Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Maand: november, 2014

Luc De Vos

Zaterdagavond is, volkomen onverwacht, Luc De Vos gestorven.
De Gentse zanger was in Vlaanderen heel populair en dat is er ook aan te zien.
In de kranten regent het getuigenissen en in memoriams, zelfs in die mate dat ik denk: ’t zal een beetje gaan zeker!
Ik kende Luc van in de tijd toen ik nog naar televisie keek en hij te gast was in een of andere show.
Het was dan altijd lachen geblazen, want hij hing de naïeve stuntel uit die af en toe rake dingen zei, het soort dingen dat je gewoonlijk niet zegt omdat je beleefd wil blijven.
Luc was onbeleefd, maar op een ontwapenende manier.
Een speelse hond in het kegelspel.
Er zat geen kwaad in hem en dat maakte hem graag gezien bij iedereen.
Een gewone jongen.

Hij was natuurlijk géén gewone jongen, anders was hij nooit een Bekende Vlaming geworden.
Hij was een artiest, een gekwelde ziel die liedjes maakte waarin een hele generatie jonge mensen zichzelf herkende.
Ik behoor niet tot die generatie.
Ik behoor tot de generatie die is opgegroeid met de close harmony van de Beatles, de Mama’s and the Papa’s, de Beach Boys, enzovoort.
Het was de tijd toen er nog gezongen werd.
Luc De Vos zong niet.
Hij riep, hij schreeuwde.
Er was niks harmonisch aan.

Ik hou niet van geschreeuw, ik hou niet van rock ’n roll, ik heb een hekel aan lawaai.
Ik luister ook nooit naar teksten van liedjes.
Ik dateer nog van uit de tijd toen muziek muziek was en de tekst er niet toe deed.
I love you yeah yeah yeah!
Come on baby!

Daar kwam het qua lyrics zo’n beetje op neer.
Woorden waren gewoon klanken, ze betekenden niks, net als de muziek zelf.
Dat had je ook in de blues: I came home and my baby was gone …
Of in de flamenco: ik deed citroen in mijn thee, ja ik deed citroen in mijn thee.
Onnozele, nietszeggende teksten.

Nu is dat anders.
Soms lees ik wel eens een paar zinnetjes uit zo’n liedjestekst waar ik nooit naar luister en denk dan: hé, dit gaat werkelijk ergens over!
Moderne singer-songwriters schrijven eigenlijk muziek en literatuur tegelijk.
Bij Luc De Vos was dat zelfs heel duidelijk: naast zijn liedjes (waarvan de teksten al heel belangrijk waren) schreef hij ook boeken.
Ik lees in de krant dat hij zelfs een soort autobiografie heeft geschreven.
Het is duidelijk iets van deze tijd: muziek maken én schrijven.
Of schilderen én schrijven.
Het is een uiting van de zelfbewustwording van de kunstenaar.
En dat wordt toegejuicht.

Luc De Vos was populair omdat hij als artiest ook over zichzelf schreef en sprak.
En hij deed dat op een heel open en eerlijke manier.
Iedere artiest schrijft en spreekt vandaag over zichzelf en zijn kunst en de wereld waarin hij leeft.
Iedere muziekliefhebber luistert vandaag zowel naar de muziek als naar de teksten.
Iedere kunstliefhebber kijkt vandaag naar zowel de kunstwerken als naar de teksten die erover geschreven worden.
Die toenadering tussen beeld en woord of tussen muziek en woord is tegelijk ook een toenadering tussen kunstenaar en kijker of tussen muzikant en luisteraar.
En Luc De Vos was iemand die heel dicht bij zijn publiek stond.
Just one of the guys.

Op de een of andere manier heeft de moderne mens niet alleen behoefte aan de kunst van de kunstenaar maar ook aan diens bewustzijn.
Hij wil kunst niet alleen maar (gevoelsmatig) beleven, hij wil ze ook (verstandelijk) begrijpen.
Hij heeft niet meer genoeg aan het kunstwerk alleen, hij wil ook de kunstenaar zelf leren kennen.
En Luc De Vos liet zichzelf kennen, hij was als mens heel toegankelijk.
Hij was enerzijds een artiest, een Bekende Vlaming en anderzijds een heel gewone jongen zoals iedereen.
Mensen konden zich herkennen in zijn liedjes, mensen konden zich ook herkennen in hemzelf.
Jonge mensen tenminste.

Ikzelf kon dat niet.
Ik ben nog van de generatie die een scherpe grens trok tussen muziek en woord, of tussen beeld en woord, of tussen kunst en kunstenaar.
En die grens heb ik m’n hele leven gehandhaafd, tegen de stroom in.
Want die stroom ging steeds meer in de richting van het samenvloeien van beide werelden, de onbewuste wereld van het scheppen en de bewuste wereld van het oordelen.
En juist door dat samenvloeien verdween het bewustzijn van hun inherente tegenstrijdigheid, een tegenstrijdigheid die ik nooit heb kunnen en willen vergeten.

Daarom stoor ik me ook aan die stortvloed van sympathiebetuigingen voor Luc De Vos.
Want in al die – ongetwijfeld oprechte – waardering verliest men de grens uit het oog die Luc De Vos zo graag wilde overschrijden: de grens tussen fictie en werkelijkheid.
Hij kwam uit de harde werkelijkheid van een arbeidersgezin en vond dat vreselijk.
Hij verlangde hevig naar de culturele en artistieke sfeer van de stad.
Maar toen hij er eindelijk in slaagde die stap te zetten, ging hij zich gedragen als … een eenvoudige volksjongen.
Waar hij ook verscheen, hij was gekleed in afgedragen jeans en t-shirt, zijn ‘arbeidersuniform’.
Het was een beeld van zijn gespletenheid.
Innerlijk verafschuwde hij zijn afkomst, uiterlijk droeg hij ze als een ereteken.
En dat werd ‘authentiek’ genoemd.
Luc De Vos werd geliefd omdat hij zo echt was.

Maar die echtheid was een schijn-echtheid.
Luc De Vos spéélde de eenvoudige volksjongen die overal zichzelf blijft.
In werkelijkheid was hij een overtuigde culturo die – zoals alle culturo’s tegenwoordig – al het eenvoudige en volkse diep verafschuwt.
In een van zijn laatste interviews geeft hij stevig af op het platte, domme Vlaanderen, op Bart De Wever en op rechts, precies zoals het hoort als je tot de culturele wereld wilt behoren.
Luc De Vos deed maar alsof hij een eenvoudige volksjongen was, het was een gimmick, een imago.
Maar tegelijk wás hij ook de eenvoudige volksjongen die hij met zoveel overtuiging speelde.
Dat was de paradox: hij was de speler én zijn rol.
Hij speelde dat hij zichzelf was.

Daarom was hij ook zo populair: moderne jonge mensen herkennen in hem hun eigen gespleten en gekwelde ziel.
Maar die herkenning is niet bewust.
Ze brengt hen niet tot het besef van hun eigen gespletenheid.
Het zet hen niet aan om daar iets aan te doen.
Nee, ze juichen die gespletenheid eigenlijk toe.
Onbewust denken ze: Luc De Vos is cool, dus gespleten-zijn is cool.
En zo ontstaat er een (jongeren)cultuur die de innerlijke gespletenheid tot een ideaal verheft.
Een cultuur waarin iedereen angstvallig hetzelfde doet en toch overtuigd is heel anders te zijn dan de anderen.
Een cultuur die zwelgt in het materialisme maar zichzelf heel maatschappijkritisch vindt.
Een cultuur die heel beschaafd en intellectueel is, maar op popconcerten de beest uithangt.
Het is de cultuur die ik heb zien ontstaan, een cultuur van rijkeluiskinderen die zich solidair verklaren met de arbeiders die ze minachten.
Het is de cultuur die intussen is uitgegroeid tot de huidige politiek-correcte cultuur, die in naam van de gelijkheid de mensheid opdeelt in goede en slechte mensen.

Al die lofprijzingen aan het adres van Luc De Vos vergroten alleen maar de kloof die de wereld vandaag in twee deelt.
Ik zie een stoet van Bekende Vlamingen die een andere Bekende Vlaming bewieroken.
Ik zie een wereldje dat zo vol is van zichzelf dat het geen moment denkt aan hoe al die onderlinge liefde moet overkomen op mensen die niet tot dat wereldje behoren.
Want die mensen voelen steeds duidelijker dat al die liefde slechts de keerzijde is van haat.
Ze worden namelijk steeds openlijker geminacht door het artistieke en culturele wereldje.
En dat gebeurt dan ook nog eens in hun naam.
Ze zien een Luc De Vos die eruitziet zoals zij zelf – een doodgewone jongen – maar die niettemin tot een heel andere wereld behoort, een wereld die niks van hen moet weten.

Ik twijfel er niet aan dat al die loftuigingen in de krant oprecht en gemeend zijn.
En toch zijn ze ook schijnheilig.
Het zijn loftuigingen die tegelijk beledigingen zijn, juist door de onderliggende gespletenheid die maar niet tot het moderne bewustzijn doordringt.
Ik twijfel er niet aan dat Luc De Vos een sympathieke kerel was die het allemaal heel goed bedoelde.
Ik zou zelfs graag eens een gesprek met hem gevoerd hebben.
Ik zou hem dan gevraagd hebben naar de echte Luc De Vos, de man achter het rock ’n rollmasker, de man achter het volksjongensmasker.
En ik denk dat hij blij zou zijn geweest met die vraag.
Ik denk dat hij wachtte op die vraag, de vraag waar de hele gespleten mensheid op wacht.
Ja, misschien is hij wel gestorven omdat hij niet langer kon wachten.

