God in Vlaanderen: de affaire Schoenaerts (1)

door lievendebrouwere

‘Over de doden niets dan slechts’.
Zo luidde de titel van een krantenartikel over de affaire ‘Schoenaerts’.
Voor wie niet weet waarover het gaat: ex-journalist Stan Lauryssens heeft een boek geschreven over acteur Julien Schoenaerts, en diens zoon Matthias heeft daar een proces tegen aangespannen.
Een klassieke affaire dus.
Er worden voortdurend boeken geschreven waarin dingen staan die volgens anderen niet mochten geschreven worden en waartegen dan klacht wordt ingediend.
Toch is ‘Schoenaerts’ een geval apart, want het is niemand minder dan God zelf waarover hier een boekje wordt opengedaan.
Dàt is namelijk wat Julien Schoenaerts was: God in Vlaanderen.
Ik heb dat nog met eigen ogen kunnen vaststellen.
Twee keer heb ik de grote Julien Schoenaerts zien optreden.
Twee keer was het een beschamende vertoning.
Twee keer kreeg hij een staande ovatie.
Want Schoenaerts mocht doen wat hij wilde, men bleef hem aanbidden.
Hij was God in Vlaanderen.

Nu iemand dat Godsbeeld doorprikt, wordt hem meteen een proces aangedaan door iemand die zelf goed op weg is om God in Vlaanderen te worden.
Goddelijkheid is blijkbaar erfelijk in Vlaanderen.
Het wordt doorgegeven van generatie op generatie.
Ook dat heb ik met mijn eigen ogen kunnen vaststellen.
Twee keer heb ik Matthias Schoenaerts aan het werk gezien.
Eén keer in Loft en één keer in Rundskop.
Twee over het paard getilde films.
Of hoe de geschiedenis zich herhaalt…

Vlaanderen heeft zijn zoon uitgezonden en in Hollywood wordt hij ingehaald als een jonge god.
Maar God zou God niet zijn als hij niet op weerstand stuitte.
Toen Hollywood naar Vlaanderen kwam in de persoon van Bret Easton Ellis, de juryvoorzitter van het Gentse filmfestival, verklaarde de Amerikaan dat Loft de stomste film was die hij ooit had gezien.
Regisseur Eric Van Looy reageerde daarop door te zeggen dat hij geen films maakt voor de elite maar voor het grote publiek. Niet echt een overtuigende repliek want Loft speelt zich af in een soort Louis-Vuittonwereld: een wereld van design, luxe en geld, veel geld. In die wereld speelt Matthias Schoenaerts niet alleen een rol, hij maakt er zelfs reclame voor.

Toen Stan Lauryssens zijn boek over Julien Schoenaerts publiceerde en God de Vader van zijn sokkel deed tuimelen, reageerde diens zoon daarop door in De Morgen een lange brief te publiceren waarin hij zijn vader de liefde verklaarde.
Overtuigend was die repliek alweer niet, want Matthias Schoenaerts schreef onder meer:

‘Het kwetst me niet dat mijn vader straks figureert in een tentoonstelling over theater en waanzin. Ik vind eerder onze onverschilligheid waanzinnig, en onze houding om mensen die anders in het leven staan maar opzij te zetten. Dat geldt niet alleen voor waanzin, maar ook voor ziekte en dementie.
Dementie is eigenlijk wondermooi, maar onze perceptie ervan is beperkt. We kijken vooral naar wat er niet meer is. Het is niet omdat het gevoel en het denken niet meer de vorm van woorden krijgt, dat het ophoudt. Ze uiten zich onder een andere vorm. Een zachtere vorm. Als je voor hen de woorden vindt, krijg je een glimlach terug of een flonkering in de ogen.’

Dementie wondermooi?

Dit mogen dan woorden van liefde zijn, het is wel blinde liefde, liefde die de ogen sluit voor de harde waarheid, de waarheid zoals Stan Lauryssens ze – met overigens verdacht veel zin voor dramatiek – vertelt in zijn boek over de teloorgang van Julien Schoenaerts.
Diezelfde blinde liefde zag ik ooit nòg eens aan het werk tijdens een televisie-portret van Julien Schoenaerts. Het was een ontroerende documentaire over de liefde van een zoon voor zijn vader, een vader die duidelijk niet meer van de wereld was en wartaal uitsloeg waarin het woordje ‘liefde’ te pas en te onpas voorkwam. Zoals bijvoorbeeld toen hij sprak over zijn dochter Helga die voor zijn ogen zelfmoord had gepleegd door uit het raam te springen. O wat was dat mooi, zei de oude Schoenaerts met een stralend gezicht, als een engel zweefde zij met uitgestrekte armen door de lucht!
Dat ze vervolgens te pletter sloeg op het dak van een geparkeerde auto, daar zweeg hij over.
De hemel, dát was zijn ding.
Wat er beneden op aarde gebeurde, daar sloot hij de ogen voor, daar wilde hij zich niet mee bezighouden.

