Schoenaerts (2)

door lievendebrouwere

Verleden donderdag is het proces begonnen dat Matthias Schoenaerts heeft aangespannen tegen Stan Lauryssens.
Die heeft namelijk een boek geschreven waarin hij de vuile was van vader Julien Schoenaerts buiten hangt.
Die was is zo vuil dat je je kunt afvragen: moét dat nu?
Moet je de doden niet in vrede laten rusten?
Dat is het standpunt dat Matthias inneemt: over de doden niets dan goeds.
Hij komt op voor de liefde.
Stan Lauryssens komt dan weer op voor de waarheid, tenminste dat beweert hij.
Als dat klopt – als Lauryssens de waarheid spreekt en Schoenaerts handelt uit liefde – dan hebben ze allebei gelijk.
Maar ze hebben ook allebei ongelijk.
Want over de doden kan men maar op de goede manier spreken – de mortuis nihil nisi bene – als waarheid en liefde samengaan, als het niet om blinde liefde of liefdeloze waarheid gaat.
Het leven van Julien Schoenaerts illustreert eigenlijk hoe moeilijk het is om die twee met elkaar te verzoenen.
Schoenaerts was een kunstenaar: wat hij deed, deed hij uit liefde.
Zo zag hij zijn eigen roeping ook: hij wilde liefde verspreiden via het toneel.
Maar wat hem kwelde was de kloof tussen toneel en werkelijkheid.
Wat hij in de schijnwereld van de kunst miste was de waarheid.

Het boek van Lauryssens begint met een memorabel moment.
Julien Schoenaerts onderbreekt een toneelopvoering en zegt tegen zijn publiek: wat zitten jullie hier eigenlijk te doen? Ginder in de echte wereld vechten de mijnwerkers voor een menswaardig bestaan! Dát is het echte treurspel!
En hij verlaat de schouwburg en springt in zijn auto om in Limburg mee te gaan betogen.
Hij vindt dat een kunstenaar het zich niet kan permitteren om aan de kant te blijven staan.
Maar zijn optreden tussen de mijnwerkers heeft verdacht veel weg van een toneelopvoering: Schoenaerts ‘acteert’ dat hij een betogende mijnwerker is.
Het is het begin van een lange reeks pijnlijke optredens (zowel in het theater als in de werkelijkheid) waarbij theater en werkelijkheid door elkaar lopen.
Julien Schoenaerts speelde eigenlijk altijd toneel, ook buiten de schouwburg.
En in de schouwburg speelde hij zijn rollen alsof ze werkelijkheid waren.
Hij speelde nooit zomaar King Lear, hij wás King Lear.
Hij wás ook nooit zomaar Julien Schoenaerts, hij spéélde Julien Schoenaerts.
Fictie en werkelijkheid liepen in zijn leven voortdurend door elkaar.

Toen zijn ziekte doorbrak, verdween het onderscheid zelfs helemaal.
Ja, zijn ziekte bestond juist in het doorbreken van de grens tussen kunst en werkelijkheid, tussen liefde en waarheid.
Julien Schoenaerts werd gedreven door het verlangen om die twee tegengestelde werelden met elkaar te verzoenen.
En dat verlangen dreef hem tot waanzin.

Het proces dat momenteel gevoerd wordt, is in feite een voortzetting van zijn leven, maar met andere middelen.
Het is een zoeken van de waarheid in de wereld van de kunst .
Een zoeken van de werkelijkheid in een wereld van schijn.
Stan Lauryssens beweert dat hij de waarheid heeft geschreven over een leven dat in feite één grote theatervoorstelling was.
Maar de vuile was die hij buiten hangt: is dát de waarheid over dit leven?
Lauryssens zoekt de waarheid niet IN de kunst, hij zoekt ze erbuiten, in de gewone werkelijkheid.
Matthias Schoenaerts gaat daar – terecht – tegen in.
Zonder het goed te beseffen, zegt hij eigenlijk: een waarheid zonder liefde IS de waarheid niet, een werkelijkheid zonder kunst IS de werkelijkheid niet!

