Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Maand: oktober, 2014

Schoenaerts (4)

Het proces Schoenaerts heeft nog een onverwacht staartje – zeg maar staart – gekregen.
Nadat Stan Lauryssens veroordeeld was tot het plakken van een sticker op zijn boek met de vermelding dat het ‘onjuistheden’ bevat, heeft hij besloten het boek gewoon uit de handel te nemen.
Dat is een draconische maatregel, zeker aan de vooravond van de opening van de boekenbeurs.
Lauryssens trekt daarmee een zware streep door zijn eigen rekening, want verwacht kon worden dat het boek-met-de-sticker veel belangstelling zou genieten.
Er stond trouwens al een tweede druk op stapel.
En dat veegt Lauryssens nu allemaal met één zwaai van tafel.
De man moet zich behoorlijk in het kruis getast voelen.

Eén ding is zeker: dit is een kwalijke zaak.
Precies op het moment dat het jaarlijkse hoogfeest van het boek begint, wordt er een boek uit de handel genomen omdat mensen zich erdoor gekwetst voelden en naar de rechter stapten.
Dat de schrijver daar zelf toe besloten heeft maakt de zaak niet minder erg.
Integendeel zelfs.
Stan Lauryssens ervaart het oordeel van de rechter als zo vernederend dat hij de eer aan zichzelf houdt: liever dan zijn werk te verminken, haalt hij het uit de rekken.
Wat hij eigenlijk zegt, is: als ik zo moet schrijven, dan schrijf ik liever niet.

Het is dit soort zelfcensuur dat de politieke correctheid zo gevaarlijk maakt.
Mensen worden ertoe gebracht om uit vrije wil hun mond te houden, om niet te doen wat ze wilden doen.
Met name de culturele wereld is daar zeer vatbaar voor.
Ik kan me niet voorstellen dat de Vlaamse kunstenaars zo politiek correct, zo Belgicistisch en zo anti-Vlaams zijn als ze zich gedragen.
Dat strookt totaal niet met het vrijheidslievende wezen van de kunstenaar.
Die laat zich niet zomaar dwingen en in een keurslijf stoppen.
Behalve dan door … zichzelf.
En dat is ook wat gebeurt: de Vlaamse kunstenaars doen massaal aan zelfcensuur.
Net als de Vlaamse journalisten.
Net als de Vlaamse media.
Ze snoeren zichzelf preventief de mond.
Ze zwijgen nog vóór iemand hen daartoe dwingt.
Niemand dwingt Stan Lauryssens zijn boek uit de handel te nemen.
Hij doet het zelf, uit vrije wil.

Is dat een overreactie?

Tenslotte zegt die fameuze sticker niet veel: ‘dit boek bevat onjuistheden.’
Ik denk dan meteen aan kleinigheden: een verkeerde datum, een verkeerde naam, een niet geheel accurate weergave van een feit.
Maar ik denk niet aan grove onjuistheden, want dan zou er op die sticker wel iets anders hebben gestaan, of zouden er andere maatregelen zijn genomen.
Ik interpreteer het als: de schrijver is hier en daar een beetje onnauwkeurig geweest, maar voor de rest klopt zijn verhaal wel.
Dat is niet wat je noemt een zware veroordeling, het is meer een tik op de vingers: Stan jongen, volgende keer beter opletten!
Maar juist dat betuttelende, dat schoolmeesterachtige komt hard aan bij iemand die zijn vak ernstig neemt.
Het is kleinerend.
Veel respectvoller was het geweest als Lauryssens een boete had gekregen en in de tweede druk de ‘onjuistheden’ had moeten corrigeren.
Dan had hij kunnen zeggen: OK, die boete verdien ik wel terug door alle aandacht die m’n boek nu krijgt, en de tweede uitgave zal beter (want juister) zijn dan de eerste.
In plaats daarvan wordt hij echter als een kind behandeld.

Is dat niet een beetje de essentie van de politieke correctheid?
Mensen worden niet als volwassenen behandeld maar als (stoute) kinderen die moeten leren zichzelf onder controle te krijgen.
Daartoe wordt er een soort valse morele sfeer geschapen die mensen weer naar de schoolbanken stuurt, waar ze goede punten moeten verdienen anders mogen ze niet gaan spelen.
Het roept een herinnering in me op.
In mijn oude school werden er op een dag overal snoep- en frisdrankautomaten geïnstalleerd.
‘Om aan de behoeften van de leerlingen tegemoet te komen’ zullen ze gedacht hebben.
Om geld aan te verdienen natuurlijk.
Die dingen oefenden op ons jongens een magische aantrekkingskracht uit, niet alleen omdat ze zoetigheid bevatten, maar ook omdat het mechanische wondertuigen waren.
We maakten er dus een sport van om te proberen zo’n machine te slim af te zijn.
Toen ik er op een dag in geslaagd was zonder te betalen een reep chocolade uit zo’n automaat te pulken, werd ik betrapt door een verontwaardigde broeder die me als een vuige dief voor de klas opvoerde.
Het was een pijnlijk moment, maar noch ikzelf noch mijn klasgenoten waren bijzonder onder de indruk.
Wellicht voelden we vaagweg de morele perversiteit van de ‘Broeders van Liefde’: eerst verleidden ze ons met een verboden vrucht en vervolgens waren ze verontwaardigd als we toehapten.
Ze infecteerden ons met andere woorden met hun volwassen immoraliteit en gaven er ons ook nog eens de schuld van.
Zoiets noemen ze tegenwoordig kindermisbruik.

Diezelfde morele perversiteit herken ik in de politieke correctheid.
De ‘broeders van liefde’ laten in een land massaal vreemdelingen binnenstromen, en als dan de onvermijdelijke wrijvingen ontstaan, beginnen ze de autochtonen te beschuldigen van racisme.
Daar komt het zo’n beetje op neer.
De gevolgen zijn tweeërlei: enerzijds krijgen autochtonen en allochtonen een hekel aan elkaar, anderzijds worden volwassen mensen herleid tot stoute kinderen die opnieuw opgevoed moeten worden.
Die kinderen krijgen natuurlijk onderling ruzie, want er zijn er altijd die in een goed blaadje willen staan bij hun ‘opvoeders’ en daartoe andere kinderen verklikken.
Op die manier creëert de politieke correctheid een valse morele sfeer die de bevolking herleidt tot een speelplaats vol ruziënde kinderen die – uiteraard – stevig tot de orde moeten worden geroepen.
Als dat maar lang genoeg doorgaat, weten de (volwassen) kinderen niet beter meer of die valse moraliteit is de normale, menselijke moraliteit.
Een goed mens wordt dan iemand die zijn medemensen – voor hun eigen goed – verklikt en die zijn vertrouwen in zijn medemensen ‘censureert’ om zelf niet verklikt te worden.

Als kind bezat ik nog genoeg gezonde moraliteit om niet zwaar onder de indruk te zijn van het feit dat ik als een dief aan de schandpaal werd genageld.
Ook mijn medeleerlingen zagen me niet als een dief.
Wel waren we nog niet wakker genoeg om te begrijpen dat de echte dieven degenen waren die ons van diefstal beschuldigden: de Broeders van Liefde die de snoepautomaten op de speelplaats hadden gehangen om er het geld mee uit onze zakken te kloppen.
En ze stalen niet alleen ons geld, ze stalen ook onze moraliteit.
Vandaag zijn we vijftig jaar later en deze ‘broeders van liefde’ zijn overal.
Het land is vergeven van dieven die onschuldige mensen van diefstal beschuldigen.
En helaas is ons al zoveel gezonde moraliteit ontstolen dat we nu behept zijn met een collectief schuldgevoel dat er ons toe brengt om onszelf steeds meer te censureren.

Stan Lauryssens is 68 jaar oud. Hij is nog ‘van de oude stempel’.
Hij wordt ervan beschuldigd een dief te zijn (en geld te hebben willen verdienen op de kap van een overledene) en dat pikt hij niet.
Zijn straf is schoolmeesterachtig klein, maar juist daardoor is ze extra beledigend.
Het pleit voor Lauryssens dat hij liever zijn boek uit de handel neemt dan dat hij zich als een klein kind laat behandelen door mensen die maar half zo oud zijn als hij.
Maar het maakt de perversiteit van de politieke correctheid extra zichtbaar: ook degenen die zich niet willen laten betuttelen worden tot zelfcensuur gebracht.
Tegelijk worden mensen als Matthias Schoenaerts – die toch een aureool van vrijheid en authenticiteit dragen – te kijk gezet als verklikkers, als mensen die collega’s gecensureerd willen zien.

Ik kan me inderdaad niet voorstellen dat Matthias Schoenaerts gelukkig is met de afloop van de hele zaak. Had hij er vóór het proces niet de nadruk op gelegd dat hij het boek niet wilde laten verbieden, dat hij géén censuur wilde en dat hij de vrijheid van meningsuiting niet in het gedrang wilde brengen?
And look what happened!
Het boek is verdwenen, Lauryssens is de mond gesnoerd en de vrijheid van meningsuiting beleeft – precies op het moment dat de boekenbeurs geopend wordt – een zoveelste zwarte dag.
Het blinkende blazoen van Matthias Schoenaerts heeft een deuk gekregen.
Hij gaat voortaan door het leven als degene die ervoor gezorgd heeft dat een boek uit de boekhandel verdween omdat het ‘kwetsend’ was.
Daar had hij waarschijnlijk niet op gerekend.
Hij had waarschijnlijk niet voorzien dat de rollen zouden omgedraaid worden.
Want niet alleen is het nu Lauryssens die zich gekwetst voelt, hij kan niet eens klacht indienen.
Hij moet machteloos toezien hoe jaren werk in rook opgaan.
Allemaal door toedoen van bad guy Schoenaerts.

Zoals ik al had voorspeld: iedereen heeft verloren.
De uitspraak is een compromis: een beetje voor de aanklager, een beetje voor de beklaagde.
Maar uiteindelijk houdt niemand iets over.
Zo zal het ook met de politieke correctheid gaan: uiteindelijk zal niemand iets overhouden.
Het is gewoon een heel geraffineerde vorm van zelfvernietiging.

Kan daar dan niets aan gedaan worden?

Stan Lauryssens heeft een boek geschreven dat mijns inziens moest geschreven worden.
Matthias Schoenaerts heeft daartegen gereageerd, terecht mijns inziens.
Ze hebben allebei gedaan wat ze moesten doen.
En toch hebben ze allebei verloren.
Ze hebben verloren omdat ze datgene wat ze moesten doen niet op de goede manier gedaan hebben.
Was dat mogelijk?
Waarschijnlijk niet.
Stan Lauryssens heeft gedaan wat hij kon.
Matthias Schoenaerts ook.
Meer zat er waarschijnlijk niet in.

Het lot heeft het zo bepaald dat zij degenen waren die moesten doen wat er gedaan moest worden.
Iemand anders was er niet.
Ze waren echter niet toegerust voor die taak.
Lauryssens was geen goede schrijver genoeg om op de juiste manier over Julien Schoenaerts te schrijven.
En Matthias Schoenaerts was niet wakker genoeg om op de juiste manier te reageren.
Maar is het niet altijd zo?
Is een mens ooit echt berekend op zijn taak?
Doet hij de dingen die hij moet doen altijd op de goede manier?
Of doet hij ze altijd zoals Stan en Matthias: stuntelig, onhandig, vertroebeld door zelfzuchtige motieven, om de tuin geleid door handige haaien?

Ik ga ervan uit dat een mens altijd op de een of andere manier doet wat hij moet doen.
Dat is mijn karma-geloof: een mens leidt het leven dat hij moet leiden, dat hij wil leiden.
Dat leiden is vaak lijden omdat het zelden het leven is dat hij zich wenste en omdat hij het ook niet kan leiden zoals hij het echt wil.
Maar wat kan hij dan wél doen?
Waar ligt de vrijheid van de mens?
Waar ligt zijn verdienste in al deze ontoereikendheid?

Zij ligt in het volhouden, in het blijven proberen.
Wer immer strebend sich bemüht, den können wir erlösen.
Toen jongeren ooit aan Rudolf Steiner vroegen wat ze konden doen, antwoordde hij:
Doe wat je doet, en probeer het beter te doen.
Dat betekent hetzelfde als: word kunstenaar!
Want kunstenaar word je door onophoudelijk te proberen de dingen beter te doen.
Welke dingen? Dat doet er niet toe.
Het gaat om het proberen.
Om het telkens weer opnieuw proberen.
Om het nooit opgeven.

Dat is voor Stan Lauryssens en Matthias Schoenaerts dan ook de enige goede manier om te reageren op de halfslachtige rechterlijke beslissing waar ze allebei het slachtoffer van zijn.
Als ik Stan Lauryssens was, zou ik meteen beginnen aan een nieuw boek, een boek over het boek dat hij net uit de boekhandel genomen heeft.
Want het moet voor een schrijver toch een ondraaglijk idee zijn om jarenlang met hart en ziel te werken aan een boek en het dan zelf, uit gekrenkte trots, uit de boekhandel te nemen.
Ik vraag me dan ook af hoelang Lauryssens dat gaat volhouden.
Ik zie hem nog op die beslissing terugkomen.
Maar daardoor zal hij het gezichtsverlies lijden dat hij nu wil vermijden.
Nee, veel beter zou het zijn om gewoon opnieuw te beginnen en te proberen het dit keer beter te doen.
‘Beter doen’ betekent onder meer: de reacties op je oude boek (en dus het hele proces) meenemen in je nieuwe boek.
Op die manier kan het nieuwe boek een metamorfose worden van het oude.
En hopelijk komt Stan Lauryssens tijdens dat metamorfoseproces tot het inzicht dat Matthias Schoenaerts niet helemaal ongelijk had.
Het samengroeien van beider ‘gelijken’ zou dan tot een ‘hoger gelijk’ kunnen leiden, een gemeenschappelijker gelijk.

Als Matthias Schoenaerts hetzelfde zou doen, namelijk proberen beter te doen wat hij al deed, dan zou hij zijn kritiek op het boek wellicht zodanig nuanceren en verruimen dat hij begrip krijgt voor het standpunt van Stan Lauryssens.
Want tenslotte stellen ze allebei belang in dezelfde figuur: Julien Schoenaerts.
In die gedeelde interesse zijn ze eigenlijk ‘broers’: ze willen hetzelfde, maar ze willen het op een andere manier.
En beide manieren hebben hun recht van bestaan.
Een ‘betere manier’ kan er alleen in bestaan dat beide manieren met elkaar verbonden en zo mogelijk verzoend worden. En die verzoening kan er alleen komen als beiden proberen beter te doen wat ze al deden.
Als ze dat blijven doen, zullen ze vanzelf dichter tot elkaar komen.
Stan Lauryssens zal dan bij het schrijven van zijn nieuwe boek vroeg of laat tot de conclusie komen dat hij de medewerking van de Schoenaertsen nodig heeft. En deze laatsten zullen tijdens het verwerken van de hele zaak eveneens tot de conclusie komen dat samenwerking de aangewezen weg is.
Want wat ze willen, is dat Julien Schoenaerts in ere wordt hersteld, dat er over hem ‘op de goede manier’ wordt gesproken. Daar is nu meer dan ooit nood aan, want hij is er niet goed uitgekomen in deze zaak.
Maar wie zal zich nog willen wagen aan een boek over Julien Schoenaerts?
De kans is reëel dat Stan Lauryssens de enige is die dat nog ziet zitten, en dat er dus maar beter met hem kan samengewerkt worden.

Door de zaak niet op te geven maar te blijven proberen het beter te doen, kan er – met wat geluk – een katharsis plaatsvinden bij beide protagonisten, en kan een broederstrijd worden omgebogen tot een nieuwe, bewustere broederlijkheid.
Zo kan er van iets slechts toch nog iets goeds komen en kan een hele Augiasstal uitgemest worden.
Is dat geen wishful thinking?
Natuurlijk wel.
Maar wat is het alternatief?
Steeds meer mest.
Steeds meer broederstrijd.

Het proces Schoenaerts is slecht afgelopen.
Maar slecht is het alleen in zoverre we het als afgelopen beschouwen.
Als we het – in gedachten – voortzetten en proberen beter te doen, kan het, met terugwerkende kracht, nog een goed proces worden.
Voor mezelf is het dat reeds geweest, want ik heb er veel van geleerd.
Bovendien ben ik nu in het bezit van een collector’s item.
Of het al genoeg waard is om mijn boete te betalen wegens het illegaal uitoefenen van de schilderkunst durf ik te betwijfelen.
Maar ik doe het voorlopig nog niet weg.
Tenzij er natuurlijk een mooi bod zou komen, want een schrijver moet toch érgens zijn brood mee verdienen …

Advertenties

Schoenaerts (3)

Hoe meer ik erover nadenk des te boeiender vind ik het proces ‘Schoenaerts’.
Om te beginnen is het spannend om uit te kijken naar het verdict.
Wie zal winnen, de beklaagde of de klager?
Ik kan me nochtans voorstellen dat niet iedereen er zo over denkt.
Wat is er nu boeiend aan een proces over een boek dat de goede naam van een overledene door het slijk sleurt!
Daar wil een beschaafd mens toch geen aandacht aan schenken!
Ik zou het daar volmondig mee eens zijn ware het niet dat de vraag juist is OF het in dit geval wel om lijkenpikkerij gaat.
Je kunt toch niet alle boeken over Hitler afdoen als lijkenpikkerij omdat ze vol staan met negatieve dingen over de man!
Je kunt ook niet zeggen dat ze niet geschreven hadden moeten worden wegens ‘over de doden niets dan goeds’!
De waarheid heeft haar rechten.
En daarover gaat het ook in het proces Schoenaerts: over de waarheid.
Is het waar wat in dat boek van Stan Lauryssens staat?

Ja maar, je kunt Julien Schoenaerts toch niet met Hitler vergelijken!
Nee, dat klopt.
Maar Schoenaerts was wél een belangrijke figuur in Vlaanderen.
In de wereld van het theater gold hij zelfs als een god, een figuur waar iedereen naar opkeek.
Zelfs vandaag, zoveel jaren na zijn dood, blijft hij de bekendste acteur die Vlaanderen ooit gehad heeft, een prominent en geëerd kunstenaar.
Wat over hem verteld wordt, gaat niet alleen over hemzelf.
Het gaat ook over de mensen die hem bewonderden en nog bewonderen.
Het gaat ook over de wereld die hem als een god beschouwde.

Allemaal goed en wel, maar theater is toch maar theater!
Wat stelt die pluchen wereld voor vergeleken bij de echte wereld!
Oorlog, Ebola, werkloosheid, klimaatwijzigingen, terrorisme, milieuvervuiling: dat zijn pas echte problemen!
In hun licht verzinkt de zaak ‘Schoenaerts’ in het niets.
We kunnen onze aandacht dus beter aan wat anders besteden en het hele proces overlaten aan sensatiezoekers en lezers van Dag Allemaal.

Ik zou het daar opnieuw volmondig mee eens zijn ware het niet dat kunst weliswaar geen werkelijkheid is maar die werkelijkheid wel weerspiegelt.
Er gebeurt in de wereld niets dat ook niet gebeurt in de wereld van de kunst, zij het in een andere, metaforische vorm.
Hoe klein een kunstspiegel ook is in letterlijke zin, hij kan juist heel groot zijn in figuurlijke zin.
En dat is het geval met het proces Schoenaerts.
Het volstaat om een paar simpele vragen te stellen en het wordt al vlug duidelijk dat we hier met een ijsberg te maken hebben: het grootste gedeelte zit onder water.
Wie zegt dat dit proces onze aandacht niet verdient, is gewoon lui.

Neem nu Stan Lauryssens.
Het zijn krasse en zelfs schokkende dingen die hij vertelt in zijn boek.
Dacht hij nu werkelijk dat hij ze kon publiceren zonder een proces aan zijn been te krijgen?
Iedereen kon toch voorzien dat Matthias Schoenaerts dat niet zomaar zou laten passeren.
De man heeft een naam te verdedigen.
En toch schrijft Lauryssens zijn schandaalroman.
Hij vindt er ook nog een uitgever voor.
En niet zomaar een uitgever: Manteau, een begrip in Vlaanderen.
Voor die uitgeverij geldt hetzelfde als voor Lauryssens: ze heeft ervaring genoeg om te kunnen voorspellen dat er een aanklacht zou van komen.
Wordt Lauryssens veroordeeld, dan is dat voor Manteau niet alleen een smet op haar blazoen maar ook financieel verlies.
Niet iets wat je kunt riskeren in deze tijden van besparingen.
En toch geeft Manteau dat boek uit.
Waarom?
Zitten Manteau en Lauryssens misschien in geldnood en wagen ze daarom zo’n zware gok?
Of is het geen gok?
Zijn ze allebei zeker van hun stuk?
Is het allemaal waar wat er in hun boek staat?

Als dat zo is, dan komt de Zwarte Piet bij Matthias Schoenaerts terecht.
Waarom wil hij een journalist beletten om de waarheid te vertellen?
Vindt hij misschien dat kunstenaars boven de waarheid staan en dat hun gedrag met de mantel der liefde bedekt moet worden?
Voelt hij zich als kunstenaar misschien beter dan andere mensen?
Dat was alvast de indruk die hij maakte toen hij op de rechtbank arriveerde, gekleed als hangjongere, recht van de straat zo leek het wel.
Toch was dit de man die reclame maakt voor Louis Vuitton, het exclusieve Franse merk.
De man die hot aan het worden is in Hollywood en de ene film na de andere film draait.
Een welvarend man dus.
Maar als hij voor de rechter verschijnt, doet hij niet eens de moeite om zich een beetje gepaster te kleden.
Bestaat er niet zoiets als ‘minachting voor het hof’?
Of gelden voor kunstenaars andere wetten?

Hoe men het ook draait of keert, het proces Schoenaerts is het proces van de kunstwereld.
Een boek van een kunstenaar over een andere kunstenaar wordt aangevochten door een derde kunstenaar.
Wie het proces ook wint, de kunstwereld zal het verliezen.
Maar juist omdat de kunstwereld de werkelijkheid weerspiegelt, zal het niet alleen de kunstwereld zijn die verliest.