Maar zijn ziekte dwong hem daartoe.

De meest ontluisterende passage in het boek van Stan Lauryssens beschrijft hoe Julien Schoenaerts met zijn oudste dochtertje thuiskomt in het lege appartement waar hij woont sinds zijn vrouw hem verlaten heeft. De kamers staan vol met flessen die hij eerst leeggedronken heeft en vervolgens gevuld met zijn eigen urine. Er staan ook overal conserven en bokalen die hij eerst leeggegeten heeft en daarna gevuld met zijn uitwerpselen.
In aanwezigheid van het 13-jarige meisje – hetzelfde meisje dat tien jaar later uit het raam zal springen – giet hij al die flessen leeg op de vloer, waarna hij de muren vol smeert met zijn geconserveerde uitwerpselen.
God kan diep vallen als hij uit zijn hemel geduwd wordt.
Lauryssens beschrijft deze scène zo plastisch dat de vraag rijst: was hij er dan misschien bij?
Dat geldt trouwens voor het hele boek. Na een tijdje ga je je als lezer afvragen: hoe wist die man dat allemaal zo goed?
Lauryssens speelt in zijn boek een beetje de rol van een … alziende en alwetende God.
Of hoe goddelijkheid in Vlaanderen niet alleen erfelijk maar ook besmettelijk is.

Toch roepen deze en andere passages uit het boek vage herinneringen in me op, alsof het niet de eerste keer is dat ik ze hoor, alsof ik ze al eens ergens gelezen heb.
Lauryssens beweert dan ook dat alles wat hij schrijft, gebaseerd is op krantenberichten, verslagen, getuigenissen, enzovoort.
Ik ga er dus vanuit dat hij de zaken wel wat aangedikt heeft, maar niet echt verzonnen.
Tenzij de vergoddelijking ook bij hem de overhand heeft gekregen natuurlijk.

Wat er ook van zij, in het licht van deze scène – één uit vele – krijgen de woorden van Matthias Schoenaerts over de ‘wondermooie’ ziekte van zijn vader wel een heel wrange bijsmaak.
Volgens Bruno Schoenaerts, de andere zoon van Julien, heeft deze ziekte zijn twee zussen het leven gekost heeft. Allebei de dochters van Julien Schoenaerts zijn zeer jong en op een ellendige manier aan hun einde gekomen.
‘Wondermooi’, zo noemde hun vader dat.
‘Wondermooi’, zo praat zijn zoon dat na.
Want … over de doden niets dan goeds.
Hoeveel ellende ze ook hebben aangericht.

Stan Lauryssens had dus overschot van gelijk door deze ‘verborgen zijde’ van Julien Schoenaerts aan het licht te brengen.
Dit boek moést eenvoudig geschreven worden.
De waarheid over God in Vlaanderen is al te lang bedekt gebleven.
En ze wordt nog altijd bedekt, door de nieuwe goden en hun aanbidders.
Er lijkt maar geen eind te komen aan de godsdienst in Vlaanderen.
Ze is weliswaar verdwenen uit de kerken, maar ze wordt voortgezet in de kunsttempels, alsof er niets gebeurd is.
Niet voor niets spreekt men over een kunstkerk.
En heeft de pas overleden kunstpaus niet al een plein gekregen?
Het is enkel nog wachten op een standbeeld.
Schoenaerts heeft het zijne al gekregen.
Subito sancto!
Vlaanderen kan niet zonder goden.
Ze mogen doen wat ze willen, als ze hun rol van God maar vervullen.
Jan Fabre werd onlangs nog vergeleken met Rubens en Rembrandt.
Hugo Claus vond dat hij de Nobelprijs moest krijgen.
Carl De Keyzer beschouwt de kunst uit het verleden als ‘behang’.
Jan De Cock ziet zichzelf als het genie dat zijn volk leerde kijken.
Enzovoort, enzovoort.
Allemaal goden in Vlaanderen.
Allemaal ‘zot van glorie’.
Allemaal in ’t binnenst van hun ziel ten troon zittend.
Allemaal aanbeden door de ‘betere’ Vlamingen.
Allemaal kleine Lucifertjes die elkaar aansteken.