Net als in het leven van Julien Schoenaerts zijn de hoofdrolspelers in dit proces: de liefde en de waarheid, de kunst en de werkelijkheid.
En is een proces niet óók een toneelstuk?
Men probeert in de rechtszaal de werkelijkheid zodanig na te spelen, dat duidelijk wordt wat nu precies de waarheid is in die werkelijkheid.
Een rechtszaak is een bewustere, reëlere vorm van theater.
Het is een kunstvorm die zich in de werkelijkheid afspeelt.
De ontknoping – de uitspraak – heeft zeer reële gevolgen, maar tegelijk is het de bedoeling dat er, net als in het theater, een katharsis ontstaat.
Anders dan in het theater speelt die katharsis zich niet (alleen) in de gevoelens af, ze speelt zich (ook en vooral) in het bewustzijn af.
De bevrijding ontstaat door het inzien van de waarheid.

Een toneelstuk is dus in zekere zin een metamorfose van het reële leven.
Een rechtszaak is een metamorfose van een toneelstuk, een bewustere, reëlere vorm van theater.
Maar ook die rechtszaak is geen eindpunt.
Het is namelijk weinig waarschijnlijk dat de verbanden die ik hier geschetst heb aan het licht zullen komen tijdens het proces ‘Schoenaerts’.
De echte waarheid – de liefdevolle waarheid die doordringt tot de kern van de zaak – zal waarschijnlijk niet boven water komen.
Daarom is er nog een andere ‘rechtszaak’ nodig, een volgende metamorfose van het schouwtoneel dat het leven is.
En dat is wat ik hier probeer: ik maak het ‘proces’ van een proces.
Ik probeer het voort te zetten op een bewuster niveau.

Daardoor wordt eigenlijk iets zichtbaar van wat zich in het leven na de dood afspeelt.
Wanneer een mens sterft ‘verschijnt hij voor zijn rechter’.
Er begint met andere woorden een proces, een rechtszaak.
Zoals dat tijdens een aardse rechtszaak ook het geval is, wordt tijdens die ‘hemelse’ rechtszaak het leven van de ‘beklaagde’ opnieuw opgevoerd.
De overledene moet zijn leven nog eens helemaal opnieuw beleven, maar nu als ‘gedaagde’, dat wil zeggen als een – veel bewustere – toeschouwer.
Die termen ‘gedaagde’ en ‘beklaagde’ gelden dan ook meer in letterlijke dan figuurlijke zin: de bedoeling van het hemelse proces is niet dat de overledene gestraft wordt voor zijn fouten, de bedoeling is dat er met liefde en mededogen – de overledene wordt ‘beklaagd’ – gekeken naar zijn leven opdat de echte waarheid ervan zichtbaar zou worden en het de overledene dus zou beginnen ‘dagen’.
Dat is eigenlijk ook een beetje wat ik hier probeer.

Ik acht het dan ook niet uitgesloten dat het proces ‘Schoenaerts’ dat zich in Antwerpen afspeelt een weerspiegeling is van een proces dat zich ook in de ‘hemel’ afspeelt.
Misschien hebben zowel Stan Lauryssens als Matthias Schoenaerts zich (onbewust uiteraard) laten inspireren door dit bovenzinnelijke gebeuren, de ene tot het schrijven van zijn boek, de ander tot het aanspannen van een proces.
Allebei hebben ze zich laten leiden door een diepe verbondenheid met Julien Schoenaerts.
Die ‘hogere’ verbondenheid heeft hier op aarde een positieve en een negatieve kant.
De positieve (luciferische) kant is de blinde vaderliefde van Matthias.
De negatieve (ahrimanische) kant is de niets ontziende waarheidsliefde van Lauryssens.
Maar hoe verschillend en tegengesteld deze beide liefdes ook zijn, ze maken allebei deel uit van een hogere, ‘hemelse’ liefde, de liefde voor het wezen van Julien Schoenaerts.

