Kunst en boete

door lievendebrouwere

Gisteren naar het ACV geweest;
Ik ben heus niet om ideologische redenen bij die vakbond aangesloten, maar omdat het als werkloze administratief een stuk eenvoudiger is.
In ruil voor je vakbondsbijdrage helpen ze je met je papieren, daar komt het op neer.
Ze doen het natuurlijk niet voor die bijdrage, ze doen het vooral voor die andere bijdrage, de ‘bijdrage’ die ze van de overheid krijgen.
In België – en alleen daar – besteedt de overheid haar werkloosheidsadminstratie uit aan de vakbonden en betaalt deze daarvoor zoveel geld dat het naar verluidt genoeg is om er hun hele werking mee te betalen.
Anders gezegd: de werklozen zijn voor de vakbonden een goudmijn.
Ik had het vroeger al eens gehoord: het ACV is een goed geoliede machine die zwemt in het geld.
En wat ze met dat geld doen, hebben we geleerd uit het ARCO-schandaal, het schandaal waardoor Kris Peeters, de meest ambitieuze aller Vlaamse politici, gedwongen werd het felbegeerde eerste-ministerschap op te offeren, zodat Marianne Thyssen op Europees vlak de brokken kon gaan lijmen (en we zullen maar niet vragen hoé).

Dat is dus in een paar woorden de rijke en machtige instelling waar ik gisteren naartoe fietste om te vragen of ze nog iets konden doen aan de monsterboete die de RVA me had opgelegd omdat ik in Brugge … administratief niet in orde was.
Ik maakte me geen illusies.
Toen de RVA me ‘uitnodigde voor een gesprek’ werd ik daarvan eerst verwittigd door een brief van … de vakbond.
Toen ik in de wachtzaal van de RVA zat te wachten op mijn ‘gesprek’ werd ik opgehaald door iemand van … de vakbond. Alsof hij daar werkte, alsof de vakbond en de RVA twee handen op één buik waren. Dat vond ik vreemd: hoorde de vakbond mij juist niet bij te staan tégen de RVA?
Ik was dan ook niet echt verwonderd toen ik de brief met de beslissing van de RVA ontving en daarna niets meer hoorde van … de vakbond.
Nadat ik me enigszins hersteld had van die uppercut, probeerde ik dagenlang mijn ‘raadsman’ bij het ACV telefonisch te bereiken.
Vergeefs.
Uiteindelijk sprong ik op mijn fiets om persoonlijk op zijn deur te gaan kloppen.
Maar ik voelde de bui al hangen: ik hoefde van de vakbond niks meer te verwachten.
Ze hadden hun geld geïncasseerd en de rest interesseerde hen niet.
Is dat niet precies de rol die ze vandaag spelen in de Belgische politiek?
Als ze straks weer gaan betogen, is dat niet om arbeiders en werknemers te verdedigen, maar om hun eigen macht en rijkdom veilig te stellen.

Ik fietste niet naar Gent omdat ik er iets van verwachtte, ik deed het omdat ik het moest doen.
Ik vertrouwde de vakbond niet, maar ik vertrouwde ook mijn eigen wantrouwen niet.
Ik moest ze de kans geven mijn wantrouwen te ‘beschamen’, want is slecht bouwen op wantrouwen.
Ik was dus gelaten, en de zon leek dat goed te keuren.
Maar langs de Schelde, de weg die me toestaat Gent in relatieve rust te bereiken, kwam ik al meteen een groot bord tegen dat me verwittigde dat deze weg vanaf eind oktober voor onbepaalde tijd afgesloten zou worden.
Het voelde aan alsof me nu ook de toegang tot Gent versperd werd.
Het hield niet op!
Natuurlijk kon ik Gent nog altijd langs de Dendermondesteenweg bereiken, maar ik zou wel twee keer nadenken voor ik die zenuwslopende weg nam.

