapt en in de geestelijke wereld vertoeft.
Dan wordt namelijk het karma gevormd en beleefd.
De nacht is karma-tijd.
Van zodra de mens inslaapt, begint zich meteen karma te vormen.
Alles wat wij beleefd hebben, alles wat wij gedacht hebben, alles wat we aan kwaad of goed gedaan hebben, begint zich om te zetten in de karmische ontwikkelingsstroom.
Zo begint de slaap.
Later duiken we onder in ons vorige leven, en daarna in het leven daarvoor, en zo verder tot helemaal aan ons eerste leven.
Pas dan kunnen we weer wakker worden.
Het vreemde is dat dit ook gebeurt tijdens een kort dutje, bijvoorbeeld wanneer we indommelen tijdens een antroposofische voordracht (het voorbeeld is van Steiner zelf).
In sneltreinvaart doorlopen we dan al onze levens.

Steiner geeft dit als voorbeeld van hoe het karma, ons hele karma, voortdurend aanwezig is, zij het niet bewust.
Hij voegt er een beschouwing bij over het inslapen en ontwaken.
Het bestuderen van wat er dan gebeurt, zegt hij, behoort tot de moeilijkste opgaven van de geesteswetenschap.
En hij beschrijft hoe de mens tijdens het inslapen zijn lichaam via het hoofd verlaat en het bij het ontwaken weer binnenkomt via de handen en de voeten.
Dat gaat heel geleidelijk, in die zin dat de mens pas ’s avonds helemaal in zijn lichaam zit en er pas tegen de morgen helemaal uit is.
Eigenlijk is de mens voortdurend aan het incarneren en excarneren. Het is één doorlopende beweging tussen lichaam en geest, een voortdurend in elkaar overvloeien.

Op die manier zou de biografie van een mens ook moeten geschreven worden: als een onafgebroken door elkaar weven van lichaam en geest, van zichtbaar en onzichtbaar, van toeval en karma.
Zoiets is in onze huidige cultuur alleen maar mogelijk via de stijl, via de manier van beschrijven dus.
Als we bij iedere concrete gebeurtenis zouden vertellen hoe ze samenhangt met het karma van de desbetreffende persoon, dan zou dat een dorre abstractie zijn.
‘Veel mensen, aldus Steiner, zouden waarschijnlijk heel sensationeel vinden, maar het zou werkelijk niet spiritueler zijn dan de kortzichtige biografieën die we tegenwoordig lezen en die geschreven zijn door mensen die geen benul hebben van het karma’

Steiner geeft hier een hint van hoe we het karma moeten benaderen: op een kunstzinnige manier.
Het geeft geen pas dat we concrete gebeurtenissen en hun karmische betekenis naast elkaar zetten: dat is een ahrimanische abstractie.
We moeten die gebeurtenissen zodanig beschrijven dat de karmische draden voelbaar worden.
Hier duikt weer Steiners hoofdbekommernis op: karma moet tot het hart spreken.
Op een andere manier komen we het niet op het spoor.
Wat het hart niet aanspreekt, wat de mens niet diep aangrijpt, zet ons op dwaalsporen.
Ik ken in onze vereniging, zei Steiner ooit, minstens vijf mensen die er allemaal van overtuigd zijn de reïncarnatie van Maria Magdalena te zijn.
Hij stak bij momenten stevig de draak met de luciferische nieuwsgierigheid naar vorige levens of de ahrimanische bekrompenheid waarmee karmische zaken benaderd werden.
Een kunstzinnige benadering is noch intellectualistisch noch egoïstisch.
Ze is in wezen driegeleed.
Ze ziet het zichtbare als een manifestatie van het onzichtbare en maakt de relatie tussen beide zichtbaar.
Haar inhoud is dus concreet, maar haar vorm is geestelijk.
En die inhoud en die vorm worden verenigd tot iets nieuws: een kunstwerk.

Karma is een kunstwerk en zo moet het ook benaderd worden.
Wie een kunstwerk alleen met zijn verstand benadert, ziet doodeenvoudig geen kunstwerk.
Hij ziet alleen de materiële buitenkant en daarin is het karma onzichtbaar.
Pas wanneer we het leven met ons hart bekijken, wordt de kunstzinnige, karmische dimensie ervan zichtbaar.
We mogen het karma dus zeker niet benaderen zoals we hedendaagse kunst benaderen, dat wil zeggen: door ons hart het zwijgen op te leggen en te speculeren over wat het kunstwerk zou kunnen betekenen.
Daar komen we trouwens nooit achter, want Hedendaagse kunst hééft in de regel geen betekenis.
Ze is door en door dualistisch: (geestelijke) inhoud en (materiële) vorm staan volkomen los van elkaar.
Er is geen verbindend element, er is geen hart.
We kunnen deze kunst dan ook niet met ons hart benaderen, dat is veel te pijnlijk.
We komen dan immers tegenover het Niets te staan, niet in zijn negatieve vorm, als de afwezigheid van Iets, maar in zijn positieve vorm, als een actief ver-niet-igende kracht.
Daar deinzen we instinctief voor terug: we sluiten ons hart hermetisch af en vluchten naar ons verstand.
En we weten niet beter of dát is de moderne manier om kunst te benaderen.

Het is verhelderend om die twee eens naast elkaar te plaatsen: de Hedendaagse kunst en de Grote Kunst van het karma.
Groter tegenstelling bestaat er niet.
De Hedendaagse kunst is als het ware de artistieke belichaming van oude tweespalt tussen esoterie en exoterie.
Wanneer Joseph Beuys één van zijn performances houdt, dan is dat een openbaar gebeuren dat gefilmd wordt en de wereld rondgaat. Tegelijk is het echter een onmiskenbaar esoterisch gebeuren, met vreemde sacrale gebaren en rituelen.
Tussen beide loopt evenwel een scherpe grens.
De buitenstaander, die de hele performance bekijkt als een publiek gebeuren en dus deel van het gewone leven, komt nooit achter de esoterische betekenis ervan.
Die blijft voor hem als niet-ingewijde volstrekt ontoegankelijk.
Pas wanneer hij de grens overschrijdt en ingewijd wordt in de antroposofische geheimen die de achtergrond vormen van Beuys’ werk, kan hij de betekenis van de performance doorgronden.
Normaliter zou hij die grens opnieuw in de andere richting moeten (kunnen) overschrijden om de buitenstaanders-die-er-niks-van-begrijpen te helpen zodat ook zij deel kunnen hebben aan de geestelijke rijkdom van Beuys’ kunst.
Maar wat kan hij die buitenstaanders vertellen?
Hij weet (als ex-buitenstaander) hoe de performance er ‘van buiten’ uitziet.
Hij weet (als ingewijde) ook hoe ze er ‘van binnen’ uitziet.
Hij kent met andere woorden materie én geest.
Maar hij heeft geen flauw idee hoe die twee samenhangen.
Dát hebben de ‘ingewijden’ hem niet verteld.
Daar houden ze zich niet mee bezig.
Het verband tussen buiten en binnen, tussen exoterie en esoterie is niet hun zorg.
Zij zijn alleen met de esoterie bezig.
Aan de andere kant van de grens zijn ze alleen met exoterie bezig.
Het verband tussen beide werelden is ook daar geen bekommernis.
En dus is het niémands zorg en drijven beide werelden steeds verder uit elkaar.