Het kan vreemd klinken om het boek van Stan Lauryssens – die er onmiskenbaar plezier in schept om Julien Schoenaerts door het slijk te sleuren – een uiting van liefde te noemen. Maar negatieve liefde is net zo goed liefde.
Vaak is het zelfs een intensere vorm van liefde.
We leren meer van onze vijanden dan van onze vrienden.
Het zijn de pijnlijke confrontaties waar we het meest aan hebben.
Zonder het te weten, willen Lauryssens en Matthias Schoenaerts hetzelfde: hun liefde voor Julien Schoenaerts tot uitdrukking brengen.
Maar ze doen het ieder op hun eigen, tegengestelde manier.
Wat hen tot vijanden maakt, is dus paradoxaal genoeg de liefde.
Het is echter een onbewuste liefde, een liefde die nog onvoldoende doordrongen is met waarheid, een liefde die nog niet tegenover zichzelf kan gaan staan.

Daarom splitst die liefde zich en ondergaat ze opeenvolgende metamorfosen.
Daarbij betreedt een derde hoofdrolspeler het toneel.
Tijdens het leven van Julien Schoenaerts was dat zijn publiek, het publiek dat hem in blinde liefde adoreerde, wat hij ook deed.
Tijdens het proces ‘Schoenaerts’ is dat de rechter die uitspraak moet doen.
En in de beschouwingen die ik aan dat proces wijd, ben ik dat zelf.
Op het toneel van mijn gedachten ben ik een kijker die voor rechter speelt en probeert zowel de liefde als de waarheid recht te doen en zo te komen tot een uitspraak – lees: tot een inzicht – in de deze zaak.

Het zijn onverwachte karmische verbanden die nu opduiken.

Wie het boek van Stan Lauryssens leest, krijgt al vlug de indruk: het is alsof hij er zelf overal bij was!
Het inlevingsvermogen van de auteur mag dan een bedenkelijk kantje hebben, het wijst wel op een intense betrokkenheid bij de persoon van Julien Schoenaerts.
Je schrijft niet zòmaar een boek over iemand.
Lauryssens heeft het boek bovendien zó geschreven dat er wel een proces moést van komen.
Alsof hij dat proces zelf gewild heeft.
Misschien zitten daar geslepen, egoïstische motieven achter, maar misschien zit er ook een offer achter.
Want als Lauryssens het proces verliest, zal dat een serieuze klap zijn voor zijn reputatie. Er is inmiddels trouwens een brief opgedoken waaruit zou blijken dat hij een aantal dingen compleet verzonnen heeft.
De vraag rijst dan ook: waarom doét zo’n man dat?
Waarom houdt hij vol dat hij de waarheid spreekt als dat niet zo is en hem dat duur te staan kan komen?
Zitten er misschien diepere motieven achter zijn gedrag, karmische motieven waarvan hij zich niet bewust is?

En schuilt datzelfde soort motieven misschien ook achter mijn eigen belangstelling voor deze zaak?
Eigenlijk ben ik erover gaan schrijven omdat ik nog een eitje te pellen had met Julien Schoenaerts. Dertig jaar geleden heeft hij mijn verjaardag eens verknald en dat soort dingen vergeet ik niet.
Maar ik ben er ook over gaan schrijven omdat ik, na mijn bezoek aan het ACV, het gevoel had dat ik nog iets te zoeken had in Gent. Op die manier heb ik namelijk het boek van Stan Lauryssens gevonden, een boek dat ik anders waarschijnlijk nooit gekocht zou hebben.
Maar het ‘toeval’ speelde het me dus in handen.
Tijdens het schrijven begon het me te dagen dat het proces ‘Schoenaerts’ ook een beetje mijn proces is: Julien Schoenaerts was namelijk iemand die probeerde de kloof tussen kunst en werkelijkheid te overbruggen.
En dat is in de grond ook wat ik probeer.
Bij die overbrugging dreigen er twee gevaren.
Enerzijds het luciferische gevaar dat de kunstenaar onbewust de grens met de werkelijkheid overschrijdt en in het gewone leven handelt zoals hij in de kunst handelt.
Anderzijds het ahrimanische gevaar dat de kunstenaar de grens in omgekeerde richting overschrijdt en in de kunst handelt zoals hij in de werkelijkheid handelt.
Is de zware boete die de RVA me opgelegd heeft een reactie op het feit dat ik in Brugge de stap van kunst naar werkelijkheid heb gezet, maar dat wellicht niet bewust genoeg heb gedaan?
En zet ik op deze blog niet ook de stap in omgekeerde richting door de concrete werkelijkheid mee te nemen in wat in feite een kunstzinnige onderneming is?

