Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Maand: september, 2014

Onnodig indien niet ernstig

Een tijdje geleden las ik in de krant dat men aan een of andere universiteit onderzoek had gedaan naar de … voetbaluitslagen.
33 % van de doelpunten werd met de linkervoet gemaakt.
35 % met de rechtervoet.
14 % met het hoofd.
3 % met de hand.
En de rest met een ander lichaamsdeel.
Een paar weken na dit grensverleggende onderzoek klaagden de universiteiten dat ze te weinig geld kregen.
En niemand die in lachen uitbarstte.
Behalve Koen Meulenaere.

PEREAT TRISTITIA

Onze universiteiten kampen met grote financiële problemen.
Van een verrassing gesproken.
Komen er geen extra middelen, zo waarschuwen al eeuwen alle verantwoordelijken van wat voor onderwijsinstelling ook, dan zal de opleiding van onze jeugd dramatisch dalen en gaat ons land kapot.
Dat onze universiteiten te weinig geld krijgen is voer voor discussie, dat ze het verkwisten staat vast.
Wat voor onnozele onderzoeken er worden uitgevoerd!
En allemaal komen ze in ‘Hautekiet’, dat is nog het ergste.
De dag nadien blijkt dan dat een ander onderzoek over hetzelfde tot tegenovergestelde conclusies heeft geleid.
Welke professoren er les mogen geven!
Koen Geens, Johan Vande Lanotte…
Welke faculteiten er bestaan.
Kerkelijk recht!
En daar is de voorbije jaren geld naartoe gestroomd, geloof ons.
Temeer daar sommige decanen ook nog een leerstoel voor hun vriendinnen door u lieten betalen.
Op de universiteit van Leuven bestaat er naast een rector die uit een bierton is gevist blijkbaar ook nog een vakgroep brouwerijtechnologie.
Nu u.
Houdt zich bezig met bierproeven en bier proeven.
Dat kwam vorige week aan het licht in ‘Volt’ op Eén.
Over dit programma citeren wij slechts Herwig Van Hove: ‘Volt? Nee, tegen Volt kan ik niet tegen.’
Volt onthulde dat het bier van AB InBev en Alken-Maes op onze zomerfestivals een lager alcoholpercentage bevat dan aangegeven.
Dat lijkt geen slecht idee om het drankmisbruik bij de jeugd te beteugelen, maar het mag weer niet. Geheime infiltranten van ‘Volt’ waren op verschillende festivals bier gaan kopen en hadden dat laten analyseren door de drinkebroers van de faculteit brouwerijtechnologie, die de aangeleverde bocht meteen in de doorgaans ongebruikte kwispedoor hadden gespuugd.
De vakgroep brouwerijtechnologie overweegt nu juridische stappen.
Tegen AB InBev en Alken-Maes, denkt u?
Nee, tegen de VRT!
U weer: ‘Heeft ‘Volt’ de bevindingen van het lab dan foutief weergegeven?’
Nee, juist!
Ze hebben ze juist weergegeven, voor de openbare nieuwsdienst een zeldzaamheid.
En daar is de universiteit niet van gediend.
Het hoofd van de vakgroep, de opperzuiper: ‘Wij werken nooit nog mee aan een televisiereportage. We hebben een wetenschappelijke reputatie hoog te houden.’
Kijk eens aan, wie had dat gedacht?
Brouwerijtechnologie.
Het probleem is blijkbaar dat de stalen van het bier verzameld waren door ‘Volt’-medewerkers, en volgens het hoofd had dat moeten gebeuren door eigen onderzoekers van zijn afdeling, die naast gratis bier dus ook nog gratis toegang tot de festivals hadden moeten krijgen.
‘Aangezien wij die stalen niet hebben ingezameld’, aldus het hoofd, ‘en niet zeker weten of het wel degelijk om Jupiler- of Maes-bier gaat, willen wij ons lab niet met de conclusies van ‘Volt’ associëren.’
Een vakgroep brouwerijtechnologie die niet kan proeven of het om een aangelengde Jupiler of om een aangelengde Maes gaat!
Dat kunnen ze in alle fakbars blind.
Afschaffen!
Doe dat ook met alle andere academische overbodigheden, en er is geld genoeg.

20140919-154836.jpg

Karmaonderzoek (1)

Met de karmavoordrachten, die Rudolf Steiner in 1924 hield, is een bijzondere tragiek verbonden.
Het was Steiners levensmissie om karma en reïncarnatie te introduceren in de Westerse beschaving.
Maar die taak kon hij pas één jaar voor zijn dood aanvatten, want hij had zijn leven besteed aan de levenstaak van iemand anders.
Julius Schröer was ertoe geroepen om de antroposofie op aarde te brengen, maar hij vond daar de kracht niet toe.
Steiner deed het dan maar in zijn plaats en schortte daarvoor zijn eigen levenstaak op.
Zonder de antroposofie was het immers niet mogelijk om over karma en reïncarnatie te spreken.
Karma en reïncarnatie zijn de bloem van de antroposofie, en zonder plant kan er geen bloem zijn.
Dus moest Steiner eerst de antroposofie uitbouwen voor hij zijn eigen levenstaak kon aanvatten.

20140919-095643.jpg

Zijn geval was niet uitzonderlijk.
Mensen schorten voortdurend hun levenstaak op omdat het leven hen daartoe dwingt.
Een voorbeeld.
Een jong meisje geeft blijk van veel schildertalent, ze wil niets liever dan kunstenaar worden. Maar dan sterft haar moeder en ze moet de zorg voor het huishouden op zich nemen. Zonder enige artistieke opleiding groeit ze op. Ze trouwt, maar opnieuw schuift ze haar eigen roeping aan de kant om haar man te helpen met diens werk.
Pas wanneer hij een ongeluk krijgt waardoor ze alles verliezen, ontstaat er ruimte voor haar schildertalent. Maar ze is dan al 60 en op die leeftijd kun je niet meer inhalen wat je op je 15de hebt laten staan. De kunstenaar die ze had kunnen worden, is er dus nooit gekomen.
Het is een waar gebeurd verhaal, het verhaal van een offer.
En zo zijn er ongetwijfeld veel.

In het geval van deze vrouw is er waarschijnlijk geen groot kunstenaar verloren gegaan.
Grote kunstenaars zijn namelijk zeer zeldzaam.
Maar Rudolf Steiner was een mens van een uiterst zeldzaam kaliber.
Er is veel verloren gegaan doordat hij pas aan het eind van zijn leven kon beginnen aan zijn eigenlijke opgave.
Zowat 40 jaar heeft hij moeten samenballen in 9 maanden.
En het scheelde geen haar of die 9 maanden had hij niet eens gekregen.
Eind 1923, onmiddellijk na afloop van de Weihnachtstagung, werd Rudolf Steiner vergiftigd.
Zijn leven kon op het nippertje gered worden, maar hij zou nooit meer echt herstellen.
Slechts met inspanning van al zijn krachten kon hij de karmavoordrachten houden en op die manier nog iets redden van zijn levenstaak.
Uiteraard stond de antroposofie niet los van die taak, maar een mens vraagt zich toch af hoe de wereld er had uitgezien als Schröer de antroposofie voor zijn rekening had genomen en Steiner de karmavoordrachten 40 jaar vroeger had kunnen houden.

20140919-095835.jpg

De karmavoordrachten bevatten de quintessens van Steiners missie.
Ze vormen het hoogtepunt van zijn werk en behoren tot het kostbaarste wat de moderne mens op geestelijk vlak bezit.
Maar ze zijn ook de grootste doorn in het oog van de tegenmachten.
Die hebben alles op alles gezet om het karmaonderzoek te verhinderen.
Ze drongen zelfs door tot in het hart van de antroposofische wereld: Steiner was omringd door zijn naaste vrienden en medewerkers toen hij vergiftigd werd.
Was er onder zijn leerlingen een Judas?
Men weet het niet.
Het blijft een raadsel hoe het heeft kunnen gebeuren.
Maar de tegenmachten bleven Steiner bestoken.
Zelfs toen hij zo uitgeput was dat hij zijn voordrachten moest stopzetten, bleven ze hem kwellen en vernederen.
Na zijn vroegtijdige dood concentreerden ze hun aanvallen op zijn leerlingen: ze stookten deze tegen elkaar op tot de vereniging uiteenviel in twee groepen en de antroposofie lam werd gelegd.
Intussen raakte Duitsland in de greep van de nazi’s.
And the rest is history.