Dit is een beschrijving van hoe het er in de Hedendaagse Kunst aan toe gaat.
Helaas is het ook een beschrijving van hoe het er in de antroposofische wereld aan toe gaat.
Geen wonder dat die twee het zo goed met elkaar kunnen vinden: ze weerspiegelen en bevestigen elkaar.
Geen wonder ook dat het karmaonderzoek tot op de dag van vandaag een dode letter blijft.
Door zich met de Hedendaagse Kunst te associëren, door haar geest en haar gebruiken over te nemen, wijst de antroposofische wereld de Weihnachtstagung af.
Ze keert terug naar de Oude Mysteriën en hun strenge scheiding tussen exoterie en esoterie.
Ze wendt zich af van Rudolf Steiner, die in zijn eentje deze grens overschreed en de Nieuwe Mysteriën proclameerde.
Ondanks alle dikke boeken die er over de Weihnachtstagung geschreven zijn, blijven deze Nieuwe Mysteriën onbegrepen.
Ze kunnen dan ook niet met het verstand worden benaderd.
Ze kunnen alleen met het hart worden benaderd, een hart dat zich niet de mond laat snoeren door oude, achterhaalde esoterie, maar dat zichzelf durft te zijn en de wereld benadert zoals hij benaderd wil worden: als een kunstwerk, als een gigantisch karmisch kunstwerk.

Habt doch endlich einmal die Courage
euch den Eindrucken hinzugeben,
euch ergötzen zu lassen,
euch rühren zu lassen,
euch erheben zu lassen,
ja euch belehren und entflammen zu lassen.

(Goethe)

20140923-113356.jpg

20140922-194949.jpg

20140922-195201.jpg

20140922-195312.jpg

20140922-195402.jpg

20140922-195450.jpg

20140922-195521.jpg

Portrait of the artist as a young man

20140922-194630.jpg
(Auteur: Gilbert Van Hool)

Arbeid en inkomen

Op de Grote Rudolf Steiner Citaten site lees ik vandaag het volgende:

Zeer voor de hand ligt hier natuurlijk wel de tegenwerping: ‘Als ik iemand werk geef en hem daarvoor betaal, dan help ik die mens toch.’ Ja, inderdaad, men helpt hem door hem geld voor zijn werk te geven, maar in feite is het de werker die hier de helper is en niet de betaler. De betaler is alleen degene, die door zijn geld de macht heeft om de arbeidskracht van anderen te gebruiken of – als er te weinig wordt betaald voor het werk of het product – uit te buiten. Het is in de huidige sociale toestand wel zo dat arbeid iemand in staat stelt om een loon te verdienen om van te leven. Maar volgens Steiner moet dit verband tussen arbeid en loon in de toekomst totaal gescheiden worden. Een der grootste oorzaken van sociale ongelijkheid, onrechtvaardigheid en uitbuiting ligt in deze samenhang tussen arbeid en beloning. Als iemand voor zijn werk geen loon ontvangt, zal hij niet meer werken om er zelf beter van te worden, maar hij zal alleen nog werken vanuit het inzicht dat werk noodzakelijk is voor hem zelf en zijn medemensen. Hij zal een werker in dienst van de gemeenschap worden.

Deze woorden zijn voor mij momenteel wel zeer actueel.
Ik zou niets liever doen dan in Brugge de hele dag mensen tekenen, gratis en voor niks.
Ik heb dat op 13 en 14 september gedaan en ik vond het geweldig.
Ik deed wat ik het liefst doe: mensen tekenen.
En ik maakte een hele reeks mensen gelukkig.
De zon scheen boven en ze scheen ook beneden.
Wat wil een mens nog meer!

Het probleem is natuurlijk dat ik om te kunnen tekenen in leven moet blijven.
Ik heb ook papier nodig en verf en penselen enzovoort.
Ik heb kortom geld nodig.
Ik krijg er weliswaar van de RVA, maar dat qua basisinkomen is dat een lachertje.
An brengt ook geld in het laatje, maar genoeg is het niet.
En dus ben ik verplicht om geld te vragen voor m’n tekeningen.
Ik doe het niet graag, maar het kan niet anders.

Het resultaat is dat de boel blokkeert.
Afgelopen weekend wilde niemand betalen voor een tekening.
Uit arren moede heb ik dan maar weer enkele gratis portretten gemaakt.
Maar de pret was eraf.
Want je weet dat je je krachten verspilt. Ze worden immers niet aangevuld doordat in mijn behoeften voorzien wordt.
Ik heb het al eens meegemaakt: je loopt langzaam leeg en op een dag ben je op.
Gedaan met tekenen. Compleet leeggetekend.
Voor minstens tien jaar.
In die val kan en wil ik geen tweede keer lopen.
Het tekenen en schilderen is me te lief dan dat ik het opnieuw om zeep zou brengen door er niet genoeg geld voor te vragen.

Ik sta dus voor een dilemma.
Als ik niet genoeg geld vraag, dan breng ik mijn kunst om zeep.
Als ik wél genoeg geld vraag, dan breng ik ze eveneens om zeep.

Ik ben zeker niet de enige in dat geval.
Al de karikaturisten en portrettisten die ik heb ontmoet, hebben hun kunst om zeep geholpen doordat ze er hun brood moesten mee verdienen.
Neem nu één van de bekendsten: Nesten.
De man is zelf een karikatuur geworden.
Hij hangt ‘den artiest’ uit ‘want dat hebben de mensen graag’, lees: dat brengt geld op.
Hij is een soort clown geworden, een kermisattractie.
En toch is – of was – de man een begaafd tekenaar.
Ik heb ooit eens vroeg werk van hem gezien en dat was zeer knap.

20140922-162031.jpg

Het is een verschijnsel dat je veel aantreft, zelfs bij de grootsten: ze maken schitterend werk als ze jong zijn, maar van zodra ze ouder worden en geld beginnen verdienen, blijft er van hun belofte niks meer over en produceren ze aan de lopende band.
Eigenlijk geldt dat voor de hele moderne kunst.
Het begon allemaal veelbelovend met de impressionisten: de kunst werd opnieuw jong en levend.
Maar toen – de impressionisten waren bijna zonder uitzondering straatarm – kwam het grote geld eraan.
Vandaag zijn kunstenaars als Wim Delvoye, Jan Fabre, Luc Tuymans en Michaël Borremans op hun 40ste al ‘binnen’.
Ze leven luxueus en hun rijkdom steekt schril af tegen die van hun collega’s uit vroeger tijden.
Maar ze hebben in wezen hetzelfde gedaan als Nesten: ze hebben hun kunst om zeep gebracht omwille van het geld.
Eigenlijk is de héle kunst om zeep gebracht voor en door het geld.