Door over het proces ‘Schoenaerts’ te schrijven, schrijf ik dus ook over mezelf.
Ik kijk als in een spiegel.
Stan Lauryssens, Julien en Matthias Schoenaerts zitten als het ware in mezelf.
Ik kan niet zeggen dat ik een goede relatie met hen heb.
Maar een relatie is het alleszins.

Stan Lauryssens vertrouw ik niet echt: ondanks de onmiskenbare kwaliteiten heeft zijn boek ook een dubieus karakter.
Matthias Schoenaerts heb ik nog maar alleen zien spelen in twee zwaar over het paard getilde films.
En zijn vader, ja zijn vader …

De eerste keer dat ik hem aan het werk zag, was op mijn verjaardag, ik weet niet meer de hoeveelste.
We gingen met een gezelschap kijken naar ‘De Wereldverbeteraar’, een toneelstuk van Thomas Bernhard, met in de hoofd- en enige rol Julien Schoenaerts.
Het moet toeval zijn geweest, want ik ga omzeggens nooit naar het theater.
Alleen al het idee op een toneel te staan terwijl een hele zaal naar je kijkt, doet me het angstzweet uitbarsten.
Ik kende dus alleen de reputatie van Julien Schoenaerts en die was waarschijnlijk de reden dat ik me liet overhalen om mee te gaan.
Ik wilde God wel eens aan het werk zien …

Na een half uur had ik daar al spijt van.
Nog een half uur later wilde ik naar buiten.
Maar dat ging niet want ik zat midden in de zaal.
De rest van de tijd – het stuk duurde twee uur, zonder pauze – zat ik te koken van woede en frustratie.
Twee uur lang moest ik luisteren naar Julien Schoenaerts die met zijn voeten in een kom water onzin zat uit te kramen.
Want het was ‘modern’ theater: onbegrijpelijk en oervervelend.
Vooral dat laatste.
Kunst hoeft voor mij heus niet begrijpelijk te zijn, maar onbegrijpelijk én oervervelend: dat is een combinatie die me kwaad maakt.
En Julien Schoenaerts wás vervelend, zenuwslopend vervelend.
Toen hij eindelijk zijn mond hield, was m’n lijden nog niet afgelopen.
Er volgde nog een apotheose: de zaal veerde als één man recht en gaf Schoenaerts een staande ovatie.

Ik was verbouwereerd.

Ik had nog kunnen denken: ze zijn zó blij dat het voorbij is dat ze met hun opluchting geen blijf weten. Maar er was geen twijfel mogelijk: het was pure geestdrift die ik om me heen zag.
Ik begreep er niks van.
Was ik dan zo’n cultuurbarbaar dat ik me mateloos zat te vervelen tijdens een geniale acteerprestatie?
Was ik dan zo’n heiden dat ik God niet herkende, ook al sprak hij twee uur aan een stuk?
Ik was er danig de kluts van kwijt.
Julien Schoenaerts had niet alleen m’n verjaardag verknald, hij had me ook nog eens doen twijfelen aan mezelf.