Kunst en maatschappijkritiek

‘Kunst is maatschappijkritiek’, zo toeteren alle kunstpausen, kunstintendanten, kunsttheoretici en andere kunstmensen ons dagelijks in de oren.
En wij geloven dat.
Wij stellen ons daar geen vragen bij.
Ja natuurlijk, denken we, kunstenaars zijn rebellen, dwarsliggers.
Ze gaan tegen de stroom in, ze zijn de luizen in de pels van de maatschappij.
We hebben hen nodig om wakker te blijven, om niet vast te roesten.

O ja?

Laten we eens kijken naar echte maatschappijkritiek.
Laten we eens kijken naar Bart De Wever.
Dat is nu eens een voorbeeld van een luis in de pels, een dwarsligger, iemand die tegen de stroom in gaat.
Hij probeert zowat in zijn eentje de koers die ons land vaart te verleggen van links naar rechts, en daarbij strijkt hij talloze mensen tegen de haren in.
Juichen wij deze man toe?
Bewonderen wij zijn lef, zijn dwarsheid, zijn rebelse karakter?
Belonen wij zijn maatschappijkritiek met prijzen, onderscheidingen en adellijke titels?

Natuurlijk niet.
We ergeren ons blauw, we zijn in alle staten.
We zetten het hele land op z’n kop.
Want we hebben een ontzettende hekel aan dwarsliggers.
We verdragen het niet dat mensen fundamenteel anders denken dan wij.
Daar gaan we helemaal van uit ons dak.

En dan zouden we de maatschappijkritiek van de kunst bewonderen?

De waarheid is dat we die kritiek helemaal niet ernstig nemen.
Maatschappijcritici die gesubsidieerd en geprezen worden door … de maatschappij?
Kom nou!
Maar we spelen het spelletje mee.
We staan met een ernstig gezicht te kijken naar een half paard, een hoop oude schoenen of wat conserven op een rek, en we denken: wow, dát is nog eens maatschappijkritiek!
We lezen in een catalogus wat Luc Tuymans bedoeld heeft met zijn fletse schilderijen, en we denken vol ontzag: amai, die kerel durft nogal!
Daarna stappen we weer de echte wereld in, en ergeren ons dood aan Bart De Wever.
Kon die verdomde vent de dingen niet laten zoals ze zijn!
Moest hij zo nodig zijn maatschappijkritiek in de praktijk brengen?
Kon hij niet doen zoals die Hedendaagse kunstenaars?

Nee, in de wereld van de kunst doen we precies het omgekeerde als in de echte wereld.
Hier bewonderen we dwarsliggers, daar verketteren we ze.
Hier zwijgen we eerbiedig, daar schelden we als viswijven.
Hier voelen we ons goed, daar voelen we ons slecht.
Hier betalen we grof geld, daar draaien we iedere euro om.
Hier applaudisseren we voor alles, daar zijn we verontwaardigd over alles.
Enzovoort.
We trekken een scherpe grens tussen de schijn van de kunst (die we als een spelletje beschouwen) en de werkelijkheid van de wereld daarbuiten (die we als harde realiteit ervaren).
Wat er in de schijnwereld van de kunst gebeurt, daar trekken we ons niks van aan.
Wat er in de werkelijkheid gebeurt, daar liggen we ’s nachts wakker van.

Vroeger was dat wel even anders.
De kunst van de oude Grieken bijvoorbeeld maakte deel uit van de Griekse werkelijkheid en speelde daar een belangrijke rol in.
Iedere Griekse boer kende zijn Homerus en de Griekse tragediën waren een bijna religieus ritueel dat massaal werd bijgewoond en een diepe invloed had op de Griekse ziel.
De hedendaagse kunst daarentegen is niet meer dan wat entertainment voor een elite die applaudisseert voor alles wat ze voorgeschoteld krijgt.
En het grote publiek trekt er zich nog veel minder van aan.
Nee, kunst heeft in onze tijd helemaal niks meer te betekenen.
Werd onze beschaving geboren in een cultuur waar kunst nog heilig was, dan gaat ze nu ten onder in een cultuur waar kunst gereduceerd is tot een gezelschapsspelletje of een middel om geld te verdienen.
Als er vandaag gesproken wordt over de wereldproblemen dan gebeurt dat altijd in termen van religie of wetenschap, nooit in termen van kunst.
Niemand neemt de kunst nog ernstig, ook niet degenen die haar bewonderen, voorál niet degenen die haar bewonderen.
Dat is de tragedie van onze tijd.

Het is wellicht te laat om onze beschaving nog te redden, maar laten we het toch eens proberen.
Laten we eens dwars liggen en tegen de stroom in roeien.
Laten we de kunst ernstig nemen, even ernstig als de werkelijkheid.
Ja, laten we doen als de oude Grieken en kunst beschouwen als een essentieel onderdeel van de wereld waarin we leven.
Is dat trouwens niet wat de kunst zelf wil wanneer ze zichzelf bestempelt als maatschappijkritiek?
Welaan dan, laten we die wil voor de verandering eens respecteren.

Wat houdt dat in?

Wie iemand ernstig neemt, gelooft wat hij zegt, zeker wanneer hij niet ophoudt het steeds weer te heralen.
We moeten de Hedendaagse Kunst dus geloven wanneer ze beweert een maatschappijkritiek te zijn.
Dat houdt in dat de hedendaagse kunstenaar een criticus is geworden.
En dat is nieuw.
De traditionele kunstenaar was helemaal geen criticus, verre van zelfs.
Soms zat er wel eens wat maatschappijkritiek verwerkt in zijn kunst, maar die bleef altijd ondergeschikt aan zijn hoofddoel: schoonheid scheppen.
Naarmate de kunst moderner en realistischer werd, verdween zelfs het laatste spoor van kritiek: het impressionisme was een ode aan de werkelijkheid-zoals-ze-was.
Monet, aldus Zola, was niets anders dan een oog.
En ogen zijn per definitie NIET kritisch.

Het maatschappijkritische karakter van de Hedendaagse Kunst wijst dus op een ingrijpende verandering.
De kunstenaar kijkt niet enkel meer naar de werkelijkheid, hij oordeelt er ook over.
Hij verplaatst zich als het ware in de toeschouwer en kijkt met diens oordelende (en dus innerlijke) ogen.
Dat zijn geen loze woorden.
De hedendaagse kunstenaar is inderdaad iemand die zich zeer bewust is van zijn wereld en van wat hij daarin doet.
Hij zich er zich vragen over, hij denkt erover na.
Vaak heeft hij een uitgesproken visie op de maatschappij, op zijn kunst en op de kunst in het algemeen.
Hij communiceert uitgebreid over die visie want ze maakt deel uit van zijn werk.
Het is de logische consequentie van een kunstenaar die tegelijk criticus is: zijn werk en zijn kritiek vormen één geheel, ze kunnen niet van elkaar worden gescheiden.
Wie bijvoorbeeld wel naar de kunstwerken van Joseph Beuys zou kijken maar niet naar zijn visie op kunst en samenleving, die heeft zijn werk niet gezien.
Dat geldt voor alle hedendaagse kunstenaars: men moet ze als kunstenaar én als criticus zien, anders ziet men ze helemaal niet.
En dat is toch wat een kunstenaar wil: gezien worden?

Hoe doen we dat: kijken naar Hedendaagse Kunst?

Wel, gewoon zoals iedereen dat doet: door naar het werk te kijken en de bijbehorende uitleg te lezen.
Niemand gaat nog naar kunst kijken zonder zich te informeren, zonder te lezen over de kunstenaar, zonder naar hem te luisteren.
Dat was vroeger heel anders.
Kunst was weggelegd voor een kleine elite die beschikte over de tijd en de middelen om zich te omringen met kunst. Maar die elite wilde niks te maken hebben met de kunstenaars zelf. Die behoorden namelijk tot een heel andere sociale klasse: die van de handarbeiders.
De kunstliefhebbers maakten dus een scherp onderscheid tussen het kunstwerk en zijn maker.
Het eerste bewonderden ze, de laatste minachtten ze.
Vandaag is dat helemaal anders geworden.
Juist doordat de kunstenaar criticus is geworden, is hij naast de kijker komen staan en kijken ze bij wijze van spreken samen naar de wereld en naar de kunst.
De eertijds zo strenge sociale grenzen zijn opgeheven.

Dat heeft echter ook tot gevolg dat de oude ‘elitaire’ luxe van het louter toeschouwer-zijn niet meer weggelegd is voor de moderne kijker.
Hij kijkt niet meer alleen (en van geen mens gestoord) naar kunst, hij kijkt samen met de kunstenaar, hij kijkt door diens ogen.
En dat betekent dat hij zelf kunstenaar is geworden: Jeder Mensch eind Künstler.
Door criticus te worden heeft de kunstenaar de grens tussen hemzelf en de kijker overschreden.
Als de kijker hem echt ernstig wil nemen, dan moet hij hetzelfde doen en eveneens over die grens gaan.
Zoals de hedendaagse kunstenaar met de ogen van een criticus kijkt, zo moet de hedendaagse kijker met de ogen van een kunstenaar leren kijken.