20140922-163049.jpg

Toen Steiner pleitte voor de loskoppeling van arbeid en inkomen, vertolkte hij een actueel idee, een idee dat vroeg om realisering.
Met name de kunst had die realisering nodig.
Wilde ze zich verder ontwikkelen dan had ze volledige vrijheid nodig.
Kunstenaars hoorden geen geld meer te moeten verdienen met hun kunst.
Kunst moest bij uitstek een ‘vrijwillige dienst aan de gemeenschap’ worden, een dienst die uit louter liefde werd verricht.
Daar was de tijd rijp voor.
Daar vroég de tijd om.
Maar er gebeurde iets heel anders.
Kunstenaars werden hoeren.
Ze verdienden grof geld met de ‘betaalde liefde’.
En daardoor brachten ze de liefde om zeep.
Ze veranderden haar in haat, zelfvernietigende haat.

Het ergst van al is dat ze dat niet beseffen.
Ze weten niet beter of het hoort zo: voor liefde moet je betalen, kunst is koopwaar.
Ze worden dan ook de hemel ingeprezen.
Maar die bewondering is al even echt als hun werk.
Het is in wezen bewondering voor … geld.
De Mammon gebruikt de kunst als een spiegel waarin hij zichzelf kan bewonderen.

Ook het publiek beseft dat niet.
Het denkt van kunst te houden, maar het houdt alleen van zichzelf.
Het ziet geen verschil meer tussen liefde en prostitutie.
Het maakt geen onderscheid meer tussen kunst en schijnkunst.
Zonder de kunst uit vroeger tijden zou de moderne mens niet meer weten wat kunst is.
Zijn oog zou niet meer in staat zijn kunst waar te nemen.
Dat is vandaag trouwens al in hoge mate het geval.
De echte kunst van deze tijd wordt eenvoudig niet waargenomen.
Men kijkt ernaar maar men ziet ze niet.

20140922-163214.jpg

Dat is een andere reden waarom ik verplicht ben geld te vragen voor mijn werk.
Als ik dat niet doe, wordt het eenvoudig niet gerespecteerd.
Ik heb vroeger getekend voor veel te weinig geld.
Ik had geen keuze: het was dát of helemaal niks.
Het resultaat was dat ik m’n tekeningen wel eens aantrof op een keukenmuur, vastgepind met vier punaisen en ‘verbeterd’ met viltstift.
Ik vond dat er een paar dingen niet helemaal klopten, zei de eigenaar dan doodserieus.
Ik heb het ook meegemaakt dat mensen hun portret keurig in vier vouwden en in hun broekzak staken.
Ik mag er eerlijk gezegd niet aan denken wat er van al m’n portretten geworden is.
Hoeveel zouden er nog bestaan?
Immers, als het niet veel kost, is het niet veel waard.
Zo redeneren (blinde) mensen nu eenmaal.

Alleen al daarom ben ik verplicht om geld te vragen voor m’n tekeningen: opdat ze niet in de vuilnisbak zouden terechtkomen.
Het pijnlijke is dat ze juist daardoor waarschijnlijk in de vuilnisbak zullen terechtkomen.
Want niemand koopt ze, en wat zal ermee gebeuren als ik er niet meer ben?
Nee, ik maak me geen illusies.

De tragedie is dat ik geen uitzondering ben.
Er is nooit meer geld en rijkdom geweest in de wereld als vandaag, en waarschijnlijk is er nooit minder geld en rijkdom besteed aan kunst of andere zaken van geestelijke aard.
De moderne mensheid beschikt over een enorme potentie aan vrijheid, maar ze doet er niks mee.
Integendeel, ze gebruikt haar rijkdom om macht te verwerven, om mensen te reduceren tot slaven, tot prostitués die het kostbaarste wat ze hebben tot koopwaar maken.

En wat doe je daaraan?

Met die vraag word ik nu heel concreet geconfronteerd.
Hoe moet ik het in godsnaam aanpakken om in Brugge portretten en karikaturen te kunnen tekenen zonder m’n kunst daarbij om zeep te helpen?
Blijven proberen? Blijven volhouden?
Dat kun je misschien wel zeggen tegen een jongmens, maar op mijn leeftijd, als je je lichaam voelt aftakelen en er steeds minder tijd overblijft, klinkt het een beetje wrang.

Maar hé, ik geloof in karma.
Ik geloof dat het een betekenis heeft dat ik op m’n 60ste met deze vraag geconfronteerd wordt: hoe overleef je als kunstenaar in een wereld waar arbeid en inkomen niet gescheiden zijn, maar meer dan ooit samenvallen?
Wat doe je daaraan, hier en nu?
Daar moet ik dringend een antwoord op vinden.

20140922-163234.jpg

9/20

Op 13 september laatstleden ben ik, voor het eerst in 10 jaar, weer mensen beginnen tekenen.
In kleur dit keer, iets wat ik nog nooit had gedaan, want ik ben een uitgesproken zwart-witmens.
Het was dus een sprong in het diepe.
Maar ik sprong goed.
Iedereen was opgetogen, ikzelf niet in de laatste plaats.
Iedereen wilde getekend worden, ik kreeg geen tijd om te eten.
Wat wil een (tekende) mens nog meer!
Ik begon al te dromen.
Niet van roem en eer, godnee.
Gewoon een beetje geld verdienen, zodat An zich niet te pletter hoeft te werken, daar zou ik al heel blij mee zijn.
Maar zou dat wel lukken?
Want ik had die 13de september gratis gewerkt, ‘om het eens te proberen’.
Wat zou het worden als ik geld vroeg voor m’n tekeningen?
Iederéén is immers kunstliefhebber als het niks kost.

Zaterdagochtend vroeg reed ik samen met Marianne, mijn jongste dochter, naar Brugge.
Zij zou vandaag het kraam van Henk doen.
De mist was nog dichter dan vorige week.
Veel herfstiger kon de wereld er niet uitzien.
Ik moest heel goed opletten dat ik de uitrit Oostkamp niet miste (sic) want ik zag werkelijk geen hand voor mijn ogen.
Tussen haakjes: neem nooit de afslag Brugge als u naar Brugge wilt.
Ik heb het ooit één keer gedaan omdat ik niet begreep waarom Henk altijd via Oostkamp naar Brugge reed.
Wel, toen begreep ik het.
Als u mij niet gelooft, moet u het beslist eens proberen.
Het is een … belevenis.
Stadsplanning en wegenbouw op z’n Vlaams.
Bobbejaanland heeft er niks aan.

We arriveerden op de mistige Dijver.
Het vervelende met zo’n dochter is dat ze per se wil helpen.
En dan moet ik wakker worden, dan moet ik nadenken, dan moet ik roepen: neenee, niet daar! Of: neenee, dat eerst!
Zucht.
Marianne heeft net een half jaar in Afrika gewoond, maar veel heeft ze daar blijkbaar niet geleerd. Ze wil alsmaar dingen doen.
Vermoeiend!
Gelukkig arriveerde Henk en kon ze haar energie daar kwijt.

Tegen elven was m’n kraam klaar en al meteen verkocht ik een klein schilderijtje, eentje van 45 euro, aan drie oude dametjes.
We’ll take it with us to Engeland, zeiden ze.
Aha, zei ik, Scotland included!
Daar moesten ze om giechelen.
Dat begint goed, vond Marianne.
Jaja, antwoordde ik, best mogelijk dat dit het laatste wapenfeit van de dag is!
Daar geloofde ze natuurlijk niks van.
Maar het bleek wel waar te zijn.

