Het leven als een kunstwerk zien

door lievendebrouwere

Sinds Michaël ben ik bezig met karma-onderzoek, dat wil zeggen met het onderzoek van mijn eigen karma.
Ik doe dat niet voor mijn plezier, ik doe het omdat ik niet anders kan, omdat ik ertoe gedwongen word.
Of beter: omdat ik mezelf ertoe dwing.
Want dat is de grondgedachte achter karma: alles wat gebeurt in je leven heb je zelf gewild.
Het leven is een kunstwerk dat de mens zelf gemaakt heeft en ieder onderdeel ervan is gewild.
Dat scheppende ‘zelf’ is natuurlijk niet ons gewone dagelijkse zelf, want dat maakt deel uit van het kunstwerk en weet dus niks af van de kunstenaar.
Toch bezit dat ‘lagere’ zelf iets van het ‘hogere’ zelf, namelijk: het denken.
De mens kan denken en dat is een wonderbaarlijke eigenschap waardoor hij zich bewust kan worden van zichzelf, niet alleen van zijn lagere zelf maar ook van zijn hogere zelf.
Al denkend kan hij als het ware stap voor stap weer opklimmen tot de bron van zijn denken: zijn hogere zelf, zijn echte zelf.
Maar juist omdat het denken van dezelfde ‘substantie’ is als dit echte zelf, is dat hogere zelf reeds werkzaam in dat denken.
Ons lagere zelf is in feite ons hogere zelf dat gedeeltelijk afgedaald is in de materie en van daaruit zijn weg weer omhoog baant.
Als het dat tenminste wil, want door in de materie af te dalen verovert de mens zijn vrijheid.
Hij ontwikkelt het vermogen om tegenover zichzelf, dat wil zeggen tegenover zijn eigen hogere scheppende zelf, te gaan staan en er ja of neen tegen te zeggen.
Die keuze zou hij natuurlijk nooit kunnen hebben zonder de tegenmachten die uit alle macht aan de mens trekken en hem proberen los te maken van zichzelf.
Zij spannen zich tot het uiterste in om de mens ertoe te bewegen voor hén te kiezen.
Dat is dan ook het punt dat de mens vandaag in zijn ontwikkeling bereikt heeft: hij staat voor de keuze tussen de draak (de geallieerde tegenmachten) en zijn hogere zelf.
Dat is een uiterst moeilijke keuze want de mens is zo ver afgedwaald van zichzelf en is zo verstrikt geraakt in de duistere materie dat hij nauwelijks nog onderscheid kan maken tussen goed en kwaad.
Maar juist de moeilijkheid van die keuze garandeert de vrijheid van de mens.
Met behulp van zijn denken moet hij nu beslissen wat hij gaat doen: volgt hij de weg naar beneden en geeft hij zich over aan de draak of bevecht hij die draak en kiest hij voor de weg omhoog, terug naar zichzelf?
In die keuze staat hij helemaal alleen, alleen met zijn denken.
Natuurlijk wordt hij ook geholpen, want in zijn eentje zou hij geen kans maken tegen de draak. Maar die hulp is van dien aard dat ze de vrijheid van de mens niet in het gedrang brengt. Ze is met andere woorden onzichtbaar. We worden geholpen zonder dat we het weten. Als we het wél wisten, zou onze vrijheid geen echte vrijheid zijn.

Dat ondervind ik nu ook.

Ik moet een beslissing nemen en niemand kan me daarbij helpen.
Ik moet het helemaal alleen doen, ik en mijn denken.
Ik word daarbij geholpen, bijvoorbeeld door de droom die ik verleden week gekregen heb.
Maar die droom is van dien aard dat hij me niet vertelt wat ik moet doen. Voor mijn gewone rationele denken is het zelfs nonsens om in een droom een richtlijn te zien. Nee, ik ben helemaal aangewezen op mijn denken om uit te maken wat die droom precies betekent en óf hij iets betekent.
Toevallig of niet wijst die droom ondubbelzinnig in de richting van karma-onderzoek en ‘dwingt’ hij me om na te denken over mijn leven. En is dat uiteindelijk niet het enige houvast dat de moderne mens nog heeft in zijn leven?