Wat houdt dat in?

Het houdt in dat we het kunstwerk en de bijbehorende kritiek of toelichting als één geheel proberen te zien. Dat is namelijk wat een kunstenaar doet: geest en materie met elkaar verbinden.
Dat zijn opnieuw geen loze woorden.
De kijker die op de oude manier naar hedendaagse kunst wil kijken – louter als toeschouwer dus – komt van een kale reis thuis.
Als hij bijvoorbeeld de pispot van Duchamp op dezelfde manier bekijkt als een impressionistisch schilderij, dan ziet hij helemaal geen kunst, dan ziet hij alleen maar een … pispot.
Hedendaagse kunst die met klassieke ogen wordt bekeken, veroorzaakt een kortsluiting bij de kijker.
Hij ziet niets meer.
Hij staat nu voor de keuze: blijft hij zijn oude ogen gebruiken of gaat hij met nieuwe, kunstzinnige ogen kijken?
In het eerste geval rest hem niets anders dan de hedendaagse kunst de rug toe te keren want het heeft geen zin om in het duister te blijven ronddwalen.
In het tweede geval moet hij zelf licht ontsteken in die duisternis: hij moet uit dit ‘niets’ iets scheppen, precies zoals een kunstenaar dat doet.

Een en ander verklaart waarom Hedendaagse Kunst zo weinig succes heeft bij het grote publiek: het is niet voor iedereen weggelegd om kunstenaar te worden.
Dat vereist een grote en blijvende toewijding.
Het vereist ook een bindende keuze, want kunstenaar worden is geen job, het is een roeping.
In die zin is het juist om van een kunstkerk te spreken.
Doordat de kunstenaar ‘over de grens’ gaat, krijgt zijn werk religieuze dimensies.
In een materialistische tijd als de onze deinzen de meeste mensen daar natuurlijk voor terug.
Voorlopig is het alleen een kleine avant-garde die de stap over de drempel kan zetten.

Even resumeren: de Hedendaagse Kunst heeft een enorme stap gezet, de stap over de grens tussen kunst en kritiek.
De kunstenaar is criticus geworden en nodigt met zijn werk de kijker uit dezelfde stap te zetten en op zijn beurt kunstenaar te worden.
Voorlopig slaagt slechts een kleine minderheid daarin: een voorhoede die uit het ‘niets’ een geheel nieuwe kunst schept, een ‘sociale’ kunst, gebaseerd op de samenwerking tussen kunstenaar en kijker.
Tot zover is alles nog begrijpelijk.

Maar nu komt de kink in de kabel.

Want zo zeker als het is dat zowel kunstenaar als criticus de grens tussen beiden overschrijden, zo zeker is het ook dat die grens volkomen intact is gebleven en zelfs nog scherper wordt getrokken dan voorheen.

De hedendaagse kunstenaar werkt nog altijd in zijn atelier en stelt daarna zijn werk tentoon.
De hedendaagse kunstliefhebber gaat nog altijd naar die tentoonstelling kijken en probeert zich een oordeel te vormen over de kunstwerken.
Alhoewel.
Dat laatste klopt niet echt meer.
Vroeger kon de kijker zich een oordeel vormen door de kunstwerken met elkaar te vergelijken.
Op die manier kon hij onderscheid maken tussen goed en slecht.
Vandaag is dat niet langer mogelijk omdat Hedendaagse kunstwerken niet langer dezelfde, zichtbare werkelijkheid afbeelden.
Ze vormen nu allemaal afzonderlijke, unieke werkelijkheden waarover de kijker niet meer kan oordelen omdat hij geen vergelijkingsmateriaal heeft.
De enige manier waarop hij nog toegang kan krijgen tot deze kunstwerken is door de begeleidende uitleg van de kunstenaar.

Maar dat maakt hem meer nog dan vroeger tot een passieve toeschouwer, iemand die zelfs geen oordeel meer vormt over wat hij ziet.
De kunstenaar van zijn kant is meer dan ooit degene die de touwtjes in handen heeft.
Hij schept niet alleen de kunstwerken, hij vertelt de kijker ook nog eens wat hij er moet van vinden.
En hier wordt de kink in de kabel pas goed duidelijk.
De kunstenaar gaat over de grens, maar hij duldt niet dat de kijker hem volgt.
Integendeel, hij wijst hem streng terug.
De kunstenaar is wel bereid in gesprek te treden met de kijker, maar dat gesprek moet eenrichtingsverkeer blijven.
Nooit mag de kijker oordelen over zijn werk, laat staan eraan meewerken.
Het moet heel duidelijk zijn wie de meester is en wie de leerling.
De hedendaagse kunstenaar gedraagt zich als een orakel of als een ingewijde: er mag alleen gekeken en geluisterd worden, er mag niets gezegd of gedaan worden.

Dat is een terugkeer naar het verre verleden, want vòòr de Grote Grensoverschrijding stond het de kijker vrij om te oordelen over de kunstwerken die hij te zien kreeg.
En van die vrijheid maakte hij ook gebruik.
Hij spaarde de kunstenaar zijn kritiek niet en deze laatste was er dan ook vaak doodsbang voor.
De impressionisten hadden hun gezicht echt niet moeten laten zien op hun eerste tentoonstellingen: ze zouden er niet zonder kleerscheuren vanaf zijn gekomen.
Er zijn ook verhalen genoeg over toneelspelers en operazangers die tomaten of eieren naar hun hoofd kregen als het publiek niet tevreden was.
Dergelijke taferelen zijn gewoon ondenkbaar in de Hedendaagse Kunst.
Hier heerst een plechtige sfeer van diepe ernst, als in een kerk tijdens een misviering.
En wee degene die deze plechtigheid zou durven verstoren!

Dit zijn opnieuw geen loze woorden.
Ze beschrijven een realiteit die iedereen kent, of tenminste zou kùnnen kennen als hij werkelijk belang stelde in Hedendaagse Kunst.
Maar dat is het nu net: niemand stelt genoeg belang in Hedendaagse Kunst om tot de vaststelling te komen dat ze één grote contradictie is.

Enerzijds nodigt ze de kijker uit om kunstenaar te worden, anderzijds dwingt ze dezelfde kijker tot volkomen passiviteit.
Enerzijds gaat ze over de grens tussen kunstenaar en kijker, anderzijds belet ze de kijker hetzelfde te doen.
Enerzijds is ze zowat de belichaming van maatschappijkritiek, anderzijds duldt ze zelf geen enkele kritiek.
Enerzijds wil ze weer deel uitmaken van de samenleving, anderzijds sluit ze er zich hermetisch voor af.
Enerzijds noemt ze zich hedendaags en actueel, anderzijds ademt ze de sfeer uit van de oude mysterietempels.
Enerzijds doet ze er alles aan om begrepen te worden, anderzijds spreekt ze een taal die geen mens begrijpt.
Enerzijds gaat ze prat op haar status als kunst, anderzijds noemt ze zichzelf een anti-kunst en wil ze de kunst afschaffen.
Enerzijds doet ze er alles aan om de goegemeente te choqueren, anderzijds is ze gechoqueerd als die goegemeente zelfs maar in de richting van haar subsidies kijkt.
Enerzijds beweert ze een heroïsche strijd te voeren tegen het establishment, anderzijds schurkt ze zich aan tegen alles wat macht en geld heeft.
Enzovoort, enzovoort.
Het rijtje is eindeloos.

De Hedendaagse Kunst is de vleesgeworden contradictie.
Als we haar echt ernstig willen nemen, dan moeten we deze tegenstrijdigheid onder ogen zien.
En daarin staan we alleen, want noch haar bewonderaars noch haar verguizers doen dat.
De eersten maken gewoon deel uit van de paradox en zijn er zich niet van bewust.
De laatsten verklaren hem tot onzin en keren er zich vanaf.
Alleen wie de kunst echt liefheeft, ziet haar gespletenheid onder ogen.
Hij stelt de vraag naar haar lijden, naar de diepe wonde waar niemand wil naar kijken.

(wordt vervolgd)

Cultureel erfgoed onder water

Een lezer stuurt me, in reactie op een oud blogbericht, volgend stukje wetsproza dat ik niet tussen de bomen van mijn bos wil laten verdwijnen.
Ik heb niet gecontroleerd of het werkelijk in het Belgisch Staatsblad is verschenen, maar het is zo krankzinnig dat het wel waar moet zijn.