Jawel, niemand wilde zich laten tekenen.
Van de hele dag niet.
s’Vrijdags had ik nog tegen An gezegd: ik heb er werkelijk zin in!
Want ik was het beu om de hele dag niks te zitten doen in Brugge.
Eindelijk kon ik weer werken! Eindelijk wat geld verdienen!
Twee vliegen in één slag!
Het werd een slag zonder vliegen.

20140921-191350.jpg

Omdat ik uit ervaring weet dat mensen me moeten zien tekenen, vroeg ik Marianne om te poseren.
Het was verdorie net of ik m’n zuster voor me had!
M’n jongste dochter is dus zeker niet van de postbode.
Alleen haar vossenogen heeft ze van An, en haar blonde haar.
Ik probeerde er een karikatuur van te maken, maar het wilde niet lukken.
Ben ik m’n karikaturiseerdrang kwijtgeraakt?
Best mogelijk.
Hij was al sterk afgenomen, zeker nadat ik kinderen was gaan tekenen.
Van kinderen kun je namelijk geen karikaturen tekenen.
Je maakt ze dan gewoon ouder.
Je tekent dan geen kind meer.
Ieder mens wordt een karikatuur van zichzelf naarmate hij ouder wordt.
Dat is de prijs die hij betaalt voor de ontwikkeling van zijn Ik: hij wordt lelijk.
Ik hoorde ooit een oud vrouwtje op tv verzuchten: oud worden is niks, maar zo lelijk worden …!
Bij vrouwen is dat verouderings- en verlelijkingsproces veel dramatischer dan bij mannen.
Ik heb meer dan eens moeten horen dat ik duidelijk iets tegen vrouwen had, want ik maakte hen veel lelijker dan de mannen die ik tekende.
Dat ik alleen maar iets zichtbaar maakte dat eigen is aan vrouwen, kwam niet in hen op, want het is natuurlijk een inconvenient truth dat vrouwen lelijker worden dan mannen wanneer ze verouderen.
Liever dan zich af te vragen wat daar de reden of de betekenis van is, verkozen mijn critici dit fact of life te negeren en mij van discriminatie te beschuldigen.
Ik heb daar altijd mijn schouders voor opgehaald.
Het is veel boeiender om mannen en vrouwen als gelijkwaardig te beschouwen en na te denken over hun verschillen, dan om te proberen die verschillen te verdoezelen omdat men niet echt overtuigd is van hun gelijkwaardigheid.
Mij maakt het niet uit of ik een man of een vrouw portretteer.
Als ik ze anders portretteer dan is dat omdat ze anders zijn.

Wat de hele figuur betreft, gaat mijn voorkeur ondubbelzinnig uit naar vrouwen.
Dat is omdat je een man bent, zegt men dan.
Ik geloof daar geen fluit (sic) van.
Het vrouwelijk lichaam leent zich gewoon veel meer om bekeken te worden.
Vrouwen zijn er sowieso veel meer op ingesteld om bekeken te worden.
Dat is voor hen een ware hartstocht.
Terwijl het kijken zelf een mannelijke hartstocht is.

Wie karikaturen tekent, probeert door te dringen tot het Ik van een mens.
Hij probeert het meest persoonlijke, het meest individuele zichtbaar te maken.
Dat vereist een extreem mannelijke, diep penetrerende, manier van kijken.
Dat gaat ten koste van het kinderlijke, want een karikatuur veroudert de mens.
Ze maakt de mens ook lelijk.
Daarom ben ik geneigd te denken dat de karikatuur een typisch modern verschijnsel is.
De mens is nog nooit zo individueel geweest als vandaag: hij is een uitgesproken Ik-wezen geworden.
Maar hij is ook nog nooit zo oud en zo lelijk geweest als vandaag.
Dat kun je nog het best aflezen aan de kinderen vandaag.
Een gezond kind blaakt als een zon.
Vergeleken daarmee zijn moderne kinderen bleke maan-wezentjes, flauwe weerspiegelingen van wat een kind hoort te zijn.
Van jongs af worden ze belaagd door allerlei ziekten, kwalen en afwijkingen, alsof het vermomde oude mensjes zijn wier lichaam al versleten is van bij de geboorte.
Nog schrijnender komt dit ontbreken van kind-kwaliteiten tot uiting in de hedendaagse kunst, die een soort orgie van lelijkheid is.

Wie karikaturen tekent, maakt de mens dus niet oud en lelijk.
Hij tekent de mens gewoon zoals hij is geworden.
In die zin was mijn overstap van het gewone portret naar de karikatuur, 45 jaar geleden, geen breuk of drastische verandering.
Het was gewoon een logische evolutie.
Ik bleef de mens natuurgetrouw tekenen zoals ik altijd al gedaan had.
Ik drong alleen wat dieper door in zijn (stervende) natuur.

Maar in de karikatuur wordt niet alleen de ouderdom en de lelijkheid van de mens zichtbaar.
Er wordt ook nog iets anders zichtbaar, iets waar je moet om lachen.
Anders dan je zou verwachten, wekt die lelijke, verouderde mens geen afkeer op.
Nee, je beleeft er … plezier aan!
En dat plezier is niet kwaadaardig of sardonisch.
Het is … bevrijdend.

Toen ik begon met het en public tekenen van karikaturen, weigerde ik om kinderen te tekenen.
Mensen die me dat vroegen – en dat deden ze niet zelden omdat ik méér vroeg voor een portret dan voor een karikatuur – antwoordde ik altijd dat zoiets niet mogelijk was.
Je maakt kinderen dan alleen maar 10 jaar ouder, en daar zag ik de zin niet van in.
Ik wilde ze tekenen zoals ze waren.
Maar steeds vaker kwamen kinderen me zelf vragen om een karikatuur.
Aanvankelijk bleef ik weigeren, maar kinderen geven niet gauw af.
En dus gaf ik hen uiteindelijk wat ze vroegen: ik begon ik karikaturen van hen te tekenen.
Dat was dubbel moeilijk, want ondanks het verouderende van de karikatuur wilde ik het kinderlijke behouden.
Maar het lukte.
Ik slaagde erin om in die jonge, nog ongevormde gezichtjes het Ik-karakter zichtbaar te maken zonder dat ze ophielden kind te zijn.
Ze reageerden daarop door voor mijn ogen open te bloeien als een bloem.
Ik was vaak diep geroerd als ik zo’n ‘engeltje’ zat te tekenen.
En geschokt als het na het tekenen in een oogwenk weer in een ‘duiveltje’ veranderde.

Het verbaasde me dat die soms wilde en uitgelaten kinderen uren konden staan wachten tot ze aan de beurt waren.
Achteraf denk ik: wat hen zo intrigeerde, waren de Ik-kwaliteiten die ik probeerde zichtbaar te maken.
Zo jong als ze waren, leefde in hen (net als in ieder modern mens) een diep verlangen naar hun Ik.
Alsof ze wisten dat heel die oude, lelijke wereld waarin ze terecht waren gekomen, iets bijzonder kostbaars verborg, iets dat al die lelijkheid deed vergeten, iets dat deze ‘gevangenis’ de moeite waard maakte: hun Ik.
Want kinderen weten veel meer dan we denken, ze weten het alleen niet bewust.