Er zijn duizenden zelfhulpboeken die de mens vertellen wat hij kan/moet doen in zijn leven. Maar ze zijn niet geschreven voor één concreet mens, ze zijn geschreven voor iedereen, en daarom blijven ze in hoge mate abstract. Ze staan zeer ver af van het concrete leven, want dat leven is altijd en voor iedereen een uiterst persoonlijk leven, een leven dat met geen ander leven kan vergeleken worden.
Zoals geen twee mensen hetzelfde gezicht hebben, zo hebben ook geen twee mensen hetzelfde leven.
Van abstracte theorie naar concrete praktijk gaan, betekent hier dus: de blik richten op het eigen leven.
Zolang de mens dat niet doet, leeft hij ofwel onbewust (en dus onvrij) ofwel leeft hij in abstracties (en is zijn vrijheid louter vorm).
Karma-onderzoek is wat de mens rest als het leven heel concreet wordt, als de draak hem bij de keel grijpt en zegt: kies!
Karma-onderzoek is hét instrument van de moderne mens, de mens op het Keerpunt der Tijden.
Stap voor stap verliest hij al zijn zekerheden tot hij alleen nog dit overhoudt: zijn eigen leven en zijn eigen denken.

Het is beslist geen toeval dat uitgerekend op dit (beslissende) moment in de geschiedenis een mens verschijnt als Rudolf Steiner, wiens levensopdracht erin bestaat de moderne mens bewust te maken van het karma.
Het is al evenmin toeval dat de tegenmachten groot alarm slaan en er bijna in slagen om de levensopdracht van deze mens te verijdelen.
Pas tegen het eind van zijn leven, wanneer alles hem uit handen is geslagen, komt hij ertoe zijn levensmissie alsnog waar te maken. Hij begint nu te spreken over het karma, en in het centrum van die karmavoordrachten staat het karma van de antroposofische vereniging, de kleine groep mensen die als taak hebben de wetenschap van de geest te introduceren in de menselijke cultuur.
Het is dus niet de geest zelf die ze moeten verspreiden, maar de wetenschap van die geest, het bewustzijn van die geest, het onderzoek naar die geest.
Antroposofen hebben als taak de moderne mens erop te wijzen hoe ze volkomen bewust, op rationeel-wetenschappelijke wijze, de wereld van de geest kunnen onderzoeken en leren kennen.
Want dat is de meest vrije manier om de geest te benaderen, de manier die past bij onze tijd.

Een groot succes is de antroposofie tot dusver niet geweest.
Weliswaar bestuderen mensen overal ter wereld de ideeën van Rudolf Steiner of brengen ze die ideeën in de praktijk, maar tussen theorie en praktijk gaapt nog altijd een diepe kloof. De theorie is nog veel te abstract dan dat ze grote groepen van mensen zou kunnen bereiken en de praktijk is nog veel te onbewust dan dat ze diep zou kunnen doordringen in de moderne realiteit.
Die kloof – die tegelijk de kloof is tussen de antroposofie en de moderne wereld – kan alleen gedicht worden door karma-onderzoek. Want in karma-onderzoek komen theorie en praktijk samen.

Dat ondervind ik nu zelf ook.

Ik doe mijn karma-onderzoek niet uit wetenschappelijk-academische overwegingen.
Ik doe het uit louter praktische overwegingen: ik wil weten wat ik moet doen, heel concreet.
Wat moet ik bijvoorbeeld doen opdat ik in Brugge op de markt geld zou kunnen verdienen?
Veel concreter en praktischer kan het niet worden.
En juist dàt is de reden waarom ik nu mijn eigen karma aan het bestuderen ben.
Het leven zelf brengt me ertoe mij om te keren en naar dat leven te kijken.
Het is alsof het me onverwacht op de schouder tikt en zegt: kijk naar mij, en kijk daardoor ook naar jezelf!