Stel dat Lauryssens in het ongelijk wordt gesteld.
De man is schrijver, maar hij is ook ex-journalist en dat is eraan te merken.
Hij weet heel goed hoe hij de aandacht van de lezer moet vasthouden.
Zijn boek leest als een trein.
Maar is dat boek het resultaat van objectieve verslaggeving, van onverdroten zoeken naar de waarheid, zoals men van een journalist mag verwachten?
Of is dat slechts een alibi?
Gaat het in werkelijkheid niet om geldgewin?
Heeft Lauryssens niet precies hetzelfde willen doen als de kranten en de hele media-wereld: geld verdienen?
En is hij daarvoor niet bereid de waarheid geweld aan te doen?
Berichtgeving is big business geworden in onze tijd, en hét middel om deze business te doen draaien, is het cultiveren van de lagere driften van de lezer: opwinding, sensatiezucht, nieuwsgierigheid, angst, egoïsme, haat, enzovoort.
Het zoeken naar de waarheid hoort daar niet bij.
Tenzij dan de ‘waarheid’ dat homo homini lupus est.
Mensen zijn wolven voor elkaar.

Is dat ook niet wat Lauryssens doet in zijn boek?
Is zijn centrale boodschap niet dat Julien Schoenaerts geen god was maar een beest?
Maar is dat niet de centrale boodschap van bijna alles wat we lezen?
De mens is een dier, deal with it!
Stan Lauryssens doet niets anders dan wat al zijn collega’s journalisten doen.
En die journalisten vertellen niets anders dan wat we reeds geloven: dat we dieren zijn.
Zelfs een bevlogen idealist als Julien Schoenaerts die zijn leven offerde aan de kunst, gedroeg zich bij momenten als een beest.
Hij was zelfs méér beest dan de doorsnee mens.
En geldt dat niet voor de hele kunstwereld?
Is dat niet een zeer ‘beestige’ wereld geworden?
Hedendaagse kunst: het lijkt meer het werk van beesten dan van mensen.
Is heel die culturele wereld niet een laagje blinkend vernis over een Inconvenient Truth?
Is dat trouwens niet hoe we onszelf zien: als dieren met een laagje culturele vernis?
Is dat niet het mensbeeld dat zo diep in onze ziel is doorgedrongen dat we het zelfs niet meer durven te bevragen?

Stan Lauryssens heeft met zijn boek de waarheid over Julien Schoenaerts boven water willen krijgen. Zegt hij. En Matthias Schoenaerts wil deze ‘waarheid’ als een leugen ontmaskeren.
Maar wat stelt hij tegenover die leugen?
Wat is zijn waarheid?
Dat de mens een liefdevol wezen is?
Maar waarom geeft hij dan het voorbeeld niet?
Waarom verschijnt hij voor de rechtbank als een straatjongere die wel respect wil maar er zelf geen toont?
Waarom laat hij zich over Lauryssens uit in bewoordingen die weinig respectvol, laat staan liefdevol klinken?
En de films waarin hij met zoveel overtuiging speelt: stellen zij de mens voor als een liefdevol wezen?
Of brengen zij alweer het mensdier in beeld?

Het proces Schoenaerts is niet alleen het proces van de kunst, het is ook het proces van de mens.
En beide hebben het al bij voorbaat verloren.
Tenzij het proces echt doordringt tot de waarheid.
En is dat niet de bedoeling?
Gaat het in dit proces niet om de waarheid?
Heeft de rechtbank een andere taak dan uit te maken of Stan Lauryssens de waarheid spreekt?

Maar wat is de waarheid in dit geval?
Gaat het alleen om WAT Stan Lauryssens vertelt?
Of gaat het ook om HOE hij het vertelt?
Journalisten hebben zich namelijk de kunst eigen gemaakt om de waarheid zó te vertellen dat ze een leugen wordt.
Door de manier waarop ze iets vertellen, geven ze vaak een boodschap door die heel anders klinkt dan de letterlijke boodschap.
Wat Stan Lauryssens in zijn boek vertelt, is strikt genomen misschien allemaal waar en toch kan het één grote leugen zijn.
Als de rechtbank zich enkel uitspreekt over de letterlijke waarheid van het boek is het goed mogelijk dat ze een leugenaar vrijuit laten gaan.

Ze moet dus ook uitspraak doen over de figuurlijke waarheid, over de manier waarop de letterlijke waarheid wordt verteld.
Als ze de volledige waarheid wil vinden dan kan ze zich niet beperken tot de inhoud van het boek. Ze moet zich ook uitspreken over de vorm.
‘Schoenaerts’ is duidelijk geschreven als een literair werk, als een kunstwerk.
Dat betekent dat inhoud en vorm één zijn.
Ze kunnen niet los van elkaar gezien worden.
Zelfs als de inhoud helemaal waar zou zijn, dan nog kan de vorm er een leugen van maken.
Pas als inhoud én vorm kloppen, kan gezegd worden dat Stan Lauryssens de waarheid verteld heeft en dat hem dus geen blaam treft.

Het proces Schoenaerts is niet enkel een proces over de kunstwereld, het is ook een proces over de wereld daarbuiten.
Want boeken als dat van Lauryssens – een kunstwerk dat beweert de waarheid te spreken – zijn vandaag geen uitzondering meer.
Ze zijn de regel.
Zowat alles wat vandaag geschreven wordt, heeft een kunstzinnig karakter, zelfs wetenschappelijke werken.
Vroeger werden wetenschappelijke en journalistieke publicaties gekenmerkt door een grote saaiheid. Het ging immers om de waarheid en die diende niet opgesmukt te worden.
Vandaag is het anders.
Journalisten zijn allemaal kunstenaars geworden: ze schrijven om ter mooist.
Zelfs wetenschappers schrijven vandaag boeken die lezen als een roman.
Allemaal voeren ze een voortreffelijke pen.
Anders tellen ze niet mee.

De waarheid maakt vandaag geen kans meer zonder de schoonheid.
Maar ook het omgekeerde is het geval: zonder de waarheid is de schoonheid machteloos.
Daarom worden kunstenaars wetenschappers.
Ze streven in hun kunst niet langer naar schoonheid maar naar waarheid.
Kunst moet niet mooi zijn maar echt en authentiek.
Moderne kunstenaars willen niet zozeer iets kunnen, ze willen vooral iets weten.
Ze doen dan ook aan onderzoek, aan maatschappijkritiek.
Ze treden in dialoog, gaan de confrontatie aan.
Alles draait om visie, om ideeën, om concepten.
Allemaal zaken dus die uit de wereld van de wetenschap stammen.

Door deze vermenging – kunst wordt wetenschap en wetenschap wordt kunst – is er ook een veel grotere toenadering tot de werkelijkheid ontstaan.
Kunst en wetenschap spelen zich niet langer af in ivoren torens, ze dringen door in de werkelijkheid.
Als wetenschappers de kernfusie ontdekken dan slaat dat in als een bom.
Als kunstenaars gebouwen inpakken, dan verandert het uitzicht de wereld.
Doordat de grens tussen kunst en wetenschap wordt overschreden, wordt ook de grens met de werkelijkheid overschreden.
Geestesleven en concreet leven dringen diep in elkaar door.
En dat veroorzaakt een ‘clash of civilisations’.

Het proces ‘Schoenaerts’ is niet het proces van één boek.
Het is zelfs niet het proces van alle boeken.
Het is het proces van onze tijd.
Het proces van de eenwording van de wereld.
Kunst, wetenschap en werkelijkheid worden één.
Geest en wereld worden één.
Alles wordt één.
Ook de mensheid wordt één.
Maar dat betekent helaas niet dat Alle Menschen Brüder worden.
Integendeel, het leidt tot broederstrijd, chaos, geweld.

Matthias en Bruno Schoenaerts zijn broers.
Maar ze leven in twee verschillende werelden.
De eerste is kunstenaar en schaart zich achter zijn vader: hij kiest partij voor de schoonheid.
De tweede is advocaat en schaart zich achter Stan Lauryssens: hij kiest partij voor de waarheid.
De rechter moet dus uitspraak doen in een broedertwist.
Maar inmiddels is Bruno Schoenaerts van kamp veranderd.
Hij heeft een brief gekregen waaruit zou blijken dat Stan Lauryssens niet de waarheid heeft verteld, en dus kan hij niet meer achter diens boek staan.
De broers lijken nu aan hetzelfde zeel te trekken.
Maar wie zegt dat de brief wél de waarheid vertelt?
De zaak wordt alsmaar complexer.
Broedertwist leidt nu eenmaal tot chaos.
En in die chaos moet de rechter orde brengen.
Door achter de waarheid te komen.

Die waarheid is drieledig.
Ten eerste is er de letterlijke waarheid: WAT staat er in het boek (en de brief)?
Ten tweede is er de figuurlijke waarheid: HOE wordt de waarheid verteld?
En ten derde is er de overeenkomst tussen beide waarheden.

De eerste waarheid zouden we de ahrimanische kunnen noemen: zij beperkt zich tot de controleerbare feiten.
Het is de wetenschappelijke waarheid, die in onze moderne wereld als DE waarheid geldt.
Maar juist omdat in die moderne wereld wetenschap en kunst steeds meer met elkaar vermengd raken, voldoet de wetenschappelijke waarheid niet meer.
Ze is nog slechts een halve waarheid, en daardoor een leugen.
Zij kan geen orde meer scheppen in de moderne chaos.
Dat kan alleen nog de echte waarheid, de waarheid die recht doet aan de ‘gemengde’ werkelijkheid van onze tijd, de waarheid die wetenschappelijk én kunstzinnig is.

Met de wetenschappelijke waarheid zal de rechter niet zoveel moeite hebben.
Mits enig onderzoek kan hij erachter komen of de inhoud van Lauryssens’ boek klopt met de feiten.
Maar hoe moet hij oordelen over de vorm van dat boek, over de manier waarop het geschreven is?
Hoe komt hij achter de kunstzinnige waarheid?
Bestaat die waarheid wel?
Tenslotte is kunst een subjectieve zaak.
Zij kan niet gemeten en gewogen worden.
Niemand kan bewijzen dat het boek van Lauryssens een kunstwerk is.
Alles wat daarover gezegd wordt, is persoonlijk van aard en derhalve relatief.

De ahrimanisch-wetenschappelijke waarheid geldt in onze tijd als DE waarheid.
De luciferisch-kunstzinnige waarheid daarentegen wordt helemaal niet als waarheid beschouwd.
Zelfs in de kunstwereld is men het daarover eens: niemand kan zeggen wat kunst is.
Zelfs Jan Hoet gaf dat toe.
De moderne kunst is dan ook gebaseerd op dit relativiteitsbeginsel.
Aangezien er geen objectieve norm bestaat voor kunst, kan álles kunst zijn.
Het volstaat dat er een consensus bestaat opdat iets tot kunst uitgeroepen wordt.
Maar die consensus is niets anders dan een verzameling subjectieve meningen.
En die leveren geen objectief oordeel op.

De conclusie luidt dan ook dat het in onze tijd onmogelijk is geworden om door te dringen tot de waarheid.
Over de feitelijke, materiële wereld kunnen we het eens worden: daarvoor hebben we de wetenschap.
Maar die materiële wereld is niet de wereld waarin wij leven.
In de moderne, hedendaagse wereld raken materie en geest in toenemende mate met elkaar vermengd. Als nooit tevoren spelen wetenschap en kunst een rol in ons dagelijkse bestaan. Ze zijn er eenvoudig niet uit weg te denken.
Het is echter juist die vermenging die zo’n chaos veroorzaakt.
En aan die chaos zijn we hulpeloos overgeleverd als we niet in staat zijn de waarheid te vinden en tot overeenstemming te komen.
De halve waarheid – en dus leugen – van de wetenschap, dat we dieren zijn, zal dan steeds dieper in de werkelijkheid doordringen en ten slotte een realiteit worden.

Of mensen in de toekomst Brüder worden dan wel wolven, hangt dus af van de vraag of er in de subjectieve, gevoelsmatige wereld van de kunst een objectieve waarheid kan gevonden worden.
En dat is precies de inzet van het proces Schoenaerts.
Op het ogenblik dat ik dit schrijf, verneem ik dat Matthias Schoenaerts zijn ‘slag heeft thuisgehaald’ zoals een krant het schrijft.
Stan Lauryssens moet op zijn boek een sticker plakken met de tekst: ‘dit boek bevat onjuistheden’.
Om welke onjuistheden het gaat, wordt niet gezegd.
Volgens Stan Lauryssens gaat het om banale onjuistheden die niets veranderen aan de teneur van het boek.

Zoals te verwachten was, heeft de rechter zich alleen gebaseerd op materiële feitelijkheden en heeft hij de kern van de zaak volkomen links laten liggen.
Of toch niet helemaal.
Want de quote van Matthias Schoenaerts dat zijn vader een vijs kwijt was, mag niet meer op (de tweede druk van) het boek vermeld staan omdat het de indruk wekt dat Matthias Schoenaerts aan het boek heeft meegewerkt.
Wel, op mij heeft het die indruk alleszins niet gemaakt.
Als iemand een citaat van Shakespeare op zijn boek plaatst, dan denk ik heus niet dat Shakespeare aan dat boek heeft meegewerkt.
En dat zou ik ook niet doen als Shakespeare nog leefde.
De uitspraak van de rechter maakt op mij de indruk (sic) dat hij toch iets heeft willen zeggen over de subjectieve kant van de zaak, maar zich daarmee op een terrein heeft begeven waar hij zich helemaal niet thuis voelt.
Het verdict is dan ook in hoge mate onbevredigend.
Het is zelfs ietwat lachwekkend.
Ik kan me niet goed voorstellen dat Matthias Schoenaerts er tevreden mee is.
En Stan Lauryssens ziet zich veroordeeld om kleinigheden, wat zeker niet van aard zal zijn om hem zijn ongelijk te doen inzien.
Conclusie: er zijn alleen maar verliezers in dit proces.

Maar de allergrootste verliezer is de waarheid.
Over haar is eigenlijk met geen woord gerept.
Het was een proces over kunst, maar over kunst is niet gesproken.
Ze werd gewoon gereduceerd tot materiële werkelijkheid.
Haar wezen – dat geestelijk van aard is – werd compleet genegeerd.
Daardoor werd het proces zelf gereduceerd tot een derderangs toneelvoorstelling.
Daardoor werd het ook een beeld van ons eigen oordeelsvermogen.
We slagen er niet in kunst en wetenschap met elkaar te verbinden.
We slagen er niet in wetenschappelijke objectiviteit te vinden in de subjectieve wereld van de kunst.
We slagen er met andere woorden niet in door te dringen tot de wereld van de geest.
En daardoor verliezen we onze greep op de werkelijkheid, een werkelijkheid die steeds meer doordrongen wordt van geest.

Gifnicht

‘Ik ga iets doen waarvan ik nooit had verwacht het te zullen doen.’
Zo begint Erwin Mortier zijn opiniestuk in De Morgen.
En hij vervolgt: ‘Ik ga Laurette Onkelinx gelijk geven.’
Aha, denkt een mens dan die daar net ook een opiniestuk over heeft geschreven, een tegenstem!
Altijd interessant!
Want misschien moeten er dingen bijgeschaafd of gecorrigeerd worden.
Misschien moet een mening zelfs helemaal herzien worden.
Kan altijd gebeuren.
Ik lees dus verder.
‘Ik vind haar iets te snel als querulante weggezet om haar moed en haar verontwaardiging omdat de echo van laarzen door ons eerbiedwaardige parlement galmt.’
Huh?
De echo van laarzen?
Is dat niet een beetje, euh … overdreven?

Ik haal er een andere opiniemaker bij.
Mark Grammens schrijft over de collaboratie: ‘In 1940 was collaboratie met de bezetter regel in België. Dit verliep in overeenstemming met de wensen van de Belgische autoriteiten, de koning, de rechterlijke macht, handel en nijverheid, de bisschoppen en de socialistische leiders. Naast deze Belgische collaboratie was er ook nog een collaboratie van Vlaamsgezinden die het politieke beginsel aanhingen dat de vijanden van mijn vijanden mijn vrienden zijn. Want daar kwam het ongeveer op neer.’
Ik ken Mark Grammens als een opiniemaker die ver uitsteekt boven het landelijke gemiddelde en dus ga ik ervan uit dat wat hij schrijft over de collaboratie niet ver bezijden de waarheid zal zijn.
Die waarheid luidt dus dat zowat iederéén in België collaboreerde.
Hoe kon het ook anders? Toen het Belgische leger capituleerde, werd de Duitse bezetter de enige wettelijke overheid in het land.
Wie toen de wet naleefde, was in de ogen van Erwin Mortier dus een collaborateur
En dat noemt hij … ‘ronduit gruwelijk’.

Er spreekt zoveel verontwaardiging uit zijn woorden dat het voor iedereen duidelijk moet zijn dat Mortier zich nooit of nooit tot dergelijke gruwelijke misdaden zou geleend hebben.
Hij zou de wet vierkant naast zich neergelegd hebben en onvervaard de strijd met de bezetter, in casu het Duitse leger, zijn aangegaan.
Het moet voor heldhaftige mensen als Erwin Mortier een kwelling zijn te leven in een tijd waarin hun moed en zieleadel niet duidelijker tot uitdrukking kan komen dan in een krantenstukje.
Wat er ook van zij, Mortier wijkt niet voor de bruine laarzen die momenteel overal rondmarcheren, tot zelfs in het Belgische parlement.
Samen met Laurette – nog zo’n eenzame, heroïsche ziel – neemt hij zonder één moment te aarzelen de handschoen op.
Nooit zal hij buigen voor de nazi’s van de N-VA!
Nooit zal hij de nieuwe bezetters naar de mond praten!

Maar heldenmoed alleen maakt nog geen opiniemaker.
Welke argumenten gebruikt Erwin Mortier om zijn apologie voor Laurette te stofferen?
Er valt nu een Schoenaertsiaanse stilte.
Ik zoek in de tekst van de apologie.
Aha!
‘Ik wacht nog altijd op de eerste goede reden waarom zeventig jaar geleden onze steden moesten gezuiverd worden van joden.’
Een echt argument is het niet, maar het snijdt wel hout.
Ja, waarom moesten onze steden gezuiverd worden van joden?
Welk belang hadden de Vlaamsgezinden erbij om een dergelijk bevel uit te vaardigen?
Het is inderdaad ‘ronduit gruwelijk’ om zoiets te doen.
Maar wacht eens even … waren het niet de Duitsers die dat bevel uitvaardigden?
En waren het niet de Vlamingen die dat bevel naast zich neerlegden en ervoor zorgden dat slechts de helft van de joden gedeporteerd werden (en niet 95% zoals in een niet nader bepaald buurland)?
Nee, dat kan niet.
Het waren alleen de Franstalige Belgen en de Belgisch gezinde Vlamingen die opkwamen voor de joden.
De Vlaamsgezinden maakten, als volleerde nazi’s, hevig jacht op joden.
Erwin Mortier heeft daar ongetwijfeld cijfers en bewijzen van.
Wel een beetje jammer dat hij ze niet noemt.
Het zou zijn opiniestuk nóg sterker hebben gemaakt.

Genoeg gezeverd!
Ik ga niet nog méér woorden vuilmaken aan deze gifnicht.
Voor alle duidelijkheid: zo noemt Erwin Mortier zichzelf.
Geheel terecht overigens.
Want wat doet hij in zijn ‘opiniestuk’, buiten het zorgvuldig weren van zelfs maar het kleinste argument?
Hij spuit gif.
Hij gebruikt zijn virtuoze pen om zijn gal te spuwen op iedereen die Vlaamsgezind is en op Jean-Pierre Rondas en Matthias Storme in het bijzonder.
En een schrijvende gifnicht zijnde, aarzelt hij niet om hen op hun fysieke uiterlijk te pakken.

Op deze ronduit heroïsche manier neemt Erwin Mortier de verdediging op zich van Laurette Onkelinx, bekend om haar viscerale afkeer van Vlamingen.
Als een hond likt Mortier de hand die hem slaat, want tot nader order is hij zelf nog altijd een Vlaming.
Maar hij hanteert het principe: de vijanden van mijn vijanden zijn mijn vrienden.
Onkelinx voelt dezelfde diepe verachting voor Vlaamsgezinden als Mortier, dus is ze zijn vriendin.
Maar wacht eens even …
Doet hij daarmee niet precies hetzelfde als de Vlaamsgezinde collaborateurs tijdens de tweede wereldoorlog? Die beschouwden de Duitse bezetter ook als hun vriend omdat hij de vijand was van hun vijanden.
Erwin Mortier bezondigt zich met andere woorden zelf aan de ‘gruwelijke’ misdaad die hij aanklaagt.
Hij ziet wel de splinter in het oog van de Vlaamsgezinden, maar niet de balk in zijn eigen oog.

Waarom roept hij zo hard over die splinter?
Waarom schrijft hij dit opiniestuk?
Alleszins niet om bij te dragen tot de discussie, want hij formuleert niet eens een mening.
Hij spuwt alleen maar gal, recht op de man.
Wat een griezel die Matthias Storme! Hij smakt altijd en zuigt op zijn tanden. Bah!
Wat een draak die Jean-Pierre Rondas! Het schuim staat op zijn bek. Bweikes!

Ik heb nog nooit iets gelezen van Erwin Mortier (en na het lezen van dit infantiele stukje proza ben ik dat minder dan ooit van plan) maar mensen zeggen me dat hij knap schrijft, dat hij een kunstenaar is.
Ik wil het graag geloven.
Maar waarom verlaagt zo’n man zich dan tot het schrijven van zo’n nichterig stuk?
Waarom gebruikt hij zijn kunstzinnige vermogens niet voor verheffender zaken?
Het antwoord is simpel: omdat hij een … collaborateur is.
Zijn hysterische opiniestuk is bedoeld voor … de bezetter.
Hij wil dat de politiek-correcte bezettingsmacht – die meer dan ooit de lakens (en het geld!) uitdeelt in de culturele sector – ziet wat voor een gezagsgetrouwe burger hij wel is.
Van het morrende volk trekt Mortier zich niks aan, dat kan voor zijn part zijn rug op.
Het is bij de politiek-correcte kaste dat hij in een goed blaadje wil staan, want die betalen hem, dáár komen zijn subsidies vandaan.
Als hij daarvoor zijn ‘volksgenoten’ moet verraden, als hij daarvoor met vuil moet gooien naar zijn niet-collaborerende mede-Vlamingen, wel dan doet hij dat.
Want Erwin Mortier is geen held.
Hij is gewoon een angstige gifnicht.
Meer niet.