Als ik hen het resultaat toonde van mijn inspanningen, reageerden ze altijd op dezelfde manier: ze knikten haastig, maar ze keken niet.
Hun kinderlijke bewustzijn kon die confrontatie nog niet aan.
Maar hun onbewuste weten zei: ja, dat is wat ik wilde!
En als ik de tekening dan zorgvuldig in een kartonnen envelop had gestoken, renden ze er uitgelaten mee naar hun ouders.
Waarschijnlijk om hen te tonen: kijk, dat ben ik!

Ik vraag me soms af: waarom willen kinderen nog geboren worden in deze wereld?
Want ze weten vooraf wat hen te wachten staat.
Het is niet mogelijk dat ze in de geestelijke wereld niet weten hoe erg het er momenteel aan toe gaat op aarde.
De aarde is geen plek voor kinderen meer.
Noch voor concrete kinderen, noch voor het kind-in-de-mens.
En toch blijven ze komen, ook al worden ze geboren met kanker of met een heroïneverslaving of met één van die vele afschuwelijke ziekten en afwijkingen die het mensdom tegenwoordig teisteren.
Om van de rest maar te zwijgen, het onderwijs bijvoorbeeld.
Wat hen de moed geeft om desondanks te incarneren is volgens mij de mogelijkheid om hun Ik te ontmoeten.
Hoe klein die kans ook is, daarvoor zijn ze bereid de sprong in het diepe te wagen.

Om dezelfde reden, denk ik, willen ze ook een karikatuur van zichzelf.
Ze zijn, dat zie je heel goed, nog niet in staat bewust de confrontatie met hun uiterlijke, fysieke zelf aan te gaan.
Maar onbewust willen ze dat wél.
Zo’n karikatuur maakt in hen iets wakker van de reden waarom ze hier zijn.
En welke reden zouden ze anders kunnen hebben dan die ontmoeting tussen hun (fysieke) zelf en hun (geestelijke) Ik?
Wie zou door het oog van de naald willen kruipen als hij niet wist dat hem ‘aan de andere kant’ de Grootste Ontmoeting wacht die een mens maar kan hebben: de ontmoeting met zijn eigen diepste wezen.
En die ontmoeting is tegelijk een ontmoeting met Christus, het grote mensheids-Ik.
Hij is degene waar alles in onze oude, zieke en lelijke wereld om draait.

Een paar jaar geleden las ik aan zee de gesprekken van een (zware) autist met zijn moeder.
Vóór die moeder de techniek van facilitated communication (mét de computer!) ontdekte, leefde ze in de overtuiging dat haar 43-jarige zoon achterlijk was en niet in staat om te denken, laat staan te communiceren.
Het tegendeel bleek waar.
Hij vertelde haar dat hij in een vorig leven doodgemarteld was door nazi’s omdat hij geweigerd had een joodse vriend te verraden.
Als gevolg van die verschrikkelijke ervaring had hij zich voorgenomen om nooit of nooit meer op aarde te komen. Een typische autistische reactie overigens.

Wat heeft je dan van gedachte doen veranderen? vroeg zijn moeder.
Christus heeft me overgehaald om het toch nog eens te proberen, antwoordde hij.
En dat karma geen lachertje is, bleek uit het feit dat zijn volgende leven eveneens een marteling was: hij werd zwaar autistisch geboren, en veertig jaar lang als een zwakzinnige beschouwd en behandeld.
Wat een enorme tegenstelling tussen zijn fysieke zelf en zijn geestelijke Ik!
Een mens kan alleen maar raden naar de krachten die zo iemand daaraan ontwikkelt.

Het doet me terugdenken aan die keer toen ik het verzoek kreeg om een zwaar spastische jongeman te tekenen.
Ik durfde bijna niet naar hem kijken, zo vreselijk zag hij eruit, met zijn opengesperde mond waaruit voortdurend speeksel droop, met zijn misvormde ledematen, met zijn ongecontroleerde spastische bewegingen, met de luide kreten die hij uitstootte.
Weet u wel zeker dat hij zich wil laten tekenen, vroeg ik zijn begeleider.
O ja, lachte deze, en het moet een karikatuur zijn!
Vooruit dan maar, dacht ik, en ik gooide alle remmen los.
Toen ik resultaat (niet zonder aarzeling) liet zien, kreeg de jongeman zo’n stuip dat hij half uit zijn rolstoel hing.
Ik schrok me lam.
Met vereende krachten hees men hem weer in zijn vervoermiddel terwijl hij met zijn misvormde armen wild om zich heen sloeg en schrikwekkende kreten slaakte.
Mijn God, dacht ik, wat heb ik gedaan!
Maak je niet ongerust, zei z’n begeleider, hij komt niet bij van het lachen!
Ik had moeite om het te geloven.
Hoe kan iemand nu lachen om zo’n uiterlijk!
Maar ik kreeg de tijd niet om daarover na te denken, want daar was nummer twee al.
Iemand met een (alweer) zwaar misvormd gezicht zat star voor zich uit te kijken, zonder ogenschijnlijk iets te zien.
Ik deed opnieuw mijn uiterste best om een karikatuur van hem te maken, dat wil zeggen om de karikatuur die hij reeds was, zo natuurgetrouw mogelijk op papier te zetten.
Toen ik de tekening toonde, reageerde hij niet.
Het was alsof hij (nog altijd) niks zag, maar zijn gezicht liep wel rood aan, steeds roder, tot het ten slotte donkerpaars werd.
Tegelijk stootte hij een hoog en dringend gepiep uit waar maar geen eind aan kwam, als een auto-alarm dat afgaat.
Opnieuw stelde de begeleider me gerust: hij vindt het absoluut fantastisch!
Ik begreep er niks van.
Hoe kunnen mensen die er zo vreselijk misvormd uitzien nu plezier beleven aan een karikatuur van henzelf?
Later op de dag zag ik ze aan de overkant van de Groentenmarkt passeren, allebei met hun tekening voor zich. Ze hadden nergens anders oog voor.
Weet je, had hun begeleider gezegd, geestelijk mankeert er niks met die twee, ze zijn net als jij en ik. Ze zitten alleen gevangen in een lichaam waar ze niks mee aankunnen.

Ik ben die twee zwaar spastische mensen nooit vergeten.
Ik was zwaar onder de indruk van hun vermogen om met zichzelf te lachen.
Wat had het hen niet gekost om dat vermogen te ontwikkelen, het vermogen om tegenover zichzelf te gaan staan als tegenover een schrikwekkende vreemde en toch te zeggen: ja, dat ben ik!
Een dergelijk vermogen is een Ik-vermogen, en het is een wonder dat een mens dat vermogen bezit.
Deze twee mensen hadden alle reden om zichzelf (en het leven) te verafschuwen, maar dat deden ze niet.
Ze beleefden allemachtig veel plezier aan hun eigen tronie.
Wat zágen deze mensen?
Zagen zij niet hetzelfde wat ook kinderen zien als ze naar m’n karikaturen kijken?
Ze zien de misvormingen, maar ze zien ook nog iets anders.
En het is de vergelijking tussen die twee die hen doet lachen.
Ze beleven vreugde aan die enorme tegenstelling.
Als dát geen mysterie is!