20140919-100139.jpg

Het karma wordt geregeld vanuit de allerhoogste gebieden van de geestelijke wereld en omspant het hele bestaan.
Het verzet ertegen komt logischerwijze uit de allerlaagste en dus allersterkste gebieden van de onderwereld.
Het is goed om dat in gedachten te houden als we kijken naar hoe de wereld er vandaag uitziet, bijna 100 jaar na Steiners dood.

Europa is uit zijn assen verrezen.
Ook de Antroposofische Vereniging heeft zich hersteld.
Over de hele wereld vindt men vandaag steinerscholen, bd-boerderijen, antroposofische ziekenhuizen, therapeutische centra, wetenschappelijke onderzoeksinstituten, enzovoort.
Maar schijn bedriegt.
Geestelijk gezien biedt Europa een meelijwekkende aanblik.
En de antroposofie is helemaal niet de cultuurfactor geworden, die Steiner verhoopt had.
Volgens hem had ze een hoogtepunt moeten beleven aan het eind van de 20ste eeuw.
Er had toen van haar een impuls moeten uitgaan die de beschaving moest redden.

Anno 2014 klinkt die woorden bijna potsierlijk.
We hoeven de blik maar te richten op het karmaonderzoek, om een idee te krijgen van hoe de zaken er werkelijk voorstaan.
Het karmaonderzoek is de ‘bloem’ van de antroposofie.
Die bloem had aan het eind van de vorige eeuw moeten ontluiken door de samenwerking tussen de platonici en de aristotelici.
Deze platonici en aristotelici vormen op hun beurt de ‘bloem’ van de twee groepen van zielen waaruit de antroposofische beweging bestaat: de oude en de jonge zielen.
De hele mensheid bestaat uit oude en jonge zielen, maar alleen antroposofen hebben daar weet van.
Tenminste, dat worden ze verondersteld te hebben.

20140919-100340.jpg

Steiner verwachtte van iedere antroposoof dat hij wist tot welke groep hij behoorde: de groep der oude zielen of de groep der jonge zielen.
Hij noemde het de basisvoorwaarde van het karmaonderzoek, de allereerste stap.
Weten of je een oude dan wel een jonge ziel bent, moest voor een antroposoof even vanzelfsprekend zijn als weten of hij een Duitser, een Fransman of een Engelsman is.

Als we willen weten in hoeverre de antroposofie tot bloei is gekomen en een reddende factor is geworden in de huidige beschaving, hoeven we maar één vraag te stellen: in hoeverre weten antroposofen vandaag tot welke zielengroep ze behoren?
Het antwoord plaatst ons meteen met beide voeten op de grond: ze weten het helemaal NIET.
De vraag leeft totaal niet in de antroposofische wereld.
Integendeel, ze wordt beschouwd als banaal en zelfs ongepast.
Serieuze antroposofen houden zich niet mee bezig met dergelijke trivialiteiten.

Het maakt deel uit van de tragiek van Steiners levenslot dat hij het geheim van de oude en de jonge zielen pas helemaal aan het eind van zijn leven kon onthullen, vlak voor hij gedwongen werd zijn voordrachtactiviteiten stop te zetten.
Daardoor was slechts een zeer beperkt aantal leerlingen op de hoogte van het feit dat de antroposofische beweging uit twee groepen van zielen bestond.
Precies deze twee zielengroepen kwamen na Steiners dood lijnrecht tegenover elkaar te staan en scheurden de vereniging in twee.
Steiner moet dat voorzien hebben.
Hij wist welke demonen hij met de Weihnachtstagung ontketend had en hij wist ook dat ze zich op zijn leerlingen zouden storten zodra hij er niet meer was.
Zijn karmavoordrachten waren dus vooral gericht aan de komende generaties.
Ze waren gericht aan ons.

20140919-101741.jpg

Hier wordt de tragiek die verbonden is met Steiners levenslot pas goed zichtbaar.
Want het feit dat hij pas helemaal aan het eind van zijn leven kon beginnen spreken over karmaonderzoek werkt door tot op de huidige dag.
Wordt er vandaag dan niet aan karmaonderzoek gedaan?
Zeker wel, en het behoort tot het boeiendste en spannendste wat men in antroposofisch verband kan doen.
Maar de vraag moet gesteld worden wat het voor dit onderzoek, en voor de antroposofie in het algemeen, betekent dat de door Steiner veronderstelde basiskennis over de oude en de jonge zielen nagenoeg volledig ontbreekt.

Onmiddellijk na het eind van de 20ste eeuw, toen volgens Steiner de antroposofie een hoogtepunt had moeten bereiken in de samenwerking tussen platonici en aristotelici, verscheen de tegenstelling tussen de oude- en de jonge-zielenwereld plots op het wereldtoneel.
9/11 luidde een nieuw tijdperk in, een tijdperk waarin oude en jonge zielen niet eendrachtig samenwerken in de geest van de Weihnachtstagung, maar elkaar op leven en dood bevechten.
De spanningen tussen (oude) wereld van de islam en de (jonge) Westerse wereld nemen steeds onheilspellender vormen aan.
Er dreigt een vicieuze cirkel van geweld te ontstaan en het enige wat deze duivelscirkel kan doorbreken, is inzicht in de relatie tussen beide werelden, karmisch inzicht.

Karma is een zeer persoonlijke, zelfs intieme aangelegenheid.
Maar het is tegelijk een aangelegenheid die de hele menselijke beschaving betreft.
Want individueel karma staat niet op zichzelf, het is noodzakelijkerwijs verbonden met het karma van anderen, het is verbonden met het wereldkarma.
We raken de kern van karmaonderzoek pas wanneer we die twee uitersten – het individuele en het mondiale – met elkaar verbinden.
Daarin ligt het wezen van het karma.
Daarin ligt ook het wezen van de Weihnachtstagung.

20140919-100536.jpg

Tijdens de kerstbijeenkomst van 1923 verbond Rudolf Steiner niet alleen de oude en de jonge zielen met elkaar, hij verbond ook zijn individueel karma met het karma van alle antroposofen, en via hen met het wereldkarma.
Door zichzelf als levend bindmiddel tussen beide zielengroepen te plaatsen, maakte hij het driegelede wezen van het karma zichtbaar.

In zijn karmavoordrachten drukte Steiner erop dat door de Weihnachtstagung een geheel nieuwe antroposofische vereniging was ontstaan.
De oude vereniging was gestorven en uit haar assen was de nieuwe verrezen.
Daar moesten antroposofen goed van doordrongen zijn.
Ze mochten, aldus Steiner, niet terugvallen in hun oude gewoonten.
Die gewoonten waren tweeërlei: enerzijds was er de ‘esoterische‘ gewoonte om de antroposofie te behoeden en af te sluiten van de buitenwereld, anderzijds was er de ‘exoterische‘ gewoonte om de antroposofie te moderniseren en aan te passen aan de buitenwereld.
Daar moest een eind aan komen.
Tijdens de Weihnachtstagung had Steiner esoterie en exoterie met elkaar verbonden, en door (als esotericus) voorzitter te worden van de (exoterische) vereniging had hij zelf het voorbeeld gegeven.

Daarmee had hij echter een oeroude grens overschreden: de grens die beide werelden zorgvuldig van elkaar gescheiden hield.
Hij had iets gedaan wat nooit tevoren gebeurd was, hij had verbonden wat nooit verbonden was geweest.
En hij had dat gedaan op eigen initiatief en op eigen verantwoordelijkheid.
Deze vrije daad was een waagstuk van wereldhistorische betekenis en Steiner slaakte dan ook een zucht van opluchting toen bleek dat de geestelijke wereld zijn handelswijze geaccepteerd had.
Maar hij had ook de blinde woede van de tegenmachten ontketend: zij hadden de Weinachtstagung niet zien komen, ze hadden geen rekening gehouden met de vrije wil van Rudolf Steiner.
Ze waren ervan overtuigd geweest de antroposofische vereniging ten gronde te hebben gericht, en nu zagen ze een geheel nieuwe vereniging verrijzen.