Uiteindelijk gaat het in het karma-onderzoek allemaal dáár om: de mens die tegenover zichzelf gaat staan, het lagere zelf dat een blik werpt op het hogere zelf en omgekeerd.
Dat is een schokkende ontmoeting, een ontmoeting tussen vreemden die niettemin ‘broers’ zijn, want we zijn zelf die beide ‘zelven’.
In het licht van ons hoger zelf wordt ons lager zelf in al zijn laagheid zichtbaar: onze dubbelganger verschijnt.
En dat is het moment waarop we moeten kiezen: reiken we ons hoger zelf de hand of keren we ons van hem af?
Kijken we naar onze dubbelganger met de ogen van ons hoger zelf, of kijken we met de ogen van onze dubbelganger naar ons hoger zelf?
Kiezen we met andere woorden voor de liefde of kiezen we voor de haat?
Want ons hoger zelf kijkt met liefde naar onze dubbelganger, het wendt de blik niet af.
Ons lager zelf daarentegen kijkt met onverholen haat naar ons hoger zelf, en naar alles wat geestelijk is.
Het trekt een scherpe grens en denkt: wat heb ik met dat superieure wezen te maken?
Wat weet dat hemelwezen in godsnaam van het leven hier beneden op aarde?
Naar de hel met al die geestelijke wezens!

In die emotionele haatreactie toont de mens echter zijn vrijheid.

Hij valt niet op de knieën voor dat superieure wezen, nee hij maakt er zich kwaad op.
Hij zegt: waarom heb je mij al die tijd in de steek gelaten?
Waar was je toen ik je nodig had?
Waarom heb je me niet geholpen toen ik hier in m’n eentje aanmodderde?
Hoe durf je me de hand te reiken na al die tijd!
Het lagere zelf verdrinkt in emoties als het geconfronteerd wordt met zijn hemelse versie.
Maar juist in die kolkende zee van ziedende emoties komt het voor de – vrije – keuze te staan tussen liefde en haat.
Op zich is die keuze niet moeilijk: geen mens die bij zijn verstand is, zal voor de haat kiezen, want hij wéét dat hij dan de weg van de zelfvernietiging in slaat.
Nee, de moeilijkheid ligt in het bij-zijn-verstand-zijn.
En daar ligt ook de vrijheid van de mens.
Die ziedende zee van emoties kan de mens niet vermijden.
Ze is het gevolg van zijn ontmoeting met de dubbelganger, en aangezien de hele mensheid nu over de drempel gaat, komt iedereen vroeg of laat die dubbelganger tegen.
Het resultaat zien we vandaag overal: heftige emoties, verontwaardiging, haat, afschuw, angst, wanhoop, enzovoort.
Alles hangt nu af van het antwoord op de vraag: kan de (spartelende) mens het hoofd boven water houden in die kolkende emoties? Is hij wakker genoeg om de beslissende keuze op te merken of verslaapt hij ze en gaat hij ten onder?

Rari nantes in gurgito vasto.

Zwemmen, daar gaat het nu om, het hoofd boven water houden in al dat emotionele geweld.
Sommige mensen leren zwemmen doordat ze in het water gegooid worden.
Als dat lukt, is het mooi, maar het is natuurlijk wel een paardenmiddel.
Veel veiliger is het om in kalmer water te leren zwemmen.
En dat kalmere water is het karma-onderzoek.
Hier kan de mens op zijn eigen tempo en binnen zijn eigen mogelijkheden leren kijken naar zijn dubbelganger.
Want hij is het die verschijnt als we naar ons eigen leven kijken.
Er zijn natuurlijk mensen die best tevreden zijn met hun leven en helemaal geen dubbelganger gewaarworden als ze ernaar kijken, maar zij raken in de minderheid.
Het moderne leven wordt steeds meer een gevecht met de draak en dat is zelden een fraai schouwspel.
Mensen reageren dan ook niet zelden met afschuw op het ‘drakerige’ uitzicht van hun leven.
Ze verdrinken in de emoties die dat uitzicht oproept en wenden de blik af.

Dat is begrijpelijk maar jammer. Want als ze hun emoties de baas bleven, als ze bleven kijken en hun verstand erbij hielden, dan zouden ze doorheen dat drakenmasker een heel ander gezicht zien verschijnen: het gezicht van hun hoger zelf, hun ‘echte’ gezicht.
Want hoe bont de draak het ook maakt in iemands leven, zijn hogere zelf houdt altijd de touwtjes in handen.
Voor de moderne mens, die maar al te vaak overweldigd wordt door het kwaad in al zijn vormen, is dat een moeilijk te verteren gedachte.
Maar is hij het niet juist aan zijn status van rationeel en wetenschappelijk denkend mens verplicht om deze (karma)gedachte nuchter te onderzoeken?
Het gaat immers niet om de vraag: staat deze gedachte mij aan?
Het gaat om de vraag: is deze gedachte waar?
En het antwoord vinden we alleen door deze gedachte te onderzoeken aan de hand van het eigen leven, want dat is het enige leven dat we genoeg kennen om het te kúnnen onderzoeken.