Ik teken niet graag portretten in het openbaar.
Ik word dan telkens geconfronteerd met de ijdelheid van mensen, met hun onvermogen om naar zichzelf te kijken.
Ik vind dat zo … klein.
Ik herinner me nog dat ik ooit een beeldschoon meisje tekende.
Ik geniet buitengewoon van vrouwelijk schoon en ik had zodanig m’n best gedaan om die schoonheid in de verf te zetten dat ik dacht: slijmerd die je bent!
Maar toen ik het resultaat liet zien, was het meisje in shock.
Zie ik er zó uit? vroeg ze met een blik vol verbijstering.
Ik kon op mijn beurt niet anders dan verbijsterd zijn.
Wat voor beeld had dat wicht wel van zichzelf?
Opeens begreep ik iets van het luciferische lijden van vrouwen.
Ergens zit er bij hen altijd het bewustzijn dat ze bekeken worden.
Ze willen dat heel erg, maar ze zijn er tegelijk heel bang voor.
Iedere kunstenaar kent dat verschijnsel: je wilt graag dat je werk gezien wordt, maar tegelijk ben je als de dood voor kritiek.
Vrouwen zijn, in hun fysieke verschijning, kunstenaar en kunstwerk tegelijk.
Een zwaar leven, beslist.

Het kost mannen minder moeite om naar zichzelf te kijken.
Hun kijken is dan ook afstandelijker, minder betrokken.
Als ik bijvoorbeeld iemand teken, verbreek ik innerlijk elke persoonlijke band.
Mijn kijken wordt ‘klinisch’: ik kijk naar een vreemde.
Vooral met kinderen is dat moeilijk, en met baby’s komt er zelfs geweld aan te pas.
Het is dan een gevecht-met-de-engel: ik moet me hevig verzetten tegen de ongelofelijke aantrekkingskracht van dat kinderlijke wezen.
Maar het is de voorwaarde om me te kunnen concentreren op het Ik-wezen zoals het zich uitdrukt in de fysieke verschijning.

Dit afstandelijke, objectieve kijken is uitgesproken mannelijk.
Ik ken dan ook geen vrouwelijke karikaturisten.
Ze moeten zich te veel geweld aandoen om afstand te kunnen nemen van het zielegebied. Ze duiken daar veel te graag in onder: dat is hun ‘liefdevolle’ aard.
Mannen zijn bijlange niet zo liefdevol.
Dat wordt hen door de hedendaagse feministen wel ingepeperd, zelfs in die mate dat ze als het ‘slechte geslacht’ worden weggezet, dat alleen maar in staat is om te vernietigen en geweld te gebruiken.
Deze fanatieke feministen verkijken zich niet zozeer op de man dan wel op de mens als een Ik-wezen.
Ze begrijpen niet dat die extreme mannelijkheid – dat gewelddadige afstand nemen – nodig is om het Ik te leren kennen.
Op fysiek gebied herkennen we die extreme mannelijkheid in de gewelddadige krachten die bij de geboorte moeder en kind scheiden.
Onder de druk van al dat ‘mannelijke’ geweld verandert de persoonlijke, egoïstische en luciferische liefdevolheid van het meisje in de bovenpersoonlijke, onzelfzuchtige en christelijke liefdevolheid van de moeder.

Zo’n geboorte – een vrouw die geteisterd wordt door extreem-mannelijke scheidende krachten – is in feite het fysieke oerbeeld van de kunst.
Ook de kunstenaar moet zijn (vrouwelijke) scheppende krachten onderwerpen aan de (mannelijke) oordeelskrachten, anders komt hij nooit tot kunst.
Echte kunst bezit altijd de kwaliteiten van het kind.
Alle grote kunstenaars zijn Grote Kinderen.
Het zijn volwassen kinderen die het mannelijke en het vrouwelijke in zichzelf tot vruchtbare samenwerking hebben gebracht.
Maar daarmee is het geboorteproces niet afgelopen.
Een kind dat zonder ongelukken geboren wordt, is natuurlijk al een succes op zich.
Maar daarna moet het nog opgroeien, want vanuit zichzelf kan het nog niks.
Het IS er alleen.
Het moet nu nog WORDEN.

Ik heb me al vaak afgevraagd waarom ik gedwongen word mijn ‘kinderen’ in het openbaar te baren.
Ik heb er een hekel aan om naar foto’s te werken, zoals de meeste karikaturisten doen.
Ik heb het contact met een levend mens, met een Ik nodig.
Maar waar vind je dat nog!
Ik droom er al m’n hele leven van om slechts één enkel mens te tekenen of te schilderen.
Een beetje zoals Rubens, die zijn hele leven slechts één vrouw heeft geschilderd: Hélène Fourment.
Hij schilderde haar reeds voor ze geboren was.
Weliswaar heeft hij prachtige portretten gemaakt van zijn eerste vrouw, Isabella Brant, maar het vrouwengezicht dat telkens weer terugkeert in zijn werk is dat van de mooie Helena.
Daar droom ik dus al m’n hele leven van: ik en een mooie Helena in een atelier.
En met ‘mooie Helena’ bedoel ik niet zomaar een knappe vrouw.
Nee, ik bedoel een vrouw die ik elke dag opnieuw wil tekenen en schilderen.
Er zijn namelijk mensen die zo’n voortreffelijk model zijn dat het is alsof ze zichzelf tekenen en je alleen maar het potlood of het penseel hoeft vast te houden.
Je maakt een tekening dan werkelijk samen, en dat is een onbetaalbare ervaring, een puur genot.
Heel af en toe heb ik zo iemand op mijn stoel gehad, en dan dacht ik: kon ik haar maar m’n hele leven tekenen!
Daarachter schuilt het verlangen om iemand – tekenend en schilderend – zo goed te leren kennen dat je haar als het ware van binnenuit kunt tekenen of schilderen, dat je haar kunt tekenen door haar te wórden.
Helaas, de vervulling van dat verlangen (en de resultaten die daaruit zouden zijn voortgevloeid en die van een heel andere orde zouden zijn geweest dan wat ik nu maak) stond niet ingeschreven in mijn karma.
In plaats van één mens heb ik duizenden mensen getekend.
In plaats van een atelier was de drukke straat mijn actieterrein.
In plaats van alleen en van geen mens gestoord, heb ik altijd met een publiek gewerkt.
In plaats van een gerespecteerd kunstenaar ben ik een soort marktattractie geworden die mensen aan het lachen brengt.

Waarom?

Ik kan me soms niet van de indruk ontdoen dat ze ‘ginder boven’ begiftigd zijn met een nogal kras gevoel voor humor.
En dat gevoel voor humor is volgens mij nieuw.
Het maakt deel uit van de Nieuwe Mysteriën.
De gedachte die bij me opkomt, is namelijk die van de openbaarmaking van het scheppingsproces, het ‘open baren‘ zeg maar, een proces dat tot voor kort plaatsvond in de beslotenheid van het atelier, far from the madding crowd.
De impressionisten waren de eersten die deze ‘esoterische’ beslotenheid doorbraken, buiten gingen schilderen en de kunst weer kinderlijk en opgewekt maakte .
Daarop volgde de ahrimanische contra-revolutie: de kunstenaars sloten zich meer dan ooit op in hun atelier.
Een en ander resulteerde in de troebele vermenging van esoterie en exoterie, van atelier-beslotenheid en publieke openbaarheid, die we kennen als de performance.
Deze performances zijn vreselijke karikaturen van het scheppingsproces, maar er gaat een grote fascinatie vanuit omdat het kind-in-de-mens dit proces instinctief herkent.
Het is zijn eigen geboorteproces.
Maar het wordt op een verschrikkelijke manier misvormd door de intellectualistische Ahriman die de kunstwereld helemaal in zijn greep heeft.