20140919-100658.jpg

Steiners vrije daad was een offerdaad.
Hij offerde geheel vrijwillig zijn leven voor het voortbestaan van de antroposofie.
Daarmee bereikte het offer dat hij bracht door Schröers levenstaak over te nemen een hoogtepunt, want hij wist helemaal niet of de geestelijke wereld het verbreken van de oeroude wet zou accepteren.
Als ze dat niet deed, dan was het afgelopen met zijn geestelijke werkzaamheid, dan kon hij zijn eigen karma-opgave voorgoed vergeten.
Rudolf Steiner offerde dus niet alleen zijn fysieke leven, hij offerde ook zijn geestelijke leven: hij deed afstand van zijn levensmissie.
Hij ledigde de beker tot de laatste druppel.
Maar precies daardoor werd het bijbelwoord bewaarheid dat wie zijn leven geeft, het zal behouden.
Als onmiddellijk resultaat van het opofferen van zijn karma-opdracht ontstonden de … karmavoordrachten.

Het zijn dus in zekere zin opstandingskrachten die deze voordrachten bezielen: de krachten van een man die zijn leven heeft gegeven.
Daarom behoren ze ook tot het kostbaarste wat de mens op geestelijk vlak bezit.
Maar het is niet gemakkelijk om zo’n kostbaar geschenk te ontvangen.
Een offer kan alleen door een ander offer aanvaard worden.
En in feite is dat waar de hele wereld op wacht: het antroposofische tegenoffer.
Antroposofen zijn de enigen die weet hebben van de karmische relatie tussen oude en jonge zielen.
Zij zijn degenen die dit geschenk ontvangen hebben.
Maar hebben ze het ook aanvaard?

20140919-100757.jpg

Offerdaden staan ingeschreven in het karma.
De wereld is het resultaat van een offer van de goden en ze kan alleen blijven bestaan door de offers van mensen.
Die mensen hebben de keuze: ofwel brengen ze die offers vrijwillig ofwel worden ze ertoe gedwongen.
Gebracht moeten de offers hoe dan ook.
Hoe een modern offer eruitziet kunnen we aflezen aan de karmische basisvoorwaarde die Rudolf Steiner stelde.
Onderzoeken of je een oude dan wel een jonge ziel bent, lijkt helemaal niet op een offer.
Het ziet er zelfs zo banaal uit dat we er onze schouders voor ophalen.
Maar ook de Weihnachtstagung zag er banaal uit: een bijeenkomst van een obscuur groepje ‘vreemde zielen’.
Toch was het een gebeurtenis die de wereld zal veranderen.
Hetzelfde geldt voor het inzicht in de oude en de jonge zielen.

Dit inzicht vergt een offer.
Het vraagt van ons dat we op een heel elementaire manier naar onszelf leren kijken.
En dat doet pijn, het ‘snijdt in het eigen vlees’ zoals Steiner het uitdrukt.
We moeten naar onszelf leren kijken met de ogen van een ander.
En die ‘ander’ is geen vage notie, het is een concrete en zelfs actuele werkelijkheid.
Voor de oude ziel is de ander de jonge ziel en voor de jonge ziel is de ander de oude ziel.
Wie Steiners beschrijvingen van beide zielentypes ernstig neemt, ziet ze steeds duidelijker verschijnen in het concrete leven van alledag, het persoonlijke zowel als het mondiale.
Wat er tussen individuele mensen speelt, begint hij te herkennen in de relaties tussen groepen van mensen.
En met behulp van al die beelden kijkt hij naar zichzelf en gaat zichzelf meer en meer als een vreemde beschouwen.
Langzaam, heel langzaam maakt hij zich los van zichzelf zoals een kind zich losmaakt van zijn moeder.

20140919-100940.jpg

Hier wordt de keerzijde zichtbaar van het offer dat de moderne mens, en de antroposoof in het bijzonder, moet brengen.
Het is de geboorte van het vrije Ik.
Het karma is van een ijzeren wetmatigheid, maar heel die onontkoombare wetmatigheid is gericht op het ontstaan van de vrije mens.
Dat was het inzicht dat Rudolf Steiner op aarde kwam brengen, en daarvoor bracht hij het grootst mogelijke offer.
Van zijn leerlingen verwachtte hij het kleinst mogelijke tegenoffer.
Hij verwachtte dat ze erachter zouden komen of ze een oude dan wel een jonge ziel waren.
Op dat offer wacht hij nog altijd.
Met engelengeduld.

20140919-101125.jpg

For Auld Long Syne

Vandaag gaan de Schotten naar de stembus.
Ze moeten, pardon ze mogen zich in een referendum uitspreken voor of tegen onafhankelijkheid.
Onafhankelijkheid is een groot woord, het gaat eerder om een vorm van confederalisme, hetzelfde dus wat Bart De Wever nastreeft en waarom hij vergeleken wordt met Hitler.
In Schotland gaat het er een stuk beschaafder aan toe.
Daar wordt in de strijd tussen AYE en NO zelfs … humor gebruikt.

20140918-100451.jpg

In De Standaard vraagt Ludo Abicht zich vandaag af: waarom kan zoiets niet in ons land?
Waarom kunnen Vlamingen niet sine ira et studio over onafhankelijkheid spreken?
Wel, een antwoord op die vraag kreeg ik gisteren in De Haan.
Of moet ik zeggen Le Coq sur Mer?
Ik was daar, met vrouw en (klein)kind, op bezoek bij mijn ouders, die er genieten van een onverwacht zomers verblijf in Dunepanne, een hersteloord van de onafhankelijke ziekenfondsen.
Aan tafel, omringd door een indrukwekkend aantal jaren, vertelde mijn vader een kleine doch veelzeggende anekdote.

Hij staat in de lift en wil uitstappen, maar ziet zich de weg versperd door enkele vrouwen.
Mag ik alstublieft passeren? vraagt hij beleefd.
De vrouwen verroeren zich niet.
Hij herhaalt zijn vraag: zou ik alstublieft mogen passeren?
De vrouwen geven geen kik.
Als hij ten slotte zegt: wilt u alstublieft opzij gaan? antwoordt één van de vrouwen:
Comprends pas.
Dat overbekende zinnetje riep bij mijn vader onaangename herinneringen op aan de tijd dat hij in Brussel werkte en voortdurend geconfronteerd werd met de Franstalige arrogantie die niet alleen weigerde om Nederlands te spreken maar zelfs om het te verstaan.
Dus duwde hij die vrouwen opzij, want hij wist dat het de enige manier was om uit die lift te raken.
Nooit zouden die Franstalige vrouwen (meestal afkomstig uit Brussel) één stap voor hem opzij hebben gezet.
Als hij braaf gewacht had tot ze hun eigen verdieping bereikt hadden en daar uitgestapt waren, zou hun plaats ingenomen zijn door soortgenoten (in Dunepanne wordt hoofdzakelijk Frans gesproken door hoofdzakelijk oude vrouwen) en kon het spelletje opnieuw beginnen.

20140918-122739.jpg

Dat spelletje van baas en knecht duurt in België al bijna 200 jaar.
Het spelletje van de Franstaligen die zich gedragen alsof Vlaanderen van hen is en vinden dat de Vlamingen moeten betalen om het te mogen gebruiken.
Het spelletje van de Vlamingen die dat kolonialisme over hun kant laten gaan en zelfs trots zijn hun Franstalige bwana’s te mogen dienen.
Zoals ik het zie zijn er vandaag twee soorten Vlamingen:
Degenen die zich schamen voor die vernedering en degenen die zich schamen voor de schaamte.
De enen willen een eind maken aan de vernederingen, de anderen willen de vernederingen ontkennen.
Een deel van de Vlamingen wil wakker worden, een ander deel wil blijven slapen.
Daar komt het zo’n beetje op neer.

20140918-124049.jpg

Het is geen typisch Vlaams probleem, want de hele wereld is vandaag verdeeld in mensen die willen ontwaken en mensen die willen blijven slapen.
Slapende Vlamingen doen graag smalend over de communautaire problemen in dit land.
Alsof er geen dringender zaken zijn! roepen ze uit.
Wel, die zijn er inderdaad niet.
Onlangs las ik ergens een opmerking van een universiteitsprof die zei dat zijn studenten heel anders beginnen te spreken van zodra er één gehoofddoekte moslima in de zaal zit.
Hoe herkenbaar is die situatie voor de Vlaming niet!
Van zodra zich bij een gezelschap Vlamingen één Franstalige voegt, beginnen al die Vlamingen op slag Frans te spreken.
Doen ze dat uit beleefdheid, uit hoofsheid?
Dat maken ze zichzelf graag wijs.
Maar van die beleefdheid en die hoofsheid blijft weinig over wanneer één onder hen weigert Frans te spreken (omdat hij ervan uitgaat dat je van een Belg op zijn minst mag verwachten dat hij de andere landstaal begrijpt).
Zo’n Vlaming wordt als een spelbreker beschouwd, als een kleinzielige, bekrompen proviciaal, als iemand die … er niet bijhoort.
Vlamingen tooien zich graag met hun gastvrijheid, hun ruimdenkendheid, hun verdraagzaamheid. Maar ze gebruiken die kwaliteiten al te vaak om hun gebreken te verdoezelen.
En die gebreken komen in feite neer op één groot gebrek: een tekort aan wakkerheid.