Ik besloot om te genieten van wat misschien wel mijn ‘laatste keer’ zou zijn.
Toen ik de kleine ring bereikte en de weg overstak tussen de auto’s die stonden te wachten voor het rode licht, werd er luid geclaxonneerd.
Ik schrok me lam.
Nog nooit had iemand hier geclaxonneerd als ik via het zebrapad de weg overstak.
Toegegeven, ik reed misschien een halve meter náást dat zebrapad, maar was dat een reden om zo verontwaardigd te toeteren?
Ik kreeg het gevoel alsof mijn gesprek reeds zijn schaduwen vooruit wierp: het zou gaan om een pietluttige toepassing van regels zonder in het minst rekening te houden met de concrete omstandigheden.
Maar ik was gelaten.
Ik herkende er zelfs mezelf in.
Als autist steun je namelijk heel erg op vaste regels en gebruiken.
Daar mag geen verandering in komen of ik raak helemaal van slag.
Ik herinner me nog dat ik op een keer langs de Dendermondesteenweg fietste en in de verte een tegenligger zag afkomen. Nu zijn er op die plek twee duidelijk van de steenweg afgescheiden fietspaden, één in iedere richting. Er hoorde op ‘mijn’ fietspad dus helemaal geen tegenligger te zijn.
Hoewel hij nog slechts een puntje in de verte was, raakte ik er zo door van slag dat ik van het fietspad sukkelde, in een boog over mijn fiets duikelde en op m’n rug in het gras terechtkwam.
Ik kwam er met de schrik vanaf, maar die schrik was wel heel groot geweest.
De kleinste bruuske beweging doet de spieren in mijn rug namelijk zo verkrampen dat ik het uitschreeuw van de pijn.
Toen ik daar met een plof op mijn rug terechtkwam, was de verkramping zo hevig dat ik niet eens meer kon schreeuwen van de pijn.
Ik kon gewoon niet meer ademhalen, alles was compleet geblokkeerd.
Ik dacht dat m’n einde was gekomen.
Niet meer kunnen ademhalen, geen enkele beweging meer krijgen in je borst en middenrif: het is bangelijk.
En dat dus allemaal omdat iemand niet fietste waar hij volgens de regels hoorde te fietsen …

Het luide getoeter toen ik de weg overstak, was een typisch autistische reactie, al besefte ik dat op het moment zelf nog niet.
Maar het riep in mij wel het vage vermoeden op dat ook het gesprek dat me te wachten stond, wel eens een confrontatie met mijn autistische zelf kon worden.
Dat bleek zo te zijn.
De man die ik dagenlang telefonisch niet had kunnen bereiken, was rechtstreeks heel toegankelijk: ik kon gewoon zijn kantoor binnenwandelen.
Zo zijn autisten: de hele wereld kan gewoon bij hen naar binnen wandelen en dààrom sluiten ze zich zo hermetisch van die wereld af.
Het eerste wat ik voelde toen ik hem zag, was: medelijden.
Buiten was inmiddels de zon doorgebroken, en in Gent heerste een gezellige, kleurrijke drukte.
Er was van alles te zien, je wist niet waar eerst kijken.
Overal opgewekte mensen die op terrasjes zaten of rondflaneerden.
En hier zat die arme man in een kaal kantoor, achter een bureau dat vol lag met papieren, papieren van het soort dat ik van de RVA had ontvangen: papieren die geen rekening hielden met wat voor menselijke overwegingen dan ook.
Wat een leven! dacht ik.
En ik was blij dat ik daar – 30 jaar geleden – aan ontsnapt was en dat ik voor de kunst had gekozen.
Die keuze had m’n leven bepaald niet gemakkelijker gemaakt en ik werd voor de zoveelste keer geconfronteerd met de consequenties ervan, maar ik heb er nooit spijt van gehad: die keuze had m’n leven gered.

Eén van de gevolgen van die levenreddende keuze was dat ik zowat tot de bedelstaf werd veroordeeld.
Op het moment dat ik dit schrijf, valt Visie in de bus, het blaadje van … de vakbond.
In grote letters lees ik op de voorpagina: ‘Alleenstaande heeft 1073 euro nodig om menswaardig te leven.’
Wel, we waren destijds met z’n vijven en we moesten het rooien met heel wat minder.
Dát was de prijs die ik – en niet alleen ik – moest betalen om menswaardig te kunnen leven.
Vandaag moet ik opnieuw een prijs betalen, en opnieuw is het een buitensporige prijs, alleen maar omdat ik … menswaardig wil leven.
Menswaardig leven, dat is voor mij: leven zonder mijn ziel te moeten verkopen, leven zonder de kunst te moeten opgeven.
In feite zijn de 2000 euro die de RVA van mij eist, de prijs van … mijn ziel.
In feite zijn die 2000 euro de prijs van mijn vrijheid.
Moet ik het als een compliment opvatten dat mijn zielevrijheid zo buitensporig hoog getaxeerd wordt?

