Michaëlische arbeid

door lievendebrouwere

Anna verkeerde verleden week in grote opwinding want ze zou als prinses fungeren tijdens de Michaëlviering in haar kleuterklas.
Het feest bestond voor haar niet zozeer in het bevrijd worden van de draak dan wel in het dragen van prinsessekleren.
Daar liep ze de hele dag in rond, pirouettes draaiend en zichzelf bekijkend in alles wat spiegelde.
Later zag ik op Facebook foto’s van de Michaëlviering in haar school, het steinerschooltje van Munte.
De strijd met de draak werd door de oudere kinderen in het bos gestreden.
Het deed me denken aan de Engelse uitdrukking ‘in the woods’.
Dat betekent: in de problemen zitten.
‘Out of the woods’ betekent dan weer dat de problemen opgelost zijn.
Het lijkt me een echte Michaëluitdrukking.
Eén ding is zeker: een prinses hoort niet thuis in het bos.
Als ze zich ‘in the woods’ bevindt, zit ze in de klauwen van de draak en moet ze bevrijd worden door de ridder op het witte paard.

Het zijn kinderlijke beelden van de Michaëlische strijd tegen het kwaad.
Maar hoe zit het met de volwassen beelden?
Die zijn er eigenlijk niet.
We hebben weliswaar beelden van een aartsengel met een weegschaal en van een geharnaste ridder met een speer, maar die dateren nog uit de Middeleeuwen, uit een tijd die in onze ogen nog kinderlijk is.
Ons moderne bewustzijn heeft geen beelden van Michaël.
Als we ons de aartsengel proberen voor te stellen, blijft het beeld leeg.
Antroposofen hebben wel enige noties van Michaël, maar die zijn allemaal zeer abstract. Ze leven niet, ze spreken niet.

Nochtans is Michaël de leidende en inspirerende geest van de antroposofie.
Aan het eind van zijn leven plaatste Rudolf Steiner de antroposofie nadrukkelijk in het teken van Michaël: antroposofen horen Michaëlieten te zijn, volgelingen van Michaël, strijders tegen de draak.
Er moest volgens hem een nieuwe wind door de antroposofie waaien, de wind van de Michaëlische geestdrift.
En die wind moest vanuit het hart waaien.
Daar drukte Steiner na de Weihnachtstagung steeds weer op: de antroposofie moet vanuit het hart komen en tot het hart spreken.
Dat was de Grote Vernieuwing die hij tijdens de kerstbijeenkomst van 1923 doorgevoerd had en die hij in een beeld had gegoten: de Grondsteen die in het hart van de antroposofen werd gelegd.

Die Grondsteen is een spreuk, een kernachtige samenvatting van de antroposofie, een verzameling grootse maar zeer abstracte begrippen.
De grondsteenspreuk is als het ware het ‘stenen hoofd’ van de antroposofie, een steen der wijsheid.
En die steen werd tijdens de Weihnachtstagung in het hart van de antroposofen gelegd, als een zaadje in de grond.
In die ‘hartegrond’ moet het zaadje ontkiemen tot Michaëlische geestdrift.
En die geestdrift moet op een wit paard zitten, dat wil zeggen: ze moet onzelfzuchtig zijn. Het mag geen luciferische geestdrift zijn, de geestdrift van het rode bloed dat kolkt in het hart.
Michaëlische geestdrift ontstaat uit het huwelijk van hoofd en hart, van begrip en beeld, van prins en prinses, van ridder en maagd.

Dat zijn nog altijd vrij kinderlijke beelden.
Ze zijn al niet meer zo abstract als zuiver antroposofische begrippen, maar ze zijn nog lang niet zo concreet dat we ze werkelijk herkennen en erdoor aangesproken worden.
Het zaadje is al aan het ontkiemen, maar het is nog niet boven de grond gekomen.
Alles speelt zich nog af in de baarmoeder van de aarde, in de donkere gevoelswereld van het hart.
Het Michaëlische plantje is nog niet zichtbaar voor de buitenwereld.