20140918-122827.jpg

Opnieuw: dit is geen exclusief Vlaams probleem.
Vlamingen maken er alleen een karikatuur van, een zeer gelijkende karikatuur, helaas.
Het is niet moeilijk om in de relatie tussen Vlamingen en Franstaligen de relatie tussen het Westen en de islam te herkennen.
De moslims – en mijn Vlaamse aard eerbiedigend maak ik er nu een karikatuur van – zijn niet naar Europa gekomen om deel te hebben aan een betere wereld.
Dat is slechts de (bewuste) fysieke buitenkant.
Veel belangrijker is de (onbewuste) geestelijke binnenkant.
Ze zijn naar Europa gekomen om er een betere wereld van te maken, om een eind te maken aan de ondraaglijke Westerse dekadentie, om het ware geloof te brengen.
Omdat de materialistische Europese mens alleen de fysieke buitenkant ziet, heeft hij geen oog voor wat de moslims geestelijk drijft.
Hij slaapt met andere woorden.
Zelfs nu het steeds duidelijker wordt dat de moslims hier niet als knechten maar als meesters zijn gekomen, weigert de politiek correcte Westerling dat onder ogen te zien.
De schaamte is te diep.
En die schaamte is de keerzijde van zijn eigen grenzeloze arrogantie.
Dat hij – dat superieure wezen dat eindelijk de waarheid heeft gevonden (de wereld bestaat louter uit materie) – als een knecht zou behandeld worden door primitievelingen die nog in de middeleeuwen leven, nee dat is voor hem volstrekt ondenkbaar.
En dus sluit hij de ogen voor de werkelijkheid.

20140918-122931.jpg

Wat mij altijd getroffen heeft, vanaf het allereerste moment dat ik een ‘allochtoon’ op straat tegenkwam (en dat is inmiddels al lang geleden), is de blik in zijn ogen.
Ik las daarin niet wat ik verwachtte van mensen die hier hulp kwamen zoeken, namelijk: hulpeloosheid, verwarring, onderdanigheid.
Ik las in die ogen precies het tegenovergestelde, en dat zette me aan het denken.
Hoe was het mogelijk dat dergelijke – vanuit materialistisch standpunt gezien – meelijwekkende mensen zich gedroegen alsof ze … thuis waren, alsof niet zij maar wij de immigranten waren?
Uiteraard kon ik die vraag niet hardop stellen, men zou me gek verklaard hebben.
Maar de blik in die moslimogen liet me niet los.

Vandaag wordt alsmaar duidelijker dat ik het met die simpele waarneming bij het rechte eind had.
Uit die ogen sprak de ziel van dit volk, en het wás een volk, geen verzameling individuen zoals wij.
Dat is ook de vergissing die zoveel Vlamingen maken: de Franstaligen gedragen zich niet zoals de Vlamingen, dat wil zeggen als een verzameling individualisten.
Ze gedragen zich zoals een volk, ze spreken als uit één mond, ze handelen (politiek) als één blok.
Als Vlamingen daar een eigen blok tegenover willen zetten, beginnen ze elkaar onderling te verketteren.
En zelfs te vermoorden.

20140918-123434.jpg

Op dezelfde dag dat de Schotten met hun onafhankelijkheidsreferendum een steen in de Europese kikkerpoel gooien, lees ik in de krant dat een Vlaming, een operazanger notabene, veroordeeld is wegens doodslag op zijn partner.
Die partner, een 81-jarige man, had namelijk … voor de N-VA gestemd.
Een karikaturaler voorbeeld van hoe diep de communautaire kwestie geworteld is in de ziel van de Vlaming is nauwelijks denkbaar.
En juist omdat die ziel zo moeilijk tot bewustzijn komt, slaagt de Vlaming er niet in zich tot een vrij en zelfbewust Ik te ontwikkelen.
In plaats daarvan onderwerpt hij zich aan de vernederingen van zowel Franstaligen als moslims en verwordt hij tot een karikatuur waar de hele wereld mee lacht.
Dat lachen zal die wereld evenwel vergaan wanneer ze beseft in een spiegel te kijken.

Daarin ligt dan ook de schone opgave van de Vlamingen: zich bewust te worden van hun karikaturale aard.
In dat bewustzijn – en in dat bewustzijn alleen – ligt de oplossing voor de vernederingen die ze nu al 400 jaar ondergaan.
Dat bewustzijn is ook het mooiste geschenk dat ze de wereld kunnen bieden.
Naast bier en chocolade uiteraard.

20140918-123805.jpg

Kim krijgt de zak

Terwijl De Standaard steeds politiek-correcter wordt, lijkt bij De Morgen net het omgekeerde te gebeuren.
Het gaat voorlopig slechts om kleine dingen, maar toch.
Een ‘Open brief aan de gematigde moslim’ zoals Maarten Boudry er onlangs een schreef: het is niet wat je verwacht in een krant die ook Yves Desmet in haar rangen telt.
En een paar dagen geleden kwam dan het bericht dat De Morgen niet langer wil samenwerken met cartoonist Kim Duchateau.

20140917-130052.jpg

Eindelijk! dacht ik bij het lezen van dat bericht (in De Standaard).
Ik vond het altijd weer pijnlijk om die barslechte en smakeloze cartoons te zien staan.
Bovendien stonden ze vaak vlak onder de cartoons van ZAK, momenteel de beste cartoonist van Vlaanderen.
Dat maakte het extra wrang: het beste en het slechtste vlak onder elkaar.
Maar nu hebben ze die Kim dus aan de deur gezet.
En verontwaardigd dat hij is!
Je vraagt je af of zo’n kerel dan echt het verschil niet ziet met iemand als ZAK.

20140917-130135.jpg

Maar ja, hij behoort tot de generatie cartoonisten die hun weerzin voor het menselijke ras op alle mogelijke manieren etaleren.
Die weerzin is begrijpelijk, ik ken ze maar al te goed.
Maar als je er niet in slaagt ze te overwinnen, dan zit je in een doodlopend straatje.
Het probleem met mensen als Kim Duchateau is dat ze veel te vroeg succes kennen.
Daardoor gaan ze hun weerzin cultiveren en wringen ze hun eigen kreativiteit de nek om.
Het ontslag bij De Morgen is dus het beste wat Kim D. kon overkomen.
Of hij er iets zal mee doen, is natuurlijk een andere vraag.
Het zou me niet verwonderen als hij volgende week in De Standaard opdook …

20140917-130002.jpg

De gematigde moslim

20140916-084249.jpg

In De Morgen publiceerde de piepjonge filosoof Maarten Boudry een open brief aan ‘de gematigde moslim’ waarin hij deze vriendelijk verzocht om de Koran niet langer te gebruiken als argument tegen de IS, want de Koran staat vol met verzen die moslims ertoe aanzetten niet-gelovigen het leven zuur of zelfs afhandig te maken.
De reacties lieten natuurlijk niet op zich wachten.
Abou Jahjah kwam met het bekende argument dat heilige teksten moeten geïnterpreteerd worden en dat ook de bijbel oproept tot geweld. Maarten Boudry interpreteerde de Koran volgens hem in salafistische zin en was dus eigenlijk niet beter dan de IS-fanatici.
Ene Khalif El Jafoufi deed minder moeite. Hij noemde Boudry nog fanatieker dan Etienne Vermeersch en verklaarde simpelweg dat het vreedzame karakter van de islam niet te betwisten valt.
En dan waren er natuurlijk ook de gebruikelijke politiek correcte statements met hun appeasement-politiek.

Wat mij altijd opvalt bij zowel moslim- als politiek correcte betogen is dat het (vaak niet geringe) intellect hier helemaal solo gaat. Het trekt zich niets meer aan van de waarheid of de werkelijkheid en gaat helemaal op in zijn eigen geredeneer, dat bol staat van zwaarwichtige, intimiderende en kleinerende termen.
Ik betwijfel echter of moslims werkelijk geloven in dat ahrimanische geïntellectualiseer.
Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat ze het alleen maar als wapen gebruiken tegen ongelovigen.
En die ‘ongelovigen’ zijn weerloos, want ze geloven (sic) wél in die intellectualistische, van de werkelijkheid losgeslagen redeneringen.