De vakbondsman kon mij weinig hoop geven, want de RVA had geen tastbare bewijzen waarop ze zich kon baseren.
Het ‘gesprek’ waarvoor de Rijksdienst me had uitgenodigd, was dus helemaal geen gesprek geweest.
Wat ik te vertellen had, speelde geen enkele rol in hun overwegingen, ze wilden alleen bewijzen, papieren, cijfers.
Dat noemden ze dan ‘een gesprek’.
De enige mogelijkheid die me na dat ‘gesprek’ nog overblijft, is de zaak voor de rechtbank brengen.
Op het eerste gezicht is dat ook weer een gesprek: de beklaagde wordt ‘gehoord’ door een onpartijdige instantie.
Als het gerecht inderdaad zou zijn wat dat woord inhoudt, dan zou ik deze mogelijkheid zeker moeten aangrijpen. Een echt gesprek zou duidelijk maken dat het bedrag dat de RVA van me vordert veel te hoog ligt.
Maar wie gelooft sinds het proces Aquino nog dat het in de rechtspraak gaat om een ‘gesprek’?
Het gaat er enkel om regels, om voorschriften, om woorden, om letters, om komma’s.

Ik zei tegen de vakbondsman: als ik nu die 2000 euro betaal, en ik probeer ze volgend jaar terug te verdienen in Brugge, dan riskeer ik nog eens 2000 euro te moeten betalen, want het volstaat dat ik één keer mijn stempelkaart vergeet en ik hang opnieuw.
Hij knikte.
Ja, zo is het, helaas. Als je het gras afrijdt bij je buurman en je hebt je kaart niet bij of je vergeet een vakje zwart te maken, dan riskeer je inderdaad een boete die je de zin doet vergaan om ooit nog iets voor een ander te doen!

Het deed me denken aan Marleen.
Ze had jarenlang in Brugge tegenover Henk gestaan: een frêle vrouw die steevast vergezeld was van haar vriend.
Maar die vriend stak geen vinger uit.
Hij liet Marleen helemaal alleen haar kraam opstellen en weer afbreken.
Terwijl zij sleurde met paraplu’s, tafels en gewichten, zat hij een sigaretje te roken.
De reden voor zijn pooiergedrag lag in het feit dat hij werkloos of gepensioneerd was en een dag inkomen verloor als hij haar (reglementair) hielp.

Tot dat soort stuitende situaties leiden dus al die levenloze regels, voorschriften en wetten.
En er komen er nog steeds bij.
Zij waarborgen de vrijheid van de mens, betogen de Vermassens dezer wereld, maar die gladjanussen zeggen er wel niet bij hoe onmenselijk hoog de prijs wordt die voor de vrijheid wordt betaald.
Criminelen gaan vrijuit en kunstenaars moeten boeten…
Degenen die de vrijheid belichamen, wordt het leven zuur gemaakt.
Degenen die anderen hun vrijheid afnemen, kunnen vrolijk hun gang gaan.
Een mens zou van minder gedeprimeerd raken.

De vakbondsman had duidelijk geen zin of tijd om er nog meer woorden aan te verspillen.
Hij wilde me buiten hebben, en dat wilde ik zelf eigenlijk ook.
Ik was blij dat ik die naargeestige wereld vol papieren en regels kon verlaten en weer deel uitmaken van de zonnige wereld daarbuiten, ook al maakte ik daar slechts in schijn deel van uit.
Met zo’n Damocles-boete boven m’n hoofd kon ik het mij niet permitteren om op een terrasje te gaan zitten, of een ijsje te eten, of iets anders te doen wat bij dit nazomerweer paste.
Ik besefte echter wel dat de ware reden elders lag: ik had geen zin om dat alléén te doen.
Al die jonge mensen op de terrasjes (op mijn leeftijd worden de mensen steeds jonger) zaten daar minstens met z’n tweeën: ze waren in gesprek.
En wat is verkwikkender dan het licht?
Wat is heerlijker dan die zalige herfstzon?
Het gesprek.
Dat miste ik meer dan alles.
Méér dan de kunst nog, dat wil zeggen: meer dan de beeldende kunst, meer dan de schrijvende kunst.
Wat ik het meest mis is de kunst van het gesprek, de tegelijk eenvoudigste en hoogste vorm van kunst.
De mens is in de eerste plaats een sprekend wezen.
Wat hem onderscheid van alle andere levende wezens is het woord.
Dat woord is tegenwoordig gereduceerd tot … woorden, letters, papier.
Het leeft niet meer, het is niet menselijk meer.
Het is … gestorven.
En dat is het diepste gemis, de diepste pijn: het verlangen naar het levende Woord.