Het Belgisch Staatsblad 27/11/2014

30 SEPTEMBER 2014. – Ministerieel besluit betreffende de bescherming van het houten scheepswrak voor de kust van Oostende als cultureel erfgoed onder water

De minister van Noordzee,

Gelet op de wet van 4 april 2014 betreffende de bescherming van het cultureel erfgoed onder water, artikel 8, § 1, tweede lid;
Gelet op het onderzoeksrapport van de ontvanger van het cultureel erfgoed onder water;
Overwegende dat het houten scheepswrak op positie 51° 14.468′ N en 02° 55.231′ O voor de kust van Oostende vermoedelijk is gezonken in de 19e eeuw;
Overwegende dat het een zeilschip betreft uit een periode dat de haven van Oostende een grote rol speelde als internationale haven;
Overwegende dat in de 18e en 19e eeuw verschillende scheepsrampen zijn gebeurd ten oosten en ten westen van de havendam;
Overwegende dat het wrak in een opmerkelijk goede staat is bewaard en dat bijkomende maatregelen nodig zijn om een effectieve bewaring te garanderen;
Overwegende dat de juiste identiteit van het wrak nog niet vaststaat en dat bijkomende onderzoeken nodig zijn;
Overwegende dat het wrak voldoet aan de definitie van cultureel erfgoed onder water,
Besluit :
Artikel 1. Het scheepswrak op positie 51° 14.468′ N en 02° 55.231′ O is cultureel erfgoed onder water.
Brussel, 30 september 2014.

J. VANDE LANOTTE

De moderne aflaat

Kunst is maatschappijkritiek.
Alle kunstpausen en -pausinnen zeggen het.
Alle kunstenaars beamen het.
Alle verzamelaars vinden het geweldig.
En niemand die daar moet om lachen …

Het heeft iets van absurd theater om mensen als Jan Hoet, Gerard Mortier, Frie Leysen, Jan Fabre, Luc Tuymans enzovoort, mensen dus die zich bewegen in de hoogste kringen, die kind aan huis zijn bij koningen en koninginnen, die de spreekbuis zijn van kunsthandelaren en ander steenrijk volk, om die mensen hartstochtelijk te horen vertellen over hun heroïsche strijd tegen het establishment.
Onlangs ontving Frie Leysen – onverschrokken voorvechtster van de podiumkunsten – de Erasmusprijs, ten bedrage van 150.000 euro, uit handen van de Nederlandse koning en koningin.
Haar dankwoord was een scherpe kritiek op het land van de koning en de koningin, die daar op hun beurt voor dankten met een stralende glimlach en een warm applaus.
O wat houden ze van maatschappijkritiek, de rijken en machtigen der aarde!
Ze kunnen er maar niet genoeg van krijgen.
Ze zijn bereid er fortuinen voor te betalen.

Hoe valt deze schaamteloze vaudeville te verklaren?
Heel eenvoudig eigenlijk.
Men spreekt niet voor niets over een kunstkerk en over kunstpausen.
Wat die kunstkerk vandaag doet, is precies hetzelfde wat haar voorganger, de katholieke kerk, in de Middeleeuwen deed: fortuinen verdienen met de handel in … aflaten.
De Hedendaagse Kunstkerk is niets anders dan een gigantische aflatenfabriek.
Zij schenkt de rijken en machtigen dezer aarde kwijtschelding van zonden zodat ze ongestoord rijkdom en macht kunnen blijven verzamelen.
Het enige wat ze hoeven te doen, is Hedendaagse Kunst kopen.
Want daarmee steunen ze de geestelijke wereld.
Daarmee doen ze boete.

Boete is geen boete als het geen pijn doet.
Daarom is Hedendaagse Kunst schabouwelijk duur.
Daarom is Hedendaagse Kunst ook choquerend, misselijk makend, weerzinwekkend.
Daarom is Hedendaagse Kunst ten slotte maatschappijkritiek, dat wil zeggen kritiek op degenen die de maatschappij instandhouden: de rijke kunstverzamelaars.
Zij zijn het die boete willen doen.

Waarom voelen al die rijkelui zich zo zondig?
Wel, sinds pakweg 1900 gaat de mensheid over de drempel van de geestelijke wereld.
Dat weet ze natuurlijk niet, zodat de hele zaak een onbewuste uitwerking heeft.
De belangrijkste uitwerking is misschien wel dat de moderne mens zich schuldig voelt: de geest werpt licht op zijn zwarte ziel en dat wekt in hem de drang tot boetedoening.
Omdat niets van dat alles tot zijn bewustzijn doordringt, vermengt deze drang tot boetedoening zich met zijn drang om geld en macht te verzamelen.

En precies daar speelt de aflatenfabriek van de kunstkerk op in.
Ze biedt de rijkelui de kans om én hun zwarte ziel én hun zwart geld wit te wassen.
Ze biedt hen de kans om pijnlijk veel geld uit te geven aan rommel, rommel die echter nog in waarde kan toenemen en later met winst verkocht worden.
Ze biedt hen de kans zich bloot te stellen aan striemende kritiek en daardoor een onkreukbaar imago te verwerven.
Ze biedt hen met andere woorden de kans om goederen te kopen die tegelijk materiële én geestelijke winst opleveren.
Wat wil een rijk mens nog meer?
De Hedendaagse Kunst is het beste van twee werelden: de materiële wereld en de geestelijke wereld.
En hij hoeft er niks voor te doen dat hij al niet doet: geld beleggen, winst maken.
Het is het kapitalisme tot kunst verheven.

De hedendaagse kunstkerk is de schepper van een materialistische spiritualiteit of van een spiritueel materialisme.
Ze voorziet de moderne mens van aflaten zodat hij over de drempel van de geestelijke wereld kan gaan zonder ook maar iets van zijn materialistische gezindheid op te geven.
Aflaten waren in oorsprong nochtans een spirituele aangelegenheid: ze toonden de zondige mens hoe hij zijn ziel weer wit kon wassen door middel van boetedoening, geestelijke oefeningen, bedevaarten, gebed, enzovoort.
Maar gaandeweg werden deze aflaten ‘gematerialiseerd’: ze werden tot waardepapieren die gekocht konden worden, zonder een greintje geestelijke inspanning.
De christelijke leer werd aldus verzoend met het groeiende materialisme.
Vandaag is het niet anders.
De kunstkerk volgt het voorbeeld van haar moeder: ze verleent spirituele legitimiteit aan het hedendaagse materialisme.

Er is altijd een nauwe relatie geweest tussen religie en kunst.
De kunst was lange tijd een soort verlengstuk van de kerk.
Net als de aflaten van de kerk vergde de kunst een geestelijke inspanning: de kijker moest zich overgeven aan het kunstwerk, hij moest er zijn ziel voor openstellen, zodat de geest van het kunstwerk die ziel kon binnendringen en haar zuiveren.
We kennen het begrip catharsis van de Griekse tragedies.
De regelmatige opvoeringen van deze toneelstukken werden massaal bijgewoond als waren het zondagse eucharistievieringen.
Ze bewerkten bij de toeschouwer een zuivering van de ziel, die (tijdelijk) een ander mens van hem maakte.
Het kostte de oude Grieken geen moeite om intens mee te leven met deze toneelstukken.
Het lag in hun nog kinderlijke aard om deze tragedies innerlijk na te bootsen.

Maar de mens werd langzaam volwassener en ontwikkelde het vermogen om afstand te nemen.
Zijn kinderlijke overgave maakte plaats voor bewust oordelen.
Ten slotte lukte het hem niet meer om zich nog over te geven en contact te maken met de geest van het kunstwerk.
Dat was het moment waarop de kunst helemaal schijn werd: een zinloos ritueel waarvan niemand nog de betekenis begreep.
Maar het was tegelijk het moment waarop de mens ‘over de drempel’ ging en diep in zijn onderbewuste weer contact maakte met de geestelijke wereld.
De geest die hij er langs de voordeur had uitgejaagd, kwam langs de achterdeur weer naar binnen.

Het resultaat van die (onbewuste) vermenging van schijn en werkelijkheid is de moderne aflatenhandel van de hedendaagse kunstkerk.
De koper weet niet dat hij waardeloze rommel koopt omdat hij niet weet dat het eigenlijk aflaten zijn.
En de kunstenaar weet om dezelfde reden niet dat hij de koper bedriegt.
Beiden bedriegen elkaar omdat ze zich niet bewust zijn van de vermenging van artistieke schijn en geestelijke werkelijkheid.
En samen voeren ze een tragi-komedie op die alleen te begrijpen is als we zien hoe spiritualiteit en materialisme hier op een perverse manier met elkaar verweven zijn.

De geboorte van de kunst

Tom Naegels schreef onlangs een scherpe kritiek op de kunstsector.
Hij verweet haar kritiek te hebben op alles en iedereen maar zelf geen enkele kritiek te verdragen.
Het was de nagel op de kop.
Dat de hedendaagse kunstwereld kritisch is, kan niet ontkend worden.
Kunstenaars die geen maatschappijkritische visie ontwikkelen, worden niet voor vol aanzien.
Ze moeten de samenleving wakker schudden, op haar fouten wijzen, een geweten schoppen, anders zijn het geen kunstenaars.
Kunst is immers maatschappijkritiek.
Deze algemeen aanvaarde visie maakt het echter onmogelijk om nog kritiek te hebben op de kunst, want dat zou betekenen dat men de kritische houding zelf in vraag stelt.
Vandaar dat kritiek op de kunstwereld zo goed als onbestaande is.
Artikels zoals dat van Tom Naegels zijn een grote zeldzaamheid.
Ze worden als onfatsoenlijk beschouwd en zoveel mogelijk genegeerd.