Vóór de Weihnachtstagung was de antroposofie een hoofd-aangelegenheid: het vormen van een zaadje, van een moderne steen der wijzen.
Na de Weihnachtstagung werd de antroposofie een hartsaangelegenheid: het zaadje werd gezaaid, de steen der wijzen werd beschikbaar voor iedereen.
Dat was niets minder dan een revolutie, een totale omkering.
De eersten die dat begrepen, waren de tegenmachten: ze reageerden furieus.
En ze reageerden niet alleen tegen de antroposofen, want ze begrepen heel goed dat de antroposofie sinds de Weihnachtstagung een mensheidsaangelegenheid was geworden.
Ze ontketenden hun duivels zowel in als buiten de antroposofische vereniging.
De gevolgen van die demonische uitbarsting werken door tot op de huidige dag.
De moderne mensheid is als verdoofd door de enorme uppercut die ze heeft gekregen.
En ze krijgt nauwelijks de kans om haar tegenwoordigheid van geest te herwinnen, want het blijft slagen regenen.
Een en ander heeft tot gevolg dat de mensheid weer in haar schulp kruipt: ze grijpt terug naar oude, achterhaalde concepten.
Dat zien we ook in de antroposofie: in plaats van zich open te stellen voor de wereld plooit ze terug op zichzelf, ze keert terug naar de zaadvorm van vóór de Weihnachtstagung.
Een sprekend voorbeeld daarvan is de pas gestorven Sergej Prokofieff.
De man heeft prachtig werk geleverd, daar kan geen discussie over bestaan.
Maar al dat werk speelde zich af binnen de gesloten grenzen van de antroposofische vereniging. In de duizenden diepzinnige bladzijden die hij heeft geschreven, wordt nauwelijks met een woord gerept over de ‘buitenwereld’. De mensen die in die buitenwereld leven, kunnen met zijn boeken niks aanvangen, ze zijn geschreven in een vreemde, onbegrijpelijke taal die alleen de insiders begrijpen.

Prokofieff heeft veel geschreven over de Weihnachtstagung, maar hij beschreef ze vanuit het hoofd, vanuit de ‘stenen’ antroposofische wijsheid.
De grootste kracht van die wijsheid is haar kristallen helderheid.
De grootste zwakheid is haar levenloosheid.
Daarom blijft deze wijsheid ook niet in het geheugen hangen, in het ‘levenslichaam’.
Dat is de tragiek van de moderne antroposofie: ze beklijft niet.
De wereld neemt er kennis van, maar vergeet ze weer.
Ze wordt niet herkend.
En dat is wederzijds.
Ook de antroposofie herkent de wereld niet.

Ik heb dat altijd als bijzonder pijnlijk ervaren.
Het heeft me ook belet om deel uit te maken van de antroposofische vereniging.
Ik weiger mij op te sluiten in die harde zaadvorm.
Ik ervaar hem als verstikkend, als niet van deze tijd.
Het is nog altijd de wereld van vóór de Weihnachtstagung: de dualistische, querulante, in zichzelf opgesloten antroposofische wereld.
Het is een wereld die het zo druk heeft met haar eigen problemen dat ze geen tijd heeft om zich bezig te houden met de buitenwereld.
Het is een wereld waarin figuren als Joseph Beuys de status van model-antroposoof kunnen bereiken.