In hun ijver om te laten zien hoe politiek-correct, hoe Belgicistisch, hoe anti-Vlaams ze wel zijn, tuimelen de Vlaamse kunstenaars over elkaar heen.
Om ter hardst roepen ze: Kijk naar mij!
Zie hoe onderdanig ik ben!
Vergeet me niet!
Het is zielig, het is pijnlijk, het is beschamend.
Maar een ‘gruwelijke misdaad’ zou ik het niet noemen.
Het is Erwin Mortier zelf die (ongewild en onbewust) dit zware oordeel over zichzelf uitspreekt.
De groteske overdrijving verraadt dat hij diep van binnen wel weet hoe de zaken in elkaar zitten.
Hetzelfde geldt voor de hysterische Laurette Onkelinx.
Allebei hebben ze een balk in hun oog die vele malen groter is dan de splinters waar ze zo’n misbaar over maken.

Het zou van echte moed getuigen als ze dáár eens zouden naar kijken.
Het zou een ware omwenteling betekenen als onze cultuurdragers eens in de spiegel zouden kijken.
Maar ja, dát is pas moeilijk!
Zeker in tijden van bezetting.
Dan is het véél gemakkelijker om mee te huilen met de wolven in het bos en zo je eigen demonen te vergeten …

Collaboratie

Belgenland heeft een nieuwe regering!
Tenminste voor zolang het duurt.
Want voor het eerst sinds mensenheugnis zit de PS niet in de regering.
Dat is een kleine revolutie want al die tijd was de Parti Socialiste eigenlijk de baas in België. Er kon in ons land niks gebeuren zonder dat de Waalse socialisten ermee akkoord gingen. Gingen ze ergens niet mee akkoord dan gebeurde het niet. Zo eenvoudig was dat.
Gingen ze wel akkoord, dan was dat akkoord afgekocht.
Als de Vlamingen iets wilden, dan wisten ze wat ze moesten doen: betalen.
Op die manier zijn onder meer de geldtransfers van Vlaanderen naar Wallonië tot stand gekomen, de geldtransfers die zo’n doorn zijn in het oog van veel Vlamingen, niet alleen omdat ze buitensporig groot zijn (meer dan 15 miljard euro per jaar), maar ook – en vooral – omdat de Vlamingen stank voor dank krijgen.
Hoe meer ze betalen, des te meer worden ze geminacht, getreiterd en uitgescholden.
Zoals door Laurette Onkelinx tijdens de eerste zitting van het Parlement.

De PS is furieus.
Niet meer in de regering zitten, terwijl ze al die tijd de regering wáren: ze kunnen het nog altijd niet geloven.
Hoe is dat in godsnaam kunnen gebeuren?
Eén naam: Bart De Wever.
In zijn eentje heeft hij een revolutie ontketend.
Alhoewel.
Er is weinig revolutionairs aan de manier waarop hij de PS buitenspel heeft geplaatst.
Hij heeft gewoon gedaan wat Vlamingen altijd doen: betalen.
En hij heeft zwààr betaald.
Hij heeft betaald met het hele communautaire luik van zijn verkiezingsprogramma, het luik dus waaraan hij zijn verkiezingsoverwinning te danken heeft.
Als een komeet is Bart De Wever omhoog geschoten aan het politieke firmament, voortgestuwd door de Vlaamse onvrede over het gedrag van de Franstaligen.
Als geen ander verwoordde en belichaamde hij de Vlaamse eisen.
En uitgerekend die eisen heeft hij nu voor minstens 10 jaar in de ijskast gestoken.
In ruil voor een regering zonder de PS.

Wat de Vlamingen al minstens honderd jaar vragen, is dat ze als volwaardige Belgen worden beschouwd.
In een land waar iedereen gelijk heet te zijn voor de wet, vragen ze dus niets anders dan de toepassing van die wet.
Toch moeten ze daar steeds weer voor betalen.
Dat is democratie op z’n Belgisch en iedereen – enkele malcontenten uitgezonderd – vindt dat heel normaal.
De Vlamingen betalen altijd de rekening, zo simpel is dat.
Maar dat ze ook zo’n absurd hoge rekening zouden betalen, nee dat had zelfs de PS niet voor mogelijk gehouden.
Om te krijgen wat hij wilde, heeft Bart De Wever alle Vlaamse eisen opgegeven.
Wij Vlamingen, heeft hij gezegd, vragen geen gelijke rechten meer.
Wij Vlamingen vragen geen democratie meer.
Wij willen alleen de PS uit de regering.

Daar had De Wever dus alles voor over, ook de mogelijkheid dat hij door zijn kiezers zou uitgespuwd worden.
De kans dat de nieuwe regering het lang uithoudt, is dan ook bijzonder klein.
Aan de ene kant wordt ze bestookt door een woedende PS, die bijzonder agressief uit de startblokken is geschoten.
Aan de andere kant zijn er de bedrogen Vlamingen die, zoals steeds, tijd nodig hebben om te begrijpen wat hen overkomt.
Als die twee ooit op kruissnelheid komen, blijft er van de nieuwe regering niks meer over.

Wat heeft Bart De Wever bezield om zo’n hoge prijs te betalen?
Had hij een persoonlijke vete uit te vechten met de PS en was hij daarom bereid om alles op alles te zetten?
We kunnen er ons waarschijnlijk geen voorstelling van maken wat deze man op persoonlijk vlak allemaal te verduren heeft gehad van de Franstaligen.
Ik denk bijvoorbeeld aan het moment waarop hij hen in heilige verontwaardiging deed ontsteken door tijdens de regeringsonderhandelingen een paar zinnen in het … Nederlands te zeggen.
Een Vlaming die Nederlands spreekt: meer is er niet nodig om Franstaligen in alle staten te brengen.
Ik blijf het een wonder vinden dat Bart De Wever het geroep, gescheld en getier van (vooral) de Franstalige socialisten al die jaren heeft verdragen en dat hij de manier waarop hij als nazi en zelfs als Hitler himself werd voorgesteld, nooit met gelijke munt heeft betaald.
Ik kan dan ook heel goed begrijpen dat hij tot alles bereid is om de PS een hak te zetten.
Een mens moet af en toe wraak kunnen nemen om niet helemaal een voetveeg worden.
Maar toch is dat niet de echte reden voor zijn gedrag.
De belangrijkste reden, de doorslaggevende reden is: geld.

En dat is een reden die de Vlamingen begrijpen.
Dat is de reden waarom ze niet even furieus zijn als de PS.
Ze begrijpen dat België economisch ten onder gaat als de PS de lakens blijft uitdelen.
Want de PS staat voor: belastingen, belastingen, en nog meer belastingen.
Belastingen die vooral door de Vlamingen moeten betaald worden, dat spreekt.
Daarom geven de Vlamingen Bart De Wever krediet: omdat ze begrijpen dat de economie eerst komt.
Pas als er weer volop geld verdiend wordt, kan er gepraat worden over democratie en gelijke rechten.
Daarom zijn ze bereid hun Vlaamse eisen in de ijskast te zetten.

Zoals altijd.

Is het inderdaad ooit anders geweest?
Is geld niet altijd al de reden geweest waarom de Vlamingen hun eisen inslikten?
Is geld niet de reden waarom ze er anno 2014 nog altijd niet in geslaagd zijn gelijke rechten te bekomen in dierbaar België?

Vlaanderen is vandaag een welvarende regio, één van de rijkste in Europa.
Nochtans was het 100 jaar geleden precies omgekeerd: Vlaanderen was toen één van de armste regio’s in Europa.
Het was er zelfs zo erg aan toe dat er gesproken werd over ‘de Vlaamse ziekte’.
Wie daaraan leed, crepeerde van honger en armoede.
De 20ste eeuw, die zoveel ellende over Europa gebracht heeft, betekende voor Vlaanderen net het omgekeerde: het was de eeuw waarin het van helemaal onder aan de sociale ladder tot helemaal bovenaan opklom.
Het was een Wirtschaftswunder avant la lettre.
Maar dat wonder is nagenoeg vergeten.
De jonge Vlaming die vandaag met zijn peperdure iPhone zit te spelen, kan zich niet meer voorstellen dat zijn grootouders als kind nog in een beek zaten te vissen naar stekelbaarsjes!
Stekel wát?
Het is allemaal zo onvoorstelbaar snel gegaan dat het … onvoorstelbaar is.
Daar komt het zowat op neer: de Vlaming is zo snel gestegen op de maatschappelijke ladder dat hij geen voorstelling meer heeft van zijn verleden.
Hij kijkt geboeid naar een film als ‘Daens’ omdat Antje De Boeck er zo sexy uitziet op haar blote voeten. Maar dat hijzelf honderd jaar geleden ook op blote voeten had rondgelopen (en dat allesbehalve sexy zou gevonden hebben) nee, dat komt gewoon niet in hem op. Dat is allemaal fictie, film, fantasie.
In de boeken van Claes, Streuvels en Timmermans speelt die blote-voeten-Vlaming nog een hoofdrol, net als in de Vlaamse films en series die ik als kind nog gezien heb.
Maar die zijn vandaag allemaal taboe geworden.
De jonge iPhone-Vlaming schaamt zich daar dood voor.
Komaan zeg!
Met die vloekende, rochelende en spuwende Vlaamse primitieven heeft hij niks te maken.
Hij kent die mensen niet en wil ze ook niet kennen.
Hij is een moderne, hippe en coole Vlaming, een Vlaming zonder verleden, een Vlaming zonder wortels.

Maar een mens zonder verleden is een mens zonder zelf.
Wie zijn verleden niet kent, kent zichzelf niet.
Hij weet niet meer wie hij is.
Hij is zichzelf vergeten.
Op zijn steile klim naar de economische top, is de Vlaming zijn ziel vergeten.
In zijn honger naar eten, schoenen en rijkdom heeft hij zijn ziel verkocht.
En daar wil hij niet aan herinnerd worden.

Is dat niet wat de Vlamingen op politiek gebied altijd gedaan hebben?
Door iedere keer weer te betalen voor waar ze eigenlijk recht op hadden, verkochten ze telkens weer een stukje van hun ziel.
Want waarvoor betaalden ze?
Om hun democratische rechten te krijgen?
Maar je betáált niet voor democratische rechten, je eist ze op.
Daarom heten ze ‘rechten’.
Dat zou vanzelf moeten spreken voor een welvarend volk in het hartje van Europa.
Dat Vlamingen in België dezelfde rechten horen te hebben als Franstaligen komt gewoon niet in hen op.
Ze staan wel boven aan de economische ladder, maar mentaal staan ze nog altijd onderaan, op het niveau van de proletariër die er zich bij neergelegd heeft dat er in de wereld nu eenmaal meesters en knechten zijn.
Economisch gezien is de Vlaming een meester en kan hij zich meten met gelijk wie.
Mentaal is hij echter een knecht die het hoofd buigt voor zelfs de allerzwaksten.
Want wat stelt Wallonië voor zonder Vlaanderen?
Of wat stelt Brussel voor?
Zonder Vlaanderen zouden ze wegzinken tot het niveau waar Vlaanderen honderd jaar geleden stond: een derde-wereldniveau.
Ze kunnen eenvoudig niet op eigen benen staan.
Ze zijn afhankelijk van Vlaanderen.
En voor dat afhankelijke, onzelfstandige, machteloze volkje buigt de Vlaming het hoofd en slikt hij de meest infame beledigingen.

Waarom doet hij dat?

Om helemaal op te kunnen gaan in zijn economische roes, de roes van het geld.
Hij betaalt zich blauw om niet uit die roes te moeten ontwaken.
Want dat is het enige wat hij nog kent: de roes van de materiële rijkdom.
Hij is bereid véél geld te betalen om niet geconfronteerd te worden met de keerzijde van die rijkdom: het verlies van zijn eigen ziel.
Telkens hij de Franstaligen betaalt om te krijgen wat hij gewoon zou moeten eisen, duwt hij zijn eigen ziel nog wat verder van zich af.
De miljarden die hij jaarlijks naar Wallonië doorsluist, zijn zwijggeld.
Hij legt er zijn eigen ziel het zwijgen mee op.
En hij doet dat al zo lang dat die ziel niet meer kan spreken.

Eeuwen geleden vormden de Nederlanden één geheel: Holland én Vlaanderen, de Lage Landen bij de zee.
Toen werden ze gescheiden.
De noordelijke Nederlanden gingen steeds luider praten.
De zuidelijke Nederlanden gingen steeds stiller zwijgen.
Vandaag kan de Hollander niet meer ophouden met praten, en de Vlaming kan niet meer spreken.
De Vlamingen hebben niet alleen hun ziel verloren, ze hebben ook hun taal verloren.
Ze zijn een volk zonder taal.
Letterlijk én figuurlijk.

Vlamingen kunnen alleen zichzelf zijn wanneer ze dialect spreken.
Ik moet de eerste Vlaming nog tegenkomen die zich even goed in het algemeen Nederlands uitdrukt als in het dialect.
De reden is eenvoudig: die Vlaming bestaat niet.
Wanneer Vlamingen algemeen Nederlands spreken, zijn ze zichzelf niet.
Ze spelen dan een rol en ze doen dat zonder overtuiging.
Het is een beproeving om een Vlaamse film of een Vlaamse tv-serie te zien waarin ‘beschaafd’ Nederlands wordt gesproken: de acteurs lijken wel bordkartonnen figuren met zaagsel in plaats van bloed in hun aderen.
Pas wanneer ze dialect kunnen spreken, worden het echte mensen.
Ik heb Julien Schoenaerts ooit eens de beroemde verzen uit de Spaanse Brabander horen declameren in het plat Antwerps: ‘O, kaaizerlaaike stadt. Aantwaarpe, groêt en raaik …!
Het was … ‘impressionaant’.
Hier klonk een heel andere Julien Schoenaerts, niet die bekakte, arrogante ‘beschaafde’ Vlaming, maar een zinnelijke, volbloedige Rubensiaan.
Je zou kunnen zeggen: wat deze zo kunstzinnige Vlaming verscheurde, was de kloof tussen zijn welbespraakte hoofd en zijn zwijgende Vlaamse ziel.
Het was niet zijn eigen ziel waaraan Schoenaerts een stem gaf, maar een dubbelgangersziel.
En die heeft hem tot waanzin gedreven.
Die drijft in feite heel Vlaanderen tot waanzin.

800.000 dosissen anti-depressiva per dag.
Het hoogste zelfmoordcijfer ter wereld.
Boordevolle gevangenissen en psychiatrische instellingen.
En een volk dat het hoofd buigt en zich verontschuldigt voor alles en nog wat.
Maar het is wél waanzinnig rijk, dat Vlaanderen!
Het heeft dikke huizen, dikke auto’s, dikke portefeuilles, dikke nekken.
Het heeft alles waar een mens maar kan van dromen.
Behalve één ding.
Het heeft geen ziel.

Natuurlijk heeft Vlaanderen wél een ziel.
Het heeft zelfs een grote en rijke ziel.
Maar in zijn snelle klim naar economische hoogten heeft Vlaanderen het contact met die ziel verloren.
Het heeft zijn ziel onderweg vergeten.
Eigenlijk zou Vlaanderen hetzelfde moeten doen wat de Amerikaanse Indianen destijds deden als ze een treinreis ondernamen: ze stapten halverwege uit ‘om op hun ziel te wachten’.
Want die ziel kon niet zo snel reizen als hun lichaam.
Het Vlaamse Wirtschafstwunder is een materieel wonder, een fysieke wederopstanding.
Maar de prijs die ervoor betaald werd, was het achterblijven en vergeten van de Vlaamse ziel.
Waar is die ziel momenteel?
Volgens mensen als Marc Reynebeau bestaat ze niet eens en heeft ze ook nooit bestaan.
‘Vlaams’ is in zijn ogen niet meer dan een naam die gegeven wordt aan een toevallige verzameling van mensen.
Een realiteit schuilt daar niet achter, en het is dus onzin om zoveel belang te hechten aan een naam, een etiket.

Dit ‘nominalisme’ is uiteraard een vorm van materialisme.
Er bestaat niet zoiets als de Vlaamse ziel, want die kan alleen geestelijk gedacht worden en geesten bestaan niet.
Het vergeten van de Vlaamse ziel hangt dus nauw samen met het vergeten van de geest.
Die twee kunnen niet los gezien worden van elkaar: als er geen geest bestaat, dan ook geen ziel.
De ziel is datgene wat geest en lichaam met elkaar verbindt.
Als de geest niet bestaat dan hoeft het lichaam nergens mee verbonden te worden.
Het staat dan gewoon op zichzelf.

Maar als dat inderdaad zo is, als de mens inderdaad alleen maar een lichaam is dat op zichzelf bestaat, waarom zijn er in België dan zoveel communautaire problemen?
Waarom blijven de Vlamingen moeilijk doen over de miljardentransfers naar Wallonië?
Ze hebben toch meer dan genoeg?
Hun fysieke lichaam wordt hoegenaamd niet bedreigd.
Het kan dat geld best missen en de Walen hebben het nodig.
Dus, wat is het probleem?
Hetzelfde geldt voor de Franstaligen.
Ze krijgen ieder jaar 15 miljard euro van de Vlamingen.
Zomaar.
Want de Vlamingen krijgen er niks voor terug, integendeel.
En toch blijven de Franstaligen schelden op de Vlamingen.
Ze gaan zelfs nog harder schelden als die Vlamingen al hun communautaire eisen inslikken en dus iedere fysieke dreiging wegnemen.
En ze schelden niet op de hele regering, o neen, zij schelden heel gericht op de Vlaamsgezinde Vlamingen in die regering.

Het is zo’n buitenissig spektakel dat geen zinnig mens nog kan denken dat het hier alleen om geld gaat, om fysieke, materiële dingen.
De reeds legendarische scheldpartij van Laurette Onkelinx in het Parlement ging trouwens helemaal niet over geld of materiële dingen.
Ze ging over collaboratie, over het samenwerken met de Duitse bezetter tijdens de oorlog 75 jaar geleden.
Waren de N-VA-ers waartegen haar tirade was gericht dan misschien collaborateurs?
Ze waren niet eens geboren tijdens de oorlog.
Verdedigden ze dan de collaboratie?
Geenszins.
Ze beweerden alleen dat ze het konden begrijpen.
En ze waren naar een feestje geweest van een 90-jarige Vlaamsgezinde die vroeger veroordeeld was voor collaboratie.
Het was na de oorlog niet moeilijk om als Vlaming veroordeeld te worden voor collaboratie.
Het volstond dat je Vlaamsgezind was. Meer was er niet nodig.
De Franstaligen mochten collaboreren zoveel ze wilden, geen haan (sic) die ernaar kraaide.
Een Vlaming hoefde niet eens te collaboreren om veroordeeld te worden.

Dat wil natuurlijk niet zeggen dat er geen Vlaamse collaboratie bestond.
Vlamingen collaboreerden, zoals Franstaligen collaboreerden, zoals iedereen collaboreerde tijdens de oorlog.
Wat moest je anders?
Je meteen laten fusilleren of wegvoeren naar een werk- of ander kamp?
Nee, de enige reden waarom de Vlaamse collaboratie beschouwd werd als een onvergeeflijke misdaad was dat ze … Vlaams was.
De Belgische repressie had iets weg van een etnische zuivering, maar dan op zielegebied.
Iedere Vlaming die zich bekende tot het Vlaams-zijn werd ongenadig aangepakt.
En die repressie gaat eigenlijk nog altijd door.
Zeventig jaar geleden zou Laurette Onkelinx Jan Jambon en Theo Francken standrechtelijk hebben laten fusilleren, daar moet niet aan getwijfeld worden.
Haar hysterische stem is nog altijd de stem van de repressie.
En de Vlamingen buigen er nog altijd het hoofd voor.
Mea culpa, zeggen ze, mea culpa, mea maxima culpa.
Door mijn schuld, door mijn schuld, door mijn grote schuld.
Dat is de bekentenis die de Vlaming met gebogen hoofd aframmelt, ook al heeft hij zich niet méér schuldig gemaakt dan gelijk wie.
Integendeel zelfs, of is men vergeten dat in ons land minder joden naar de gaskamers zijn gevoerd dan gelijk waar, Denemarken uitgezonderd?
Toch zijn Jambon en Francken zich gaan verontschuldigen bij … de joodse verenigingen in ons land.
En dat zou allemaal om louter fysieke dingen gaan?
Dat zou niets te maken hebben met de Vlaamse ziel?

Materieel prijkt de Vlaming trots boven aan de economische ladder, maar geestelijk zit hij met gebogen hoofd schuld te bekennen tegen alles en iedereen.
Dat is het oerbeeld van de moderne Vlaming: de rijke boeteling.
Het is alsof Bill Gates of Richard Branson deemoedig het hoofd zouden buigen en mea culpa slaan voor hun onvergeeflijke zonden.
Uiteraard doen ze dat niet: het zijn Angelsaksers, geen Vlamingen.
Maar stel dat ze het wél deden: hoe zouden we dan reageren?
Juist.
We zouden er geen woord van geloven.
We zouden onze maag voelen keren: wat een stel hypocrieten!
Ze zouden ons respect verliezen.

Volgens mij is dat precies hoe de Franstaligen in België reageren op de Vlamingen.
Die Vlamingen zijn in hun ogen puissant rijk, zo rijk dat ze Franstalig België ieder jaar zonder oogverpinken vele miljarden euro’s kunnen toeschuiven.
Daarvoor zouden ze best ontzag kunnen opbrengen, want zoveel ondernemingskracht en kreativiteit bezitten de Franstaligen niet, dat beseffen ze wel.
Maar wat hen belet dat respect of zelfs die bewondering op te brengen, is de Vlaamse hypocrisie.
Waarom in godsnaam zitten die Vlamingen op hun knieën mea culpa te slaan?
Wat voor een schijnheilig gedoe is dat!
En de Franstaligen worden kwaad, ze verliezen alle respect voor de Vlamingen.
De ‘milde giften’ die ze ieder jaar ontvangen, worden niet gegeven uit solidariteit of menselijkheid of begrip of respect.
Ze worden gegeven uit louter schijnheiligheid.
De Vlamingen geven miljarden euro’s aan de Franstaligen, niet omdat deze laatsten dat nodig hebben, maar omdat de Vlamingen het zelf nodig hebben om hun schuldgevoel over hun eigen rijkdom te verdoven.