De hedendaagse kunstwereld is boven alle kritiek verheven.
Ze doet wat ze wil en wie daar niet akkoord mee gaat, wordt afgedaan als een cultuurbarbaar.
Deze beschuldiging is voldoende om iedereen de mond te snoeren, want om de een of andere reden wil de moderne mens onder geen beding bestempeld worden als iemand die ongevoelig is voor kunst en cultuur.
Hij wil kost wat kost gezien te worden als een beschaafd en gecultiveerd mens.
Alles wat laag-bij-de-gronds is wekt zijn diepe afkeer en verontwaardiging op.
Zijn drang naar ‘het hogere’ en ‘het betere’ is zelfs zo groot dat hij bereid is om te applaudisseren voor alles wat de kunstwereld hem voorschotelt.

Kunst heeft in onze moderne wereld onmiskenbaar de rol van de religie overgenomen.
Zij vertegenwoordigt vandaag het streven van de mens om zichzelf en de wereld waarin hij leeft te verbeteren en te verheffen.
Ze houdt hem een spiegel voor waarin hij zijn ‘betere zelf’ herkent.
Plus est en vous.
Dat is wat de kunst hem toont, waar ze hem aan herinnert.
Ze is een schepping van zijn ‘hogere zelf’, ze weerspiegelt het en wekt het op.
We kunnen aan de kunst dan ook aflezen hoe dit hogere zelf te werk gaat.

Om te beginnen sluit het zich af van de wereld, het schept een vrije ruimte waar het ongestoord kan werken aan een betere wereld.
Deze veilig afgesloten kunstwereld is als een baarmoeder waar een nieuwe wereld gestalte krijgt in tal van kunstwerken.
Hoe die kunstwerken ontstaan, daar heeft buitenwereld geen weet van en dat is maar goed ook, want het scheppingsproces is zo kwetsbaar dat het geen inmenging verdraagt.
Het is dus aan de scheiding tussen kunst en werkelijkheid te danken dat er überhaupt kunst kan ontstaan.
Daarom accepteert de buitenwereld ook dat er in haar midden een duistere, ontoegankelijke ruimte bestaat, want ze weet dat hier de beelden worden geschapen van de betere wereld waar ze zo naar verlangt.

Ze leeft ten aanzien van de kunstwereld dus ‘in blijde verwachting’.
Maar dat wil niet zeggen dat de zwangerschap haar niet zwaar valt.
Net als kinderen hebben kunstenaars de neiging om nergens rekening mee te houden en alle aandacht voor zich op te eisen. Voor de hardwerkende mens is dat gedrag soms zwaar te verteren en hij leeft dan ook in een haat-liefdeverhouding met de kunstenaar: hij houdt wel van diens werk maar niet van de maker.
Al sinds de oudheid is de belangstelling voor kunst omgekeerd evenredig met de belangstelling voor de kunstenaar, en in de moderne tijd is die tweespalt alleen maar groter geworden.
In de 19de eeuw wordt de kunstenaar zelfs een marginaal, een outcast.
De vele schrijnende kunstenaarsbiografieën uit deze tijd illustreren dat.

Maar dan breekt de 20ste eeuw aan.
De grote kloof tussen de kunstenaar en zijn werk verandert in een al even grote identificatie.
Was het vroeger alleen het kunstwerk dat de grens tussen kunstwereld en buitenwereld overschreed, dan gaat de kunstenaar nu mee over de grens.
Hij komt nu naast zijn werk staan en verklaart wat hij ermee bedoeld heeft.
Anders gezegd, de kunst wordt geboren.
Moeder en kind staan samen in the picture.
De scheiding tussen kunst en werkelijkheid is opgeheven.
De baarmoeder is niet nodig meer.

De gevolgen van deze drempeloverschrijding worden meteen duidelijk.
Het ene moment produceert de kunst nog tekeningen, schilderijen en beeldhouwwerken zoals ze dat altijd heeft gedaan, het volgende moment stelt ze … een pispot tentoon.
De kunst heeft een ingrijpende transformatie ondergaan: ze is niet langer fictie, ze is werkelijkheid.
De pispot van Marcel Duchamp is niet afkomstig uit het atelier van een kunstenaar maar uit een fabriek die nuttige gebruiksvoorwerpen maakt.
De overgang is echter zo bruusk dat het een wansmakelijke grap lijkt.
Zo wordt Duchamps pispot aanvankelijk ook opgevat, maar algauw blijkt dat het hier wel degelijk gaat om de geboorte van een nieuwe kunst.
Ze krijgt de naam Hedendaagse Kunst en wordt officieel erkend als de wettige opvolger en erfgenaam van de Oude Kunst.
In die hoedanigheid verovert ze dan de hele wereld, zoals we dat mogen verwachten van een pasgeborene.
De moeder – de ‘hedendaagse’ kunstenaar – is natuurlijk in de wolken.
Hij voelt zich deel van de voorhoede – de avant-garde – van een geheel nieuw tijdperk, een tijdperk waarin de kunst niet langer in het verborgene van een atelier – in de baarmoeder van een kunstwereld – zal werken, maar in de volle openbaarheid.
Hij er dan ook van overtuigd dat de echte kunst pas met hem begint en dat de kunstenaars uit het verleden slechts voorlopers waren, wegbereiders.
Alles wat voor kwam, was niet meer dan voorbereiding, zwangerschap.

De geboortemetafoor werpt een verhelderend licht op de gebeurtenissen in de wereld van kunst en cultuur.
Tegelijk maakt ze duidelijk dat er iets niet klopt.
Als de kunst werkelijk geboren is, dat wil zeggen als haar scheppende wezen niet langer werkzaam is in de afgeslotenheid van een kunstwereld maar in de openbaarheid van het gewone leven, hoe komt het dan dat de Hedendaagse Kunst hermetischer is dan ooit?
Een pasgeboren kind is één en al openheid en toegankelijkheid.
Het heeft geen uitleg nodig, het spreekt voor zichzelf.
Het doet dat zelfs op zo overtuigende wijze dat men van heinde en verre komt om het te begroeten en bewonderen.
Zijn aantrekkingskracht staat in schril contrast met het afstotende karakter van de Hedendaagse Kunst.
Hoewel de markt overspoeld wordt met boeken die uitleggen waarom de Nieuwe Kunst zo geweldig is, krijgt dit ‘kind’ bitter weinig aandacht.
Afgezien van een kleine groep fanatieke ‘familieleden’, toont het grote publiek geen enkele belangstelling. Als het al iets toont dan is het onverschilligheid en afkeer.
Die afkeer is trouwens wederzijds.
De Hedendaagse Kunst stelt zich zeer afwijzend op tegenover de wereld waarin zij terecht is gekomen.
Verre van zich te willen integreren in die wereld, ziet ze het als haar taak om hem terecht te wijzen, om hem het vuur aan de schenen te leggen, om hem uit te dagen en te confronteren.
En ze gaat daar zeer ver in.
Haar gedrag is vaak choquerend, om niet te zeggen weerzinwekkend.

Het is – opnieuw – een heel ander beeld dan de totale overgave en liefde die we bij een pasgeboren kind aantreffen.
En zo zouden we nog een tijdje door kunnen gaan.
De tegenstelling tussen een pasgeboren kind en de pasgeboren kunst is zo groot dat de vraag rijst of we wel mogen spreken van een geboorte.
Gaat het hier niet om een gebeurtenis die voorgeeft de geboorte van de kunst te zijn, maar in werkelijkheid het omgekeerde is?
Was de pispot van Duchamp niet een doordringen van de concrete werkelijkheid in de wereld van kunst in plaats van omgekeerd?
Tenslotte staat die beroemde pispot nog altijd in een museum.
En de hele Hedendaagse kunst speelt zich meer dan ooit af in een exclusieve kunstwereld waar gewone stervelingen nooit komen.

Zou het niet veel juister zijn om te spreken van een verkrachting in plaats van een geboorte?
De Hedendaagse Kunst ziet er alleszins uit als de Oude Kunst die gebrutaliseerd, verminkt, vernederd en belachelijk gemaakt is.
Er is uit de kunstwereld geen kinderlijk onschuldige geest tevoorschijn gekomen die de wereld van vreugde vervult.
Het is juist omgekeerd: een cynische, kwaadaardige geest is de kunstwereld binnengedrongen en heeft daar een ware ravage heeft aangericht, die bovendien nog grotendeels verborgen is gebleven.
Het grote publiek heeft geen idee van wat er zich vandaag allemaal afspeelt in de wereld van de kunst.

En toch kunnen we niet ontkennen dat de geboortemetafoor geldig blijft.
De kunstwereld heeft zich de afgelopen eeuwen steeds meer afgezonderd van de werkelijkheid tot ze in de 19de eeuw zo marginaal was geworden dat kunstenaars in erbarmelijke omstandigheden moesten leven.
Ze streefden dan ook hartstochtelijk naar vernieuwing en verbetering.
Toen de impressionisten hun revolutie ontketenden, ontstond er eerst ontzetting bij het publiek.
Maar de nieuwe schilderkunst ontwapende de kijker al vlug en de ontzetting veranderde in onverholen bewondering en liefde.
Het impressionisme leek veel meer op een geboorte dan de pispot van Duchamp.
Toch kunnen we niet zeggen dat het reeds de kunst zelf was die in de openbaarheid trad.
Alles bleef zich nog altijd afspelen in de oude, vertrouwde kunstwereld.
Het impressionisme was misschien wel een beeld van de geboorte van de kunst, maar het was zeker niet de geboorte zelf.
Het bleef vooralsnog fictie, het was nog lang geen werkelijkheid.
Die werkelijkheid werd opgeëist door de Hedendaagse Kunst.