Onlangs verscheen in de Volkskrant het resultaat van een onderzoek onder Nederlanders van Marokkaanse en Turkse afkomst.
Bleek dat de meerderheid van die moslims van mening was dat ‘Syrië-strijders’ niets in de weg mag worden gelegd. Ze moeten vrijuit kunnen gaan vechten in Syrië en daarna moeten ze weer zonder problemen opgenomen worden in de Nederlandse maatschappij.

Daar gáát dus de mythe van de ‘gematigde moslim’ en de ‘zwijgende meerderheid’ die niets te maken heeft met de IS-wreedheden.
Zó ziet de werkelijkheid eruit.

En uiteraard wordt daar in de Vlaamse kranten met geen woord over gerept.

20140916-084009.jpg
(Khaled El Jafoufi)

Philipp Bekaert, studentenbegeleider VUB:” Ik weet uit ervaring dat mijn studenten heel anders over geopolitiek of over de religiekritiek in Goethes Faust praten als er een of twee gesluierde dames mee in de zaal zitten. ‘Afficheren’ of ‘ostentatief zichtbaar maken’ wordt als agressiever ervaren, dan ‘er gewoon over praten’, het maakt een dialoog zeer moeilijk omdat het een persoonlijke overtuiging (‘Ik geloof dat God bestaat, en dat Mohammed zijn profeet is’) van begin af als absoluut presenteert (‘iedereen moet dit te allen tijde van mij weten’).”

Maarten Boudry: ‘Natuurlijk juich ik vredelievende interpretaties toe, maar tezelfdertijd moeten we durven erkennen dat het boek zelf zo’n interpretaties enorm bemoeilijkt. Niet elke lezing is even geloofwaardig. Bijvoorbeeld: als de Koran 120 keer zegt dat ongelovigen voor eeuwig zullen branden in de hel, inclusief obscene beschrijvingen van de folteringen die ze zullen ondergaan, dan is de interpretatie dat God gewoon een hartig gesprek met hen zal voeren (misschien het metaforische ‘vuur aan de schenen’?), niet zo waarschijnlijk. Van een Opperwezen mag je toch verwachten dat hij zich min of meer helder kan uitdrukken. Woorden zijn niet weerloos. We kunnen niet verwachten dat iedereen in de voetsporen treedt van Humpty Dumpty, het sprekende ei uit Alice through the Looking Glass, dat stelt dat je woorden eender wat kan laten betekenen, als je ze maar wat extra fooi geeft.’

9/13

De kogel is door de kerk!
Afgelopen zaterdag 13 september 2014, ben ik, na een inactiviteit van ik schat tien jaar, weer mensen beginnen tekenen.
Ik sta er zelf van te kijken.
Een week geleden zat ik nog naar de toeristen in Brugge te kijken, en eergisteren zat ik ze al te tekenen.
Wat een besluitvaardigheid!
Het idee was natuurlijk niet nieuw.
Mijn debuut als marktkramer is niet bepaald een succes geweest.
Het werd met de dag duidelijker: als er niks veranderde, had het geen zin om voort te doen.
Dus bleef er maar één mogelijkheid over: opnieuw karikaturen tekenen.
Want dat is het enige wat ik echt kan en waar mensen geld willen voor geven.
Als dat niet hielp, zou niks helpen.

20140915-212141.jpg

Ik was er vrij gerust in dát het zou helpen, maar ik zag op tegen de spanning, de drukte, de verwachtingen, het in de kijker lopen.
Het is niet niks om iemand in pakweg 20 minuten te portretteren terwijl mensen over je schouders staan mee te kijken.
Als autist bevind je je dan in een situatie waarin je je NIET wilt bevinden: klem tussen twee partijen, het model en de toeschouwers.
Dat ik me toch in die situatie begeef, is een gevolg van mijn eindeloze fascinatie voor het fenomeen mens.
En van geldgebrek natuurlijk.
Maar dat laatste is toch vooral de stok achter de deur, de duw in mijn rug, de schop onder mijn …

Zou ik de stap gezet hebben als mijn ‘winkel’ gedraaid zou hebben?
Ik betwijfel het.
Als ik deuren achter me dichttrek dan trek ik hard.
Toen ik besloot om geen karikaturen meer te tekenen, voelde ik een grote opluchting.
Ik had er genoeg van het onderbetaalde slaafje te zijn van BMW-types.
Hoe graag ik ook mensen tekende, de omstandigheden waarin ik dat moest doen, braken me zuur op en ik heb m’n afscheid (ergens op een bedrijventerrein in Kortrijk) nooit betreurd.

Maar toen ik verleden week op die grappige septemberzondag al die mensen voorbij zag trekken, kwam het verlangen opeens weer naar boven.
Het was méér dan een verlangen trouwens, het was een soort roeping, letterlijk bijna.
Ik zal niet beweren dat ik een stem hoorde, maar ’t scheelde toch niet veel.
Toen ik een broodje ging halen, zag ik een jongen met op z’n t-shirt de woorden: JUST DO IT!
De volgende dag las ik ergens een verhaaltje over iemand die een kans verkeken had, het wilde goedmaken, maar te horen kreeg dat het te laat was, dat ‘het moment’ voorbij was.
En de dag daarop schreef een lezer: in ’s hemelsnaam, waarom ga je niet opnieuw mensen tekenen?
Aan zoveel tekenen (sic) kon ik niet voorbijgaan: mijn ‘moment’ was gekomen.

20140915-212345.jpg

Er was één probleem: ik wilde niet terug naar mijn zwart-witte periode, ik wilde in kleur werken, en dat had ik nog nooit gedaan.
Ik had nog nooit een portret of een karikatuur in kleur gemaakt, tenzij eens voor de grap (sic).
Ik durfde het niet aan om meteen in het diepe te springen.
Maar toen kreeg ik een idee.
(Tussen haakjes, ik zou wel eens willen weten van wie ik dat soort ideeën krijg.
Dat ze vanzelf komen, geloof ik al evenmin als ik geloof dat de wereld vanzelf is ontstaan.)
In ieder geval, het idee was het volgende: ik zou er een try out van maken.
Ik zou gratis tekenen, dan kon ik op m’n gemak een en ander uitproberen.
Het was een beetje Ahriman uitdagen, want die verdraagt het niet als er ergens niet voor betaald wordt.
Maar ik dacht: mensen betalen me door te poseren.
Ahriman ging daar blijkbaar mee akkoord, maar hij zou me wel duidelijk maken dat het bij deze ene keer moest blijven.

Vrijdagmiddag besteedde ik aan het schilderen van een affiche (wat een smeerboel is acryl toch!) en het in bedwang houden van m’n zenuwen.
’s Avonds zei ik tegen An: morgen ga ik karikaturen tekenen!
En zaterdagochtend vertrokken we in de mist naar Brugge.

Het leek wel eind november, hoewel het weerbericht mooi nazomerweer beloofde.
Halfacht, en het was reeds druk op de autostrade.
Ook op de Dijver was het al druk.
Zou de 13de daar voor iets tussen zitten?
Ik stelde m’n kraam op en tegen de tijd dat ik alles had schoongemaakt – ik ben marktkramer én glazenwasser – was het 11 uur.
Ik plaatste m’n affiche op een ezeltje en nu was het wachten tot ze ‘beten’.
Alea iacta erat.

20140915-212725.jpg

M’n buurvrouw zat een kopje koffie te drinken, en in een opwelling zei ik: Barbara, heb je geen zin om even voor me te poseren?
Haar ogen werden nog ronder dan anders, maar tot m’n verrassing zei ze: ja, dat wil ik wel!
Mijn eerste model in tien jaar, en ik had me geen beter kunnen wensen.
Toch beefde m’n linkerhand zo sterk dat ik nauwelijks een lijn op papier kreeg.
Al een geluk dat er nog niemand stond te kijken!
Maar ik heb – buiten mijn vrouw – nog nooit iemand NIET op papier gekregen.
En ook met Barbara lukte het.
Nu de kleuren nog.
Wat zou dát worden?

