Droompje (1)

door lievendebrouwere

Ik weet het niet meer.
Dat is de stemming die sinds eind september in mijn ziel heerst: ik weet niet meer wat ik moet doen.
Op 13 september wist ik het nog wel, heel duidelijk zelfs.
Maar toen kwam Michaël en sindsdien ben ik het noorden kwijt.
Dat laatste is niet nieuw voor me.
Het overkomt me met de regelmaat van een klok.
Gewoonlijk wacht ik dan tot het over is, en het licht opnieuw gaat branden.
Maar iets zegt me dat het dit keer anders is.
Dit keer moet ik zelf het licht weer aansteken.
Ik weet alleen niet hoe.

En dus vroeg ik het aan Michaël.

Zijn antwoord liet niet op zich wachten.
Het kwam in de vorm van een droom.
Een droompje eigenlijk, want langer dan een paar seconden kan het niet geduurd hebben.
Michaël houdt de dingen graag bondig.

Ik was in Mechelen, op weg naar de academie.
Het was donker en achter de ramen van het gebouw scheen een warm geelroodbruin licht.
Ik was te laat en wist dat ik niet meer naar binnen kon.
Dus keerde ik me naar rechts, waar de Sint Romboutskathedraal staat.
Die was echter veranderd in een soort stenen 3D labyrint.
Even later bevond ik me ergens in de hoogte en verloor de grond onder mijn voeten.
Ik klampte me vast, maar voelde m’n greep verslappen.
Dus riep ik om hulp.
Beneden zag ik een keurig geklede man omhoog kijken.
Er verscheen een vermakelijke blik in zijn ogen, en hij liep verder.
Wel verdorie, dacht ik, terwijl ik naar beneden viel.
Het volgende ogenblik stond ik met mijn twee voeten op de grond.
En voor ik van m’n verbazing bekomen was, werd ik wakker.

Wat een onnozele droom! dacht ik bij mezelf.
Ik kon er niks van maken en voelde me een beetje bekocht.
Was dát het antwoord van Michaël?
Het was geen antwoord maar een vraag, een onoplosbaar raadsel.
Hoe ik me ook inspande, ik kon er kop noch staart aan krijgen.
En ik viel weer in slaap, beschaamd en gefrustreerd.
Gekweld door een aards probleem had ik een vraag gesteld aan een hemels wezen, maar ik had een nonsensikaal antwoord gekregen.
Tja, zo gaat dat als een mens zich met zijn problemen richt tot wezens die niet bestaan.
Hij staat voor paal, hij maakt zichzelf belachelijk.

’s Morgens aan het ontbijt zei ik tegen An: moet je nu eens wat weten?
Ik heb gedroomd!
Dat was groot nieuws, want ik droom nooit.
Dat wil zeggen: soms herinner ik me wel eens dat ik gedroomd heb, maar van de dromen zelf blijft me nooit iets bij.
Dit keer was het anders.
Ik herinnerde mij de droom heel goed.
Juist daarom voelde ik me in het ootje genomen: héb ik nu eens een echte droom, blijkt hij nergens op te slaan!
An moest erom lachen.
Gewoonlijk is zij het die droomt en dan – tenminste als het in het weekend gebeurt – ’s morgens vertelt wat ze ’s nachts allemaal beleefd heeft.
Ze vond het vermakelijk dat het nu eens omgekeerd was.
Vertel! zei ze.

En ik vertelde dat ik naar de academie ging, dat ik te laat was en niet meer naar binnen durfde.
Maar was je niet altijd te laat? vroeg An.
Hé, daar had ik niet aan gedacht!
Ik was inderdaad altijd te laat.
De lessen begonnen om 9 uur en doorgaans arriveerde ik niet voor tienen.
In Leuven was het niet anders: alle vroege lessen sloeg ik over.
Zelfs toen ik in Brussel ging werken, arriveerde ik meestal niet vroeger dan 10 uur.

De academie in mijn droom was onmiskenbaar de Mechelse academie.
Het beeld was dus concreet, maar tegelijk was het ook een metafoor, want ik kwam niet alleen te laat op de academie, ik kwam overal te laat.
Nee, niet overal.
Op afspraken bijvoorbeeld kom ik nooit te laat, daar houd ik me stipt aan.
Maar afspraken worden me niet opgelegd, ik maak ze zelf, ik heb er deel aan.
Ik kom alleen te laat in de ‘wereldse’ tijd, de dwingende machinale tijd die nergens rekening mee houdt.
In mijn eigen tijd, de tijd waar ik zelf aan deelneem, ben ik nooit te laat, letterlijk én figuurlijk.
Het is vaak op het nippertje, zoals op 13 september, toen ik op de valreep weer mensen begon te tekenen. Had ik daarmee nog een of twee weken gewacht, dan zou het te laat zijn geweest. Maar ik haalde het. Ik was niet te laat.
In mijn eigen tijd ben ik nooit te laat.