Ik ben geen ezel en dus stootte ik me jaren later nog eens aan dezelfde steen.
Dit keer speelde Schoenaerts ‘De apologie van Socrates’, een stuk waarmee hij in Vlaanderen triomfen had geoogst.
Misschien was dat wel de reden waarom ik ging kijken: omdat zoveel anderen het geweldig vonden.
Wat er ook van zij, hij stond opnieuw alleen op scène.
En opnieuw was ik na afloop de enige die niet opstond en niet applaudisseerde.
Dit keer was het echter een veel kleinere zaal en omdat ik (alweer) precies in het midden zat, zag Schoenaerts dat ik bleef zitten.
Ik had in ieder geval de indruk dat hij me strak aankeek.
Normaliter zou ik in de grond gekropen zijn.
Ik was echter zo kwaad dat ik strak terugkeek.

Wat was er dan gebeurd?

BUG-HES FAN AT-HEN!
Zo begon Schoenaerts de beroemde Apologie van Socrates: luidkeels en in dat bekakte Nederlands van hem dat na de oorlog voor beschaafd doorging in Vlaanderen.
BURGERS VAN ATHENE!
Er viel een stilte.
Schoenaerts was bekend om zijn stiltes.
Hij liet de stilte spreken, zo zei men.
Maar deze stilte bleef duren.
Schoenaerts stond roerloos voor zich uit te staren, duidelijk niet meer van deze wereld.
Opeens werd hij wakker en ging verder met de tekst, alsof er niks gebeurd was.
Even later viel er opnieuw een stilte.
Schoenaerts begon in het boekje te bladeren dat voor hem op de lessenaar lag.
En hij bleef bladeren.
Het leek wel of hij die verdedigingsrede van Socrates voor het eerst onder ogen kreeg en dacht: hé, dit ziet er interessant, dit zou ik misschien wel eens op scène kunnen brengen!
Dat hij al op scène stond en dat er een zaal ademloos zat te wachten, scheen hij niet te beseffen.
Opeens leek hij gevonden te hebben wat hij zocht en declameerde verder.

Zo ging dat de hele voorstelling door: met horten en stoten, met stiltes waar maar geen eind leek aan te komen.
En Schoenaerts trok er zich niks van aan.
Hij stond daar volkomen op z’n gemak, alsof hij helemaal alleen was, alsof er niemand zat te kijken.
Ik was gloeiend, net als de vorige keer.
Maar dit keer maakte ik me niet zozeer kwaad op Schoenaerts, dan wel op degenen die dit georganiseerd hadden.
Iedereen kon toch zien dat deze man niet meer op een toneel thuishoorde!
Achteraf hoorde ik zeggen dat hij dronken was.
Dronken?
Ik geloofde er niets van.
Hier was meer aan de hand.
Schoenaerts was een vijs kwijt.
Misschien zelfs meer dan één.
Maar dat maakte voor het publiek allemaal niks uit: het gaf Schoenaerts een staande ovatie.
Wat een misselijk makend spektakel, dacht ik, applaudisseren voor iemand die niet goed bij zijn hoofd is!
Wie was hier eigenlijk het ziekst: de acteur of zijn publiek?

Toen ik daar als enige tussen al die rechtstaande mensen bleef zitten, was het alsof heel dat euforische publiek verdween, en er maar twee mensen overbleven: Julien Schoenaerts en ikzelf.
Hij keek me recht aan alsof hij op zijn vonnis wachtte en ik aarzelde geen moment om het te vellen.
Als vanzelf kwam de gedachte in me op: als ik jouw rechter was geweest, zou ik je ook tot de gifbeker veroordeeld hebben!

Alleen al het feit dat ik me dat moment na 30 jaar nog altijd herinner, wijst op de karmische kwaliteit ervan. Er werd toen even iets zichtbaar van het karmische weefsel dat ten grondslag ligt aan het leven.
Ik voelde dat ik niet alleen getuige was van de teloorgang van een groot acteur, maar van een heel tijdperk.
Stond Socrates niet aan de wieg van het klassieke tijdperk?
Was zijn apologie niet de verdediging van de klassieke geest?
Zoals Schoenaerts ze bracht, was ze echter het tegenovergestelde: een aanklacht, een bezegeling van het lot van die geest.
Ik aarzelde dan ook niet: ik veroordeelde hem tot de gifbeker.

Advertenties