Eigenlijk hoeven we geen andere metafoor te zoeken om al deze gebeurtenissen begrijpelijk te maken.
Het volstaat dat we het beeld van de geboorte wat concreter maken.
Het vrouwelijk lichaam is zo gebouwd dat de opening waarlangs het kind de baarmoeder verlaat, vlak naast de opening ligt waarlangs de ontlasting de darmen verlaat.
De kracht waarmee de moeder haar kind naar buiten perst is dezelfde waarmee ze haar ontlasting naar buiten duwt.
Tijdens een bevalling kan het dan ook gebeuren dat er ongewild ontlasting naar buiten wordt geperst.
Geen mens zal deze ontlasting verwarren met het kind dat daarna geboren wordt, maar het gaat hier dan ook om een reële, fysieke geboorte.
Bij de geboorte van de kunst liggen de zaken echter heel anders: hier kijken we niet met ons hoofd, dat wil zeggen met onze fysieke ogen, maar met ons hart.
En dat laat zich gemakkelijk bedriegen.

Zou het werkelijk toeval zijn dat de Hedendaagse Kunst haar opwachting maakt in de vorm van een pispot en dat ze haar (bijna) honderdjarig bestaan viert met een kakmachine?
Is ‘afval’ niet het meest toepasselijke begrip voor wat de Nieuwe Kunst in die honderd jaar geproduceerd heeft?
Nog niet zolang geleden stond er in de krant een foto van een jonge kunstenaar die trots poseerde naast zijn evenbeeld dat hij vervaardigd had uit zijn eigen uitwerpselen.

Ja, de metafoor van de geboorte is wel degelijk van toepassing op de wereld van de kunst, op voorwaarde dat we die metafoor heel concreet en realistisch opvatten.
Ze roept dan tegelijk ook een ander beeld op, namelijk dat van het wisselkind.
In sprookjes en legenden worden kinderen na de geboorte soms verwisseld, zonder dat de moeder het merkt.
Dit thema werd in de 19de eeuw zelfs werkelijkheid in de figuur van Kaspar Hauser, een jongen die 16 jaar lang opgesloten zat in een donkere cel. Het kind zou na zijn geboorte uit de wieg zijn gestolen en verwisseld voor een ander kind.
Het wonderlijke van de hele historie is dat ze tot een legende is uitgegroeid die tal van schrijvers en kunstenaars heeft geïnspireerd.
Men is Kaspar Hauser trouwens al vlug ‘het kind van Europa’ gaan noemen.

Het lijkt er sterk op dat iets dergelijks ook is gebeurd in de wereld van de kunst.
Men heeft er twee kinderen met elkaar verwisseld: het kind van de kunst en een of ander duivelsjong.
Ofschoon die twee niet méér van elkaar kunnen verschillen, hebben de ouders – de kunstwereld en de buitenwereld – niets gemerkt.
De vader (de kritische buitenwereld) haalt weliswaar de neus op voor de Hedendaagse Kunst, maar al zijn pogingen om de moeder (de kunstwereld) enige kritische zin bij te brengen, veroorzaken felle reacties: zij verdedigt haar kind met hand en tand.
Dat wisselkind veroorzaakt een groeiende verwijdering tussen beide ouders.
De vader (de maatschappij) voelt zich verplicht de moeder (de kunstsector) te steunen, maar hij wordt het beu voortdurend uitgescholden te worden door haar wisselkind (de Hedendaagse kunst).
De moeder neemt het op haar beurt de vader kwalijk dat hij zijn kind niet aanvaardt.

Juist omdat het hier gaat om een overschrijden van de grens tussen kunst en werkelijkheid, geldt de geboortemetafoor niet alleen voor de wereld van de kunst.
Ze geldt ook voor de werkelijkheid.
Het is dan ook niet moeilijk om de rol van het wisselkind te herkennen in bijvoorbeeld de relatie tussen Vlamingen en Walen, of de relatie tussen autochtonen en allochtonen, of de relatie tussen links en rechts, enzovoort.
Als het waar is dat de kunst een spiegel is van de werkelijkheid, dan mag verwacht worden dat de geboortemetafoor ook van toepassing is op de hedendaagse samenleving.
En dat maakt haar tot het meest actuele oerbeeld van onze tijd.
Alles wijst er inderdaad op dat we – zonder het te beseffen – een koekoeksjong aan het grootbrengen zijn, een wisselkind dat onze eigen kinderen één voor één uit het nest kiepert.

En dat geeft zoveel gewicht aan de vraag die zich nu opdringt: als we inderdaad al onze energie besteden aan een wisselkind, waar is dan ons eigen kind?
Als we uitwerpselen beschouwen als kunst, waar is dan de echte hedendaagse kunst?
In welk donker hol zit ‘het kind van onze tijd’ opgesloten, wachtend tot het wordt bevrijd?

That is the question.

Kunst als kritiek

Verleden week publiceerde Tom Naegels in De Standaard een opiniestuk dat voor de kunstsector een regelrechte kick in the teeth was.
Onder de provocerende titel ‘Het einde van de kunstenaar’ betoogde hij dat de mythe van de kunstenaar als dwarsligger failliet is en dat de sector haar kritiek best eens op zichzelf zou richten.
Het was een knuppel in het hoenderhok en ik voorspelde dat er luid gekakeld zou worden.
Dat bleek echter niet zo te zijn.
Eén reactie in De Standaard en één op DeWereldMorgen, en dat was het.
Meer heb ik niet gevonden.
Zouden ze in de kunstwereld met hun mond vol (of zonder) tanden staan?
Of zijn ze zich druk aan het beraden over een tegenaanval?
Ik denk dat het geen van beide is.
Volgens mij komt er gewoon niks meer.

Is het stuk van Tom Naegels dan de moeite van het reageren niet waard?
Wel integendeel.
Het slaat de nagel (sic) op de kop.
Bovendien verschijnt het precies op het moment dat de kunstsector in rep en roer staat naar aanleiding van de aangekondigde besparingen.
Je zou denken: hier moet een debat van komen.
Maar na wat kort gekakel blijft het oorverdovend stil.

Hoe komt dat?

Op DeWereldMorgen, een linkse website, schrijft Robrecht Vanderbeeken dat ‘de onderwijzerszoon met het brilletje’ een ‘zoveelste column met clichés vult die de N-VA-achterban even paait’.
Hij noemt Naegels een ‘zelfverklaarde onafhankelijke media-evangelist die vage columnitis bedrijft’.
Hij heeft het ook over ‘tsjevenmoraal’ en over ‘het op flessen getrokken enerzijds-anderzijds denken’.
Het mag duidelijk zijn: Tom Naegels is out.
Hij hoort er niet meer bij.
Kritiek leveren op de hedendaagse kunstwereld: dat doé je eenvoudig niet.
Dan onderga je het lot van een klokkenluider: je wordt vogelvrij verklaard.
Al een geluk dat Naegels een job heeft bij De Standaard, anders zag het er niet mooi uit voor hem.

De kunstwereld kent geen genade voor nestbevuilers.
Toen Frank Vande Veire tien jaar geleden zijn pamflet I love Art schreef, kreeg Jan Hoet één van zijn woedeaanvallen, begon Wim Delvoye te schelden, verklaarde Thierry De Cordier dat hij nooit meer in dit land wilde exposeren.
Er werd luid gekakeld in het artistieke hoenderhok, veel luider dan nu.
Maar Frank Vande Veire was dan ook één van hen, een gereputeerd kunstcriticus met grote belangstelling voor de Hedendaagse kunst, een insider dus.
Hem werd niet vergeven dat hij zich tegen zijn collega’s keerde.
Sindsdien heb ik niets meer van Vande Veire vernomen.
Gelukkig heeft de man, net als Tom Naegels, een vaste job anders was hij nu tot de bedelstaf veroordeeld.

De kunstwereld ziet zichzelf als een wereld vol kritische geesten.
Maar die kritische geesten dulden zelf niet de minste kritiek.
Wie het waagt even kritisch voor hen te zijn als zij voor anderen zijn, vliegt er onverbiddelijk uit.
Hij maakt voortaan deel uit van het verachtelijke ras der cultuurbarbaren.
Hij bestaat niet meer.
Blijkbaar hoorde Tom Naegels al niet echt meer thuis in het artistieke hoenderhok, anders zou er veel luider gekakeld zijn over zijn artikel, waarin hij min of meer hetzelfde zegt als Frank Vande Veire in I love Art.
Maar nu is de lijn dus heel duidelijk getrokken: Tom Naegels hoort bij de vijand, hij wordt geparkeerd bij de N-VA, en verder kun je uit de kunstwereld niet verwijderd worden.