Pas later op de dag zou ik zien dat de tekening eigenlijk best geslaagd was.
Dertien bleek opnieuw mijn geluksgetal.
De rest van de dag verliep as in the old days: ik kreeg geen tijd om te ademen, de kandidaten stonden aan te schuiven.
Gratis is en blijft het moderne toverwoord bij uitstek.
Tegen vijven had ik – buiten een korte pauze om een broodje te eten – non stop getekend en voelde ik dat m’n jeugd definitief voorbij was.
Vroeger kon ik zonder problemen 10 uur aan een stuk tekenen.
Nu voelde ik me uitgeput, verdwaasd, leeg.

20140915-212918.jpg

Ik moest terugdenken aan m’n allereerste Gentse Feesten.
Tien dagen lang tien uur per dag tekenen.
Toen het voorbij was, had ik twee maanden nodig om te recupereren.
Twee maanden lang deed ik niets anders dan op de sofa liggen, van ’s morgens tot ’s avonds.
Al m’n reserves waren opgebruikt.
De volgende jaren zou het beteren, maar het bleef gekkenwerk.
Toch heb ik de beste herinneringen aan die tijd.
Hoe zwaar het allemaal ook was, ik deed wat ik het liefst doe: mensen tekenen.
En ik heb er véél getekend: honderden, zelfs duizenden.
Zoals ik vorige keer al zei: ik zou ze allemáál willen tekenen.
En ik zou ze allemaal honderd keer willen tekenen.

20140915-213047.jpg

Ik was zaterdag blij dat ik het fysiek nog kon, dat m’n rug niet opspeelde, dat m’n hand nog luisterde, dat m’n ogen nog zagen.
Maar het was duidelijk dat ik verstandig met m’n krachten zal moeten omspringen, anders houd ik het niet vol.
Voor buitenstaanders lijkt het misschien no big deal, maar buitenstaanders zien alleen het topje van de ijsberg.
Als ik teken, valt er niks aan me te zien.
Buiten m’n hand die tekent en m’n ogen die kijken, speelt alles zich binnenin af.
Daar heerst de grootste concentratie en inspanning.
Daar woeden soms ook hevige gevechten, want sommige mensen ‘geven’ zich niet.
Je moet ze echt veroveren, als een versterkte vesting.
En daar zijn ze zich niet van bewust.
Ze zitten – net als ikzelf – in alle (schijnbare) rust op hun stoel.

Het is voor mij altijd afwachten wat het zal worden: een gevecht of een spel.
De meest open en vriendelijke mensen kunnen oninneembare burchten blijken te zijn, terwijl stugge en norse mensen zich als kinderen helemaal aan je overgeven.
En van buiten merk je daar helemaal niks van.
Het speelt zich allemaal op geestelijk vlak af.
Het is een Ik-ontmoeting.
Dat maakt het zo zwaar.
Dat maakt het ook zo boeiend.

20140915-213244.jpg

Mijn laatste klant van het weekend was een vervelende vent, een autochtone Bruggeling die zijn … hond wilde laten tekenen.
Zaterdag had hij me ook al lastiggevallen en ik had hem alleen kunnen afwimpelen met de belofte dat ik zijn hond de volgende dag zou tekenen.
Ik hoopte natuurlijk dat ik hem nooit meer terug zou zien, want ik geef honden liever een IS-behandeling dan dat ik ze teken.
Helaas, zondagmiddag was hij daar opnieuw.
Ik slaagde erin hem nog eens wandelen te sturen met het excuus dat ik net een afspraak had, maar hij kwam terug.
Het is toch nog altijd gratis, hé? vroeg hij.
Vandaag mag je geven wat je wilt, antwoordde ik.
En hij ging gretig in m’n stoel zitten met de hond op zijn schoot.

20140915-214435.jpg

Het beest keek me smerig aan.
Ik kon niet eens wraak nemen door er een flink gechargeerde karikatuur van te maken, want honden ZIJN reeds karikaturen.
En dus probeerde ik het mormel op papier te krijgen, want als ik teken, wil ik het goed doen, ongeacht het model.
Toen ik de tekening liet zien, was de man opgetogen.
Hierzie, zei hij en stopte me vijf euro toe.
Toen ik ze wilde aannemen, vroeg hij: kun je me drie euro teruggeven?
Nee, zei ik naar waarheid, ik heb m’n kleingeld net aan een muzikant gegeven.
Hij ging naar m’n buurman om het geld te wisselen.
En geen centjes hé! voegde hij eraan toe.
Toen hij me de twee euro in de hand drukte, als een teken van zijn oprechte dankbaarheid, dacht ik bij mezelf: één euro voor het papier (Fabriano Artistico) en één euro voor de kartonnen envelop (Rajapack).
De tekening was dus gratis, zoals afgesproken.
En ik moest lachen.
Ahriman had me zijn boodschap overgebracht en ik had hem begrepen: gratis tekenen, dat moest ik niet nog eens wagen!
Anders zou hij me de hele dag honden (dat wil zeggen zichzelf) laten tekenen…

20140915-213353.jpg

Ahriman is heel dubbel: enerzijds spoort hij me (onder meer door geldgebrek) aan om karikaturen te tekenen, anderzijds maakt hij mij het leven zuur door me te beletten er genoeg geld mee te verdienen.
Ik ben tien jaar geleden gestopt met tekenen omdat de verdiensten zo in wanverhouding waren met het werk, dat ik er een tegenzin van kreeg.
Het voornaamste probleem is dat het werk grotendeels onzichtbaar is.
Het speelt zich niet alleen af op geestelijk vlak, het speelt zich ook in de voorbereiding af.
De Engelse schilder Whistler kreeg ooit een proces aan zijn been omdat hij volgens zijn opdrachtgever veel te veel geld vroeg voor een portret waaraan hij maar een paar uur had gewerkt.
Whistler verdedigde zich door te zeggen dat hij 40 jaar lang gewerkt had om een portret in een paar uur te kunnen maken.
Ook dat maakt deel uit van het ‘onzichtbare’ aspect van de kunst.
En het begrip voor het onzichtbare is er sinds Whistler niet op vooruitgegaan…

20140915-213522.jpg

Als kunstenaar ondervind je pas goed hoe materialistisch de moderne mens is geworden.
Hij wil alleen betalen voor het werk dat hij ziet, niet voor het onzichtbare en dus geestelijke werk.
Nochtans is dat geestelijke werk niet echt onzichtbaar: je kunt het aflezen aan de kwaliteit van het zichtbare werk.
Maar dan moet je wel geestelijk actief worden, anders zie je geen artistieke kwaliteit.
En daar ligt het probleem: de moderne mens is geestelijk ontzettend passief geworden.
Maar hij is niet passief uit luiheid, hij is passief uit angst.
Hij durft eenvoudig niet meer te oordelen en op die manier de Anschauende Urteilskraft te ontwikkelen die hem in staat stelt het ‘onzichtbare werk’ te zien.
Want dan laat Ahriman zijn tanden zien, als een pitbull die je naar de keel dreigt te vliegen.

20140915-214534.jpg

Toch wil ook Ahriman, net als ieder ander wezen, geliefd worden.
Hij gelooft echter niet dat hij liefde verdient, en dus probeert hij ze af te dwingen.
Dat is zijn tragiek.
Toen we zaterdag naar Brugge reden, vertelde An dat ze de vorige dag een man had gezien die zo’n verschrikkelijk lelijke hond aan de lijn had dat ze zich afvroeg: wat bezielt mensen in godsnaam om met zo’n gedrocht over straat te lopen?
En toen begreep ze het opeens.
Eigenlijk vragen die mensen: hou alsjeblieft van me, hoe lelijk ik ook ben!
En ze vragen het via hun hond, via een beest kan er niets kan aan doen dat het zo lelijk is.

20140915-213741.jpg

De man die de volgende dag met zijn hond in m’n stoel ging zitten, wilde in feite zélf getekend worden. Maar dat durfde hij niet, uit schrik dat ik hem met zijn lelijkheid zou geconfronteerd hebben.
Veertig jaar geleden zou ik dat zeker gedaan hebben.
Ik zou me tot het uiterste hebben ingespannen om hem met mijn potlood de grond in te boren.
Ja, Ahriman ging toen nogal te keer in me.
Ik werd bezield door pure haat.
Ik haatte de mensen omdat ze zo lelijk waren.
Maar mijn liefde voor de kunst was altijd groter dan die haat.
Hoeveel genot ik er ook in schepte om mensen hun lelijkheid in te peperen, ik schepte er méér genoegen in een goede tekening te maken.
Nooit heb ik het eerste op het tweede laten prevaleren.
Dat gáát trouwens niet in de kunst, het wreekt zich onmiddellijk.
Als de liefde niet groter is dan de haat (of de hoogmoed, want Lucifer doet natuurlijk ook mee) dan kun je eenvoudig geen kunst maken.