Ik heb deze intellectualistische Ahriman nooit toegang verleend tot mijn tekenen.
Never.
En dat heeft hij me betaald gezet.
Hij heeft me de toegang versperd tot de kunstwereld.
Hij heeft me – letterlijk en figuurlijk – op straat gezet.
Maar zoals het vaak gaat: daardoor deed hij precies wat nodig was.
Althans daar ga ik vanuit.
Je doet niet een heel leven dingen die niet in je karma ingeschreven staan.
Trouwens, als ik karikaturen teken, als ik de ene na de andere mens teken, terwijl de zon schijnt en er om me heen gelachen wordt, dan voel ik me in mijn element.
Hoe vreemd dat ook klinkt uit de mond van een (halve) autist, het zijn de momenten waarop ik me het meest mezelf voel.
En dat heeft niks te maken met in de belangstelling staan, want daar hou ik helemaal niet van.
Two is voor mij company, maar three is a crowd.
En ik hou niet van menigten, want daarin kan ik mezelf niet zijn.
Maar oog in oog met mijn model, in dát gezelschap voel ik me helemaal thuis.
Kijkend naar een menselijk gelaat: meer heb ik niet nodig.
En dan mag er nog zoveel volk staan kijken, het maakt me niks uit.
De hele wereld bestaat dan nog alleen uit mijn model, ikzelf en de wordende tekening tussen ons in.
Alles speelt zich af onder ons drieën.

Zeker, het is leuk als mensen vol bewondering zijn voor mijn werk.
Maar ik weet goed genoeg wat die bewondering waard is.
Verleden week bijvoorbeeld was het bewondering alom.
Jaja, dacht ik bij mezelf, wacht maar tot ze moeten betalen!
Ik was er helemaal niet gerust in.
Zeker, destijds op de Gentse Feesten had ik soms ook geen tijd om te eten.
Maar de Brugse folkloremarkt is heel iets anders dan de Gentse Feesten.
En dat bleek.

Nadat ik Marianne getekend had, gebeurde er … niets.
Verleden week verdrongen ze zich nog om zich te laten tekenen, vandaag verscheen er nauwelijks leven in hun blik.
Ik was er niet goed van.
Ik had me er zo op verheugd weer mensen te kunnen tekenen. Als het kon, zou ik dat met plezier gratis gedaan hebben, maar niemand diende zich aan.
Wat een opdonder!
Lag het aan het weer?
Een klassieke vraag onder marktkramers.
Verleden week was het nog volop zomer.
Dit weekend was het al volop herfst.
Er hing een landerige atmosfeer.
Nochtans verkocht Marianne goed, en ook elders veranderden er heel wat euro’s van eigenaar.
Maar aan mijn kraam was het de dood in de pot.

20140921-191830.jpg

Wat moest ik doen?
Ik ben niet iemand die mensen aanklampt en hen in mijn stoel praat.
Niets ligt me verder dan dat.
Nochtans besloot ik na lang aarzelen, om het heft nog eens in eigen handen te nemen.
Ik stapte op het dochtertje van één van m’n buren af, een meisje van een jaar of acht dat zich op een bank zat te vervelen terwijl papa aan het werk was.
Ik vroeg: zou jij niet eens voor me willen poseren zodat ik je kan schilderen?
Het kind keek me met grote ogen aan en knikte woordenloos van ja.
Het kwam ietwat verlegen op m’n stoel zitten en ik ging aan de slag, opgelucht dat ik iets kon doen.
Maar opnieuw aarzelde ik tussen karikatuur en portret.
Wat was dat toch!
Met veel moeite kreeg ik het kind op papier.
Op een gegeven moment stond de moeder achter me.
Ze maakte zich boos op het meisje: ik had je toch gezegd dat je niet verder mocht dan die bank!
Waren ze het kind kwijt geweest?
Ik voelde me als een halve kinderlokker.
Ik had er niet aan gedacht iets aan de ouders te vragen.
Ik had het kind de hele ochtend heen en weer zien lopen op de markt, en ging ervan uit dat het daar kind aan huis was.
Blijkbaar was mijn initiatief niet zo’n best idee.
Het leverde ook niks op.
Niemand besloot om zich te laten tekenen.
Toen het vriendinnetje van mijn model me kwam vragen ‘hoeveel het kostte’, zei ik dan ook: voor jou niks!
Dat liet het meisje zich geen twee keer zeggen.
En opnieuw kreeg ik het moeilijk.
Kinderen tekenen is sowieso altijd een gevecht (met hun engel), maar nu moest ik ook nog vechten met zaken waarmee ik niet wilde vechten.
Zoals: hoe krijg ik ook andere mensen in mijn stoel?

20140921-191923.jpg

Doorgaans helpt het als ze mij zien tekenen, maar gisteren hielp het niks.
Het huilen stond me nader dan het lachen.
De gedachte dat ik iedere keer zo aan de kar zal moeten sleuren, benam me de moed.
Ik wist: dat houd ik nooit vol.
Maar ik wist ook dat ik het niet zou volhouden als ik m’n prijzen – 25 euro voor een zwart-wit portret en 50 euro voor een portret in kleur – liet zakken.
Niemand houdt dat vol.
De meeste – zeg maar alle – karikaturisten of portrettekenaars die in het publiek werken, tekenen telkens weer hetzelfde gezicht, met een paar kleine variaties.
Ze hebben geen andere keuze.
Als ze doen zoals ik, en zich telkens weer in een ander mens verdiepen, dan kunnen ze er onmogelijk een broodwinning van maken, hoe goed ze ook zijn.
Daarom werken de meesten naar foto’s en voor tijdschriften, iets wat ik niet wil.

Eigenlijk is er maar één oplossing voor mijn probleem, en dat is het gewaarborgd basisinkomen.
Ik wil helemaal geen geld verdienen met mijn werk.
Ik vind het vreselijk om prijzen te plakken op mijn tekeningen of schilderijen en er koopwaar van te maken.
Dat went nooit.
Ik heb me dan ook nooit schuldig gevoeld omdat ik ‘van den dop’ leefde en intussen alleen maar tekende of schilderde of schreef.
Zo hoort het eigenlijk: een mens moet betaald worden om te leven, niet om te werken.
Als ik soms lees of hoor wat jonge mensen tegenwoordig moeten doen om aan een job te raken, en als ik soms lees en hoor wat die jobs inhouden, dan denk ik: dit is wraakroepend!
Dat ontwikkelde, opgeleide en werklustige jonge mensen gereduceerd worden tot bedelaars in een wereld die bulkt van het geld, dat is een situatie die schreeuwt om gerechtigheid.
En die gerechtigheid komt nu in de zwartgemaskerde wraakgodin ISIS.
Wat haar volgelingen tot terreur drijft, is het feit dat ze niks kunnen doen met hun scheppende krachten.
Wiens schuld dat is, doet er niet toe.
Alle jonge mensen bevinden zich vandaag in meer of mindere mate in dezelfde situatie: hun scheppende krachten worden zodanig aan banden gelegd dat ze veranderen in vernietigende krachten.
In het Westen richten die krachten zich vooral tegen zichzelf, in de moslimlanden richten ze vooral op anderen.
Maar het basisprobleem is hetzelfde: nergens krijgen jonge mensen nog de kans om te worden wie ze willen zijn.