Het bijzondere van mijn droom was dus niet dat ik te laat was.
Het bijzondere was dat ik me erdoor liet tegenhouden.
Ik vond het destijds normaal dat ik te laat was op de academie, of beter: ik vond het abnormaal dat ik op tijd moest komen. Ik volgde gewoon mijn eigen tijd, en die tijd werd gerespecteerd. Mijn leraar was een uiterst stipt en plichtbewust man, maar nooit heeft hij één opmerking gemaakt over het feit dat ik altijd te laat was. Hij zag dat ik innerlijk op tijd was en dat was voor hem het belangrijkste.
Beide tijden, de uiterlijke en de innerlijke, leefden in zijn klas vreedzaam naast elkaar.
In mijn droom was dat niet langer het geval.
Er stond een onzichtbare muur tussen mij en de academie.
De vrede was voorbij, het duister was ingetreden.
Het heldere ochtendlicht had plaats gemaakt voor het kunstlicht van de avond.
Hoe gezellig en huiselijk dat er aan de buitenkant ook uitzag, ik kon er niet meer naar binnen.
Het was mijn tijd niet meer, het was mijn wereld niet meer.

Ik stond ervan te kijken, toen ik dat allemaal vertelde.
Het beeld uit mijn droom klopte als een bus.
De academie van Mechelen is inderdaad al lang niet meer wat ze geweest is.
Er heerst nu een heel andere geest, een geest die ‘de tijd’ van de leerlingen niet meer respecteert.
Uiterlijk is ze natuurlijk wél mee met haar tijd: ze heeft zich aangepast aan de moderniteit, ze is niet langer een buitenbeentje meer.
Leerlingen die afstuderen krijgen nu een boek over Jan Hoet.
Het is donker geworden in Mechelen: het (scheppende) licht van de zon heeft plaats gemaakt voor het (nabootsende) licht van de maan: men doet er nu gewoon wat iedereen doet, en men is daar allemachtig trots op.
Het licht dat ik achter de vensters zag branden, was niet het warm-gele licht dat je ’s avonds in woonkamers ziet branden, het was een geelbruinrood licht dat je … en het beeld dat in me opkomt is: in de hel ziet branden.
Dat kan overdreven klinken, maar wat er vandaag aan academies en kunstscholen gebeurt, beschouw ik werkelijk als ‘des duivels’.
Het is precies het omgekeerde van wat er vroeger gebeurde.
Respect voor de ‘eigen tijd’ van de leerlingen heeft plaats gemaakt voor de niets ontziende dwang om zich aan te passen aan de ‘wereldse tijd’.
Het individuele Ik kan er niet meer aan zijn eigen tempo groeien, het wordt genadeloos opgejaagd en vermorzeld.
Er is geen verschil meer tussen de academie en de gewone school.
De academie is geen academie meer.

In Mechelen heb ik nog een laatste oplichten beleefd van de vrijheidsgeest die heerste aan de oude academies. Het waren vrijplaatsen waar jonge mensen konden ontsnappen aan de verstikkende dwang van de wereldse tijd, waar ze konden opgroeien in hun eigen tijd: oases van ‘willen’ in een woestijn van ‘moeten’.
En uitgerekend die ‘vrije plaatsen’ worden vandaag voorgesteld als duistere oorden waar het verstikkende ‘academisme’ heerst en alle oorspronkelijkheid de nek wordt omgedraaid.
Zo keert de duivel de zaken om en zet hij de wereld op zijn kop.
In de ‘eigentijdse’ academies die ik later bezocht, trof ik een bekrompen schoolmeestersmentaliteit aan waar ik meteen mee in aanvaring kwam.
Ik trof er ook een hatelijke geest aan die het niet moe werd de ‘oude’ en ‘achterhaalde’ academies te bespotten en te kleineren.
Toen ik mijn leraar ooit zei hoe blij ik was nog een echte academie gekend te hebben, antwoordde hij: ach jongen, jij weet niet wat een echte academie is, zelfs ik heb dat niet meer meegemaakt!