20140915-213918.jpg

Toen m’n karikaturen nog vernietigend waren, liet ik ze nooit zien.
Toen ik ze liet zien, waren ze niet vernietigend meer.
En toen kinderen me begonnen te vragen om karikaturen van hen te tekenen, wist ik dat ik het pleit gewonnen had.
Er is vandaag geen enkele haat meer als ik mensen teken.
Wel integendeel.
Ik vind het een voorrecht mensen te mógen tekenen.
Ik vind mensen prachtige wezens.

20140915-214302.jpg

Maar Ahriman geeft zich niet zomaar gewonnen.
Kan hij me niet langer dwingen mensen in monsters te veranderen, hij kan me wel dwingen veel te weinig geld te vragen voor m’n tekeningen.
Hij kan me dwingen om op een rommelmarkt te gaan staan of als een soort clown op te treden tijdens bedrijfsfeestjes.
Op de Dijver bijvoorbeeld kijkt hij me grijnzend aan vanuit de drie kunstgalerieën aan de overkant, waar hij ‘kunstenaars’ uitnodigt voor wie kunst een intellectueel spelletje is of gewoon boerenbedrog.
Nu, ik laat het niet (meer) aan m’n hart komen.
Als ik teken, heb ik op een dag meer toeschouwers dan er in een hele week zo’n galerie bezoeken.
En dat die galeriebezoekers meer verstand van kunst zouden hebben dan de toeristen, daar moet ik eens hard om lachen.
Op een rommelmarkt krijg je heus geen stront verkocht …

20140915-214047.jpg

Ik heb afgelopen weekend dus ‘voor niks’ gewerkt en nu moet ik eens heel hard nadenken hoe ik het zal aanpakken om mezelf niet zodanig uit te putten dat Ahriman alsnog zijn slag thuishaalt.
‘Niet uitputten’ betekent: méér geld vragen dan mensen geneigd zijn op een markt uit te geven. En dat betekent op zijn beurt: mensen wakker maken, ze aansporen tot geestelijke activiteit, zodat ze beseffen dat een ludiek portret meer waard is dan een etentje met twee en een doos pralines toe (allebei bovendien van bedenkelijke kwaliteit).
Dat kan maar op één manier: zelf wakkerder worden, zelf geestelijk actiever worden.
En zo zijn we nooit klaar.
Gelukkig maar.

20140915-214155.jpg

20140915-214641.jpg

20140915-214709.jpg

Voorrang van links

20140915-071437.jpg

Dit is Steven Defour, moeders mooiste en (sinds kort) voetballer bij Anderlecht.
Na afloop van de wedstrijd op Lierse, die nogal tumultueus verliep, maakte hij bij het passeren van de Lierse bank een gebaar dat door de kranten als obsceen en ontoelaatbaar werd bestempeld.
Hmm, interessant, denkt een mens dan en hij gaat het filmpje eens bekijken.
Wat is daarop te zien?
Drie keer niks.
In reactie op gebaren of scheldwoorden van de tegenpartij grijpt Defour even z’n edele delen vast om duidelijk te maken wat hij ervan denkt.
Hij doet het terloops en geen enkel zinnig mens zou het in zijn hoofd halen zich daar druk over te maken.
Maar niet zo de kranten!
Die ruiken hun kans en maken er een halszaak van.

Het is om door de grond te zakken van schaamte.

Iemand nog iets gehoord over Rotherham?
Daar werden de afgelopen jaren 1400 (blanke) kinderen misbruikt door moslims.
Toegegeven, het is in het nieuws gekomen.
Daar konden de kranten niet onderuit.
Maar na één of twee dagen was het al afgelopen.
Dat vonden ze voldoende.
En geen spoor van verontwaardiging.

O ja, de politie heeft een proces-verbaal opgemaakt tegen Steven Defour.
Die rabauw moet niet denken dat hij zomaar wegkomt met zijn ‘ontoelaatbare gedrag’.
We leven hier tenslotte in een beschaafd land!
Op de weblog van filosoof Roger Scruton lees ik dat in het geval Rotherham niemand ontslag heeft genomen of gekregen, niemand werd aangeklaagd, de hele zaak is in de doofpot gestoken.

Als iemand er nog aan twijfelde waar de prioriteiten van de overheid en de kranten liggen, dan weet hij het nu.

AVV-VVK

20140912-160519.jpg

Gisteren werden er in De Standaard niet minder dan 5 pagina’s gewijd aan het eurocomissariaatschap van Marianne Thyssen.
Haar aanstelling was het orgelpunt van een intens politiek drama waarbij Kris Peeters een offer bracht dat hem de status van christelijk martelaar oplevert: hij gaf het premierschap van België, dat hij al van in de wieg ambieert, op zodat Marianne een belangrijke rol kan gaan spelen in Europa.
Over die rol zei de uitverkorene zelf: ‘Ik word het sociale gelaat van Europa.’
Zo kennen we de tsjeven: onbaatzuchtig, offerbereid en bescheiden.
Geweldige acteurs kortom.
Want waar ging het werkelijk om?
Om geld.
De christelijke vakbond dreigt namelijk een grote hoop geld te verliezen.
Ze hébben al een grote hoop geld verloren, maar dat was niet hun geld.
Het was het geld van de 800.000 Arco-spaarders, die op een dag al hun spaargeld kwijt waren.
Oeps! Foutje gemaakt.
Wat nu gedaan?
We zijn in België en dus passen we daar een mouw aan, een zeer bekende mouw: we laten de belastingbetaler opdraaien voor de misdadige stommiteiten van de ACW-top.
Dat mag wel niet, maar er mag zoveel niet en we doen het toch.
We leven echter ook in Europa en Europa zei: wie zijn gat verbrandt, moet zelf op de blaren zitten!
Zonder Europa zou er geen vuiltje aan de lucht zijn geweest.
De Belgische belastingbetaler zou gedaan hebben wat hij al sinds mensenheugnis doet: afdokken voor de stommiteiten van anderen.
Maar daar stak Europa dus een stokje voor.
Wat nu gedaan?
De tsjeven maakten een ruil met de MR: jullie krijgen de eerste minister als wij de eurocommissaris krijgen!
Want die eurocommissaris kan er wellicht voor zorgen dat Europa wat meer begrip krijgt voor de problemen van het Belgische ACW.
Het kan toch niet zijn dat de vakbondsbazen zelf moeten opdraaien voor hun escapades!
Waar gaat het heen als de grote heren niet meer ongestoord hun zin mogen doen!
Daar zullen de Europese grote heren ongetwijfeld wel begrip voor hebben.
Gentlemen onder elkaar, nietwaar!
En ziet Marianne Thyssen er niet uit als every inch a gentlewoman?
Zo iemand gaan ze toch niet in de kou laten staan!
Dat zou van weinig beschaving getuigen.
En zo zal, mits wat stratego op hoog niveau, toch nog een goed einde komen aan deze ietwat vervelende zaak.

Moraal van het verhaal: Europa keert langzaam maar zeker terug naar de Middeleeuwen.
De hoge heren bekonkelfoezen alles onder elkaar en de bevolking werkt zich te pletter om hun schulden te betalen.
Maar er is ook vooruitgang: de hoge dames mogen nu openlijk meespelen!
Het politieke gekonkel is niet langer een exclusief mannelijke aangelegenheid.
En dat wordt door De Standaard luid toegejuicht.
Alles Voor Vooruitgang.
Vooruitgang Voor Klootzakken.

20140912-165514.jpg

Zoever woeter

De bel gaat.
Aha, denk ik, daar zijn mijn kartonnen dozen!
Op de stoep staat een man in een oranje overall met een blauwe frigobox in de hand.
‘Ne goojn dag. Edde ga woeterlaadingge?’
De man spreekt het platste Gentse dialect dat ik al in lange tijd gehoord heb.
Ik kan hem maar net verstaan.
Bovendien heb ik moeite met overschakelen van karton naar water.
Dus zeg ik: pardon?
‘Oft dagge woeter vande woeterlaadingge et?’
Ik antwoord: ja, vanwaar anders?
‘Aa vanne put natuurglaak.’
Bestaat dat nog?
‘Das zejkerst da.’
‘Magk ne kiêr kaake? Tes veur ’t woeter te kongtrolleire.’
Tuurlijk, tuurlijk, kom binnen!