Ik wilde naar huis, ik wilde weer verder schrijven en zoeken naar het antwoord op mijn michaëlische vraag: wat moet ik doen?
Wat moet ik doen om mijn vrijheid te bewaren, wat moet ik doen om mijn ziel te redden?
Maar ik kon niet scheiden van het zonnige Gent.
Ik reed over de brug aan de Graslei en passeerde een knappe, slanke, modieus geklede vrouw met lange mooie haren.
De helft van haar schedel bleek … kaalgeschoren.
Vreemde mode! Mensen die er vrijwillig bij lopen als halve kankerpatiënten …
Vrijwillig?
Was dat half kale hoofd niet de prijs die de vrouw betaalde om erbij te horen?
Doen mensen vandaag niet de meest krankzinnige zaken om erbij te horen? En doen ze dat niet omdat ze onbewust voelen dat ze het contact met de wereld aan het verliezen zijn?
Want wat is er vreselijker dan dat?
Wat is er vreselijker dan de afgronddiepe eenzaamheid waarin je terechtkomt als je het contact met de wereld verliest?
Hoeveel geweld is vandaag geen autistisch geweld?

Ik sloeg af naar de Groentenmarkt.
Het was er als altijd een drukte van jewelste, een onaangenaam drukte.
Ik keek naar de plaats waar ik zovele jaren heb zitten tekenen.
Moest ik dat opnieuw doen, zoals sommige mensen me suggereren?
Ik kon het me niet voorstellen: de drukte zou me vermorzelen.

Ik reed de Hoogstraat in.
Ze lag half opgebroken, zoals half Gent trouwens.
Dat is wat mensen doen als ze niet meer weten wat doen: ze beginnen alles weer af te breken.
Ik stak de Belfortstraat over en passeerde het conservatorium.
Er klinkt daar altijd muziek uit de vensters: studenten die op een instrument aan het oefenen zijn.
Ik keek omhoog en zag de kantelen boven op dat donkere, oeroude gebouw – het moet een van de oudste van Gent zijn. Ze deden me denken aan een droom die me al de hele week bezighoudt.
In een opwelling maakte ik rechtsomkeer en sloeg het smalle straatje in dat naar Sint Baafs leidt.
De kathedraal staat helemaal in de steigers: ze wordt gerestaureerd door een firma die Artes heet.
Ook het Lam Gods – de kostbaarste inhoud van de kerk – wordt gerestaureerd.
Ik durf niet te denken aan het resultaat.
Toen ze destijds de Sint Romboutskathedraal in Mechelen restaureerden, was het resultaat een halve ramp.
Dat ze Sint Baafs vermassacreren, kan me niet veel schelen. Maar als ze dat ook nog eens met het Lam Gods doen, dát zou ik verschrikkelijk vinden.
Het zou trouwens niet de eerste keer zijn dat een schilderij van Van Eyck sneuvelt bij een restauratie.
Onheilspellend vind ik alvast dat die restauratie plaatsvindt in het Museum voor Schone Kunsten.
Dat ligt tegenwoordig namelijk aan het … Jan Hoetplein.
Die naamsverandering is een officiële bevestiging van wat al jaren duidelijk is: de geest van het SMAK is overgeslagen naar het MSK, hetzelfde MSK waar nu het Lam Gods zich bevindt.
Anders gezegd: de geest van de ‘oude’ kunst is helemaal overgeleverd aan de ‘hedendaagse’ geest.
Als dat maar goed afloopt …

Ik keek zoekend om me heen: ik had niets verloren op het Sint Baafsplein.
Rechts die volledig ingepakte kathedraaltoren, links een enorme vorklift: iemand was de ramen van het NTG donkergroen aan het schilderen.
Achter me: Standaard Boekhandel.
Aha!
Dat was al lang geleden!
Had ik trouwens niet ergens gelezen dat Standaard Boekhandel de boeken van Judith von Halle verdeelt?
Eens kijken.
Ik maakte m’n fiets vast en stapte binnen.
Bij de top-10 stand sloeg ik een willekeurig boek open en las:

Misschien zijn alle draken in ons leven
wel prinsessen die in angst en beven
wachten tot we, mooi en moedig, ontwaken.
Misschien is alles wat er aan verschrikking leeft,
in zijn diepste wezen niets anders
dan iets dat onze liefde nodig heeft.

(Rainer Maria Rilke)

Als dat geen schot in de roos was!