Hem wordt nu verweten dat hij aan art-bashing doet, aan cultuur-jennen.
Het zijn twee neologismen die opgedoken zijn sinds de nieuwe regering wil besparen op cultuur.
Die besparingen, zo zeggen ze, zijn niet economisch maar ideologisch: ze zijn bedoeld om de cultuurwereld te treffen.
Hoewel er slechts 5% bespaard moet worden en hoewel alle sectoren van de samenleving getroffen worden, doet de kunstsector alsof hij rechtstreeks geviseerd wordt, alsof de algemene besparingen enkel maar dienen om een aanval op kunst en cultuur maskeren.
Met die hysterische reactie verraadt de kunstsector natuurlijk zichzelf.
Ze kijkt in een spiegel en schrikt zich een ongeluk.

Wat ziet ze dan wel in die spiegel?

Ze ziet een uiterst geslepen en kwaadaardige geest – Bart De Wever – die de hele kunstwereld wil doen dansen naar het pijpen van zijn enge nationalistisme.
Ze ziet een soort tweede Hitler die de Entartete Kunst aan de schandpaal wil nagelen.
Onnodig te zeggen dat dit beeld niet strookt met de werkelijkheid.
Het is overduidelijk een projectie.
Wat de kunstwereld ziet, is zijn eigen geest: een even intelligente als agressieve geest die geen enkele kritiek duldt en alles wat niet aan zijn normen voldoet tot voorwerp van bijtende spot maakt.
Dát beeld strookt helaas wel met de werkelijkheid.
Iedere kunstenaar die deel wil uitmaken van de kunstwereld moet zich onderwerpen aan de ‘hedendaagse geest’.
Wie dat weigert, wordt als ‘Entartet’ beschouwd en de straat opgeschopt.

De geest die de kunstwereld in zijn greep heeft, is inderdaad een Hitlerachtige figuur.
Hij ziet er onschuldig uit, maar wee degene die hem tegen de haren in strijkt!
Er is er namelijk maar één die kritiek mag geven en dat is hijzelf.
De Hedendaagse Geest presenteert zichzelf inderdaad als de vleesgeworden kritiek.
Het wordt keer op keer herhaald: hedendaagse kunst is maatschappijkritiek.
Er gaat een hypnotiserende werking uit van deze mantra want niemand stelt er zich vragen bij.
Niemand vraagt zich af: hoe kan kunst tegelijkertijd kritiek zijn?
Hoe kunnen twee zo tegengestelde begrippen samengaan?
Alsof de legendarische spanningen tussen kunstenaar en criticus nooit bestaan hebben, alsof ze in de Hedendaagse Kunst op wonderbaarlijke manier één zijn geworden.

De gevolgen van deze hypnose zijn desastreus.
Als kunst identiek is aan kritiek, dan is iedere kritiek op kunst ook een kritiek op de kritiek zelf.
Dat wil zeggen: het bestaansrecht van de kritiek wordt in twijfel getrokken.
Maar daardoor wordt ook het bestaansrecht van de kunst in twijfel getrokken.
Wie zich kritisch opstelt tegenover kunst stelt dus zowel de vrije meningsuiting al het vrije scheppen in vraag.
Hij stelt de hele vrije samenleving, de hele moderne cultuur, het hele moderne bewustzijn in vraag.
Hij is met andere woorden een cultuurbarbaar.

Kunst en kritiek zijn niets anders dan belichamingen van de twee polen van ons bewustzijn: de scheppende pool en de oordelende pool.
Door die twee te doen samenvallen, legt de Hedendaagse Geest dat bewustzijn lam.
Dat kunnen we aflezen aan de ontwikkeling van de Hedendaagse kunst.
Die is er namelijk niet.
De kunstwereld staat al 100 jaar stil: er is geen wezenlijk verschil tussen de pispot van Duchamp en de kakmachine van Delvoye.
Toch waren die 100 jaar gevuld met een koortsachtige activiteit.
Er is de vorige eeuw meer kunst geproduceerd dan de voorbije 10.000 jaar.

Maar die koortsachtige activiteit was een ‘gespleten’ activiteit: scheppen en oordelen gingen ieder hun eigen gang.
Daarom hebben ze zich ook zo stormachtig kunnen ontwikkelen: de wereld werd overspoeld met kunstwerken en kunstbeschouwingen.
Maar het gaat hier noch om een artistieke noch om een intellectuele ontwikkeling, want die veronderstellen een wisselwerking tussen beide.
En die is er niet.
Kunst en kritiek vallen immers samen.
Althans, zo stelt men het voor.
Kunstwerken en kunstkritieken worden samen tentoongesteld.
Naar kunst kijken betekent vandaag: kunstkritieken lezen.
Kunstenaars doen alsof hun werk ideeën uitdrukt.
Critici doen alsof ze die ideeën verwoorden.
En allebei doen ze alsof de kunstwerken en de ideeën samenvallen.
Meer zelfs, ze doen alsof het allemaal vanzelf spreekt.
Alsof men blind of van slechte wil moet zijn om het verband niet te zien.
En wie zou durven opperen dat er misschien geen verband is, tja … daar zijn geen woorden voor.

Nu is de moderne mens van nature kritisch ingesteld.
Voor hij ergens geloof aan hecht, wil hij de zaak eerst onderzoeken.
Maar die kans krijgt hij niet.
Als hij niet meteen het verband ziet tussen de kunst en de ideeën wordt hij uitgescholden voor cultuurbarbaar.
Dat komt als een schok, want hij is gewend dat er op kritiek met argumenten wordt gereageerd en niet met gescheld en verontwaardiging.
En dus zwijgt hij en doet alsof hij het allemaal heel interessant vindt.
Zo koopt hij zich tijd om na te denken en zich een oordeel te vormen.

Maar hoe hij ook zijn best doet, hij kan dat verband tussen de kunstwerken en de kunstkritieken niet vinden.
Hij staat nu voor een dilemma.
Als modern, rationeel mens stuit het hem tegen de borst geloof te hechten aan iets wat hij niet kan waarnemen.
Maar het stuit hem ook tegen de borst om géén geloof te hechten aan wat hij wél kan waarnemen: mensen die vol overtuiging beweren de waarheid te spreken.

Stel dat die mensen gelijk hebben en het verband tussen kunst en kritiek is inderdaad zo vanzelfsprekend als zij beweren: wat zegt dat dan over hem?
Dat hij blind is, dat hij een zintuig mist voor de nieuwe kunst.
Of dat hij van slechte wil is en een soort onbewuste aversie heeft voor alles wat nieuw is.
In beide gevallen is hij iemand die is blijven stilstaan, die zich de afgelopen 100 jaar niet meer ontwikkeld heeft, een dinosaurus, zeg maar.
Dat komt hard aan.
Maar het alternatief is niet veel beter.
Want stel dat de mensen uit de kunstsector géén gelijk hebben en er helemaal geen verband is tussen de kunst die zijn maken en de beschouwingen die ze erover schrijven?
Met wat voor mensen heeft hij dan te maken?
Redelijke mensen zijn het niet, want ze dulden geen enkele kritiek.
Ze zijn agressief, want ze schelden hem de huid vol.
Ze gedragen zich met andere woorden als barbaren, die iedereen die hun overtuiging niet deelt als … barbaren beschouwen.
Hun overtuiging – stront is kunst – is zo weerzinwekkend dat ieder beschaafd mens moreel verplicht is ze te bestrijden.
Maar nu wordt het pas echt moeilijk
Deze barbaren zijn namelijk niet alleen bijzonder barbaars, agressief, arrogant en kwetsend, ze zijn ook bijzonder intelligent, machtig en talrijk.
Ze vormen met andere woorden een indrukwekkende overmacht.
Niet alleen gaan alle deuren open voor deze barbaren en stroomt er onwaarschijnlijk veel geld in hun richting, ze worden ook nog eens verdedigd door zowat de hele intellectuele wereld.
Hun overmacht is zo verpletterend dat het zelfmoord is zich ertegen te verzetten.

En dus – uit louter zelfbehoud – kiest de moderne kunstliefhebber ervoor deze barbaren NIET als barbaren te beschouwen, maar als ontwikkelde, beschaafde mensen, als superieure mensen zelfs, want ze zien verbanden die hijzelf met de beste wil van de wereld NIET kan zien.
Logischerwijze zou hij zichzelf nu als een inferieur mens moeten zien.
Maar de moderne mens is van nature een hoogmoedig mens.
Niets is heilig voor zijn kritische zin: alles onderwerpt hij aan een onderzoek.
Zonder dat hij het zelf goed beseft, plaatst hij zich boven alles en iedereen.
En nu zou hij zich dus ONDER de vertegenwoordigers van kunst en cultuur moeten plaatsen?
Nee, dat is een stap te ver.
En dus blijft er maar één uitweg meer over: hij treedt zelf toe tot deze Parnassus.
Hij bekeert zich tot het geloof dat daar heerst: het geloof dat kunst en kritiek samenvallen en dat er dus een vanzelfsprekend verband is tussen de kunstwerken en de kritische beschouwingen erover.

