Schoenaerts (4)

door lievendebrouwere

Het proces Schoenaerts heeft nog een onverwacht staartje – zeg maar staart – gekregen.
Nadat Stan Lauryssens veroordeeld was tot het plakken van een sticker op zijn boek met de vermelding dat het ‘onjuistheden’ bevat, heeft hij besloten het boek gewoon uit de handel te nemen.
Dat is een draconische maatregel, zeker aan de vooravond van de opening van de boekenbeurs.
Lauryssens trekt daarmee een zware streep door zijn eigen rekening, want verwacht kon worden dat het boek-met-de-sticker veel belangstelling zou genieten.
Er stond trouwens al een tweede druk op stapel.
En dat veegt Lauryssens nu allemaal met één zwaai van tafel.
De man moet zich behoorlijk in het kruis getast voelen.

Eén ding is zeker: dit is een kwalijke zaak.
Precies op het moment dat het jaarlijkse hoogfeest van het boek begint, wordt er een boek uit de handel genomen omdat mensen zich erdoor gekwetst voelden en naar de rechter stapten.
Dat de schrijver daar zelf toe besloten heeft maakt de zaak niet minder erg.
Integendeel zelfs.
Stan Lauryssens ervaart het oordeel van de rechter als zo vernederend dat hij de eer aan zichzelf houdt: liever dan zijn werk te verminken, haalt hij het uit de rekken.
Wat hij eigenlijk zegt, is: als ik zo moet schrijven, dan schrijf ik liever niet.

Het is dit soort zelfcensuur dat de politieke correctheid zo gevaarlijk maakt.
Mensen worden ertoe gebracht om uit vrije wil hun mond te houden, om niet te doen wat ze wilden doen.
Met name de culturele wereld is daar zeer vatbaar voor.
Ik kan me niet voorstellen dat de Vlaamse kunstenaars zo politiek correct, zo Belgicistisch en zo anti-Vlaams zijn als ze zich gedragen.
Dat strookt totaal niet met het vrijheidslievende wezen van de kunstenaar.
Die laat zich niet zomaar dwingen en in een keurslijf stoppen.
Behalve dan door … zichzelf.
En dat is ook wat gebeurt: de Vlaamse kunstenaars doen massaal aan zelfcensuur.
Net als de Vlaamse journalisten.
Net als de Vlaamse media.
Ze snoeren zichzelf preventief de mond.
Ze zwijgen nog vóór iemand hen daartoe dwingt.
Niemand dwingt Stan Lauryssens zijn boek uit de handel te nemen.
Hij doet het zelf, uit vrije wil.

Is dat een overreactie?

Tenslotte zegt die fameuze sticker niet veel: ‘dit boek bevat onjuistheden.’
Ik denk dan meteen aan kleinigheden: een verkeerde datum, een verkeerde naam, een niet geheel accurate weergave van een feit.
Maar ik denk niet aan grove onjuistheden, want dan zou er op die sticker wel iets anders hebben gestaan, of zouden er andere maatregelen zijn genomen.
Ik interpreteer het als: de schrijver is hier en daar een beetje onnauwkeurig geweest, maar voor de rest klopt zijn verhaal wel.
Dat is niet wat je noemt een zware veroordeling, het is meer een tik op de vingers: Stan jongen, volgende keer beter opletten!
Maar juist dat betuttelende, dat schoolmeesterachtige komt hard aan bij iemand die zijn vak ernstig neemt.
Het is kleinerend.
Veel respectvoller was het geweest als Lauryssens een boete had gekregen en in de tweede druk de ‘onjuistheden’ had moeten corrigeren.
Dan had hij kunnen zeggen: OK, die boete verdien ik wel terug door alle aandacht die m’n boek nu krijgt, en de tweede uitgave zal beter (want juister) zijn dan de eerste.
In plaats daarvan wordt hij echter als een kind behandeld.