Ze gebruiken de Franstaligen dus om dat schuldgevoel te verlichten.
Ze dwingen hen als het ware om hen vergiffenis te schenken.
Maar waarvoor?
Omdat ze rijk zijn en de Franstaligen laten delen in die rijkdom?
Als dat een misdaad is, dan is het aanvaarden van het Vlaamse geld eveneens een misdaad.
Door hun eeuwige mea-culpahouding dwingen de Vlamingen de Franstaligen dus om zich op hun beurt schuldig te voelen.
De Franstaligen weten dat ze de geldtransfers van de Vlamingen nodig hebben, dat het Vlaamse geld hen ervoor behoedt naar beneden te glijden.
Ze weten dat ze afhankelijk zijn van de Vlamingen, maar de Vlamingen doen alsof het niet zo is.
Ze doen zelfs alsof het omgekeerd is.
Hier zie, zeggen ze, dat geld komt jullie toe, want wij verdienen het niet om zoveel geld te hebben!

Uiteraard worden die woorden nooit uitgesproken, en die gedachten worden nooit gedacht.
Maar ze leven wel in de zwijgende ziel van de Vlaming en ze worden waargenomen door de ziel van de Franstalige.
En die ziel zwijgt niet.
Ze maakt groot misbaar.
Het is onvoorstelbaar op welke agressieve, minachtende, haatdragende manier in de Franstalige pers wordt gesproken over de Vlamingen.
‘Radio Mille Collines’ noemde Yves Leterme de Franstalige pers ooit.
Maar Vlamingen geloven dat natuurlijk niet, want Vlamingen lezen geen Franstalige kranten.
Door de recente scheldtirade van Laurette Onkelinx kunnen ze er echter niet meer naast kijken: ze worden werkelijk gehaat door de Franstaligen.

Twee Vlamingen worden voor de camera’s uitgescholden voor racisten door de meest notoire raciste van het land: Laurette Onkelinx, die de Vlamingen in zuiver nazistische stijl ‘ongedierte’ pleegt te noemen.
Maakt dat de Vlamingen wakker?
Worden zij eindelijk verontwaardigd over zoveel schijnheiligheid?
Welneen, ze buigen het hoofd en verontschuldigen zich.
U heeft gelijk, zeggen ze met dat gebaar, wij zijn inderdaad ongedierte!
Wij zijn het niet waard om in het Parlement te zetelen!
Wij zijn het niet waard om te spreken, laat staan om eisen te stellen!
Wij zijn nu eenmaal Vlamingen, een verachtelijk ras!
Zij beantwoorden met andere woorden schijnheiligheid met schijnheiligheid.
Want uiteraard verlaten het Parlement niet.
Ze blijven gewoon zitten en doen alsof er niks aan de hand is.
Even sorry zeggen, en alles is weer in orde.
Dat is natuurlijk niet van aard om de woede van Laurette Onkelinx te blussen.
Integendeel, het is olie op het vuur.

Verwacht mag worden dat het allemaal nog erger zal worden.
Uiteindelijk zal de boel escaleren en leiden tot wat in feite niemand echt wil: de splitsing van België.
Aan de basis van die splitsing zullen geen fysieke of uiterlijke problemen liggen.
Het zijn louter zieleproblemen die tot de splitsing van België zullen leiden, problemen die door iedereen ontkend worden omdat de ziel nu eenmaal niet bestaat.
Het materialisme zal België splitsen, niets anders.

De Vlamingen zijn de meesters van dit land.
Zonder hen zou België niet eens meer bestaan.
Het wordt tijd dat ze dat eens gaan beseffen en er zich ook naar gedragen.
Want nu gedragen ze zich als knechten: ze laten zich onderdrukken, ze laten zich vernederen, en ze werken zich te pletter voor hun onderdrukker.
Hoe moet je reageren op koningen die zich als herders gedragen, of erger nog: als schapen?
Daar kun je met je verstand niet bij en de Franstaligen reageren er dan ook instinctief op: ze gaan zich als koningen gedragen terwijl zij in feite de herders zijn in dit land, de ‘arme schapen’ die beschermd en behoed moeten worden.
Ze imiteren met andere woorden de Vlamingen, ze weerspiegelen hen.
Op de een of andere manier gaat er zo’n sterke invloed uit van de Vlaamse koningen die zich als herders gedragen, dat ze niet anders kunnen dan die omkering nabootsen en zich op hun beurt als koningen gedragen.
Ze willen dat eigenlijk niet en ze worden er ook niet gelukkig van, want een herder die zich als koning moet gedragen, kan maar aan één ding denken: weer zichzelf te kunnen zijn.

Door het irrationele gedrag van de Vlamingen voelen de Franstaligen zich dus eigenlijk beroofd van hun ziel.
Daarom blijven ze de Vlamingen haten, hoe vaak die zich ook verontschuldigen, hoeveel miljarden die ook betalen.
Ze zijn bang hun ziel kwijt te raken in hun relatie met die vreemde en onbegrijpelijke wezens.
Daarmee vormen ze een scherpe tegenstelling met de Vlamingen, want die zijn hun ziel kwijt en vinden ze niet meer terug.
En hier ligt de bron van alle communautaire misverstanden in België.
De Vlamingen begrijpen niet dat de Franstaligen bang zijn hun ziel kwijt te raken.
En de Franstaligen begrijpen niet dat de Vlamingen hun ziel al kwijt zijn.
Ze begrijpen niet dat de Vlamingen geknield en met gebogen hoofd door het leven gaan omdat ze voortdurend hun ziel aan het zoeken zijn.
En de Vlamingen begrijpen niet dat dit schouwspel de Franstaligen de stuipen op het lijf jaagt.
Want de Franstaligen kunnen zich een leven zonder ziel eenvoudig niet voorstellen, het is hun diepste nachtmerrie.
Daarom reageren ze zo agressief: ze denken dat de Vlamingen een spelletje spelen, dat ze doen alsof ze hun ziel kwijt zijn, dat het alleen maar een list is om de Franstaligen hun ziel af te nemen en hen te herleiden tot zielloze knechten.
En de Vlamingen?
Zij zien in de Franstalige woede een bevestiging van hun eigen diepe schuld: ze hebben hun ziel verloren, ze hebben haar verkocht voor het geld, om de ladder te kunnen beklimmen waar ze nu bovenaan prijken.
Daarom buigen ze het hoofd steeds dieper.
En maken de Franstaligen steeds angstiger en woedender.

Bart De Wever heeft het hoofd dieper gebogen dan enige Vlaming vóór hem.
Hij heeft alle Vlaamse eisen opgegeven.
Hij is helemaal door de knieën gegaan.
En waarvoor?
Voor het geld, voor de economie.
Het resultaat is dat de PS nu helemaal buiten zinnen raakt.
Nochtans draaide de politiek van de Waalse socialisten maar om één ding: geld, zoveel mogelijk economisch voordeel binnenhalen.
Ze zijn dus van hetzelfde laken een broek: ze denken alleen aan geld.
Daarom kunnen Vlamingen en Franstaligen elkaars bloed wel drinken: niet omdat ze zo verschillend zijn, maar omdat ze zo gelijk zijn, omdat ze elkaar zo volkomen spiegelen en dat niet beseffen.

De Belgische communautaire situatie wordt veroorzaakt door een oerbeeld: dat van de koningen en de herders.
In de bijbel treden ze gescheiden op, ook al heeft de kerk ze altijd in één verhaal samengevat.
Het is één van de grote christelijke mysteries, een mysterie dat vandaag bekend en begrepen wil worden.
En dat begrijpen begint bij het onderscheiden.
Want het probleem is niet, zoals 2000 jaar geleden, dat koningen en herders gescheiden optreden.
Het probleem is juist dat ze in onze tijd zo onweerstaanbaar tot elkaar worden aangetrokken dat ze met elkaar vermengd raken.
In België is die aantrekkingskracht zelfs tot een nieuw land geworden.
Een land in het hartje van Europa, een hart dat in zich de hoofdstad van Europa draagt.
Ook dàt is een oerbeeld, een oerbeeld van de toekomst.
Want het ‘nieuwe land’ waarin de mensheid moet gaan wonen, is een land waarin koningen en herders broederlijk naast elkaar leven, een land waar het hart van de mens diens hoofd in zich draagt, precies zoals Rudolf Steiner het bedoelde met de Weihnachtstagung.

Dat is het oerbeeld van België, dat kleine land dat door de grote landen van Europa in de 19de eeuw gecreëerd is.
En welke motieven ook ten grondslag lagen aan die nieuwe creatie, het geestelijke oerbeeld was christelijk van aard.
Als we dat oerbeeld onderkennen, begrijpen we ook wat de grote opgave is: onderscheid maken tussen de koningen en de herders.
Ik had bijna gezegd dat het de grote opgave van de Belgen is.
Maar eigenlijk is het de opgave van Europa.
Europa moet zich bewust worden van haar hart: het verscheurde en gekwelde België.
In plaats van al haar aandacht te besteden aan het wanstaltige hoofd dat Brussel is, zou Europa beter eens kijken naar de broedertwist tussen de Vlamingen en de Franstaligen, want daar klopt haar hart. En dat hart is op zijn beurt een beeld van de hele moderne wereld, want overal heersen broedertwisten tussen herders en koningen die elkaar liefhebben maar elkaar niet begrijpen.
Dat is de grote paradox van onze wereld op het Keerpunt der Tijden: we verzuipen in liefde, maar het is blinde liefde, broederliefde die steeds weer ontaardt in broedertwist.
Wat ontbreekt aan deze liefde is de waarheid, het inzicht, het onderscheid.
We ons ontbreekt, is niet Christus maar Michaël: het vermogen om tegenover Christus te gaan staan en Hem te onderscheiden.
Wie niet tegenover de idee kan gaan staan, wordt erdoor geknecht, zegt Rudolf Steiner.
Christus is de idee der ideeën, en we zijn allemaal in meer of mindere mate verslaafd aan Hem.
Christusverslaving, dat is het grote probleem van onze tijd.
En die verslaving-der-verslavingen kunnen we niet alleen overwinnen.
We kunnen niet alleen tegenover Christus gaan staan.
Dat kunnen we alleen wanneer we als twee broederzielen tegenover elkaar gaan staan en elkaar (h)erkennen.

Schoenaerts (2)

Verleden donderdag is het proces begonnen dat Matthias Schoenaerts heeft aangespannen tegen Stan Lauryssens.
Die heeft namelijk een boek geschreven waarin hij de vuile was van vader Julien Schoenaerts buiten hangt.
Die was is zo vuil dat je je kunt afvragen: moét dat nu?
Moet je de doden niet in vrede laten rusten?
Dat is het standpunt dat Matthias inneemt: over de doden niets dan goeds.
Hij komt op voor de liefde.
Stan Lauryssens komt dan weer op voor de waarheid, tenminste dat beweert hij.
Als dat klopt – als Lauryssens de waarheid spreekt en Schoenaerts handelt uit liefde – dan hebben ze allebei gelijk.
Maar ze hebben ook allebei ongelijk.
Want over de doden kan men maar op de goede manier spreken – de mortuis nihil nisi bene – als waarheid en liefde samengaan, als het niet om blinde liefde of liefdeloze waarheid gaat.
Het leven van Julien Schoenaerts illustreert eigenlijk hoe moeilijk het is om die twee met elkaar te verzoenen.
Schoenaerts was een kunstenaar: wat hij deed, deed hij uit liefde.
Zo zag hij zijn eigen roeping ook: hij wilde liefde verspreiden via het toneel.
Maar wat hem kwelde was de kloof tussen toneel en werkelijkheid.
Wat hij in de schijnwereld van de kunst miste was de waarheid.

Het boek van Lauryssens begint met een memorabel moment.
Julien Schoenaerts onderbreekt een toneelopvoering en zegt tegen zijn publiek: wat zitten jullie hier eigenlijk te doen? Ginder in de echte wereld vechten de mijnwerkers voor een menswaardig bestaan! Dát is het echte treurspel!
En hij verlaat de schouwburg en springt in zijn auto om in Limburg mee te gaan betogen.
Hij vindt dat een kunstenaar het zich niet kan permitteren om aan de kant te blijven staan.
Maar zijn optreden tussen de mijnwerkers heeft verdacht veel weg van een toneelopvoering: Schoenaerts ‘acteert’ dat hij een betogende mijnwerker is.
Het is het begin van een lange reeks pijnlijke optredens (zowel in het theater als in de werkelijkheid) waarbij theater en werkelijkheid door elkaar lopen.
Julien Schoenaerts speelde eigenlijk altijd toneel, ook buiten de schouwburg.
En in de schouwburg speelde hij zijn rollen alsof ze werkelijkheid waren.
Hij speelde nooit zomaar King Lear, hij wás King Lear.
Hij wás ook nooit zomaar Julien Schoenaerts, hij spéélde Julien Schoenaerts.
Fictie en werkelijkheid liepen in zijn leven voortdurend door elkaar.

Toen zijn ziekte doorbrak, verdween het onderscheid zelfs helemaal.
Ja, zijn ziekte bestond juist in het doorbreken van de grens tussen kunst en werkelijkheid, tussen liefde en waarheid.
Julien Schoenaerts werd gedreven door het verlangen om die twee tegengestelde werelden met elkaar te verzoenen.
En dat verlangen dreef hem tot waanzin.

Het proces dat momenteel gevoerd wordt, is in feite een voortzetting van zijn leven, maar met andere middelen.
Het is een zoeken van de waarheid in de wereld van de kunst .
Een zoeken van de werkelijkheid in een wereld van schijn.
Stan Lauryssens beweert dat hij de waarheid heeft geschreven over een leven dat in feite één grote theatervoorstelling was.
Maar de vuile was die hij buiten hangt: is dát de waarheid over dit leven?
Lauryssens zoekt de waarheid niet IN de kunst, hij zoekt ze erbuiten, in de gewone werkelijkheid.
Matthias Schoenaerts gaat daar – terecht – tegen in.
Zonder het goed te beseffen, zegt hij eigenlijk: een waarheid zonder liefde IS de waarheid niet, een werkelijkheid zonder kunst IS de werkelijkheid niet!

Net als in het leven van Julien Schoenaerts zijn de hoofdrolspelers in dit proces: de liefde en de waarheid, de kunst en de werkelijkheid.
En is een proces niet óók een toneelstuk?
Men probeert in de rechtszaal de werkelijkheid zodanig na te spelen, dat duidelijk wordt wat nu precies de waarheid is in die werkelijkheid.
Een rechtszaak is een bewustere, reëlere vorm van theater.
Het is een kunstvorm die zich in de werkelijkheid afspeelt.
De ontknoping – de uitspraak – heeft zeer reële gevolgen, maar tegelijk is het de bedoeling dat er, net als in het theater, een katharsis ontstaat.
Anders dan in het theater speelt die katharsis zich niet (alleen) in de gevoelens af, ze speelt zich (ook en vooral) in het bewustzijn af.
De bevrijding ontstaat door het inzien van de waarheid.

Een toneelstuk is dus in zekere zin een metamorfose van het reële leven.
Een rechtszaak is een metamorfose van een toneelstuk, een bewustere, reëlere vorm van theater.
Maar ook die rechtszaak is geen eindpunt.
Het is namelijk weinig waarschijnlijk dat de verbanden die ik hier geschetst heb aan het licht zullen komen tijdens het proces ‘Schoenaerts’.
De echte waarheid – de liefdevolle waarheid die doordringt tot de kern van de zaak – zal waarschijnlijk niet boven water komen.
Daarom is er nog een andere ‘rechtszaak’ nodig, een volgende metamorfose van het schouwtoneel dat het leven is.
En dat is wat ik hier probeer: ik maak het ‘proces’ van een proces.
Ik probeer het voort te zetten op een bewuster niveau.

Daardoor wordt eigenlijk iets zichtbaar van wat zich in het leven na de dood afspeelt.
Wanneer een mens sterft ‘verschijnt hij voor zijn rechter’.
Er begint met andere woorden een proces, een rechtszaak.
Zoals dat tijdens een aardse rechtszaak ook het geval is, wordt tijdens die ‘hemelse’ rechtszaak het leven van de ‘beklaagde’ opnieuw opgevoerd.
De overledene moet zijn leven nog eens helemaal opnieuw beleven, maar nu als ‘gedaagde’, dat wil zeggen als een – veel bewustere – toeschouwer.
Die termen ‘gedaagde’ en ‘beklaagde’ gelden dan ook meer in letterlijke dan figuurlijke zin: de bedoeling van het hemelse proces is niet dat de overledene gestraft wordt voor zijn fouten, de bedoeling is dat er met liefde en mededogen – de overledene wordt ‘beklaagd’ – gekeken naar zijn leven opdat de echte waarheid ervan zichtbaar zou worden en het de overledene dus zou beginnen ‘dagen’.
Dat is eigenlijk ook een beetje wat ik hier probeer.

Ik acht het dan ook niet uitgesloten dat het proces ‘Schoenaerts’ dat zich in Antwerpen afspeelt een weerspiegeling is van een proces dat zich ook in de ‘hemel’ afspeelt.
Misschien hebben zowel Stan Lauryssens als Matthias Schoenaerts zich (onbewust uiteraard) laten inspireren door dit bovenzinnelijke gebeuren, de ene tot het schrijven van zijn boek, de ander tot het aanspannen van een proces.
Allebei hebben ze zich laten leiden door een diepe verbondenheid met Julien Schoenaerts.
Die ‘hogere’ verbondenheid heeft hier op aarde een positieve en een negatieve kant.
De positieve (luciferische) kant is de blinde vaderliefde van Matthias.
De negatieve (ahrimanische) kant is de niets ontziende waarheidsliefde van Lauryssens.
Maar hoe verschillend en tegengesteld deze beide liefdes ook zijn, ze maken allebei deel uit van een hogere, ‘hemelse’ liefde, de liefde voor het wezen van Julien Schoenaerts.

Het kan vreemd klinken om het boek van Stan Lauryssens – die er onmiskenbaar plezier in schept om Julien Schoenaerts door het slijk te sleuren – een uiting van liefde te noemen. Maar negatieve liefde is net zo goed liefde.
Vaak is het zelfs een intensere vorm van liefde.
We leren meer van onze vijanden dan van onze vrienden.
Het zijn de pijnlijke confrontaties waar we het meest aan hebben.
Zonder het te weten, willen Lauryssens en Matthias Schoenaerts hetzelfde: hun liefde voor Julien Schoenaerts tot uitdrukking brengen.
Maar ze doen het ieder op hun eigen, tegengestelde manier.
Wat hen tot vijanden maakt, is dus paradoxaal genoeg de liefde.
Het is echter een onbewuste liefde, een liefde die nog onvoldoende doordrongen is met waarheid, een liefde die nog niet tegenover zichzelf kan gaan staan.

Daarom splitst die liefde zich en ondergaat ze opeenvolgende metamorfosen.
Daarbij betreedt een derde hoofdrolspeler het toneel.
Tijdens het leven van Julien Schoenaerts was dat zijn publiek, het publiek dat hem in blinde liefde adoreerde, wat hij ook deed.
Tijdens het proces ‘Schoenaerts’ is dat de rechter die uitspraak moet doen.
En in de beschouwingen die ik aan dat proces wijd, ben ik dat zelf.
Op het toneel van mijn gedachten ben ik een kijker die voor rechter speelt en probeert zowel de liefde als de waarheid recht te doen en zo te komen tot een uitspraak – lees: tot een inzicht – in de deze zaak.

Het zijn onverwachte karmische verbanden die nu opduiken.

Wie het boek van Stan Lauryssens leest, krijgt al vlug de indruk: het is alsof hij er zelf overal bij was!
Het inlevingsvermogen van de auteur mag dan een bedenkelijk kantje hebben, het wijst wel op een intense betrokkenheid bij de persoon van Julien Schoenaerts.
Je schrijft niet zòmaar een boek over iemand.
Lauryssens heeft het boek bovendien zó geschreven dat er wel een proces moést van komen.
Alsof hij dat proces zelf gewild heeft.
Misschien zitten daar geslepen, egoïstische motieven achter, maar misschien zit er ook een offer achter.
Want als Lauryssens het proces verliest, zal dat een serieuze klap zijn voor zijn reputatie. Er is inmiddels trouwens een brief opgedoken waaruit zou blijken dat hij een aantal dingen compleet verzonnen heeft.
De vraag rijst dan ook: waarom doét zo’n man dat?
Waarom houdt hij vol dat hij de waarheid spreekt als dat niet zo is en hem dat duur te staan kan komen?
Zitten er misschien diepere motieven achter zijn gedrag, karmische motieven waarvan hij zich niet bewust is?

En schuilt datzelfde soort motieven misschien ook achter mijn eigen belangstelling voor deze zaak?
Eigenlijk ben ik erover gaan schrijven omdat ik nog een eitje te pellen had met Julien Schoenaerts. Dertig jaar geleden heeft hij mijn verjaardag eens verknald en dat soort dingen vergeet ik niet.
Maar ik ben er ook over gaan schrijven omdat ik, na mijn bezoek aan het ACV, het gevoel had dat ik nog iets te zoeken had in Gent. Op die manier heb ik namelijk het boek van Stan Lauryssens gevonden, een boek dat ik anders waarschijnlijk nooit gekocht zou hebben.
Maar het ‘toeval’ speelde het me dus in handen.
Tijdens het schrijven begon het me te dagen dat het proces ‘Schoenaerts’ ook een beetje mijn proces is: Julien Schoenaerts was namelijk iemand die probeerde de kloof tussen kunst en werkelijkheid te overbruggen.
En dat is in de grond ook wat ik probeer.
Bij die overbrugging dreigen er twee gevaren.
Enerzijds het luciferische gevaar dat de kunstenaar onbewust de grens met de werkelijkheid overschrijdt en in het gewone leven handelt zoals hij in de kunst handelt.
Anderzijds het ahrimanische gevaar dat de kunstenaar de grens in omgekeerde richting overschrijdt en in de kunst handelt zoals hij in de werkelijkheid handelt.
Is de zware boete die de RVA me opgelegd heeft een reactie op het feit dat ik in Brugge de stap van kunst naar werkelijkheid heb gezet, maar dat wellicht niet bewust genoeg heb gedaan?
En zet ik op deze blog niet ook de stap in omgekeerde richting door de concrete werkelijkheid mee te nemen in wat in feite een kunstzinnige onderneming is?

Door over het proces ‘Schoenaerts’ te schrijven, schrijf ik dus ook over mezelf.
Ik kijk als in een spiegel.
Stan Lauryssens, Julien en Matthias Schoenaerts zitten als het ware in mezelf.
Ik kan niet zeggen dat ik een goede relatie met hen heb.
Maar een relatie is het alleszins.