Ik keek verder en zag ‘Het boek der Antwoorden’ liggen.
Eens kijken, dacht ik, en sloeg het open.
Let op de details, las ik.
Was dat niet ook wat Rudolf Steiner zei over karmaonderzoek?
Juist kleine, ogenschijnlijke onbenulligheden vormen vaak de sleutel tot iemands karma.
Van kleine onbenulligheden gesproken: op onze ijskast zit een magneetje met daarin een verkleining van een schilderij van me, voorstellende het belfort van Brugge.
Tja, wat doet een mens allemaal niet als hij op de markt gaat staan!
Het is overigens bij die ene magneet gebleven, wegens te duur.
Hij hangt al een half jaar aan de ijskast, maar gisteren is hij er twee keer na elkaar afgekletterd, en wel op zo’n manier dat ik dacht: wat heeft dát te betekenen?
Nee, aan oog voor detail ontbreekt het me niet.
Of moet ik nog beter opletten?

Ik liep verder.
Wat zag ik daar? Kleurboeken voor … volwassenen!
Je mocht, zo las ik, ook buiten de lijntjes kleuren.
Je mocht er zelfs enkele ongekleurd laten!
Als kind komt dat natuurlijk niet in je op.
Daar moet je oud en wijs voor geworden zijn.

Wat voor heerlijke nieuwe dingen vielen er nog te bewonderen in Standaard Boekhandel?
Een e-reader voor 99 euro.
Interesseert me niet.
Ik heb te weinig tijd om te lezen. Dat heb ik in de eerste helft van m’n leven genoeg gedaan. Nu zit ik in de schrijf-helft.
Bovendien kan ik niet met potlood onderstrepen in zo’n e-reader.
Nee, ik ben een papier-man.
Verdorie, wat heb ik hierboven alweer gezegd over de ‘papieren wereld’?
I have clearly some thinking to do.

Tijd om naar huis te gaan.
Maar wat zie ik daar liggen?
Schoenaerts, het boek van Stan Laureyssens!
Las ik gisteren niet in de krant dat Matthias Schoenaerts een kortgeding aanspant tegen dit boek?
Betere reclame kun je niet maken voor een boek en dus sla ik het open.
Het begint met een tafereeltje van het genre ‘het leven zoals het is’.
Julien Schoenaerts komt het kantoor van de Burgerlijke Stand binnen in de Antwerpse Lange Nieuwstraat.
Een loketbediende grijpt ijlings de telefoon en draait een nummer op ’t Schoon Verdiep.
Madam de schepen, hij is er weer!
Wié is er weer?
Awel, die ouwe viezerik!
Welke viezerik?
Wel, die acteur met zijn lange jas! Iedere keer dat er een jonge moeder binnenkomt, spreidt hij zijn armen en staat hij daar met zijn … euh, ge weet wel, met heel zijn spel bloot!
De Julien? Julien Schoenaerts?
Ja die!
Zeg dat ’t niet waar is!
Wat moet ik doen, madam?
Niks, niks, we brengen dat wel in orde!

Van een ‘opener’ gesproken!
Het boekje lag prettig in de hand en ik besloot het te kopen.
Ik heb namelijk nog een eitje te pellen met Julien Schoenaerts, of beter: met zijn bewonderaars.
Is ’t voor een cadeautje, meneer?
Nee, ’t is voor mezelf, antwoord ik.
Dat is dan 19,95 euro!
Zou ’t minder zijn als ’t voor een cadeautje was? vraag ik.
Neenee, lacht de verkoopster, ik zou het dan nog niet in een zakje gestoken hebben!
Verdorie, het ging allemaal zo vlug en professioneel dat ik niet de tijd had om te protesteren tegen dat zoveelste overbodige plastic zakje.
Ik ben daar gevoelig voor geworden.
Deze wereld verzuipt in plastic.
Je kunt dan nog beter in papier verzuipen, dat brandt tenminste nog.
Maar de verkoopster had het zakje al vol reclame gestoken en ik zag ertegen op om haar dat er weer allemaal uit te laten halen. Er zijn grenzen aan mijn ecologisch bewustzijn.
Dus liet ik het maar zo.

Ik stak die onnozele 5 cent in mijn zak – waar zijn die negertjes met hun knikkende kopje gebleven? – en reed naar huis, benieuwd naar de avonturen van vieze Julien.
Je bent karma-onderzoeker of je bent het niet!
Maar daarover volgende keer meer.
Dan kennen we misschien ook de uitspraak van de rechter.
Als ik een suggestie mag doen: 2000 euro boete voor Stan.
Had hij maar geen boek moeten schrijven!
Altijd kweddelen met die artiesten!

Advertenties