Is dat niet een beetje de essentie van de politieke correctheid?
Mensen worden niet als volwassenen behandeld maar als (stoute) kinderen die moeten leren zichzelf onder controle te krijgen.
Daartoe wordt er een soort valse morele sfeer geschapen die mensen weer naar de schoolbanken stuurt, waar ze goede punten moeten verdienen anders mogen ze niet gaan spelen.
Het roept een herinnering in me op.
In mijn oude school werden er op een dag overal snoep- en frisdrankautomaten geïnstalleerd.
‘Om aan de behoeften van de leerlingen tegemoet te komen’ zullen ze gedacht hebben.
Om geld aan te verdienen natuurlijk.
Die dingen oefenden op ons jongens een magische aantrekkingskracht uit, niet alleen omdat ze zoetigheid bevatten, maar ook omdat het mechanische wondertuigen waren.
We maakten er dus een sport van om te proberen zo’n machine te slim af te zijn.
Toen ik er op een dag in geslaagd was zonder te betalen een reep chocolade uit zo’n automaat te pulken, werd ik betrapt door een verontwaardigde broeder die me als een vuige dief voor de klas opvoerde.
Het was een pijnlijk moment, maar noch ikzelf noch mijn klasgenoten waren bijzonder onder de indruk.
Wellicht voelden we vaagweg de morele perversiteit van de ‘Broeders van Liefde’: eerst verleidden ze ons met een verboden vrucht en vervolgens waren ze verontwaardigd als we toehapten.
Ze infecteerden ons met andere woorden met hun volwassen immoraliteit en gaven er ons ook nog eens de schuld van.
Zoiets noemen ze tegenwoordig kindermisbruik.

Diezelfde morele perversiteit herken ik in de politieke correctheid.
De ‘broeders van liefde’ laten in een land massaal vreemdelingen binnenstromen, en als dan de onvermijdelijke wrijvingen ontstaan, beginnen ze de autochtonen te beschuldigen van racisme.
Daar komt het zo’n beetje op neer.
De gevolgen zijn tweeërlei: enerzijds krijgen autochtonen en allochtonen een hekel aan elkaar, anderzijds worden volwassen mensen herleid tot stoute kinderen die opnieuw opgevoed moeten worden.
Die kinderen krijgen natuurlijk onderling ruzie, want er zijn er altijd die in een goed blaadje willen staan bij hun ‘opvoeders’ en daartoe andere kinderen verklikken.
Op die manier creëert de politieke correctheid een valse morele sfeer die de bevolking herleidt tot een speelplaats vol ruziënde kinderen die – uiteraard – stevig tot de orde moeten worden geroepen.
Als dat maar lang genoeg doorgaat, weten de (volwassen) kinderen niet beter meer of die valse moraliteit is de normale, menselijke moraliteit.
Een goed mens wordt dan iemand die zijn medemensen – voor hun eigen goed – verklikt en die zijn vertrouwen in zijn medemensen ‘censureert’ om zelf niet verklikt te worden.

Als kind bezat ik nog genoeg gezonde moraliteit om niet zwaar onder de indruk te zijn van het feit dat ik als een dief aan de schandpaal werd genageld.
Ook mijn medeleerlingen zagen me niet als een dief.
Wel waren we nog niet wakker genoeg om te begrijpen dat de echte dieven degenen waren die ons van diefstal beschuldigden: de Broeders van Liefde die de snoepautomaten op de speelplaats hadden gehangen om er het geld mee uit onze zakken te kloppen.
En ze stalen niet alleen ons geld, ze stalen ook onze moraliteit.
Vandaag zijn we vijftig jaar later en deze ‘broeders van liefde’ zijn overal.
Het land is vergeven van dieven die onschuldige mensen van diefstal beschuldigen.
En helaas is ons al zoveel gezonde moraliteit ontstolen dat we nu behept zijn met een collectief schuldgevoel dat er ons toe brengt om onszelf steeds meer te censureren.

Stan Lauryssens is 68 jaar oud. Hij is nog ‘van de oude stempel’.
Hij wordt ervan beschuldigd een dief te zijn (en geld te hebben willen verdienen op de kap van een overledene) en dat pikt hij niet.
Zijn straf is schoolmeesterachtig klein, maar juist daardoor is ze extra beledigend.
Het pleit voor Lauryssens dat hij liever zijn boek uit de handel neemt dan dat hij zich als een klein kind laat behandelen door mensen die maar half zo oud zijn als hij.
Maar het maakt de perversiteit van de politieke correctheid extra zichtbaar: ook degenen die zich niet willen laten betuttelen worden tot zelfcensuur gebracht.
Tegelijk worden mensen als Matthias Schoenaerts – die toch een aureool van vrijheid en authenticiteit dragen – te kijk gezet als verklikkers, als mensen die collega’s gecensureerd willen zien.