Stan Lauryssens vertrouw ik niet echt: ondanks de onmiskenbare kwaliteiten heeft zijn boek ook een dubieus karakter.
Matthias Schoenaerts heb ik nog maar alleen zien spelen in twee zwaar over het paard getilde films.
En zijn vader, ja zijn vader …

De eerste keer dat ik hem aan het werk zag, was op mijn verjaardag, ik weet niet meer de hoeveelste.
We gingen met een gezelschap kijken naar ‘De Wereldverbeteraar’, een toneelstuk van Thomas Bernhard, met in de hoofd- en enige rol Julien Schoenaerts.
Het moet toeval zijn geweest, want ik ga omzeggens nooit naar het theater.
Alleen al het idee op een toneel te staan terwijl een hele zaal naar je kijkt, doet me het angstzweet uitbarsten.
Ik kende dus alleen de reputatie van Julien Schoenaerts en die was waarschijnlijk de reden dat ik me liet overhalen om mee te gaan.
Ik wilde God wel eens aan het werk zien …

Na een half uur had ik daar al spijt van.
Nog een half uur later wilde ik naar buiten.
Maar dat ging niet want ik zat midden in de zaal.
De rest van de tijd – het stuk duurde twee uur, zonder pauze – zat ik te koken van woede en frustratie.
Twee uur lang moest ik luisteren naar Julien Schoenaerts die met zijn voeten in een kom water onzin zat uit te kramen.
Want het was ‘modern’ theater: onbegrijpelijk en oervervelend.
Vooral dat laatste.
Kunst hoeft voor mij heus niet begrijpelijk te zijn, maar onbegrijpelijk én oervervelend: dat is een combinatie die me kwaad maakt.
En Julien Schoenaerts wás vervelend, zenuwslopend vervelend.
Toen hij eindelijk zijn mond hield, was m’n lijden nog niet afgelopen.
Er volgde nog een apotheose: de zaal veerde als één man recht en gaf Schoenaerts een staande ovatie.

Ik was verbouwereerd.

Ik had nog kunnen denken: ze zijn zó blij dat het voorbij is dat ze met hun opluchting geen blijf weten. Maar er was geen twijfel mogelijk: het was pure geestdrift die ik om me heen zag.
Ik begreep er niks van.
Was ik dan zo’n cultuurbarbaar dat ik me mateloos zat te vervelen tijdens een geniale acteerprestatie?
Was ik dan zo’n heiden dat ik God niet herkende, ook al sprak hij twee uur aan een stuk?
Ik was er danig de kluts van kwijt.
Julien Schoenaerts had niet alleen m’n verjaardag verknald, hij had me ook nog eens doen twijfelen aan mezelf.

Ik ben geen ezel en dus stootte ik me jaren later nog eens aan dezelfde steen.
Dit keer speelde Schoenaerts ‘De apologie van Socrates’, een stuk waarmee hij in Vlaanderen triomfen had geoogst.
Misschien was dat wel de reden waarom ik ging kijken: omdat zoveel anderen het geweldig vonden.
Wat er ook van zij, hij stond opnieuw alleen op scène.
En opnieuw was ik na afloop de enige die niet opstond en niet applaudisseerde.
Dit keer was het echter een veel kleinere zaal en omdat ik (alweer) precies in het midden zat, zag Schoenaerts dat ik bleef zitten.
Ik had in ieder geval de indruk dat hij me strak aankeek.
Normaliter zou ik in de grond gekropen zijn.
Ik was echter zo kwaad dat ik strak terugkeek.

Wat was er dan gebeurd?

BUG-HES FAN AT-HEN!
Zo begon Schoenaerts de beroemde Apologie van Socrates: luidkeels en in dat bekakte Nederlands van hem dat na de oorlog voor beschaafd doorging in Vlaanderen.
BURGERS VAN ATHENE!
Er viel een stilte.
Schoenaerts was bekend om zijn stiltes.
Hij liet de stilte spreken, zo zei men.
Maar deze stilte bleef duren.
Schoenaerts stond roerloos voor zich uit te staren, duidelijk niet meer van deze wereld.
Opeens werd hij wakker en ging verder met de tekst, alsof er niks gebeurd was.
Even later viel er opnieuw een stilte.
Schoenaerts begon in het boekje te bladeren dat voor hem op de lessenaar lag.
En hij bleef bladeren.
Het leek wel of hij die verdedigingsrede van Socrates voor het eerst onder ogen kreeg en dacht: hé, dit ziet er interessant, dit zou ik misschien wel eens op scène kunnen brengen!
Dat hij al op scène stond en dat er een zaal ademloos zat te wachten, scheen hij niet te beseffen.
Opeens leek hij gevonden te hebben wat hij zocht en declameerde verder.

Zo ging dat de hele voorstelling door: met horten en stoten, met stiltes waar maar geen eind leek aan te komen.
En Schoenaerts trok er zich niks van aan.
Hij stond daar volkomen op z’n gemak, alsof hij helemaal alleen was, alsof er niemand zat te kijken.
Ik was gloeiend, net als de vorige keer.
Maar dit keer maakte ik me niet zozeer kwaad op Schoenaerts, dan wel op degenen die dit georganiseerd hadden.
Iedereen kon toch zien dat deze man niet meer op een toneel thuishoorde!
Achteraf hoorde ik zeggen dat hij dronken was.
Dronken?
Ik geloofde er niets van.
Hier was meer aan de hand.
Schoenaerts was een vijs kwijt.
Misschien zelfs meer dan één.
Maar dat maakte voor het publiek allemaal niks uit: het gaf Schoenaerts een staande ovatie.
Wat een misselijk makend spektakel, dacht ik, applaudisseren voor iemand die niet goed bij zijn hoofd is!
Wie was hier eigenlijk het ziekst: de acteur of zijn publiek?

Toen ik daar als enige tussen al die rechtstaande mensen bleef zitten, was het alsof heel dat euforische publiek verdween, en er maar twee mensen overbleven: Julien Schoenaerts en ikzelf.
Hij keek me recht aan alsof hij op zijn vonnis wachtte en ik aarzelde geen moment om het te vellen.
Als vanzelf kwam de gedachte in me op: als ik jouw rechter was geweest, zou ik je ook tot de gifbeker veroordeeld hebben!

Alleen al het feit dat ik me dat moment na 30 jaar nog altijd herinner, wijst op de karmische kwaliteit ervan. Er werd toen even iets zichtbaar van het karmische weefsel dat ten grondslag ligt aan het leven.
Ik voelde dat ik niet alleen getuige was van de teloorgang van een groot acteur, maar van een heel tijdperk.
Stond Socrates niet aan de wieg van het klassieke tijdperk?
Was zijn apologie niet de verdediging van de klassieke geest?
Zoals Schoenaerts ze bracht, was ze echter het tegenovergestelde: een aanklacht, een bezegeling van het lot van die geest.
Ik aarzelde dan ook niet: ik veroordeelde hem tot de gifbeker.

God in Vlaanderen: de affaire Schoenaerts (1)

‘Over de doden niets dan slechts’.
Zo luidde de titel van een krantenartikel over de affaire ‘Schoenaerts’.
Voor wie niet weet waarover het gaat: ex-journalist Stan Lauryssens heeft een boek geschreven over acteur Julien Schoenaerts, en diens zoon Matthias heeft daar een proces tegen aangespannen.
Een klassieke affaire dus.
Er worden voortdurend boeken geschreven waarin dingen staan die volgens anderen niet mochten geschreven worden en waartegen dan klacht wordt ingediend.
Toch is ‘Schoenaerts’ een geval apart, want het is niemand minder dan God zelf waarover hier een boekje wordt opengedaan.
Dàt is namelijk wat Julien Schoenaerts was: God in Vlaanderen.
Ik heb dat nog met eigen ogen kunnen vaststellen.
Twee keer heb ik de grote Julien Schoenaerts zien optreden.
Twee keer was het een beschamende vertoning.
Twee keer kreeg hij een staande ovatie.
Want Schoenaerts mocht doen wat hij wilde, men bleef hem aanbidden.
Hij was God in Vlaanderen.

Nu iemand dat Godsbeeld doorprikt, wordt hem meteen een proces aangedaan door iemand die zelf goed op weg is om God in Vlaanderen te worden.
Goddelijkheid is blijkbaar erfelijk in Vlaanderen.
Het wordt doorgegeven van generatie op generatie.
Ook dat heb ik met mijn eigen ogen kunnen vaststellen.
Twee keer heb ik Matthias Schoenaerts aan het werk gezien.
Eén keer in Loft en één keer in Rundskop.
Twee over het paard getilde films.
Of hoe de geschiedenis zich herhaalt…

Vlaanderen heeft zijn zoon uitgezonden en in Hollywood wordt hij ingehaald als een jonge god.
Maar God zou God niet zijn als hij niet op weerstand stuitte.
Toen Hollywood naar Vlaanderen kwam in de persoon van Bret Easton Ellis, de juryvoorzitter van het Gentse filmfestival, verklaarde de Amerikaan dat Loft de stomste film was die hij ooit had gezien.
Regisseur Eric Van Looy reageerde daarop door te zeggen dat hij geen films maakt voor de elite maar voor het grote publiek. Niet echt een overtuigende repliek want Loft speelt zich af in een soort Louis-Vuittonwereld: een wereld van design, luxe en geld, veel geld. In die wereld speelt Matthias Schoenaerts niet alleen een rol, hij maakt er zelfs reclame voor.

Toen Stan Lauryssens zijn boek over Julien Schoenaerts publiceerde en God de Vader van zijn sokkel deed tuimelen, reageerde diens zoon daarop door in De Morgen een lange brief te publiceren waarin hij zijn vader de liefde verklaarde.
Overtuigend was die repliek alweer niet, want Matthias Schoenaerts schreef onder meer:

‘Het kwetst me niet dat mijn vader straks figureert in een tentoonstelling over theater en waanzin. Ik vind eerder onze onverschilligheid waanzinnig, en onze houding om mensen die anders in het leven staan maar opzij te zetten. Dat geldt niet alleen voor waanzin, maar ook voor ziekte en dementie.
Dementie is eigenlijk wondermooi, maar onze perceptie ervan is beperkt. We kijken vooral naar wat er niet meer is. Het is niet omdat het gevoel en het denken niet meer de vorm van woorden krijgt, dat het ophoudt. Ze uiten zich onder een andere vorm. Een zachtere vorm. Als je voor hen de woorden vindt, krijg je een glimlach terug of een flonkering in de ogen.’

Dementie wondermooi?

Dit mogen dan woorden van liefde zijn, het is wel blinde liefde, liefde die de ogen sluit voor de harde waarheid, de waarheid zoals Stan Lauryssens ze – met overigens verdacht veel zin voor dramatiek – vertelt in zijn boek over de teloorgang van Julien Schoenaerts.
Diezelfde blinde liefde zag ik ooit nòg eens aan het werk tijdens een televisie-portret van Julien Schoenaerts. Het was een ontroerende documentaire over de liefde van een zoon voor zijn vader, een vader die duidelijk niet meer van de wereld was en wartaal uitsloeg waarin het woordje ‘liefde’ te pas en te onpas voorkwam. Zoals bijvoorbeeld toen hij sprak over zijn dochter Helga die voor zijn ogen zelfmoord had gepleegd door uit het raam te springen. O wat was dat mooi, zei de oude Schoenaerts met een stralend gezicht, als een engel zweefde zij met uitgestrekte armen door de lucht!
Dat ze vervolgens te pletter sloeg op het dak van een geparkeerde auto, daar zweeg hij over.
De hemel, dát was zijn ding.
Wat er beneden op aarde gebeurde, daar sloot hij de ogen voor, daar wilde hij zich niet mee bezighouden.

Maar zijn ziekte dwong hem daartoe.

De meest ontluisterende passage in het boek van Stan Lauryssens beschrijft hoe Julien Schoenaerts met zijn oudste dochtertje thuiskomt in het lege appartement waar hij woont sinds zijn vrouw hem verlaten heeft. De kamers staan vol met flessen die hij eerst leeggedronken heeft en vervolgens gevuld met zijn eigen urine. Er staan ook overal conserven en bokalen die hij eerst leeggegeten heeft en daarna gevuld met zijn uitwerpselen.
In aanwezigheid van het 13-jarige meisje – hetzelfde meisje dat tien jaar later uit het raam zal springen – giet hij al die flessen leeg op de vloer, waarna hij de muren vol smeert met zijn geconserveerde uitwerpselen.
God kan diep vallen als hij uit zijn hemel geduwd wordt.
Lauryssens beschrijft deze scène zo plastisch dat de vraag rijst: was hij er dan misschien bij?
Dat geldt trouwens voor het hele boek. Na een tijdje ga je je als lezer afvragen: hoe wist die man dat allemaal zo goed?
Lauryssens speelt in zijn boek een beetje de rol van een … alziende en alwetende God.
Of hoe goddelijkheid in Vlaanderen niet alleen erfelijk maar ook besmettelijk is.

Toch roepen deze en andere passages uit het boek vage herinneringen in me op, alsof het niet de eerste keer is dat ik ze hoor, alsof ik ze al eens ergens gelezen heb.
Lauryssens beweert dan ook dat alles wat hij schrijft, gebaseerd is op krantenberichten, verslagen, getuigenissen, enzovoort.
Ik ga er dus vanuit dat hij de zaken wel wat aangedikt heeft, maar niet echt verzonnen.
Tenzij de vergoddelijking ook bij hem de overhand heeft gekregen natuurlijk.

Wat er ook van zij, in het licht van deze scène – één uit vele – krijgen de woorden van Matthias Schoenaerts over de ‘wondermooie’ ziekte van zijn vader wel een heel wrange bijsmaak.
Volgens Bruno Schoenaerts, de andere zoon van Julien, heeft deze ziekte zijn twee zussen het leven gekost heeft. Allebei de dochters van Julien Schoenaerts zijn zeer jong en op een ellendige manier aan hun einde gekomen.
‘Wondermooi’, zo noemde hun vader dat.
‘Wondermooi’, zo praat zijn zoon dat na.
Want … over de doden niets dan goeds.
Hoeveel ellende ze ook hebben aangericht.

Stan Lauryssens had dus overschot van gelijk door deze ‘verborgen zijde’ van Julien Schoenaerts aan het licht te brengen.
Dit boek moést eenvoudig geschreven worden.
De waarheid over God in Vlaanderen is al te lang bedekt gebleven.
En ze wordt nog altijd bedekt, door de nieuwe goden en hun aanbidders.
Er lijkt maar geen eind te komen aan de godsdienst in Vlaanderen.
Ze is weliswaar verdwenen uit de kerken, maar ze wordt voortgezet in de kunsttempels, alsof er niets gebeurd is.
Niet voor niets spreekt men over een kunstkerk.
En heeft de pas overleden kunstpaus niet al een plein gekregen?
Het is enkel nog wachten op een standbeeld.
Schoenaerts heeft het zijne al gekregen.
Subito sancto!
Vlaanderen kan niet zonder goden.
Ze mogen doen wat ze willen, als ze hun rol van God maar vervullen.
Jan Fabre werd onlangs nog vergeleken met Rubens en Rembrandt.
Hugo Claus vond dat hij de Nobelprijs moest krijgen.
Carl De Keyzer beschouwt de kunst uit het verleden als ‘behang’.
Jan De Cock ziet zichzelf als het genie dat zijn volk leerde kijken.
Enzovoort, enzovoort.
Allemaal goden in Vlaanderen.
Allemaal ‘zot van glorie’.
Allemaal in ’t binnenst van hun ziel ten troon zittend.
Allemaal aanbeden door de ‘betere’ Vlamingen.
Allemaal kleine Lucifertjes die elkaar aansteken.

Heeft Matthias Schoenaerts dan ongelijk door Stan Lauryssens een proces aan te doen?
Verstandig is het alleszins niet, want nu wordt de aandacht pas echt op het boek – en op de duistere kanten van vader Schoenaerts – gevestigd.
Het is ook een beetje lachwekkend om te eisen dat er een sticker op het boek wordt geplakt waarop staat dat het niet om een biografie gaat maar om een gefantaseerd sensatieverhaal.
Lauryssens beweert nergens dat zijn boek een biografie is.
En dat het gefantaseerd zou zijn, lijkt weinig waarschijnlijk.
Zeker, als ex-journalist heeft hij de zaak zo sensationeel mogelijk voorgesteld.
Maar als ex-journalist zal hij toch ook wel weten hoever hij daarin kan gaan.
Het beste bewijs is dat Bruno Schoenaerts, de halfbroer van Matthias, geen bezwaren heeft tegen het boek. En de man is nochtans advocaat.

Het levert alvast een merkwaardig beeld op.
God heeft in Vlaanderen niet één maar twee zonen.
De ene, de acteur, spreekt in blinde liefde over zijn vader.
De andere, de advocaat, pleit voor de nuchtere waarheid.
En ze hebben allebei gelijk.

Het probleem met het boek van Stan Lauryssens is niet dat het de waarheid niet vertelt, en evenmin dat het die waarheid – hoe hard ook – niet zou mogen vertellen.
Het probleem met dit boek is dat het de waarheid niet op de juiste manier vertelt.
Het is geen goed boek omdat het de waarheid zonder liefde vertelt.
Stan Lauryssens vertelt in ‘Schoenaerts’ niet alleen slechte dingen over de dode, evenmin als Matthias Schoenaerts in zijn ‘apologie’ alleen maar goede dingen over zijn vader zegt.
Ze vertellen allebei goede én slechte dingen.
Maar dat is niet genoeg.
Goed en slecht gewoon naast elkaar plaatsen, is niet ‘de goede manier’ om over een dode te spreken.
Het is zelfs niet genoeg om goed en kwaad in evenwicht te houden.
Dat is niet de gulden middenweg.
De gulden middenweg is om met zoveel mogelijk liefde zoveel mogelijk waarheid te zeggen.
En het doel van die weg is om met louter liefde de volledige waarheid te vertellen.
De ‘beste manier’ is wanneer liefde en waarheid samenvallen.
Alleen op die manier kan men doordringen tot het wezen van de dode, tot de reden van zijn bestaan.
Dat kan men echter niet als men het bestaan van dat wezen ontkent, als men niet gelooft in het hoger Zelf, de God-in-de-mens. Want het is dit hemelse wezen dat uit louter liefde mens is geworden en zich op aarde verbonden heeft met het kwaad.
Dat zijn de twee polen waartussen het menselijke bestaan zich afspeelt: hemelse liefde en aards kwaad. Zonder die ‘spirituele’ waarheid kan er onmogelijk met liefde gesproken worden over alles wat zich hier op aarde afspeelt.

Het is dus uiteindelijk het materialisme dat het onmogelijk maakt om op de juiste manier over de doden te spreken. Of over de levenden. Want het maakt natuurlijk geen echt verschil of iemand dood of levend is.
En daar ligt ook de oorzaak van de vergoddelijking van Julien Schoenaerts en van de onvermijdelijke reactie daarop: de verguizing.
Ook de ‘broedertwist’ is daar een gevolg van.
Pas als liefde en waarheid echt samenvallen in het spreken over hun vader, zullen Bruno en Matthias het echt eens worden met elkaar.

Tot het zover is, hebben ze allebei gelijk én ongelijk.
Bruno Schoenaerts heeft gelijk als hij geen bezwaren heeft tegen het feit dat ook de kwalijke kanten van zijn vader aan het licht komen.
Maar ook Matthias Schoenaerts heeft gelijk als hij zich verzet tegen het boek van Lauryssens. Het aanspannen van een proces is zeker niet de beste manier om dat te doen, maar zolang de menselijke samenleving in de greep zit van het materialisme zijn er gewoon geen betere manieren.
Ik ben ervan overtuigd dat ook Matthias wil dat de waarheid over zijn vader bekend wordt, maar hij kan de waarheid zoals die verteld wordt niet verzoenen met de liefde die hij voelt. En dus accepteert hij ze niet.
Terecht overigens.
Wat Stan Lauryssens over Julien Schoenaerts schrijft, is niet de echte waarheid, want die is veel groter dan wat hij in zijn boek onthult. Maar net als Matthias is hij de gevangene van het materialisme en is hij niet in staat de echte waarheid naar boven te halen, de waarheid die doordringt tot het wezen van een mens.

En dat wezen is … de kunstenaar in de mens, zijn hoger Zelf, zijn vrije, scheppende geest.

Daar gaat het proces tegen ‘Schoenaerts’ (zo heet het boek van Lauryssens) in de grond over.
Het behandelt een aanklacht tegen de materialistische geest die de moderne mens belet om oog te krijgen voor zijn eigen diepste wezen, dat tegelijk het wezen van de kunst is.
Gelet op de reputatie van het Belgische gerecht, is er weinig kans dat de werkelijke inzet van het proces naar boven zal komen, al moet gezegd dat er in een gelijkaardige zaak 14 jaar geleden een wijs vonnis werd geveld.
Modeontwerpster Ann Demeulemeester had toen klacht ingediend tegen Herman Brusselmans die in een van zijn boeken bijzonder gore dingen over haar verteld had. De rechter oordeelde toen dat het gewraakte boek niet uit de handel moest worden genomen, maar hij legde Brusselmans wel een fikse boete op wegens laster een eerroof.
Hij maakte met andere woorden duidelijk onderscheid tussen kunst en werkelijkheid.
Op haar terrein gunde hij de kunst volledige vrijheid, maar van zodra ze dat terrein verliet, was ze onderworpen aan de wetten die in de werkelijkheid heersen.
Brusselmans heeft dat goed begrepen want hij heeft de grens tussen kunst en werkelijkheid niet meer overschreden.
Waarschijnlijk is dat ook de beste oplossing in het geval ‘Schoenaerts’.
Stan Lauryssens mag in zijn boek schrijven wat hij wil zolang het fictie blijft (en ook een biografie is fictie, zolang ze meer is dan een opsomming van droge feiten). Maar wanneer de biograaf de grens tussen fictie en werkelijkheid overschrijdt, riskeert hij een veroordeling wegens laster.
Als Lauryssens ‘over de grens’ is gegaan, heeft hij dat hoogstwaarschijnlijk gedaan omwille van de sensatie en het geldgewin.
Het is dan ook niet meer dan billijk dat hij het onrechtmatig verdiende terug moet betalen en gestraft wordt wegens het misbruiken van de kunst.
Een goede biografie kan immers niets anders dan een kunstwerk zijn, want ze peilt via de levensloop van een mens naar diens wezen, en dat wezen is een kunstenaar die alleen op een kunstzinnige manier benaderd kan worden.