Ik verafschuw die wereld uit de grond van mijn hart.
Maar ik ben niet zo dom om hem niet in mezelf te herkennen.
Als autist weet ik wat het is om afgesloten te zijn van de buitenwereld, om helemaal in jezelf opgesloten te zitten, gevangen in je eigen problemen.
Ik hoed er mij dus voor om oordelen uit te spreken.
In plaats daarvan probeer ik te doen wat volgens mij moet gebeuren om uit die oude, autistische zaadvorm van vóór de Weihnachtstagung te breken: contact maken met het hart, met de open lucht, met de buitenwereld, met ‘de vijand’.
Ik probeer de wijsheid van de antroposofie niet op te leggen aan de wereld.
Ik kan ze niet eens opleggen aan mezelf.
Ik probeer net het tegenovergestelde: ik probeer de wijsheid van de antroposofie te ontdekken in de wereld.
Want sinds de Weihnachtstagung is ze daarin uitgestroomd.
Het antroposofische zaadje is ontkiemd.
Wie zich aan dat zaadje blijft vastklampen, houdt in toenemende mate een lege vorm over.
Hij raakt de antroposofie kwijt, want ze manifesteert zich steeds meer in de harten van de mensen, in de buitenwereld, in het moderne leven.
Maar ze wordt daar niet herkend, want degenen die dat zouden kunnen – de antroposofen – houden de blik op zichzelf gericht, op de oude antroposofie, de antroposofie van vóór de Weihnachtstagung.
Nog eens, dat is geen oordeel of verwijt, het is een vaststelling.
De oude, op zichzelf gerichte antroposofie was (en is nog altijd) een noodzakelijke fase.
Maar het is tijd voor een volgende fase, voor een nieuwe antroposofie die de blik naar buiten richt.
Die nieuwe antroposofie vervangt de oude niet, ze wordt eruit geboren.
Het hoofd moet niet de plaats ruimen voor het hart, evenmin als de moeder de plaats moet ruimen voor haar kind.
Beiden moeten een nieuwe relatie aangaan.
Beiden moeten een metamorfose ondergaan.

De antroposofie is in de eerste plaats een aangelegenheid van het denken.
Ze doet zich aan ons voor als een verzameling boeken, voordrachten, wijsheid.
Die wijsheid is droog en taai, en we moeten er lang op kauwen.
We moeten leren denken zoals we nog nooit gedacht hebben.
Maar de motor van dat denken, datgene wat ons doet nadenken, ligt in ons hart.
Antroposoof wordt men niet doordat men nadenkt, antroposoof wordt men doordat men gevolg geeft aan de stem van het hart dat de antroposofie op de een of andere (kinderlijke) manier herkent.
Antroposofie is in oorsprong een hartsaangelegenheid.
Maar daar zijn we ons nauwelijks van bewust.
Bovendien raakt dat bewustzijn ook nog eens ondergesneeuwd door onze verwoede pogingen om de antroposofie te begrijpen: we worden denkers die vergeten waarom ze zijn beginnen denken.
We worden denkers die de denker vergeten.
En die denker is het hart, niet het hoofd.
Het hoofd is slechts het instrument van het denken.

En dat is waar we ons (opnieuw) bewust van worden als we de stap van de Weihnachtstagung zetten, de stap van de Oude naar de Nieuwe Mysteriën: het hoofd is slechts de dienstknecht van het denkende hart.
Dat inzicht vertaalt zich in een ware omwenteling in onze ziel, want ons moderne hoofd is allesbehalve een dienstknecht.
Het is in handen van Ahriman en die waant zich de Meester van het Universum.
Ons ahrimanische, intellectualistische hoofd legt ons hart onbarmhartig het zwijgen op.
Het reduceert ons gevoelsleven tot een Assepoester die in de kelder leeft en die gedwongen is naar zijn pijpen te dansen.
’s Avonds, als niemand het ziet, daalt hij naar de kelder af en verkracht de dienstmaagd.
Dat noemt hij dan ‘liefde’ of ‘passie’.
De bastaardkinderen die eruit voortkomen, noemt hij kunst en iedereen wordt gedwongen ze te bewonderen.
Ons arme, misbruikte Assepoesterhart weet niet beter of het hoort zo.

Doordringen tot de kern van de antroposofie betekent dus: de zaken op hun kop zetten.
Of beter: ze weer op de juiste plaats zetten.
Het betekent: hoofd en hart van plaats verwisselen.
Maar die omkering dient uit vrije wil te gebeuren, uit inzicht, uit liefde.
Hoofd en hart moeten elkaar herkennen.
En uit die wederzijdse herkenning wordt een kind geboren: een hart dat de kwaliteiten van een hoofd heeft, een denkend hart, een ziend hart, een onzelfzuchtig hart.
Maar de geboorte van dat nieuwe hart is, zoals iedere geboorte, moeilijk en pijnlijk.
Het is arbeid.
Michaëlische arbeid.