Ik kan me inderdaad niet voorstellen dat Matthias Schoenaerts gelukkig is met de afloop van de hele zaak. Had hij er vóór het proces niet de nadruk op gelegd dat hij het boek niet wilde laten verbieden, dat hij géén censuur wilde en dat hij de vrijheid van meningsuiting niet in het gedrang wilde brengen?
And look what happened!
Het boek is verdwenen, Lauryssens is de mond gesnoerd en de vrijheid van meningsuiting beleeft – precies op het moment dat de boekenbeurs geopend wordt – een zoveelste zwarte dag.
Het blinkende blazoen van Matthias Schoenaerts heeft een deuk gekregen.
Hij gaat voortaan door het leven als degene die ervoor gezorgd heeft dat een boek uit de boekhandel verdween omdat het ‘kwetsend’ was.
Daar had hij waarschijnlijk niet op gerekend.
Hij had waarschijnlijk niet voorzien dat de rollen zouden omgedraaid worden.
Want niet alleen is het nu Lauryssens die zich gekwetst voelt, hij kan niet eens klacht indienen.
Hij moet machteloos toezien hoe jaren werk in rook opgaan.
Allemaal door toedoen van bad guy Schoenaerts.

Zoals ik al had voorspeld: iedereen heeft verloren.
De uitspraak is een compromis: een beetje voor de aanklager, een beetje voor de beklaagde.
Maar uiteindelijk houdt niemand iets over.
Zo zal het ook met de politieke correctheid gaan: uiteindelijk zal niemand iets overhouden.
Het is gewoon een heel geraffineerde vorm van zelfvernietiging.

Kan daar dan niets aan gedaan worden?

Stan Lauryssens heeft een boek geschreven dat mijns inziens moest geschreven worden.
Matthias Schoenaerts heeft daartegen gereageerd, terecht mijns inziens.
Ze hebben allebei gedaan wat ze moesten doen.
En toch hebben ze allebei verloren.
Ze hebben verloren omdat ze datgene wat ze moesten doen niet op de goede manier gedaan hebben.
Was dat mogelijk?
Waarschijnlijk niet.
Stan Lauryssens heeft gedaan wat hij kon.
Matthias Schoenaerts ook.
Meer zat er waarschijnlijk niet in.

Het lot heeft het zo bepaald dat zij degenen waren die moesten doen wat er gedaan moest worden.
Iemand anders was er niet.
Ze waren echter niet toegerust voor die taak.
Lauryssens was geen goede schrijver genoeg om op de juiste manier over Julien Schoenaerts te schrijven.
En Matthias Schoenaerts was niet wakker genoeg om op de juiste manier te reageren.
Maar is het niet altijd zo?
Is een mens ooit echt berekend op zijn taak?
Doet hij de dingen die hij moet doen altijd op de goede manier?
Of doet hij ze altijd zoals Stan en Matthias: stuntelig, onhandig, vertroebeld door zelfzuchtige motieven, om de tuin geleid door handige haaien?

Ik ga ervan uit dat een mens altijd op de een of andere manier doet wat hij moet doen.
Dat is mijn karma-geloof: een mens leidt het leven dat hij moet leiden, dat hij wil leiden.
Dat leiden is vaak lijden omdat het zelden het leven is dat hij zich wenste en omdat hij het ook niet kan leiden zoals hij het echt wil.
Maar wat kan hij dan wél doen?
Waar ligt de vrijheid van de mens?
Waar ligt zijn verdienste in al deze ontoereikendheid?

Zij ligt in het volhouden, in het blijven proberen.
Wer immer strebend sich bemüht, den können wir erlösen.
Toen jongeren ooit aan Rudolf Steiner vroegen wat ze konden doen, antwoordde hij:
Doe wat je doet, en probeer het beter te doen.
Dat betekent hetzelfde als: word kunstenaar!
Want kunstenaar word je door onophoudelijk te proberen de dingen beter te doen.
Welke dingen? Dat doet er niet toe.
Het gaat om het proberen.
Om het telkens weer opnieuw proberen.
Om het nooit opgeven.