Ik heb inderdaad de zomer niet meer meegemaakt, maar ik heb in Mechelen wel nog een zalige Sint Michielszomer beleefd, en die heb ik als een gouden schat meegenomen in de winter die volgde.
Ik was precies op tijd om die nabloei te beleven, zoals ik ook dit jaar in Brugge precies op tijd was om een nabloei te beleven van de jaren dat ik tijdens de Gentse Feesten, in het hartje van de zomer, honderden, ja duizenden mensen heb getekend.
De kans is trouwens reëel dat men de folkloremarkt in Brugge binnenkort zal afschaffen. Het stadsbestuur wil namelijk komaf maken met het ‘oubollige’ imago van Brugge en heeft een ambtenaar aangesteld die de stad moet ‘updaten’ en bij de tijd brengen.
Ook hier dus weer een Sint Michielszomer.

Hoe meer ik vertelde, des te verbaasder werd ik.
En ik verbaasde me over twee dingen.
Ik verbaasde me over de inhoud van mijn droom, en ik verbaasde me over de vorm.
Hij was aan me verschenen in de nacht, in de vorm van beelden die zo compact waren dat ze slechts één beeld leken, een bewegend beeld, een levend beeld.
Vervolgens was ik erover beginnen nadenken, zoals je dat doet met een beeld dat je niet begrijpt: je zoekt de overeenkomstige begrippen.
In de nacht had ik die echter niet gevonden.
Ik had ze pas gevonden toen de dag was aangebroken en ik was opgestaan.
Nochtans was ik toen niet anders gaan denken.
Ik gebruikte gewoon hetzelfde rationele denken dat ik ook ’s nachts had gebuikt.
En toch was het een verschil van … dag en nacht.
Daar stond ik heel erg van te kijken.
Wat een bewustzijnsverschil!

Ik had gedroomd en was vervolgens wakker geworden.
Althans dat dacht ik, want ik begon na te denken over mijn droom, ik probeerde erachter te komen wat hij te betekenen had. Maar ik kon er geen touw aan vastknopen, het verschil tussen droom en ratio was te groot.
En ik viel weer in slaap.
Pas toen ik opstond en mijn droom aan An begon te vertellen, kwam zijn ‘verborgen inhoud’ naar boven.
Ik deed nochtans niets anders dan wat ik ’s nachts in bed had gedaan: nadenken, proberen mijn droom te begrijpen.
Er bestonden dus blijkbaar twee soorten ratio’s: een ‘nachtelijke’ en een ‘dagelijkse’.
Het was alsof mijn verstand niet in staat was door te dringen in de kunstzinnige wereld van de beelden zolang het niet ondersteund werd door het licht van de zon.
’s Nachts werkte het bij wijze van spreken in het licht van de maan en kon het de droombeelden alleen maar nabootsen, navertellen, herkauwen. Het kon ze niet begrijpen.
Dat lukte pas toen de dag was aangebroken en ik was opgestaan.

Het deed me denken aan het onderscheid dat Rudolf Steiner maakt tussen passief denken en actief denken, een onderscheid dat hij ‘belangrijker dan al het andere’ noemt.
Het denken, zegt hij, heeft twee gezichten, het is een januskop.
Enerzijds is het afhankelijk van de hersenen en brengt het alleen tot bewustzijn wat zich in het zenuw-zintuigstelsel spiegelt.
Anderzijds kan het zich ook van zichzelf bewust worden en zich bevrijden van de gebondenheid aan de hersenen.
De eerste manier van denken noemt Steiner lui en gemakzuchtig. Ze leidt ertoe dat de mens in slaap valt, letterlijk en figuurlijk. Met dit passieve denken kan hij niet doordringen in de antroposofie, die dan ook wordt afgedaan als dromerij, gefantaseer of erger.
Alleen met een ‘vlijtig en actief’ denken dat zich inspant, kan de mens door de sluier van de zintuiglijke gebeurtenissen heen kijken en zich bewust worden van wat zich op bovenzintuiglijk gebied afspeelt.

In het passieve denken herken ik mijn ‘nachtelijke’ denken, dat niet in staat was mijn droombeelden te begrijpen. Het was een maan-denken zoals we dat ook in de moderne wetenschap aantreffen, die alles wat geestelijk en bovenzinnelijk is afdoet als nonsens en fantasie, precies zoals ik dat zelf ook deed met mijn ‘onnozel’ droompje.
Dit passieve maan-denken beschouwt zichzelf als heel wakker, maar eigenlijk ligt het nog in bed en is niet in staat om door de maja van de zintuiglijke werkelijkheid heen te kijken en licht te werpen op de wereld. Het produceert alleen schaduwen.