Uit zijn frigobox haalt hij een heel assortiment plastic flesjes waarop hij een etiket kleeft.
Vervolgens vult hij ze met water.
Voor het laatste flesje spuit hij eerst wat ontsmettingsmiddel op de kraan.
‘Na moetm bitse waagte.’
Moet je ieder huis controleren, vraag ik hem.
‘Neeje, neeje. We kiezn ieder mont een stroet.’
Hij schudt het hoofd.
‘Ak doon dejs weirk al vaaventwintig joer, mor ’t es ni plezangt ni miêr.’
Hoe dat zo? vraag ik.
‘Och joeng, de meinssche zaan zoe wantroewig gewurre!
Aazzek ba zoên aat mengske kom, stoeget te trelln epper bientses.’
Ik trek de wenkbrauwen op.
‘Schrek joeng, schrek! Gelaak wee kan nen oranjenen ouverol oentrekke.’
En hij vertelt over valse politieagenten die oude mensjes beroven.
Hij is blijkbaar opgelucht dat hij eens niet als een potentiële misdadiger wordt ontvangen, want hij is niet te stuiten: een waterval (sic) van het zuiverste (sic) Geintsche dialect.
Een echte boeventaal, maar wel onschuldig.
Echte boeven spreken al lang geen dialect meer.
Nietwaar, meester Vermassen?

Hoelang moet je nog werken? vraag ik.
‘Oowdadde?’
Voor je pensioen, bedoel ik.
Dat had ik beter niet gevraagd.
Volgt een heel verhaal over de ‘verbeiwenge’ aan zijn huis.
We komen zelfs bij de kathedraalbouwers terecht, die géén vorkliften en bouwkranen hadden.
Allemaal om te zeggen dat hij nog een ‘joer of zesse’ water gaat controleren.
Dat kan trouwens ook op aanvraag, verneem ik.
‘Groetis. Oem de draa joere.’
Dat weten we dan ook weer.

Eindelijk vertrekt hij.
‘Saleu è motse!’
Ik moet lachen.
Ik hoor niet iedere dag dat iemand mij ‘maat’ noemt.
Maar het komt wel uit onverdachte bron.
A zuun plat Geintsch, daar kan geen kwaad in zitten.
Het kwaad is vandaag véél beschaafder.
Nietwaar, meester Van Steenbrugghe?

Daar gaat de bel opnieuw.
Dit keer zijn het mijn kartonnen dozen.
Kan ik beginnen wat orde te scheppen in de toenemende chaos die ik hier in huis veroorzaak.
Da’s ook een zuivering.
En er valt véél te zuiveren.
Water en karton, nat en droog.
Het lijkt me een goed begin.

Liefde is blind

Na een middagje bloggen – mijn bezoek aan het ACV was voor mijn autistische ik een Grote Gebeurtenis die verwerkt moest worden – was ik toe aan wat beweging.
Dus trok ik richting vijver.
Een andere richting is hier trouwens niet.
Aan het metalen bruggetje dat de Schoofmeersstraat verbindt met het Damvalleimeer (de vijver) zat een jonge vrouw op de grond met een hondje in haar armen.
Beginnen ze hier nu ook al te bedelen? was m’n eerste reactie.
Maar ik zag geen bekertje.
Twintig meter verder kwam ik opnieuw een hondje tegen, van het soort dat later heel groot wordt en af en toe bijt.
Het zag er voorlopig nog trillend en onschuldig uit.
Toen ik passeerde, liep het als vanzelfsprekend met me mee.
Achter me hoorde ik de ouders roepen, vergeefs zoals gewoonlijk.
Ik bleef staan, en het beestje keerde terug.
Van zodra ik weer verder ging, was het daar weer.
Ik voelde me niet geroepen de pedagogische taak van de roepende ouders te verlichten en vervolgde mijn weg, met het vierpotertje achter me aan.
Omdat ik ijverig aan het nadenken was over Steiners karmavoordrachten vergat ik het algauw.

20140910-233303.jpg

Een tijdje later passeerde ik een voetbalveld waar de jeugd van Destelbergen opgeleid werd tot Rode Duivel.
Dat was al van ver te horen.
Te midden van een 20-tal jongetjes van een jaar of tien stond een kalende veertiger te bulderen alsof er een familiedrama aan de gang was.
STOP!!! ZIE JE DAN NIET WAT JE DOET!!!
De kleine voetballertjes stonden er als verlamd bij.
ALS JE ZO OP IEMAND AF KOMT STORMEN, KAN HIJ JE GEMAKKELIJK ONTWIJKEN!!!
Hij zou het eens gaan demonstreren en sommeerde een jongetje naar hem toe te komen lopen.
Na enige aarzeling en zonder veel overtuiging deed het ventje dat.
STOP!!!
Hij hield het jongetje bruusk tegen en brulde, alsof het stokdoof was:
NU KUN JE ZIEN WAT IK GA DOEN. NU KUN JE ME VEEL GEMAKKELIJKER TEGENHOUDEN!!!
Een wijze les. Zelfs ik begreep ze.
KIJK ZO!!!
De brulboei ging er met de bal vandoor.
ZIE JE???
Er was helemaal niks te zien geweest.
Het jongetje had geen vin verroerd, laat staan dat het die brullende reus had tegengehouden.
Het dacht waarschijnlijk: ik ben wel jong, maar niet gek.
VOORUIT, VERDER SPELEN!!!
De voetballertjes kwamen aarzelend weer in beweging, bang om iets verkeerds te doen en de boei weer aan het brullen te brengen.
Vergeefs.
STOP!!!
Trainermans zwaaide met zijn armen.
WAT ZIE JE VOOR DE GOAL???
Opeens kreeg ik het gevoel dat de man helemaal geen voetballes gaf.
Hij deed alsof.
Hij speelde voor trainer.
Hij acteerde.
De imaginaire tribunes zaten vol imaginaire toeschouwers die naar hem keken.
Hij deed dus wat zijn pupillen hoorden te doen: spelen.
Hij riep wat kinderen ook altijd roepen: KIJK NAAR MIJ, KIJK NAAR MIJ!
En de kinderen?
Die deden wat volwassenen gewoonlijk doen: als verlamd staan kijken, denkend aan regels die ze niet mogen overtreden.
Het was gewoon de … omgekeerde wereld.

20140910-231228.jpg

Langs de lijn stond een groepje ouders aandachtig te kijken.
Maar ze zagen niets.
Ze zagen niet dat die brullende veertiger zich kinderachtig gedroeg.
Ze zagen niet dat de jongetjes zich als veel-te-vroeg-volwassenen gedroegen.
Ze zagen niet dat de wereld op zijn kop stond.
Blind, Doof en Stom, samen op één voetbalveld.

Ik kon het niet langer aanzien en wandelde verder.
Even later naderde ik weer het metalen bruggetje dat toegang geeft tot de vijver.
Wat was daar aan de hand?
Het leek wel of twee kinderen aan het … boksen waren.
Ik vergiste me.
Het waren twee volwassenen.
Eén van hen was de vrouw die ik op de grond had zien zitten met het hondje in haar armen.
Zij verkocht meppen tegen de grote handschoenen die haar trainer – een knappe jonge kerel – voor zich uit hield.
Was er nu echt geen betere plek om dit te doen dan vlak voor de ingang naar de vijver, op de (kleine) parking waar iedereen moet passeren?
Toen viel mijn frank (het is nog altijd geen euro): dat is net waarom ze het doen!
Net als die brultrainer gaat het hen niet om de training, het gaat hen om het doen alsof, om het acteren, om het bekeken worden.
Het was alweer de omgekeerde wereld.
Vrouwen die boksen? Het leek wel een scène uit een of andere goedkope Amerikaanse serie.

Alsof het allemaal nog niet omgekeerd genoeg was, trippelde rond het duo het hondje dat de vrouw in haar armen had gehad.
Het had een … pamper aan.
Ik moest denken aan het jonge koppel dat ik enkele weken tevoren aan zee het achterste van hun hondje – eveneens van het mormeltype – uitvoerig had zien wassen met … Evian.
Tja, voor onze kleinsten is niets goed genoeg, nietwaar?

Toen ik thuis kwam, zei ik tegen An: het gaat niet goed met de wereld.
Waarom niet? vroeg ze.
Omdat liefde blind is, antwoordde ik.

20140910-232127.jpg