Een bekende wereldreiziger zei ooit dat het grootste probleem dat hij op zijn reizen was tegengekomen jongeren waren die niets omhanden hadden.
Dat is een echte tijdbom, zei hij.
Wel, vandaag begint die tijdbom te ontploffen, en ik mag er niet aan denken welke kettingreactie ze zal veroorzaken.
Onlangs las ik ergens de titel: de Europese strijd wordt buiten Europa uitgevochten.
En zo is het.
Al dat eindeloze geweld in het Midden-Oosten is de strijd die Europa NIET uitvecht: een geestelijke strijd, een strijd om de geboorte van het Ik.
Ik heb gisteren – weer eens – ondervonden wat die strijd inhoudt.
Iedereen moedigt me aan om vol te houden, maar niemand begrijpt precies waarom.
Hoogstens voelt men het instinctief aan, zoals kinderen aanvoelen wat ik doe wanneer ik (hen) teken.
Maar dat is niet genoeg meer.
Het kinderlijke, instinctieve weten moet een bewust weten worden.
De mens moet zich bewust worden van die strijd om het Ik.
Hij moet bewust ‘arbeiden’, anders wordt zijn geboorte een verschrikking.

Uiteindelijk is dát de (onbezoldigde) arbeid die ik lever: de arbeid van een vrouw op de verlostafel.
Maar dan op etherisch in plaats van fysiek vlak.
Daarom is die arbeid nog veel vrouwelijker.
Daarom vraagt hij ook om een veel mannelijker bewustzijn: het soort bewustzijn dat je ontwikkelt als je een karikatuur tekent en je helemaal afsluit van het persoonlijke en liefdevolle.
Er is weinig persoonlijks en liefdevols aan een vrouw ‘in arbeid’.
Ze offert als het ware haar lichaam op het altaar van de geboorte.
Een kunstenaar doet hetzelfde, maar dan op een ander vlak.
Hij wil niets anders dan dienstbaar zijn: alles staat in functie van zijn kunst zoals alles bij de moeder in functie van haar kind staat.
Voor die kunst moet alles wijken, alles offert hij ervoor op.

Maar de tijd van het onbewuste offer is voorbij.
In onze tijd moet het bewust gebracht worden.
En hoe moeilijk dat is, ondervind ik nu.

Ik ben vandaag niet naar Brugge gegaan.
Ik kon het niet meer opbrengen om daar nog eens een dag te moeten bedelen, zonder iets in m’n bekertje te krijgen.
Ik voel me trouwens ziek, ik heb een behoorlijke klap gekregen.
Ik probeer nu uit alle macht te begrijpen wat me overkomt en waarom het me overkomt. Karmaonderzoek dus.

Toen ik op 13 september besloot om opnieuw mensen te tekenen, voelde ik dat ik het dat weekend moest gebeuren.
Hoe juist dat gevoel was, ondervind ik nu.
Had ik één week gewacht, zou m’n ‘kind’ hoogstwaarschijnlijk dood geboren zijn.
Ik zou gezegd hebben: nee, dit was geen goed idee, dit werkt niet.
Nu heb er echter van geproefd hoe het kán zijn: een prachtige dag met allemaal mensen die getekend willen worden en een markt die voelt dat er iets gebeurt.
Ik kan dat nu niet meer vergeten of opzij schuiven.
Ik moet er iets mee doen.
Maar wat?
Of beter: hoe?
Hoe moet ik de mensen zover krijgen dat ze zich laten tekenen ook als het NIET gratis is.
Het is zeker geen academische vraag.
Maar het is evenmin een louter praktische vraag.
Het is een Ik-vraag.
Ik heb al heel wat raad gekregen, allemaal even goed bedoeld.
Maar ik moet het antwoord zelf vinden.
Mijn Ik kent de oplossing want het heeft mij in deze situatie gemanoeuvreerd.
Maar mijn zelf kent ze nog niet.
Beiden hebben elkaar nog niet ontmoet.
Wat nog ontbreekt, is de tekening tussen beide, dit keer niet op papier maar in de geest.
Ik voel alvast één ding, en dat is dat deze ‘tekening’ – het portret dat ik van mijn Ik probeer te maken – ‘geestig’ blijft, want als ik me laat meesleuren door de ernst en de zwaarte loopt het beslist niet goed af.
Er is geen zwaarte in het Ik, er is alleen vrijheid en blijheid, en de liefde die zich vrijwillig ten dienste stelt van het zelf.
Het aanvaarden van dat offer is evenwel een ernstige tot pijnlijke zaak.
Niemand zet kinderen lachend ter wereld.
Ik ben momenteel dan ook als verdoofd, ik worstel om de mist te doen optrekken, om de zon weer te doen schijnen, de zon van het Ik.
Meer kan ik voorlopig niet doen.
Minder ook niet.

Buitengewoon Hoger Onderwijs

Gisteren liet ik Koen Meulenaere aan het woord over het Buitengewoon Belangrijk Werk dat er aan onze universiteiten verricht wordt’
Als om zijn column te illustreren verscheen vandaag in De Morgen een reactie op de open brief van Maarten Boudry.
De reactie is ondertekend door een hele reeks universitaire ‘onderzoekers’ en mag dus als representatief worden beschouwd voor de Buitengewone Kwaliteit van ons hoger onderwijs.
Tenzij Rik Torfs niet akkoord zou gaan, maar dat lijkt weinig waarschijnlijk.
Wat zeggen deze onderzoekers?
Dat de IS geen probleem is van de islam.
Dat kan volgens hen niet genoeg beklemtoond worden.
Het is een probleem van de politieke en economische destabilisering van de regio en – u raadt het nooit – van het blijvende racisme in ons eigen land.
Waar-hebben-we-dat-nog-gehoord?
Dat onze universiteiten politiek correct zijn, baart natuurlijk geen verwondering meer.
Maar dat ze de waarheid zo ostentatief geweld aan doen als in de volgende zin – het blijft wennen.
Als de Koran een problematisch boek is, schrijven ze, waarom zijn moslimgemeenschappen dan in de regel niet meer of minder gewelddadig dan christelijke of seculiere gemeenschappen?
Moslims, schrijven deze geleerde geesten, zijn niet gewelddadiger dan katolieken, protestanten of leden van het Humanistisch Verbond.

Ik kan me vergissen, maar ik denk niet niet dat een beschaving met dit soort ‘intellectuelen’ nog toekomst heeft.

20140920-211150.jpg