Wanneer we spreken over ‘het misbruiken van de kunst’ komen we vanzelf bij Julien Schoenaerts terecht, want hij overschreed de grens tussen kunst en werkelijkheid voortdurend. Ja, hij erkende die grens niet eens.
Als gevolg daarvan gebruikte hij de kunst en zijn kunstenaarschap om in de werkelijkheid allerlei privileges te bekomen waar hij als ‘God’ recht op meende te hebben.
Hij meende in de werkelijkheid hetzelfde te kunnen zijn als in zijn kunst, namelijk: heer en meester.
Dat er zoveel vuile was bestaat over Julien Schoenaerts is mede een gevolg van het feit dat vele ‘vooraanstaande’ personen hem een hand boven het hoofd hielden wanneer hij zich te buiten ging aan exhibitionisme, vandalisme, openbare dronkenschap, contractbreuk, enzovoort.
Maar daarmee wordt ook de medeplichtigheid van de werkelijkheid zichtbaar.
Waarom hielden zoveel ‘belangrijke’ mensen Schoenaerts een hand boven het hoofd? Waarom lieten ze hem wegkomen met zaken waar andere mensen zouden moeten voor boeten?
Omdat ze zich wilden koesteren in zijn ‘goddelijke’ uitstraling, omdat ze … zelf een beetje God wilden zijn.
Soort zoekt soort.
Zoals Schoenaerts de grenzen van de kunst niet respecteerde, zo respecteerden deze ‘notabelen’ de grenzen van de werkelijkheid niet. Ze wilden zich tooien met het aureool dat de kunst omgeeft, niet door er zich voor in te spannen of door er offers voor te brengen, maar door ervoor te betalen, liefst met andermans geld. Ze maakten misbruik van de werkelijkheid om niet alleen heer en meester te zijn in de materiële wereld maar ook nog eens vereerd te worden in de ‘goddelijke’ wereld van de kunst.

Schoenaerts en zijn beschermheren: ze misbruikten elkaar en ze misbruikten hun wereld.

(wordt vervolgd)

Het leven als een kunstwerk zien

Sinds Michaël ben ik bezig met karma-onderzoek, dat wil zeggen met het onderzoek van mijn eigen karma.
Ik doe dat niet voor mijn plezier, ik doe het omdat ik niet anders kan, omdat ik ertoe gedwongen word.
Of beter: omdat ik mezelf ertoe dwing.
Want dat is de grondgedachte achter karma: alles wat gebeurt in je leven heb je zelf gewild.
Het leven is een kunstwerk dat de mens zelf gemaakt heeft en ieder onderdeel ervan is gewild.
Dat scheppende ‘zelf’ is natuurlijk niet ons gewone dagelijkse zelf, want dat maakt deel uit van het kunstwerk en weet dus niks af van de kunstenaar.
Toch bezit dat ‘lagere’ zelf iets van het ‘hogere’ zelf, namelijk: het denken.
De mens kan denken en dat is een wonderbaarlijke eigenschap waardoor hij zich bewust kan worden van zichzelf, niet alleen van zijn lagere zelf maar ook van zijn hogere zelf.
Al denkend kan hij als het ware stap voor stap weer opklimmen tot de bron van zijn denken: zijn hogere zelf, zijn echte zelf.
Maar juist omdat het denken van dezelfde ‘substantie’ is als dit echte zelf, is dat hogere zelf reeds werkzaam in dat denken.
Ons lagere zelf is in feite ons hogere zelf dat gedeeltelijk afgedaald is in de materie en van daaruit zijn weg weer omhoog baant.
Als het dat tenminste wil, want door in de materie af te dalen verovert de mens zijn vrijheid.
Hij ontwikkelt het vermogen om tegenover zichzelf, dat wil zeggen tegenover zijn eigen hogere scheppende zelf, te gaan staan en er ja of neen tegen te zeggen.
Die keuze zou hij natuurlijk nooit kunnen hebben zonder de tegenmachten die uit alle macht aan de mens trekken en hem proberen los te maken van zichzelf.
Zij spannen zich tot het uiterste in om de mens ertoe te bewegen voor hén te kiezen.
Dat is dan ook het punt dat de mens vandaag in zijn ontwikkeling bereikt heeft: hij staat voor de keuze tussen de draak (de geallieerde tegenmachten) en zijn hogere zelf.
Dat is een uiterst moeilijke keuze want de mens is zo ver afgedwaald van zichzelf en is zo verstrikt geraakt in de duistere materie dat hij nauwelijks nog onderscheid kan maken tussen goed en kwaad.
Maar juist de moeilijkheid van die keuze garandeert de vrijheid van de mens.
Met behulp van zijn denken moet hij nu beslissen wat hij gaat doen: volgt hij de weg naar beneden en geeft hij zich over aan de draak of bevecht hij die draak en kiest hij voor de weg omhoog, terug naar zichzelf?
In die keuze staat hij helemaal alleen, alleen met zijn denken.
Natuurlijk wordt hij ook geholpen, want in zijn eentje zou hij geen kans maken tegen de draak. Maar die hulp is van dien aard dat ze de vrijheid van de mens niet in het gedrang brengt. Ze is met andere woorden onzichtbaar. We worden geholpen zonder dat we het weten. Als we het wél wisten, zou onze vrijheid geen echte vrijheid zijn.

Dat ondervind ik nu ook.

Ik moet een beslissing nemen en niemand kan me daarbij helpen.
Ik moet het helemaal alleen doen, ik en mijn denken.
Ik word daarbij geholpen, bijvoorbeeld door de droom die ik verleden week gekregen heb.
Maar die droom is van dien aard dat hij me niet vertelt wat ik moet doen. Voor mijn gewone rationele denken is het zelfs nonsens om in een droom een richtlijn te zien. Nee, ik ben helemaal aangewezen op mijn denken om uit te maken wat die droom precies betekent en óf hij iets betekent.
Toevallig of niet wijst die droom ondubbelzinnig in de richting van karma-onderzoek en ‘dwingt’ hij me om na te denken over mijn leven. En is dat uiteindelijk niet het enige houvast dat de moderne mens nog heeft in zijn leven?

Er zijn duizenden zelfhulpboeken die de mens vertellen wat hij kan/moet doen in zijn leven. Maar ze zijn niet geschreven voor één concreet mens, ze zijn geschreven voor iedereen, en daarom blijven ze in hoge mate abstract. Ze staan zeer ver af van het concrete leven, want dat leven is altijd en voor iedereen een uiterst persoonlijk leven, een leven dat met geen ander leven kan vergeleken worden.
Zoals geen twee mensen hetzelfde gezicht hebben, zo hebben ook geen twee mensen hetzelfde leven.
Van abstracte theorie naar concrete praktijk gaan, betekent hier dus: de blik richten op het eigen leven.
Zolang de mens dat niet doet, leeft hij ofwel onbewust (en dus onvrij) ofwel leeft hij in abstracties (en is zijn vrijheid louter vorm).
Karma-onderzoek is wat de mens rest als het leven heel concreet wordt, als de draak hem bij de keel grijpt en zegt: kies!
Karma-onderzoek is hét instrument van de moderne mens, de mens op het Keerpunt der Tijden.
Stap voor stap verliest hij al zijn zekerheden tot hij alleen nog dit overhoudt: zijn eigen leven en zijn eigen denken.

Het is beslist geen toeval dat uitgerekend op dit (beslissende) moment in de geschiedenis een mens verschijnt als Rudolf Steiner, wiens levensopdracht erin bestaat de moderne mens bewust te maken van het karma.
Het is al evenmin toeval dat de tegenmachten groot alarm slaan en er bijna in slagen om de levensopdracht van deze mens te verijdelen.
Pas tegen het eind van zijn leven, wanneer alles hem uit handen is geslagen, komt hij ertoe zijn levensmissie alsnog waar te maken. Hij begint nu te spreken over het karma, en in het centrum van die karmavoordrachten staat het karma van de antroposofische vereniging, de kleine groep mensen die als taak hebben de wetenschap van de geest te introduceren in de menselijke cultuur.
Het is dus niet de geest zelf die ze moeten verspreiden, maar de wetenschap van die geest, het bewustzijn van die geest, het onderzoek naar die geest.
Antroposofen hebben als taak de moderne mens erop te wijzen hoe ze volkomen bewust, op rationeel-wetenschappelijke wijze, de wereld van de geest kunnen onderzoeken en leren kennen.
Want dat is de meest vrije manier om de geest te benaderen, de manier die past bij onze tijd.

Een groot succes is de antroposofie tot dusver niet geweest.
Weliswaar bestuderen mensen overal ter wereld de ideeën van Rudolf Steiner of brengen ze die ideeën in de praktijk, maar tussen theorie en praktijk gaapt nog altijd een diepe kloof. De theorie is nog veel te abstract dan dat ze grote groepen van mensen zou kunnen bereiken en de praktijk is nog veel te onbewust dan dat ze diep zou kunnen doordringen in de moderne realiteit.
Die kloof – die tegelijk de kloof is tussen de antroposofie en de moderne wereld – kan alleen gedicht worden door karma-onderzoek. Want in karma-onderzoek komen theorie en praktijk samen.

Dat ondervind ik nu zelf ook.

Ik doe mijn karma-onderzoek niet uit wetenschappelijk-academische overwegingen.
Ik doe het uit louter praktische overwegingen: ik wil weten wat ik moet doen, heel concreet.
Wat moet ik bijvoorbeeld doen opdat ik in Brugge op de markt geld zou kunnen verdienen?
Veel concreter en praktischer kan het niet worden.
En juist dàt is de reden waarom ik nu mijn eigen karma aan het bestuderen ben.
Het leven zelf brengt me ertoe mij om te keren en naar dat leven te kijken.
Het is alsof het me onverwacht op de schouder tikt en zegt: kijk naar mij, en kijk daardoor ook naar jezelf!

Uiteindelijk gaat het in het karma-onderzoek allemaal dáár om: de mens die tegenover zichzelf gaat staan, het lagere zelf dat een blik werpt op het hogere zelf en omgekeerd.
Dat is een schokkende ontmoeting, een ontmoeting tussen vreemden die niettemin ‘broers’ zijn, want we zijn zelf die beide ‘zelven’.
In het licht van ons hoger zelf wordt ons lager zelf in al zijn laagheid zichtbaar: onze dubbelganger verschijnt.
En dat is het moment waarop we moeten kiezen: reiken we ons hoger zelf de hand of keren we ons van hem af?
Kijken we naar onze dubbelganger met de ogen van ons hoger zelf, of kijken we met de ogen van onze dubbelganger naar ons hoger zelf?
Kiezen we met andere woorden voor de liefde of kiezen we voor de haat?
Want ons hoger zelf kijkt met liefde naar onze dubbelganger, het wendt de blik niet af.
Ons lager zelf daarentegen kijkt met onverholen haat naar ons hoger zelf, en naar alles wat geestelijk is.
Het trekt een scherpe grens en denkt: wat heb ik met dat superieure wezen te maken?
Wat weet dat hemelwezen in godsnaam van het leven hier beneden op aarde?
Naar de hel met al die geestelijke wezens!

In die emotionele haatreactie toont de mens echter zijn vrijheid.

Hij valt niet op de knieën voor dat superieure wezen, nee hij maakt er zich kwaad op.
Hij zegt: waarom heb je mij al die tijd in de steek gelaten?
Waar was je toen ik je nodig had?
Waarom heb je me niet geholpen toen ik hier in m’n eentje aanmodderde?
Hoe durf je me de hand te reiken na al die tijd!
Het lagere zelf verdrinkt in emoties als het geconfronteerd wordt met zijn hemelse versie.
Maar juist in die kolkende zee van ziedende emoties komt het voor de – vrije – keuze te staan tussen liefde en haat.
Op zich is die keuze niet moeilijk: geen mens die bij zijn verstand is, zal voor de haat kiezen, want hij wéét dat hij dan de weg van de zelfvernietiging in slaat.
Nee, de moeilijkheid ligt in het bij-zijn-verstand-zijn.
En daar ligt ook de vrijheid van de mens.
Die ziedende zee van emoties kan de mens niet vermijden.
Ze is het gevolg van zijn ontmoeting met de dubbelganger, en aangezien de hele mensheid nu over de drempel gaat, komt iedereen vroeg of laat die dubbelganger tegen.
Het resultaat zien we vandaag overal: heftige emoties, verontwaardiging, haat, afschuw, angst, wanhoop, enzovoort.
Alles hangt nu af van het antwoord op de vraag: kan de (spartelende) mens het hoofd boven water houden in die kolkende emoties? Is hij wakker genoeg om de beslissende keuze op te merken of verslaapt hij ze en gaat hij ten onder?

Rari nantes in gurgito vasto.

Zwemmen, daar gaat het nu om, het hoofd boven water houden in al dat emotionele geweld.
Sommige mensen leren zwemmen doordat ze in het water gegooid worden.
Als dat lukt, is het mooi, maar het is natuurlijk wel een paardenmiddel.
Veel veiliger is het om in kalmer water te leren zwemmen.
En dat kalmere water is het karma-onderzoek.
Hier kan de mens op zijn eigen tempo en binnen zijn eigen mogelijkheden leren kijken naar zijn dubbelganger.
Want hij is het die verschijnt als we naar ons eigen leven kijken.
Er zijn natuurlijk mensen die best tevreden zijn met hun leven en helemaal geen dubbelganger gewaarworden als ze ernaar kijken, maar zij raken in de minderheid.
Het moderne leven wordt steeds meer een gevecht met de draak en dat is zelden een fraai schouwspel.
Mensen reageren dan ook niet zelden met afschuw op het ‘drakerige’ uitzicht van hun leven.
Ze verdrinken in de emoties die dat uitzicht oproept en wenden de blik af.

Dat is begrijpelijk maar jammer. Want als ze hun emoties de baas bleven, als ze bleven kijken en hun verstand erbij hielden, dan zouden ze doorheen dat drakenmasker een heel ander gezicht zien verschijnen: het gezicht van hun hoger zelf, hun ‘echte’ gezicht.
Want hoe bont de draak het ook maakt in iemands leven, zijn hogere zelf houdt altijd de touwtjes in handen.
Voor de moderne mens, die maar al te vaak overweldigd wordt door het kwaad in al zijn vormen, is dat een moeilijk te verteren gedachte.
Maar is hij het niet juist aan zijn status van rationeel en wetenschappelijk denkend mens verplicht om deze (karma)gedachte nuchter te onderzoeken?
Het gaat immers niet om de vraag: staat deze gedachte mij aan?
Het gaat om de vraag: is deze gedachte waar?
En het antwoord vinden we alleen door deze gedachte te onderzoeken aan de hand van het eigen leven, want dat is het enige leven dat we genoeg kennen om het te kúnnen onderzoeken.

Wat weerhoudt ons ervan dat onderzoek te voeren?

Enerzijds zijn dat de emoties, maar anderzijds is het ook de overtuiging dat ons hogere zelf niet bestaat en dat er achter dat drakenmasker helemaal … niets is.
Wat ons belet om aan karma-onderzoek te doen, is onze materialistische overtuiging dat er geen geestelijke wereld bestaat.
Waarop is die overtuiging gebaseerd?
Niet op de wetenschap, want die slaagt er weliswaar in om alles vanuit de materie te verklaren, maar dat wil niet zeggen dat het niet net zo goed mogelijk zou kunnen zijn om alles vanuit de geest te verklaren.
Zolang het niet geprobeerd wordt, kunnen we daar niets over zeggen.
Zolang het niet geprobeerd wordt, berust onze overtuiging dat alles uit materie bestaat, op luiheid en angst.
Ze is gewoon een geloof, een blind geloof.
Of een blind ongeloof, dat komt op hetzelfde neer.
Als we de proef op de som namen, als we ons eigen leven nauwgezet bestudeerden, dan zou die blinde, emotionele overtuiging gelogenstraft worden. Achter onze dubbelganger – die uit louter materiële chaos lijkt te bestaan – zouden we dan de orde van ons hoger zelf zien opdoemen.

Maar daarvoor moeten we eerst bereid zijn ons ongeloof op te schorten en het bestaan van een geestelijke wereld en een hoger zelf als werkhypothese te aanvaarden.
Suspension of disbelief: de term is van de 19de eeuwse dichter Coleridge en doelt op de bereidheid om tijdelijk te geloven dat een kunstwerk werkelijkheid is.
Zonder dat ‘poëtische geloof’ kunnen we nooit van kunst genieten en zijn kunstwerken alleen maar betekenisloze materiële vormen.
Om überhaupt kunst te kunnen zien, moeten we ons overgeven aan de illusie dat een geschilderde appel en echte appel is en niet zomaar wat verfvlekken op een linnen doek.
Op dezelfde manier moeten we bereid zijn ons leven te zien als een zinvol en herkenbaar geheel, in plaats van als een lukrake opeenvolging van gebeurtenissen zonder enige samenhang.
We moeten met andere woorden ons leven als een kunstwerk leren zien.

Zo kijk ik ook naar de droom die ik verleden week had: als naar een kunstwerk, een product van de verbeelding.
Is trouwens niet ieder kunstwerk afkomstig ‘uit de nacht’, dat wil zeggen uit de droomwereld van het onderbewuste?
En geldt dat ook niet voor het kunstwerk dat een mensenleven is?
Is het leven van de mens geen droom die opduikt uit de nacht en is het niet de bedoeling dat we ontwaken in die droom en licht ontsteken in de duisternis?
We leven in een Michaëlstijd: de zomer van de geschiedenis is voorbij en het duistere jaargetijde breekt aan.
Winter is coming.
Kon het leven honderd jaar geleden nog beleefd worden als een rustige droom, dan verandert het nu steeds meer in een nachtmerrie.
Karma-onderzoek is geen luxe meer.
We komen steeds meer voor de keuze te staan: ontwaken we UIT de droom of ontwaken we IN de droom?
Keren we ons leven de rug toe en lopen we blindelings in ons ongeluk, of brengen we de michaëlische moed op ons naar dat leven toe te keren en het onder ogen te zien?
De strijd met de draak zal zich in toenemende mate op dit zeer persoonlijke vlak afspelen, want als we één voor één al onze zekerheden verliezen, blijft er uiteindelijk nog maar één zekerheid over: ons eigen leven.
De kunstenaar staat dan voor zijn kunstwerk.
En de vraag is: herkent hij zichzelf?

Morele mist

De Wever noemt ophef over Francken opnieuw ‘onzin’.
Zo luidde de kop van een recent krantenartikel.
Waarover gaat het?
Kervers staatssecretaris Theo Francken is naar een Vlaams-nationalistisch feestje geweest en dat vindt de PS, met de scheldende Laurette Onkelinx op kop, ab-so-luut niet kunnen.
Een paar dagen later duiken ‘toevallig’ enkele oude mails, tweets en facebookberichten van Theo Francken op waarin hij zich vragen stelt over de meerwaarde van Marokkaanse immigranten en beweert dat homobashing in Brussel alles te maken heeft met moslims en kutmarrokaantjes.
Een politieke hetze is geboren en de media gieten alle olie op het vuur die ze maar kunnen vinden.

Om de zaak even in perspectief te plaatsen:
Theo Francken is lid van de N-VA, de meest uitgescholden partij uit de vaderlandse geschiedenis, en Laurette Onkelinx, die bijna stikte van verontwaardiging, heeft de gewoonte om Vlamingen openlijk ‘ongedierte’ te noemen. Als ze het Duits machtig was, zou ze wellicht van Untermenschen spreken, want ze heeft niet de gewoonte haar mond te spoelen als het om Vlamingen of de N-VA gaat.
Francken heeft dus méér reden om verontwaardigd te zijn dan Onkelinx, maar naar aloude Vlaamse gewoonte trekt hij zijn staart in en biedt zijn verontschuldigingen aan.
Bart De Wever heeft dus overschot van gelijk als hij de hele zaak ‘onzin’ noemt.

Maar daar wilde ik het niet over hebben.
Ik wilde het hebben over die krantenkop en meer bepaald het woordje ‘opnieuw’.
Bart De Wever noemt ophef over Francken opnieuw ‘onzin’.
Strikt genomen is dat 100 % waar, want men had De Wever al eens om zijn mening gevraagd en toen zei hij net hetzelfde.
Het was dus inderdaad al de tweede keer.
Maar met één enkel woordje slaagt men erin van deze waarheid een groteske leugen te maken.
Door het woordje ‘opnieuw’ te gebruiken, wordt namelijk de indruk gewekt dat Bart De Wever er niet genoeg aan had om de ophef rond Francken één keer onzin te noemen, nee hij deed het nog een tweede keer!
Met andere woorden: deze man is werkelijk onverbeterbaar.
De suggestie wordt gewekt dat hij de eerste keer al ver over de schreef ging. En toen hij dat nóg eens deed, werden alle grenzen van de betamelijkheid overschreden en was het maar al te goed te begrijpen dat Laurette Onkelinx haar zelfbeheersing verloor.
Tegelijk wordt ook de indruk gewekt dat Francken een rabiate racist is en dat homobashen in Brussel helemaal niets te maken heeft met moslimjongeren.

Dat ene woordje ‘opnieuw’ veroorzaakt dus een domino-effect dat de ene na de andere waarheid verandert in een leugen.
En dan heb ik nog niets gezegd over de aanhalingstekens waartussen het woordje ‘onzin’ is geplaatst.
Ze suggereren: u gelooft nooit, beste lezer, wat Bart De Wever nú weer uit zijn botten heeft geslagen! Hij noemt het gescheld en getier van Laurette Onkelinx … onzin!
Stelt u zich dat eens voor: men mag niet eens meer protesteren tegen racisme, homofobie en haatzaaierij! Zover is het al gekomen in het verrechtste België!
Enzovoort, enzovoort.