Dat is voor Stan Lauryssens en Matthias Schoenaerts dan ook de enige goede manier om te reageren op de halfslachtige rechterlijke beslissing waar ze allebei het slachtoffer van zijn.
Als ik Stan Lauryssens was, zou ik meteen beginnen aan een nieuw boek, een boek over het boek dat hij net uit de boekhandel genomen heeft.
Want het moet voor een schrijver toch een ondraaglijk idee zijn om jarenlang met hart en ziel te werken aan een boek en het dan zelf, uit gekrenkte trots, uit de boekhandel te nemen.
Ik vraag me dan ook af hoelang Lauryssens dat gaat volhouden.
Ik zie hem nog op die beslissing terugkomen.
Maar daardoor zal hij het gezichtsverlies lijden dat hij nu wil vermijden.
Nee, veel beter zou het zijn om gewoon opnieuw te beginnen en te proberen het dit keer beter te doen.
‘Beter doen’ betekent onder meer: de reacties op je oude boek (en dus het hele proces) meenemen in je nieuwe boek.
Op die manier kan het nieuwe boek een metamorfose worden van het oude.
En hopelijk komt Stan Lauryssens tijdens dat metamorfoseproces tot het inzicht dat Matthias Schoenaerts niet helemaal ongelijk had.
Het samengroeien van beider ‘gelijken’ zou dan tot een ‘hoger gelijk’ kunnen leiden, een gemeenschappelijker gelijk.

Als Matthias Schoenaerts hetzelfde zou doen, namelijk proberen beter te doen wat hij al deed, dan zou hij zijn kritiek op het boek wellicht zodanig nuanceren en verruimen dat hij begrip krijgt voor het standpunt van Stan Lauryssens.
Want tenslotte stellen ze allebei belang in dezelfde figuur: Julien Schoenaerts.
In die gedeelde interesse zijn ze eigenlijk ‘broers’: ze willen hetzelfde, maar ze willen het op een andere manier.
En beide manieren hebben hun recht van bestaan.
Een ‘betere manier’ kan er alleen in bestaan dat beide manieren met elkaar verbonden en zo mogelijk verzoend worden. En die verzoening kan er alleen komen als beiden proberen beter te doen wat ze al deden.
Als ze dat blijven doen, zullen ze vanzelf dichter tot elkaar komen.
Stan Lauryssens zal dan bij het schrijven van zijn nieuwe boek vroeg of laat tot de conclusie komen dat hij de medewerking van de Schoenaertsen nodig heeft. En deze laatsten zullen tijdens het verwerken van de hele zaak eveneens tot de conclusie komen dat samenwerking de aangewezen weg is.
Want wat ze willen, is dat Julien Schoenaerts in ere wordt hersteld, dat er over hem ‘op de goede manier’ wordt gesproken. Daar is nu meer dan ooit nood aan, want hij is er niet goed uitgekomen in deze zaak.
Maar wie zal zich nog willen wagen aan een boek over Julien Schoenaerts?
De kans is reëel dat Stan Lauryssens de enige is die dat nog ziet zitten, en dat er dus maar beter met hem kan samengewerkt worden.

Door de zaak niet op te geven maar te blijven proberen het beter te doen, kan er – met wat geluk – een katharsis plaatsvinden bij beide protagonisten, en kan een broederstrijd worden omgebogen tot een nieuwe, bewustere broederlijkheid.
Zo kan er van iets slechts toch nog iets goeds komen en kan een hele Augiasstal uitgemest worden.
Is dat geen wishful thinking?
Natuurlijk wel.
Maar wat is het alternatief?
Steeds meer mest.
Steeds meer broederstrijd.

Het proces Schoenaerts is slecht afgelopen.
Maar slecht is het alleen in zoverre we het als afgelopen beschouwen.
Als we het – in gedachten – voortzetten en proberen beter te doen, kan het, met terugwerkende kracht, nog een goed proces worden.
Voor mezelf is het dat reeds geweest, want ik heb er veel van geleerd.
Bovendien ben ik nu in het bezit van een collector’s item.
Of het al genoeg waard is om mijn boete te betalen wegens het illegaal uitoefenen van de schilderkunst durf ik te betwijfelen.
Maar ik doe het voorlopig nog niet weg.
Tenzij er natuurlijk een mooi bod zou komen, want een schrijver moet toch érgens zijn brood mee verdienen …

Advertenties