Heeft Matthias Schoenaerts dan ongelijk door Stan Lauryssens een proces aan te doen?
Verstandig is het alleszins niet, want nu wordt de aandacht pas echt op het boek – en op de duistere kanten van vader Schoenaerts – gevestigd.
Het is ook een beetje lachwekkend om te eisen dat er een sticker op het boek wordt geplakt waarop staat dat het niet om een biografie gaat maar om een gefantaseerd sensatieverhaal.
Lauryssens beweert nergens dat zijn boek een biografie is.
En dat het gefantaseerd zou zijn, lijkt weinig waarschijnlijk.
Zeker, als ex-journalist heeft hij de zaak zo sensationeel mogelijk voorgesteld.
Maar als ex-journalist zal hij toch ook wel weten hoever hij daarin kan gaan.
Het beste bewijs is dat Bruno Schoenaerts, de halfbroer van Matthias, geen bezwaren heeft tegen het boek. En de man is nochtans advocaat.

Het levert alvast een merkwaardig beeld op.
God heeft in Vlaanderen niet één maar twee zonen.
De ene, de acteur, spreekt in blinde liefde over zijn vader.
De andere, de advocaat, pleit voor de nuchtere waarheid.
En ze hebben allebei gelijk.

Het probleem met het boek van Stan Lauryssens is niet dat het de waarheid niet vertelt, en evenmin dat het die waarheid – hoe hard ook – niet zou mogen vertellen.
Het probleem met dit boek is dat het de waarheid niet op de juiste manier vertelt.
Het is geen goed boek omdat het de waarheid zonder liefde vertelt.
Stan Lauryssens vertelt in ‘Schoenaerts’ niet alleen slechte dingen over de dode, evenmin als Matthias Schoenaerts in zijn ‘apologie’ alleen maar goede dingen over zijn vader zegt.
Ze vertellen allebei goede én slechte dingen.
Maar dat is niet genoeg.
Goed en slecht gewoon naast elkaar plaatsen, is niet ‘de goede manier’ om over een dode te spreken.
Het is zelfs niet genoeg om goed en kwaad in evenwicht te houden.
Dat is niet de gulden middenweg.
De gulden middenweg is om met zoveel mogelijk liefde zoveel mogelijk waarheid te zeggen.
En het doel van die weg is om met louter liefde de volledige waarheid te vertellen.
De ‘beste manier’ is wanneer liefde en waarheid samenvallen.
Alleen op die manier kan men doordringen tot het wezen van de dode, tot de reden van zijn bestaan.
Dat kan men echter niet als men het bestaan van dat wezen ontkent, als men niet gelooft in het hoger Zelf, de God-in-de-mens. Want het is dit hemelse wezen dat uit louter liefde mens is geworden en zich op aarde verbonden heeft met het kwaad.
Dat zijn de twee polen waartussen het menselijke bestaan zich afspeelt: hemelse liefde en aards kwaad. Zonder die ‘spirituele’ waarheid kan er onmogelijk met liefde gesproken worden over alles wat zich hier op aarde afspeelt.

Het is dus uiteindelijk het materialisme dat het onmogelijk maakt om op de juiste manier over de doden te spreken. Of over de levenden. Want het maakt natuurlijk geen echt verschil of iemand dood of levend is.
En daar ligt ook de oorzaak van de vergoddelijking van Julien Schoenaerts en van de onvermijdelijke reactie daarop: de verguizing.
Ook de ‘broedertwist’ is daar een gevolg van.
Pas als liefde en waarheid echt samenvallen in het spreken over hun vader, zullen Bruno en Matthias het echt eens worden met elkaar.

Tot het zover is, hebben ze allebei gelijk én ongelijk.
Bruno Schoenaerts heeft gelijk als hij geen bezwaren heeft tegen het feit dat ook de kwalijke kanten van zijn vader aan het licht komen.
Maar ook Matthias Schoenaerts heeft gelijk als hij zich verzet tegen het boek van Lauryssens. Het aanspannen van een proces is zeker niet de beste manier om dat te doen, maar zolang de menselijke samenleving in de greep zit van het materialisme zijn er gewoon geen betere manieren.
Ik ben ervan overtuigd dat ook Matthias wil dat de waarheid over zijn vader bekend wordt, maar hij kan de waarheid zoals die verteld wordt niet verzoenen met de liefde die hij voelt. En dus accepteert hij ze niet.
Terecht overigens.
Wat Stan Lauryssens over Julien Schoenaerts schrijft, is niet de echte waarheid, want die is veel groter dan wat hij in zijn boek onthult. Maar net als Matthias is hij de gevangene van het materialisme en is hij niet in staat de echte waarheid naar boven te halen, de waarheid die doordringt tot het wezen van een mens.