Suggestief taalgebruik noemt men zoiets.
Men zegt iets dat waar is, maar men zegt het op zo’n manier dat het verandert in een leugen.
En zo zou ik tientallen, honderden, ja duizenden voorbeelden kunnen noemen, want dit soort ‘suggestief’ taalgebruik is schering en inslag geworden in de hedendaagse media. Het is zelfs zo vanzelfsprekend geworden dat ik vermoed dat de journalisten er zich niet eens meer van bewust zijn. Waarschijnlijk zijn ze er heilig van overtuigd de waarheid te spreken.
Kunnen ze zich trouwens nog iets anders permitteren?
Journalisten zijn zo leugenachtig geworden dat ze niet meer in de spiegel zouden durven kijken als ze zich daarvan bewust werden.
Ze zouden op staande voet ontslag moeten nemen.
En dan?
Wat zouden ze dan doen?
Waar kan men tegenwoordig nog op een niet-leugenachtige manier woorden gebruiken en er nog geld mee verdienen ook?

Het geval Tom Naegels illustreert dat op pijnlijke wijze.
Vroeger was hij een onafhankelijk journalist, een freelancer die leefde van zijn pen.
Dat was mogelijk omdat hij heel goed schreef en bovendien – als een der weinigen – de gewoonte had om de twee kanten van een zaak te belichten.
Dat werd blijkbaar geapprecieerd door de lezer.
Maar toen werd hij ombudsman bij De Standaard.
De reden ligt voor de hand: hij werd al een dagje ouder, er waren waarschijnlijk vrouw en kinderen, en dus koos hij het zekere voor het onzekere en ging in vaste loondienst.
De Standaard kon ermee uitpakken dat ze een integer iemand hadden aangesteld als tussenpersoon tussen de krant en de lezer, iemand die in staat was de belangen van beiden objectief tegen elkaar af te wegen.
En Tom Naegels had eindelijk werkzekerheid en uitzicht op een acceptabel pensioen: geen vanzelfsprekendheid dezer dagen, en al helemaal niet voor iemand die van zijn pen moet leven.
De gevolgen lieten echter niet op zich wachten.
Onlangs had een lezer zich beklaagd over de weekend-bijlagen van de krant: glossy tijdschriften vol lifestyle-berichten voor de happy few. De klacht was volkomen terecht: die bijlagen horen niet bij een krant, ze grenzen bij momenten aan het weerzinwekkende.
Tom Naegels begreep die kritiek, hij was het er zelfs mee eens.
Maar was die kritiek ook niet ingegeven door een verborgen schuldgevoel over de eigen levensstijl, die vergeleken met wat er elders in de wereld gebeurt ook niet meteen goed te praten valt?
Anders gezegd: moest de klagende lezer niet ook eens naar zichzelf kijken voor hij kritiek gaf op de krant?
Dat werd allemaal op een begrijpende, omzichtige, beide kanten van de medaille belichtende manier aangebracht.
En het resultaat was – alweer – dat een waarheid in een leugen werd omgekeerd.
De lezer had overschot van gelijk, maar Naegels slaagde er op een geraffineerde manier in om van die lezer een leugenaar te maken.
Tegelijk maakte hij van de leugenaar die hijzelf geworden is, iemand die zoekt naar een ‘hogere’ waarheid.

Een ander voorbeeld.
Opnieuw (sic) een krantenbericht.
Vandalen vernielen kunstwerk in Parijs.
Een mens denkt dan algauw aan een schilderij van Monet of Rubens, maar dat was het – gelukkig – niet.
Nee, iemand had gewoon een groene ballon stukgeprikt.
Edoch, die groene ballon was een … kunstwerk.
Hij moest een kerstboom voorstellen maar leek als twee druppels water op een ‘butt plug‘, een sexspeeltuig dat volgens Wikipedia dient om de anus af te sluiten.
Vandaar wellicht dat iemand een plug in de plug had gestoken.

Als je alleen de krantenkop leest, ben je verontwaardigd: een kunstwerk vernielen is bijzonder laag.
Als je vervolgens het artikel leest, barst je in lachen uit: hahahaha, die is goed!
Want die zogenaamde kerstboom is natuurlijk geen kunstwerk, het is een reusachtige middenvinger die de culturele elite opsteekt naar het klootjesvolk (dat bovendien verplicht wordt deze peperdure vinger te betalen).
Die zogenaamde vandalenstreek is helemaal geen misdaad, het is een daad van verzet tegen de obsceniteiten van de ‘hogere klassen’.
Tenzij men het natuurlijk als een misdaad beschouwt om een misdaad te verijdelen.
Maar dan kunnen we beter meteen goed en kwaad omdraaien.
Dat schept tenminste duidelijkheid.
Maar duidelijkheid is natuurlijk niet wat de kranten scheppen.
Ze spuiten mist, morele mist.
Ze wissen het onderscheid uit tussen goed en kwaad, tussen waarheid en leugen.
En ze doen dat op zo’n subtiele manier dat niemand het echt merkt, ook zijzelf niet.
Hun suggestieve, ‘omkerende’ taalgebruik is een tweede natuur geworden.
Een immorele natuur.

Rudolf Steiner waarschuwde ervoor dat Ahriman zou schrijven.
En in onze kranten zien we iedere dag hoe hij dat doet.
Door suggestieve woorden of leestekens, keert hij de waarheid systematisch om in een leugen, en hij doet dat op zo’n geraffineerde manier dat we het niet meer merken.
Liegen wordt zo tot een stijl die we onbewust overnemen, en die na verloop van tijd tot een tweede natuur wordt. Zo sluipt Ahriman ons etherisch lichaam binnen, ons gewoontelichaam, en nestelt zich daar zonder dat we iets in de gaten hebben.
Wel integendeel, hoe dieper hij in ons doordringt, des te meer raken we ervan overtuigd de waarheid te spreken, en des te verontwaardigder zijn we als iemand die waarheid tegenspreekt.
Dit is, lijkt me, een aspect van de incarnatie van Ahriman dat we niet uit het oog mogen verliezen.
Op fysiek gebied zal Ahriman incarneren – of is hij reeds geïncarneerd – in één enkel mens.
Op etherisch gebied echter zal hij in zeer veel mensen incarneren, met name in schrijvende, intellectuele mensen.
Mensen zoals ik dus …

Droompje (1)

Ik weet het niet meer.
Dat is de stemming die sinds eind september in mijn ziel heerst: ik weet niet meer wat ik moet doen.
Op 13 september wist ik het nog wel, heel duidelijk zelfs.
Maar toen kwam Michaël en sindsdien ben ik het noorden kwijt.
Dat laatste is niet nieuw voor me.
Het overkomt me met de regelmaat van een klok.
Gewoonlijk wacht ik dan tot het over is, en het licht opnieuw gaat branden.
Maar iets zegt me dat het dit keer anders is.
Dit keer moet ik zelf het licht weer aansteken.
Ik weet alleen niet hoe.

En dus vroeg ik het aan Michaël.

Zijn antwoord liet niet op zich wachten.
Het kwam in de vorm van een droom.
Een droompje eigenlijk, want langer dan een paar seconden kan het niet geduurd hebben.
Michaël houdt de dingen graag bondig.

Ik was in Mechelen, op weg naar de academie.
Het was donker en achter de ramen van het gebouw scheen een warm geelroodbruin licht.
Ik was te laat en wist dat ik niet meer naar binnen kon.
Dus keerde ik me naar rechts, waar de Sint Romboutskathedraal staat.
Die was echter veranderd in een soort stenen 3D labyrint.
Even later bevond ik me ergens in de hoogte en verloor de grond onder mijn voeten.
Ik klampte me vast, maar voelde m’n greep verslappen.
Dus riep ik om hulp.
Beneden zag ik een keurig geklede man omhoog kijken.
Er verscheen een vermakelijke blik in zijn ogen, en hij liep verder.
Wel verdorie, dacht ik, terwijl ik naar beneden viel.
Het volgende ogenblik stond ik met mijn twee voeten op de grond.
En voor ik van m’n verbazing bekomen was, werd ik wakker.

Wat een onnozele droom! dacht ik bij mezelf.
Ik kon er niks van maken en voelde me een beetje bekocht.
Was dát het antwoord van Michaël?
Het was geen antwoord maar een vraag, een onoplosbaar raadsel.
Hoe ik me ook inspande, ik kon er kop noch staart aan krijgen.
En ik viel weer in slaap, beschaamd en gefrustreerd.
Gekweld door een aards probleem had ik een vraag gesteld aan een hemels wezen, maar ik had een nonsensikaal antwoord gekregen.
Tja, zo gaat dat als een mens zich met zijn problemen richt tot wezens die niet bestaan.
Hij staat voor paal, hij maakt zichzelf belachelijk.

’s Morgens aan het ontbijt zei ik tegen An: moet je nu eens wat weten?
Ik heb gedroomd!
Dat was groot nieuws, want ik droom nooit.
Dat wil zeggen: soms herinner ik me wel eens dat ik gedroomd heb, maar van de dromen zelf blijft me nooit iets bij.
Dit keer was het anders.
Ik herinnerde mij de droom heel goed.
Juist daarom voelde ik me in het ootje genomen: héb ik nu eens een echte droom, blijkt hij nergens op te slaan!
An moest erom lachen.
Gewoonlijk is zij het die droomt en dan – tenminste als het in het weekend gebeurt – ’s morgens vertelt wat ze ’s nachts allemaal beleefd heeft.
Ze vond het vermakelijk dat het nu eens omgekeerd was.
Vertel! zei ze.

En ik vertelde dat ik naar de academie ging, dat ik te laat was en niet meer naar binnen durfde.
Maar was je niet altijd te laat? vroeg An.
Hé, daar had ik niet aan gedacht!
Ik was inderdaad altijd te laat.
De lessen begonnen om 9 uur en doorgaans arriveerde ik niet voor tienen.
In Leuven was het niet anders: alle vroege lessen sloeg ik over.
Zelfs toen ik in Brussel ging werken, arriveerde ik meestal niet vroeger dan 10 uur.

De academie in mijn droom was onmiskenbaar de Mechelse academie.
Het beeld was dus concreet, maar tegelijk was het ook een metafoor, want ik kwam niet alleen te laat op de academie, ik kwam overal te laat.
Nee, niet overal.
Op afspraken bijvoorbeeld kom ik nooit te laat, daar houd ik me stipt aan.
Maar afspraken worden me niet opgelegd, ik maak ze zelf, ik heb er deel aan.
Ik kom alleen te laat in de ‘wereldse’ tijd, de dwingende machinale tijd die nergens rekening mee houdt.
In mijn eigen tijd, de tijd waar ik zelf aan deelneem, ben ik nooit te laat, letterlijk én figuurlijk.
Het is vaak op het nippertje, zoals op 13 september, toen ik op de valreep weer mensen begon te tekenen. Had ik daarmee nog een of twee weken gewacht, dan zou het te laat zijn geweest. Maar ik haalde het. Ik was niet te laat.
In mijn eigen tijd ben ik nooit te laat.

Het bijzondere van mijn droom was dus niet dat ik te laat was.
Het bijzondere was dat ik me erdoor liet tegenhouden.
Ik vond het destijds normaal dat ik te laat was op de academie, of beter: ik vond het abnormaal dat ik op tijd moest komen. Ik volgde gewoon mijn eigen tijd, en die tijd werd gerespecteerd. Mijn leraar was een uiterst stipt en plichtbewust man, maar nooit heeft hij één opmerking gemaakt over het feit dat ik altijd te laat was. Hij zag dat ik innerlijk op tijd was en dat was voor hem het belangrijkste.
Beide tijden, de uiterlijke en de innerlijke, leefden in zijn klas vreedzaam naast elkaar.
In mijn droom was dat niet langer het geval.
Er stond een onzichtbare muur tussen mij en de academie.
De vrede was voorbij, het duister was ingetreden.
Het heldere ochtendlicht had plaats gemaakt voor het kunstlicht van de avond.
Hoe gezellig en huiselijk dat er aan de buitenkant ook uitzag, ik kon er niet meer naar binnen.
Het was mijn tijd niet meer, het was mijn wereld niet meer.

Ik stond ervan te kijken, toen ik dat allemaal vertelde.
Het beeld uit mijn droom klopte als een bus.
De academie van Mechelen is inderdaad al lang niet meer wat ze geweest is.
Er heerst nu een heel andere geest, een geest die ‘de tijd’ van de leerlingen niet meer respecteert.
Uiterlijk is ze natuurlijk wél mee met haar tijd: ze heeft zich aangepast aan de moderniteit, ze is niet langer een buitenbeentje meer.
Leerlingen die afstuderen krijgen nu een boek over Jan Hoet.
Het is donker geworden in Mechelen: het (scheppende) licht van de zon heeft plaats gemaakt voor het (nabootsende) licht van de maan: men doet er nu gewoon wat iedereen doet, en men is daar allemachtig trots op.
Het licht dat ik achter de vensters zag branden, was niet het warm-gele licht dat je ’s avonds in woonkamers ziet branden, het was een geelbruinrood licht dat je … en het beeld dat in me opkomt is: in de hel ziet branden.
Dat kan overdreven klinken, maar wat er vandaag aan academies en kunstscholen gebeurt, beschouw ik werkelijk als ‘des duivels’.
Het is precies het omgekeerde van wat er vroeger gebeurde.
Respect voor de ‘eigen tijd’ van de leerlingen heeft plaats gemaakt voor de niets ontziende dwang om zich aan te passen aan de ‘wereldse tijd’.
Het individuele Ik kan er niet meer aan zijn eigen tempo groeien, het wordt genadeloos opgejaagd en vermorzeld.
Er is geen verschil meer tussen de academie en de gewone school.
De academie is geen academie meer.

In Mechelen heb ik nog een laatste oplichten beleefd van de vrijheidsgeest die heerste aan de oude academies. Het waren vrijplaatsen waar jonge mensen konden ontsnappen aan de verstikkende dwang van de wereldse tijd, waar ze konden opgroeien in hun eigen tijd: oases van ‘willen’ in een woestijn van ‘moeten’.
En uitgerekend die ‘vrije plaatsen’ worden vandaag voorgesteld als duistere oorden waar het verstikkende ‘academisme’ heerst en alle oorspronkelijkheid de nek wordt omgedraaid.
Zo keert de duivel de zaken om en zet hij de wereld op zijn kop.
In de ‘eigentijdse’ academies die ik later bezocht, trof ik een bekrompen schoolmeestersmentaliteit aan waar ik meteen mee in aanvaring kwam.
Ik trof er ook een hatelijke geest aan die het niet moe werd de ‘oude’ en ‘achterhaalde’ academies te bespotten en te kleineren.
Toen ik mijn leraar ooit zei hoe blij ik was nog een echte academie gekend te hebben, antwoordde hij: ach jongen, jij weet niet wat een echte academie is, zelfs ik heb dat niet meer meegemaakt!

Ik heb inderdaad de zomer niet meer meegemaakt, maar ik heb in Mechelen wel nog een zalige Sint Michielszomer beleefd, en die heb ik als een gouden schat meegenomen in de winter die volgde.
Ik was precies op tijd om die nabloei te beleven, zoals ik ook dit jaar in Brugge precies op tijd was om een nabloei te beleven van de jaren dat ik tijdens de Gentse Feesten, in het hartje van de zomer, honderden, ja duizenden mensen heb getekend.
De kans is trouwens reëel dat men de folkloremarkt in Brugge binnenkort zal afschaffen. Het stadsbestuur wil namelijk komaf maken met het ‘oubollige’ imago van Brugge en heeft een ambtenaar aangesteld die de stad moet ‘updaten’ en bij de tijd brengen.
Ook hier dus weer een Sint Michielszomer.

Hoe meer ik vertelde, des te verbaasder werd ik.
En ik verbaasde me over twee dingen.
Ik verbaasde me over de inhoud van mijn droom, en ik verbaasde me over de vorm.
Hij was aan me verschenen in de nacht, in de vorm van beelden die zo compact waren dat ze slechts één beeld leken, een bewegend beeld, een levend beeld.
Vervolgens was ik erover beginnen nadenken, zoals je dat doet met een beeld dat je niet begrijpt: je zoekt de overeenkomstige begrippen.
In de nacht had ik die echter niet gevonden.
Ik had ze pas gevonden toen de dag was aangebroken en ik was opgestaan.
Nochtans was ik toen niet anders gaan denken.
Ik gebruikte gewoon hetzelfde rationele denken dat ik ook ’s nachts had gebuikt.
En toch was het een verschil van … dag en nacht.
Daar stond ik heel erg van te kijken.
Wat een bewustzijnsverschil!

Ik had gedroomd en was vervolgens wakker geworden.
Althans dat dacht ik, want ik begon na te denken over mijn droom, ik probeerde erachter te komen wat hij te betekenen had. Maar ik kon er geen touw aan vastknopen, het verschil tussen droom en ratio was te groot.
En ik viel weer in slaap.
Pas toen ik opstond en mijn droom aan An begon te vertellen, kwam zijn ‘verborgen inhoud’ naar boven.
Ik deed nochtans niets anders dan wat ik ’s nachts in bed had gedaan: nadenken, proberen mijn droom te begrijpen.
Er bestonden dus blijkbaar twee soorten ratio’s: een ‘nachtelijke’ en een ‘dagelijkse’.
Het was alsof mijn verstand niet in staat was door te dringen in de kunstzinnige wereld van de beelden zolang het niet ondersteund werd door het licht van de zon.
’s Nachts werkte het bij wijze van spreken in het licht van de maan en kon het de droombeelden alleen maar nabootsen, navertellen, herkauwen. Het kon ze niet begrijpen.
Dat lukte pas toen de dag was aangebroken en ik was opgestaan.

Het deed me denken aan het onderscheid dat Rudolf Steiner maakt tussen passief denken en actief denken, een onderscheid dat hij ‘belangrijker dan al het andere’ noemt.
Het denken, zegt hij, heeft twee gezichten, het is een januskop.
Enerzijds is het afhankelijk van de hersenen en brengt het alleen tot bewustzijn wat zich in het zenuw-zintuigstelsel spiegelt.
Anderzijds kan het zich ook van zichzelf bewust worden en zich bevrijden van de gebondenheid aan de hersenen.
De eerste manier van denken noemt Steiner lui en gemakzuchtig. Ze leidt ertoe dat de mens in slaap valt, letterlijk en figuurlijk. Met dit passieve denken kan hij niet doordringen in de antroposofie, die dan ook wordt afgedaan als dromerij, gefantaseer of erger.
Alleen met een ‘vlijtig en actief’ denken dat zich inspant, kan de mens door de sluier van de zintuiglijke gebeurtenissen heen kijken en zich bewust worden van wat zich op bovenzintuiglijk gebied afspeelt.

In het passieve denken herken ik mijn ‘nachtelijke’ denken, dat niet in staat was mijn droombeelden te begrijpen. Het was een maan-denken zoals we dat ook in de moderne wetenschap aantreffen, die alles wat geestelijk en bovenzinnelijk is afdoet als nonsens en fantasie, precies zoals ik dat zelf ook deed met mijn ‘onnozel’ droompje.
Dit passieve maan-denken beschouwt zichzelf als heel wakker, maar eigenlijk ligt het nog in bed en is niet in staat om door de maja van de zintuiglijke werkelijkheid heen te kijken en licht te werpen op de wereld. Het produceert alleen schaduwen.

In het actieve denken herken ik dan weer mijn ‘ochtendlijke’ denken, dat zonder moeite de sluier van mijn droombeelden oplichtte en zag wat eronder zat. Dit zonne-denken richt zijn stralen op de duistere wereld van de nacht en is verrast door wat daaruit te voorschijn komt. Het is een denken zoals we dat aantreffen in de moderne kunst. Ook hier vinden we een denken dat in de meest onbenullige zaken de meest spirituele inhouden ontdekt.
Toch kan ik niet zeggen dat ik mijn eigen denken daarin herken, wel integendeel.
Ik ervaar het moderne denken over kunst als een pseudo-denken: het lijkt actief en ‘zonnig’, maar in wezen is het een passief maan-denken. Het bezit echter geenszins de helderheid van de maan en in feite is het dus noch een maan-denken noch een zonne-denken. Het is het denken van het niets, van de volslagen duisternis.

Rudolf Steiner verwacht van ons dat we actiever gaan denken.
Over het passieve denken laat hij zich nogal negatief uit, maar hij verwacht niet dat we het gewoon aan de kant schuiven.
Beide manieren van denken horen namelijk samen: ze vormen samen het gezonde denken en dat denken kan niet gezond blijven als een van beide delen ontbreekt.
Vandaag is ons denken uiterst passief geworden, het is helemaal aan de hersenen gebonden, en we zien dan ook dat het ziek wordt.
Maar het is niet de bedoeling dat we het ene ‘gezicht’ van het denken inruilen voor het andere. Dan komen we van de regen in de drop terecht.
Het is de bedoeling dat de kwaliteiten van het maan-denken meegenomen worden in het zonne-denken.
De genezing van ons denken moet komen van het samengaan van actief én passief denken.
En dat kan kan op twee manieren gebeuren.
De twee gezichten van het denken kunnen op zo’n manier met elkaar verbonden worden dat ze elkaar bevruchten en dat er uit hun eenwording een nieuw gezicht ontstaat dat straalt als een lente-zon.
Maar ze kunnen ook op zo’n manier met elkaar verbonden worden dat er een heel ander gezicht ontstaat: het gezicht dat ons toegrijnst in de ‘hedendaagse’ kunst.
Naast de tegenstelling tussen passief denken en actief denken, verschijnt nu een heel andere tegenstelling: die tussen het michaëlische denken en het drake-denken.
Het is de tegenstelling tussen het dode maan-denken dat door zijn vereniging met het zonne-denken weer tot leven komt, en datzelfde maan-denken waar het laatste restje leven wordt uitgeperst en dat zich vervolgens voordoet als een verblindend zonne-denken.

Toen ik ’s ochtends over mijn droom vertelde en er begon over na te denken, was ik veel wakkerder dan toen ik dat ’s nachts probeerde. Toch was ik nog omgeven door de nachtelijke sfeer van mijn droom. Daardoor konden dag- en nachtsfeer elkaar bevruchten en samen brachten ze een stroom van onverwachte gedachten op gang. Er ontstond een ‘zonne-denken’, een actief denken dat probleemloos doordrong in mijn droom en hem bij wijze van spreken deed open bloeien.
Gaandeweg loste de nachtsfeer echter op en bleef alleen het gewone dagelijkse maan-denken over.
Mijn pas ontwaakte ‘zonne-denken’ begon te sputteren en ik kreeg het steeds moeilijker om nog door te dringen in mijn droom. De deuren tussen dag en nacht sloten zich en ik stond weer buiten, in de gewone dagelijkse werkelijkheid waar dromen bedrog zijn.