Wat weerhoudt ons ervan dat onderzoek te voeren?

Enerzijds zijn dat de emoties, maar anderzijds is het ook de overtuiging dat ons hogere zelf niet bestaat en dat er achter dat drakenmasker helemaal … niets is.
Wat ons belet om aan karma-onderzoek te doen, is onze materialistische overtuiging dat er geen geestelijke wereld bestaat.
Waarop is die overtuiging gebaseerd?
Niet op de wetenschap, want die slaagt er weliswaar in om alles vanuit de materie te verklaren, maar dat wil niet zeggen dat het niet net zo goed mogelijk zou kunnen zijn om alles vanuit de geest te verklaren.
Zolang het niet geprobeerd wordt, kunnen we daar niets over zeggen.
Zolang het niet geprobeerd wordt, berust onze overtuiging dat alles uit materie bestaat, op luiheid en angst.
Ze is gewoon een geloof, een blind geloof.
Of een blind ongeloof, dat komt op hetzelfde neer.
Als we de proef op de som namen, als we ons eigen leven nauwgezet bestudeerden, dan zou die blinde, emotionele overtuiging gelogenstraft worden. Achter onze dubbelganger – die uit louter materiële chaos lijkt te bestaan – zouden we dan de orde van ons hoger zelf zien opdoemen.

Maar daarvoor moeten we eerst bereid zijn ons ongeloof op te schorten en het bestaan van een geestelijke wereld en een hoger zelf als werkhypothese te aanvaarden.
Suspension of disbelief: de term is van de 19de eeuwse dichter Coleridge en doelt op de bereidheid om tijdelijk te geloven dat een kunstwerk werkelijkheid is.
Zonder dat ‘poëtische geloof’ kunnen we nooit van kunst genieten en zijn kunstwerken alleen maar betekenisloze materiële vormen.
Om überhaupt kunst te kunnen zien, moeten we ons overgeven aan de illusie dat een geschilderde appel en echte appel is en niet zomaar wat verfvlekken op een linnen doek.
Op dezelfde manier moeten we bereid zijn ons leven te zien als een zinvol en herkenbaar geheel, in plaats van als een lukrake opeenvolging van gebeurtenissen zonder enige samenhang.
We moeten met andere woorden ons leven als een kunstwerk leren zien.

Zo kijk ik ook naar de droom die ik verleden week had: als naar een kunstwerk, een product van de verbeelding.
Is trouwens niet ieder kunstwerk afkomstig ‘uit de nacht’, dat wil zeggen uit de droomwereld van het onderbewuste?
En geldt dat ook niet voor het kunstwerk dat een mensenleven is?
Is het leven van de mens geen droom die opduikt uit de nacht en is het niet de bedoeling dat we ontwaken in die droom en licht ontsteken in de duisternis?
We leven in een Michaëlstijd: de zomer van de geschiedenis is voorbij en het duistere jaargetijde breekt aan.
Winter is coming.
Kon het leven honderd jaar geleden nog beleefd worden als een rustige droom, dan verandert het nu steeds meer in een nachtmerrie.
Karma-onderzoek is geen luxe meer.
We komen steeds meer voor de keuze te staan: ontwaken we UIT de droom of ontwaken we IN de droom?
Keren we ons leven de rug toe en lopen we blindelings in ons ongeluk, of brengen we de michaëlische moed op ons naar dat leven toe te keren en het onder ogen te zien?
De strijd met de draak zal zich in toenemende mate op dit zeer persoonlijke vlak afspelen, want als we één voor één al onze zekerheden verliezen, blijft er uiteindelijk nog maar één zekerheid over: ons eigen leven.
De kunstenaar staat dan voor zijn kunstwerk.
En de vraag is: herkent hij zichzelf?

Advertenties