En dat wezen is … de kunstenaar in de mens, zijn hoger Zelf, zijn vrije, scheppende geest.

Daar gaat het proces tegen ‘Schoenaerts’ (zo heet het boek van Lauryssens) in de grond over.
Het behandelt een aanklacht tegen de materialistische geest die de moderne mens belet om oog te krijgen voor zijn eigen diepste wezen, dat tegelijk het wezen van de kunst is.
Gelet op de reputatie van het Belgische gerecht, is er weinig kans dat de werkelijke inzet van het proces naar boven zal komen, al moet gezegd dat er in een gelijkaardige zaak 14 jaar geleden een wijs vonnis werd geveld.
Modeontwerpster Ann Demeulemeester had toen klacht ingediend tegen Herman Brusselmans die in een van zijn boeken bijzonder gore dingen over haar verteld had. De rechter oordeelde toen dat het gewraakte boek niet uit de handel moest worden genomen, maar hij legde Brusselmans wel een fikse boete op wegens laster een eerroof.
Hij maakte met andere woorden duidelijk onderscheid tussen kunst en werkelijkheid.
Op haar terrein gunde hij de kunst volledige vrijheid, maar van zodra ze dat terrein verliet, was ze onderworpen aan de wetten die in de werkelijkheid heersen.
Brusselmans heeft dat goed begrepen want hij heeft de grens tussen kunst en werkelijkheid niet meer overschreden.
Waarschijnlijk is dat ook de beste oplossing in het geval ‘Schoenaerts’.
Stan Lauryssens mag in zijn boek schrijven wat hij wil zolang het fictie blijft (en ook een biografie is fictie, zolang ze meer is dan een opsomming van droge feiten). Maar wanneer de biograaf de grens tussen fictie en werkelijkheid overschrijdt, riskeert hij een veroordeling wegens laster.
Als Lauryssens ‘over de grens’ is gegaan, heeft hij dat hoogstwaarschijnlijk gedaan omwille van de sensatie en het geldgewin.
Het is dan ook niet meer dan billijk dat hij het onrechtmatig verdiende terug moet betalen en gestraft wordt wegens het misbruiken van de kunst.
Een goede biografie kan immers niets anders dan een kunstwerk zijn, want ze peilt via de levensloop van een mens naar diens wezen, en dat wezen is een kunstenaar die alleen op een kunstzinnige manier benaderd kan worden.

Wanneer we spreken over ‘het misbruiken van de kunst’ komen we vanzelf bij Julien Schoenaerts terecht, want hij overschreed de grens tussen kunst en werkelijkheid voortdurend. Ja, hij erkende die grens niet eens.
Als gevolg daarvan gebruikte hij de kunst en zijn kunstenaarschap om in de werkelijkheid allerlei privileges te bekomen waar hij als ‘God’ recht op meende te hebben.
Hij meende in de werkelijkheid hetzelfde te kunnen zijn als in zijn kunst, namelijk: heer en meester.
Dat er zoveel vuile was bestaat over Julien Schoenaerts is mede een gevolg van het feit dat vele ‘vooraanstaande’ personen hem een hand boven het hoofd hielden wanneer hij zich te buiten ging aan exhibitionisme, vandalisme, openbare dronkenschap, contractbreuk, enzovoort.
Maar daarmee wordt ook de medeplichtigheid van de werkelijkheid zichtbaar.
Waarom hielden zoveel ‘belangrijke’ mensen Schoenaerts een hand boven het hoofd? Waarom lieten ze hem wegkomen met zaken waar andere mensen zouden moeten voor boeten?
Omdat ze zich wilden koesteren in zijn ‘goddelijke’ uitstraling, omdat ze … zelf een beetje God wilden zijn.
Soort zoekt soort.
Zoals Schoenaerts de grenzen van de kunst niet respecteerde, zo respecteerden deze ‘notabelen’ de grenzen van de werkelijkheid niet. Ze wilden zich tooien met het aureool dat de kunst omgeeft, niet door er zich voor in te spannen of door er offers voor te brengen, maar door ervoor te betalen, liefst met andermans geld. Ze maakten misbruik van de werkelijkheid om niet alleen heer en meester te zijn in de materiële wereld maar ook nog eens vereerd te worden in de ‘goddelijke’ wereld van de kunst.

Schoenaerts en zijn beschermheren: ze misbruikten elkaar en ze misbruikten hun wereld.

(wordt vervolgd)

Advertenties