In het actieve denken herken ik dan weer mijn ‘ochtendlijke’ denken, dat zonder moeite de sluier van mijn droombeelden oplichtte en zag wat eronder zat. Dit zonne-denken richt zijn stralen op de duistere wereld van de nacht en is verrast door wat daaruit te voorschijn komt. Het is een denken zoals we dat aantreffen in de moderne kunst. Ook hier vinden we een denken dat in de meest onbenullige zaken de meest spirituele inhouden ontdekt.
Toch kan ik niet zeggen dat ik mijn eigen denken daarin herken, wel integendeel.
Ik ervaar het moderne denken over kunst als een pseudo-denken: het lijkt actief en ‘zonnig’, maar in wezen is het een passief maan-denken. Het bezit echter geenszins de helderheid van de maan en in feite is het dus noch een maan-denken noch een zonne-denken. Het is het denken van het niets, van de volslagen duisternis.

Rudolf Steiner verwacht van ons dat we actiever gaan denken.
Over het passieve denken laat hij zich nogal negatief uit, maar hij verwacht niet dat we het gewoon aan de kant schuiven.
Beide manieren van denken horen namelijk samen: ze vormen samen het gezonde denken en dat denken kan niet gezond blijven als een van beide delen ontbreekt.
Vandaag is ons denken uiterst passief geworden, het is helemaal aan de hersenen gebonden, en we zien dan ook dat het ziek wordt.
Maar het is niet de bedoeling dat we het ene ‘gezicht’ van het denken inruilen voor het andere. Dan komen we van de regen in de drop terecht.
Het is de bedoeling dat de kwaliteiten van het maan-denken meegenomen worden in het zonne-denken.
De genezing van ons denken moet komen van het samengaan van actief én passief denken.
En dat kan kan op twee manieren gebeuren.
De twee gezichten van het denken kunnen op zo’n manier met elkaar verbonden worden dat ze elkaar bevruchten en dat er uit hun eenwording een nieuw gezicht ontstaat dat straalt als een lente-zon.
Maar ze kunnen ook op zo’n manier met elkaar verbonden worden dat er een heel ander gezicht ontstaat: het gezicht dat ons toegrijnst in de ‘hedendaagse’ kunst.
Naast de tegenstelling tussen passief denken en actief denken, verschijnt nu een heel andere tegenstelling: die tussen het michaëlische denken en het drake-denken.
Het is de tegenstelling tussen het dode maan-denken dat door zijn vereniging met het zonne-denken weer tot leven komt, en datzelfde maan-denken waar het laatste restje leven wordt uitgeperst en dat zich vervolgens voordoet als een verblindend zonne-denken.

Toen ik ’s ochtends over mijn droom vertelde en er begon over na te denken, was ik veel wakkerder dan toen ik dat ’s nachts probeerde. Toch was ik nog omgeven door de nachtelijke sfeer van mijn droom. Daardoor konden dag- en nachtsfeer elkaar bevruchten en samen brachten ze een stroom van onverwachte gedachten op gang. Er ontstond een ‘zonne-denken’, een actief denken dat probleemloos doordrong in mijn droom en hem bij wijze van spreken deed open bloeien.
Gaandeweg loste de nachtsfeer echter op en bleef alleen het gewone dagelijkse maan-denken over.
Mijn pas ontwaakte ‘zonne-denken’ begon te sputteren en ik kreeg het steeds moeilijker om nog door te dringen in mijn droom. De deuren tussen dag en nacht sloten zich en ik stond weer buiten, in de gewone dagelijkse werkelijkheid waar dromen bedrog zijn.

Maar ik had genoeg van de binnenkant van mijn droom gezien om te beseffen dat hij géén bedrog was.
En wat ik ook zag, was dat mijn ‘zonne-denken’ nog lang niet helder was. De resultaten ervan waren … rommelig. Het ontbrak nog aan de helderheid van het maan-denken. Dat moest duidelijk nog versterkt worden. Beide ‘gezichten’ van het denken waren nog lang niet harmonisch met elkaar verbonden. Het was slechts een begin, een ontwaken. Het michaëlische denken, het levende zonne-denken, lag nog in de luiers.

(wordt vervolgd)

Advertenties