Maar ik had genoeg van de binnenkant van mijn droom gezien om te beseffen dat hij géén bedrog was.
En wat ik ook zag, was dat mijn ‘zonne-denken’ nog lang niet helder was. De resultaten ervan waren … rommelig. Het ontbrak nog aan de helderheid van het maan-denken. Dat moest duidelijk nog versterkt worden. Beide ‘gezichten’ van het denken waren nog lang niet harmonisch met elkaar verbonden. Het was slechts een begin, een ontwaken. Het michaëlische denken, het levende zonne-denken, lag nog in de luiers.

(wordt vervolgd)

Kunst en boete

Gisteren naar het ACV geweest;
Ik ben heus niet om ideologische redenen bij die vakbond aangesloten, maar omdat het als werkloze administratief een stuk eenvoudiger is.
In ruil voor je vakbondsbijdrage helpen ze je met je papieren, daar komt het op neer.
Ze doen het natuurlijk niet voor die bijdrage, ze doen het vooral voor die andere bijdrage, de ‘bijdrage’ die ze van de overheid krijgen.
In België – en alleen daar – besteedt de overheid haar werkloosheidsadminstratie uit aan de vakbonden en betaalt deze daarvoor zoveel geld dat het naar verluidt genoeg is om er hun hele werking mee te betalen.
Anders gezegd: de werklozen zijn voor de vakbonden een goudmijn.
Ik had het vroeger al eens gehoord: het ACV is een goed geoliede machine die zwemt in het geld.
En wat ze met dat geld doen, hebben we geleerd uit het ARCO-schandaal, het schandaal waardoor Kris Peeters, de meest ambitieuze aller Vlaamse politici, gedwongen werd het felbegeerde eerste-ministerschap op te offeren, zodat Marianne Thyssen op Europees vlak de brokken kon gaan lijmen (en we zullen maar niet vragen hoé).

Dat is dus in een paar woorden de rijke en machtige instelling waar ik gisteren naartoe fietste om te vragen of ze nog iets konden doen aan de monsterboete die de RVA me had opgelegd omdat ik in Brugge … administratief niet in orde was.
Ik maakte me geen illusies.
Toen de RVA me ‘uitnodigde voor een gesprek’ werd ik daarvan eerst verwittigd door een brief van … de vakbond.
Toen ik in de wachtzaal van de RVA zat te wachten op mijn ‘gesprek’ werd ik opgehaald door iemand van … de vakbond. Alsof hij daar werkte, alsof de vakbond en de RVA twee handen op één buik waren. Dat vond ik vreemd: hoorde de vakbond mij juist niet bij te staan tégen de RVA?
Ik was dan ook niet echt verwonderd toen ik de brief met de beslissing van de RVA ontving en daarna niets meer hoorde van … de vakbond.
Nadat ik me enigszins hersteld had van die uppercut, probeerde ik dagenlang mijn ‘raadsman’ bij het ACV telefonisch te bereiken.
Vergeefs.
Uiteindelijk sprong ik op mijn fiets om persoonlijk op zijn deur te gaan kloppen.
Maar ik voelde de bui al hangen: ik hoefde van de vakbond niks meer te verwachten.
Ze hadden hun geld geïncasseerd en de rest interesseerde hen niet.
Is dat niet precies de rol die ze vandaag spelen in de Belgische politiek?
Als ze straks weer gaan betogen, is dat niet om arbeiders en werknemers te verdedigen, maar om hun eigen macht en rijkdom veilig te stellen.

Ik fietste niet naar Gent omdat ik er iets van verwachtte, ik deed het omdat ik het moest doen.
Ik vertrouwde de vakbond niet, maar ik vertrouwde ook mijn eigen wantrouwen niet.
Ik moest ze de kans geven mijn wantrouwen te ‘beschamen’, want is slecht bouwen op wantrouwen.
Ik was dus gelaten, en de zon leek dat goed te keuren.
Maar langs de Schelde, de weg die me toestaat Gent in relatieve rust te bereiken, kwam ik al meteen een groot bord tegen dat me verwittigde dat deze weg vanaf eind oktober voor onbepaalde tijd afgesloten zou worden.
Het voelde aan alsof me nu ook de toegang tot Gent versperd werd.
Het hield niet op!
Natuurlijk kon ik Gent nog altijd langs de Dendermondesteenweg bereiken, maar ik zou wel twee keer nadenken voor ik die zenuwslopende weg nam.

Ik besloot om te genieten van wat misschien wel mijn ‘laatste keer’ zou zijn.
Toen ik de kleine ring bereikte en de weg overstak tussen de auto’s die stonden te wachten voor het rode licht, werd er luid geclaxonneerd.
Ik schrok me lam.
Nog nooit had iemand hier geclaxonneerd als ik via het zebrapad de weg overstak.
Toegegeven, ik reed misschien een halve meter náást dat zebrapad, maar was dat een reden om zo verontwaardigd te toeteren?
Ik kreeg het gevoel alsof mijn gesprek reeds zijn schaduwen vooruit wierp: het zou gaan om een pietluttige toepassing van regels zonder in het minst rekening te houden met de concrete omstandigheden.
Maar ik was gelaten.
Ik herkende er zelfs mezelf in.
Als autist steun je namelijk heel erg op vaste regels en gebruiken.
Daar mag geen verandering in komen of ik raak helemaal van slag.
Ik herinner me nog dat ik op een keer langs de Dendermondesteenweg fietste en in de verte een tegenligger zag afkomen. Nu zijn er op die plek twee duidelijk van de steenweg afgescheiden fietspaden, één in iedere richting. Er hoorde op ‘mijn’ fietspad dus helemaal geen tegenligger te zijn.
Hoewel hij nog slechts een puntje in de verte was, raakte ik er zo door van slag dat ik van het fietspad sukkelde, in een boog over mijn fiets duikelde en op m’n rug in het gras terechtkwam.
Ik kwam er met de schrik vanaf, maar die schrik was wel heel groot geweest.
De kleinste bruuske beweging doet de spieren in mijn rug namelijk zo verkrampen dat ik het uitschreeuw van de pijn.
Toen ik daar met een plof op mijn rug terechtkwam, was de verkramping zo hevig dat ik niet eens meer kon schreeuwen van de pijn.
Ik kon gewoon niet meer ademhalen, alles was compleet geblokkeerd.
Ik dacht dat m’n einde was gekomen.
Niet meer kunnen ademhalen, geen enkele beweging meer krijgen in je borst en middenrif: het is bangelijk.
En dat dus allemaal omdat iemand niet fietste waar hij volgens de regels hoorde te fietsen …

Het luide getoeter toen ik de weg overstak, was een typisch autistische reactie, al besefte ik dat op het moment zelf nog niet.
Maar het riep in mij wel het vage vermoeden op dat ook het gesprek dat me te wachten stond, wel eens een confrontatie met mijn autistische zelf kon worden.
Dat bleek zo te zijn.
De man die ik dagenlang telefonisch niet had kunnen bereiken, was rechtstreeks heel toegankelijk: ik kon gewoon zijn kantoor binnenwandelen.
Zo zijn autisten: de hele wereld kan gewoon bij hen naar binnen wandelen en dààrom sluiten ze zich zo hermetisch van die wereld af.
Het eerste wat ik voelde toen ik hem zag, was: medelijden.
Buiten was inmiddels de zon doorgebroken, en in Gent heerste een gezellige, kleurrijke drukte.
Er was van alles te zien, je wist niet waar eerst kijken.
Overal opgewekte mensen die op terrasjes zaten of rondflaneerden.
En hier zat die arme man in een kaal kantoor, achter een bureau dat vol lag met papieren, papieren van het soort dat ik van de RVA had ontvangen: papieren die geen rekening hielden met wat voor menselijke overwegingen dan ook.
Wat een leven! dacht ik.
En ik was blij dat ik daar – 30 jaar geleden – aan ontsnapt was en dat ik voor de kunst had gekozen.
Die keuze had m’n leven bepaald niet gemakkelijker gemaakt en ik werd voor de zoveelste keer geconfronteerd met de consequenties ervan, maar ik heb er nooit spijt van gehad: die keuze had m’n leven gered.

Eén van de gevolgen van die levenreddende keuze was dat ik zowat tot de bedelstaf werd veroordeeld.
Op het moment dat ik dit schrijf, valt Visie in de bus, het blaadje van … de vakbond.
In grote letters lees ik op de voorpagina: ‘Alleenstaande heeft 1073 euro nodig om menswaardig te leven.’
Wel, we waren destijds met z’n vijven en we moesten het rooien met heel wat minder.
Dát was de prijs die ik – en niet alleen ik – moest betalen om menswaardig te kunnen leven.
Vandaag moet ik opnieuw een prijs betalen, en opnieuw is het een buitensporige prijs, alleen maar omdat ik … menswaardig wil leven.
Menswaardig leven, dat is voor mij: leven zonder mijn ziel te moeten verkopen, leven zonder de kunst te moeten opgeven.
In feite zijn de 2000 euro die de RVA van mij eist, de prijs van … mijn ziel.
In feite zijn die 2000 euro de prijs van mijn vrijheid.
Moet ik het als een compliment opvatten dat mijn zielevrijheid zo buitensporig hoog getaxeerd wordt?

De vakbondsman kon mij weinig hoop geven, want de RVA had geen tastbare bewijzen waarop ze zich kon baseren.
Het ‘gesprek’ waarvoor de Rijksdienst me had uitgenodigd, was dus helemaal geen gesprek geweest.
Wat ik te vertellen had, speelde geen enkele rol in hun overwegingen, ze wilden alleen bewijzen, papieren, cijfers.
Dat noemden ze dan ‘een gesprek’.
De enige mogelijkheid die me na dat ‘gesprek’ nog overblijft, is de zaak voor de rechtbank brengen.
Op het eerste gezicht is dat ook weer een gesprek: de beklaagde wordt ‘gehoord’ door een onpartijdige instantie.
Als het gerecht inderdaad zou zijn wat dat woord inhoudt, dan zou ik deze mogelijkheid zeker moeten aangrijpen. Een echt gesprek zou duidelijk maken dat het bedrag dat de RVA van me vordert veel te hoog ligt.
Maar wie gelooft sinds het proces Aquino nog dat het in de rechtspraak gaat om een ‘gesprek’?
Het gaat er enkel om regels, om voorschriften, om woorden, om letters, om komma’s.

Ik zei tegen de vakbondsman: als ik nu die 2000 euro betaal, en ik probeer ze volgend jaar terug te verdienen in Brugge, dan riskeer ik nog eens 2000 euro te moeten betalen, want het volstaat dat ik één keer mijn stempelkaart vergeet en ik hang opnieuw.
Hij knikte.
Ja, zo is het, helaas. Als je het gras afrijdt bij je buurman en je hebt je kaart niet bij of je vergeet een vakje zwart te maken, dan riskeer je inderdaad een boete die je de zin doet vergaan om ooit nog iets voor een ander te doen!

Het deed me denken aan Marleen.
Ze had jarenlang in Brugge tegenover Henk gestaan: een frêle vrouw die steevast vergezeld was van haar vriend.
Maar die vriend stak geen vinger uit.
Hij liet Marleen helemaal alleen haar kraam opstellen en weer afbreken.
Terwijl zij sleurde met paraplu’s, tafels en gewichten, zat hij een sigaretje te roken.
De reden voor zijn pooiergedrag lag in het feit dat hij werkloos of gepensioneerd was en een dag inkomen verloor als hij haar (reglementair) hielp.

Tot dat soort stuitende situaties leiden dus al die levenloze regels, voorschriften en wetten.
En er komen er nog steeds bij.
Zij waarborgen de vrijheid van de mens, betogen de Vermassens dezer wereld, maar die gladjanussen zeggen er wel niet bij hoe onmenselijk hoog de prijs wordt die voor de vrijheid wordt betaald.
Criminelen gaan vrijuit en kunstenaars moeten boeten…
Degenen die de vrijheid belichamen, wordt het leven zuur gemaakt.
Degenen die anderen hun vrijheid afnemen, kunnen vrolijk hun gang gaan.
Een mens zou van minder gedeprimeerd raken.

De vakbondsman had duidelijk geen zin of tijd om er nog meer woorden aan te verspillen.
Hij wilde me buiten hebben, en dat wilde ik zelf eigenlijk ook.
Ik was blij dat ik die naargeestige wereld vol papieren en regels kon verlaten en weer deel uitmaken van de zonnige wereld daarbuiten, ook al maakte ik daar slechts in schijn deel van uit.
Met zo’n Damocles-boete boven m’n hoofd kon ik het mij niet permitteren om op een terrasje te gaan zitten, of een ijsje te eten, of iets anders te doen wat bij dit nazomerweer paste.
Ik besefte echter wel dat de ware reden elders lag: ik had geen zin om dat alléén te doen.
Al die jonge mensen op de terrasjes (op mijn leeftijd worden de mensen steeds jonger) zaten daar minstens met z’n tweeën: ze waren in gesprek.
En wat is verkwikkender dan het licht?
Wat is heerlijker dan die zalige herfstzon?
Het gesprek.
Dat miste ik meer dan alles.
Méér dan de kunst nog, dat wil zeggen: meer dan de beeldende kunst, meer dan de schrijvende kunst.
Wat ik het meest mis is de kunst van het gesprek, de tegelijk eenvoudigste en hoogste vorm van kunst.
De mens is in de eerste plaats een sprekend wezen.
Wat hem onderscheid van alle andere levende wezens is het woord.
Dat woord is tegenwoordig gereduceerd tot … woorden, letters, papier.
Het leeft niet meer, het is niet menselijk meer.
Het is … gestorven.
En dat is het diepste gemis, de diepste pijn: het verlangen naar het levende Woord.

Ik wilde naar huis, ik wilde weer verder schrijven en zoeken naar het antwoord op mijn michaëlische vraag: wat moet ik doen?
Wat moet ik doen om mijn vrijheid te bewaren, wat moet ik doen om mijn ziel te redden?
Maar ik kon niet scheiden van het zonnige Gent.
Ik reed over de brug aan de Graslei en passeerde een knappe, slanke, modieus geklede vrouw met lange mooie haren.
De helft van haar schedel bleek … kaalgeschoren.
Vreemde mode! Mensen die er vrijwillig bij lopen als halve kankerpatiënten …
Vrijwillig?
Was dat half kale hoofd niet de prijs die de vrouw betaalde om erbij te horen?
Doen mensen vandaag niet de meest krankzinnige zaken om erbij te horen? En doen ze dat niet omdat ze onbewust voelen dat ze het contact met de wereld aan het verliezen zijn?
Want wat is er vreselijker dan dat?
Wat is er vreselijker dan de afgronddiepe eenzaamheid waarin je terechtkomt als je het contact met de wereld verliest?
Hoeveel geweld is vandaag geen autistisch geweld?

Ik sloeg af naar de Groentenmarkt.
Het was er als altijd een drukte van jewelste, een onaangenaam drukte.
Ik keek naar de plaats waar ik zovele jaren heb zitten tekenen.
Moest ik dat opnieuw doen, zoals sommige mensen me suggereren?
Ik kon het me niet voorstellen: de drukte zou me vermorzelen.

Ik reed de Hoogstraat in.
Ze lag half opgebroken, zoals half Gent trouwens.
Dat is wat mensen doen als ze niet meer weten wat doen: ze beginnen alles weer af te breken.
Ik stak de Belfortstraat over en passeerde het conservatorium.
Er klinkt daar altijd muziek uit de vensters: studenten die op een instrument aan het oefenen zijn.
Ik keek omhoog en zag de kantelen boven op dat donkere, oeroude gebouw – het moet een van de oudste van Gent zijn. Ze deden me denken aan een droom die me al de hele week bezighoudt.
In een opwelling maakte ik rechtsomkeer en sloeg het smalle straatje in dat naar Sint Baafs leidt.
De kathedraal staat helemaal in de steigers: ze wordt gerestaureerd door een firma die Artes heet.
Ook het Lam Gods – de kostbaarste inhoud van de kerk – wordt gerestaureerd.
Ik durf niet te denken aan het resultaat.
Toen ze destijds de Sint Romboutskathedraal in Mechelen restaureerden, was het resultaat een halve ramp.
Dat ze Sint Baafs vermassacreren, kan me niet veel schelen. Maar als ze dat ook nog eens met het Lam Gods doen, dát zou ik verschrikkelijk vinden.
Het zou trouwens niet de eerste keer zijn dat een schilderij van Van Eyck sneuvelt bij een restauratie.
Onheilspellend vind ik alvast dat die restauratie plaatsvindt in het Museum voor Schone Kunsten.
Dat ligt tegenwoordig namelijk aan het … Jan Hoetplein.
Die naamsverandering is een officiële bevestiging van wat al jaren duidelijk is: de geest van het SMAK is overgeslagen naar het MSK, hetzelfde MSK waar nu het Lam Gods zich bevindt.
Anders gezegd: de geest van de ‘oude’ kunst is helemaal overgeleverd aan de ‘hedendaagse’ geest.
Als dat maar goed afloopt …

Ik keek zoekend om me heen: ik had niets verloren op het Sint Baafsplein.
Rechts die volledig ingepakte kathedraaltoren, links een enorme vorklift: iemand was de ramen van het NTG donkergroen aan het schilderen.
Achter me: Standaard Boekhandel.
Aha!
Dat was al lang geleden!
Had ik trouwens niet ergens gelezen dat Standaard Boekhandel de boeken van Judith von Halle verdeelt?
Eens kijken.
Ik maakte m’n fiets vast en stapte binnen.
Bij de top-10 stand sloeg ik een willekeurig boek open en las:

Misschien zijn alle draken in ons leven
wel prinsessen die in angst en beven
wachten tot we, mooi en moedig, ontwaken.
Misschien is alles wat er aan verschrikking leeft,
in zijn diepste wezen niets anders
dan iets dat onze liefde nodig heeft.

(Rainer Maria Rilke)

Als dat geen schot in de roos was!

Ik keek verder en zag ‘Het boek der Antwoorden’ liggen.
Eens kijken, dacht ik, en sloeg het open.
Let op de details, las ik.
Was dat niet ook wat Rudolf Steiner zei over karmaonderzoek?
Juist kleine, ogenschijnlijke onbenulligheden vormen vaak de sleutel tot iemands karma.
Van kleine onbenulligheden gesproken: op onze ijskast zit een magneetje met daarin een verkleining van een schilderij van me, voorstellende het belfort van Brugge.
Tja, wat doet een mens allemaal niet als hij op de markt gaat staan!
Het is overigens bij die ene magneet gebleven, wegens te duur.
Hij hangt al een half jaar aan de ijskast, maar gisteren is hij er twee keer na elkaar afgekletterd, en wel op zo’n manier dat ik dacht: wat heeft dát te betekenen?
Nee, aan oog voor detail ontbreekt het me niet.
Of moet ik nog beter opletten?

Ik liep verder.
Wat zag ik daar? Kleurboeken voor … volwassenen!
Je mocht, zo las ik, ook buiten de lijntjes kleuren.
Je mocht er zelfs enkele ongekleurd laten!
Als kind komt dat natuurlijk niet in je op.
Daar moet je oud en wijs voor geworden zijn.

Wat voor heerlijke nieuwe dingen vielen er nog te bewonderen in Standaard Boekhandel?
Een e-reader voor 99 euro.
Interesseert me niet.
Ik heb te weinig tijd om te lezen. Dat heb ik in de eerste helft van m’n leven genoeg gedaan. Nu zit ik in de schrijf-helft.
Bovendien kan ik niet met potlood onderstrepen in zo’n e-reader.
Nee, ik ben een papier-man.
Verdorie, wat heb ik hierboven alweer gezegd over de ‘papieren wereld’?
I have clearly some thinking to do.

Tijd om naar huis te gaan.
Maar wat zie ik daar liggen?
Schoenaerts, het boek van Stan Laureyssens!
Las ik gisteren niet in de krant dat Matthias Schoenaerts een kortgeding aanspant tegen dit boek?
Betere reclame kun je niet maken voor een boek en dus sla ik het open.
Het begint met een tafereeltje van het genre ‘het leven zoals het is’.
Julien Schoenaerts komt het kantoor van de Burgerlijke Stand binnen in de Antwerpse Lange Nieuwstraat.
Een loketbediende grijpt ijlings de telefoon en draait een nummer op ’t Schoon Verdiep.
Madam de schepen, hij is er weer!
Wié is er weer?
Awel, die ouwe viezerik!
Welke viezerik?
Wel, die acteur met zijn lange jas! Iedere keer dat er een jonge moeder binnenkomt, spreidt hij zijn armen en staat hij daar met zijn … euh, ge weet wel, met heel zijn spel bloot!
De Julien? Julien Schoenaerts?
Ja die!
Zeg dat ’t niet waar is!
Wat moet ik doen, madam?
Niks, niks, we brengen dat wel in orde!

Van een ‘opener’ gesproken!
Het boekje lag prettig in de hand en ik besloot het te kopen.
Ik heb namelijk nog een eitje te pellen met Julien Schoenaerts, of beter: met zijn bewonderaars.
Is ’t voor een cadeautje, meneer?
Nee, ’t is voor mezelf, antwoord ik.
Dat is dan 19,95 euro!
Zou ’t minder zijn als ’t voor een cadeautje was? vraag ik.
Neenee, lacht de verkoopster, ik zou het dan nog niet in een zakje gestoken hebben!
Verdorie, het ging allemaal zo vlug en professioneel dat ik niet de tijd had om te protesteren tegen dat zoveelste overbodige plastic zakje.
Ik ben daar gevoelig voor geworden.
Deze wereld verzuipt in plastic.
Je kunt dan nog beter in papier verzuipen, dat brandt tenminste nog.
Maar de verkoopster had het zakje al vol reclame gestoken en ik zag ertegen op om haar dat er weer allemaal uit te laten halen. Er zijn grenzen aan mijn ecologisch bewustzijn.
Dus liet ik het maar zo.

Ik stak die onnozele 5 cent in mijn zak – waar zijn die negertjes met hun knikkende kopje gebleven? – en reed naar huis, benieuwd naar de avonturen van vieze Julien.
Je bent karma-onderzoeker of je bent het niet!
Maar daarover volgende keer meer.
Dan kennen we misschien ook de uitspraak van de rechter.
Als ik een suggestie mag doen: 2000 euro boete voor Stan.
Had hij maar geen boek moeten schrijven!
Altijd kweddelen met die artiesten!