Dat is uiteindelijk de keuze waarvoor de moderne kunstliefhebber staat: ofwel treedt hij toe tot deze machtige geloofsgemeenschap en geniet hij er alle voordelen van (en die zijn niet gering) ofwel raakt hij in de clinch met een tegenstander die veel te sterk is en die zijn ondergang zal betekenen.
De keuze is dus snel gemaakt.
En zo groeit de wereldwijde geloofsgemeenschap die de kunstwereld is alsmaar aan, gedreven door zelfbehoud, hoogmoed en … liefde voor de kunst.
Want wie geen belang stelt in kunst en cultuur, blijft uiteraard ongevoelig voor de aantrekkingskracht die van deze ‘hogere’ wereld uitgaat.
Het is juist de gecultiveerde mens die blootstaat aan het dilemma: bekeer u of brand in de hel!
De paradox is dus dat uitgerekend het streven naar een betere wereld de groeiende kloof veroorzaakt tussen een barbaarse elite die zich boven alles verheven waant en een barbaarse bevolking die wegzinkt in onverschilligheid voor alles wat hoger is.

(wordt vervolgd)

Hoeren

Een beetje algemene menskunde volgens Koen Meulenaere:

Er zijn drie soorten hoeren.

De eerste bestaat uit onze vriendinnen de straathoekwerksters en de barmadelieven.
Door de Almachtige in zijn tuin van Eden gezet, volgens de enen als beproeving en volgens de anderen als beloning, maar hoe dan ook van hogerhand gestuurd.
Er zijn ook wetenschappers die volhouden dat tippelaarsters een logisch vervolg zijn van een enorme knal die 6 miljard jaar geleden heeft plaatsgevonden.

De tweede categorie bestaat uit de escortmeisjes.
De Steve-Stevaertkring.
Geen initiatief van Ons Heerke maar van de vrije markt, ten behoeve van zielenpoten die op openbare gelegenheden niet graag als dusdanig worden gekapitteld.
Al gebeurt dat vaak toch door een al te groot leeftijdsverschil, of ten gevolge van onnauwkeurige instructies aan de provider.

De derde categorie ten slotte, gestuurd door Heerke noch markt, wordt gevormd door de politici en, naar kwatongen beweren, door de journalisten.
Het summum van hoererij is een combinatie van die twee.

Zwarte Piet

In de Nederlandse stad Gouda werd de komst van Sinterklaas dit jaar verstoord door ‘antiracisten’.
Hier bij ons is het Abou Jahjah die dat soort toestanden probeert te importeren.
Naar eigen zeggen wil hij ‘alleen maar’ een dialoog opstarten, maar hij dreigt wel meteen naar het gerecht te stappen als zijn deadline niet gerespecteerd wordt.
Dat klinkt niet als ‘het opstarten van een dialoog’, maar eerder als een oorlogsverklaring.
Op Twitter heeft hij het trouwens zelf over de ‘war on Black Pete’.
Wel, die oorlog heeft hij in de sociale media reeds gekregen want hij is er, naar verluidt, met de dood bedreigd.
Wie wind zaait, zal storm oogsten, en ik verdenk Abou Jahjah ervan dat hij precies dat op het oog heeft.
Of zouden er nog mensen zijn die denken dat hij met zijn Movement X werkelijk een burgerrechtenbeweging gestart is die alle vormen van racisme en discriminatie wil bestrijden?
Laten we niet vergeten dat Abou Jahjah een overtuigd moslim is, een voorstander van de sharia, en als ik me goed herinner vindt hij zelfs dat vrouwen in bepaalde gevallen gestenigd moeten kunnen worden.

In de beginselverklaring van zijn Movement X is er geen sprake van de discriminatie van homo’s.
Nochtans is er op dat gebied veel meer werk aan de winkel dan op het vlak van Zwarte Pieten.
Hoeveel Afrikanen zouden zich gekwetst voelen door Zwarte Piet?
Ik zou denken dat ze wel andere problemen aan hun hoofd hebben dan een folkloristische figuur die een paar weken per jaar zijn gezicht zwart maakt om redenen die niets met Afrika of Afrikanen te maken hebben.
Eerlijk gezegd, dat soort gevoeligheden zouden mijn zwarte medemens danig doen dalen in mijn achting, en omdat ik zeker niet racistisch wil zijn, verdenk ik hem er ook niet van.
Ik vraag me dan ook af hoe groot de onvrede is die Abou Jahjah beweert te vertolken met zijn oorlog tegen Black Pete.
Ze verzinkt ongetwijfeld in het niets vergeleken bij de onvrede van homo’s over de agressie van moslimjongeren.

Als Abou Jahjah het werkelijk meent met zijn ‘dialoog’ dan moet hij ook bereid zijn over de homo-kwestie in dialoog te gaan en een aantal ‘folkloristische’ moslimgebruiken in dat verband te herzien.
Het is een kans die Bart De Wever zou kunnen grijpen.
Hij zou bijvoorbeeld kunnen zeggen: ik ben bereid tot een dialoog over Zwarte Piet als Abou Jahjah bereid is om in de beginselverklaring van Movement X ook de discriminatie van homo’s op te nemen.
Het is hoogst onwaarschijnlijk dat Abou Jahjah publiekelijk tegen zijn moslim-achterban in zou gaan, maar stel – bij wijze van gedachtenexperiment – dat hij dat wel zou doen. Hoe zou die dialoog er dan kunnen uitzien?

Abou Jahjah vindt Zwarte Piet racistisch omdat hij duidelijk Afrikaanse kenmerken heeft zoals een zwarte huid, kroezelhaar, rode lippen en grote oorringen.
Grote oorringen? Dat lijkt me een zwak argument want veel blanke vrouwen dragen ze ook.
Rode lippen? Ik moet de eerste Afrikaan nog tegenkomen die rode lippen heeft.
Zwarte huid? Wie tien keer door een schoorsteen op en neer kruipt heeft ook een zwarte huid.
Kroezelhaar dan? Wat Zwarte Pieten doorgaans dragen is geen (pruik van) kroezelhaar, het is krulhaar.
En zelfs als het op een Afro-kapsel zou lijken: welke zwarte draagt tegenwoordig nog zo’n kapsel?
Rode Duivel Fellaini telt niet, want dat is geen zwarte.
Veel blijft er dus niet over van Abou Jahjahs argumenten als je ze één voor één onder het licht houdt.

Laat ons echter welwillend zijn: al die Zwarte-Pietkenmerken samen zouden inderdaad herinneringen kunnen wekken aan de manier waarop Afrikanen hier werden afgebeeld ten tijde van het kolonialisme.
Maar welke moderne Afrikaan heeft dat kolonialisme nog meegemaakt?
Ik kan me voorstellen dat het kolonialisme diepe wonden heeft geslagen in de Afrikaanse ziel, maar moeten die wonden gecultiveerd worden om de rollen om te kunnen draaien en wraak te nemen op de kinderen van de kinderen van de kinderen?
De wereldoorlogen hebben in Europa ook diepe wonden geslagen, maar moeten de Duitsers tot in lengte van dagen boeten voor de zonden van hun voorvaderen? Of de Engelsen? Of de Russen?
Trouwens, heeft het kolonialisme Afrika niet ook voordelen gebracht?
Heeft het het zwarte continent niet ontsloten voor de Westerse beschaving, die blijkbaar zo aantrekkelijk is dat ontelbare migranten naar hier verhuizen?
Laat ons daar ook eens over spreken.

Als Abou Jahjah een dialoog wil aangaan over Zwarte Piet en het kolonialisme, laten we die dialoog dan op een grondige en rationele manier voeren.
Laten we het dan bijvoorbeeld eens hebben over de rol die de moslims hebben gespeeld in de slavenhandel.
Als Afrikanen zich gekwetst voelen door Zwarte Piet, vinden ze het dan ook niet kwetsend om vertegenwoordigd te worden door een notoir moslim, een afstammeling wellicht van de slavendrijvers die hun voorouders als dieren behandeld hebben?
Of speelt dat verleden geen rol?
Maar waarom dan wel het koloniale verleden?
Omdat het een blank verleden is?
En waarom zou een blank verleden erger zijn dan een moslimverleden?
Allemaal vragen die gesteld moeten kunnen worden als mensen werkelijk met elkaar in dialoog willen aangaan.

Stel nu dat wij Vlamingen – ter bevordering van deze dialoog en in de geest van onze christelijke ‘folklore’ – een verzoenend gebaar willen maken.
Stel dat we ons bereid verklaren Abou Jahjah en de zijnen halfweg tegemoet te komen.
We vervangen de oorringen, we vermijden het kroezelhaar en we verven de lippen ook niet meer rood. We maken alleen nog het gezicht van de Piet zwart, alsof hij net uit de schoorsteen komt.
We verwijderen met andere woorden alle elementen die als kolonialistisch zouden kunnen geïnterpreteerd worden.
Zou dat Abou Jahjah tevreden stellen?
Hij heeft al laten verstaan dat hij niet begrijpt waarom alleen het gezicht van Zwarte Piet zwart is.
Als dat zwart van het roet in de schoorsteen komt, waarom zijn dan ook zijn kleren niet zwart?
Het is niet meteen een vraag die getuigt van veel begrip voor de kinderlijke beeldenwereld, maar laat ons verzoenend zijn, laten we Zwarte Piet helemaal in het zwart kleden, en laten we zijn zwarte huid vervangen door een zwarte hoofddoek.
Zou dát beter zijn?
De vraag stellen, is ze beantwoorden.

Nee, ik heb er weinig fiducie in dat Jahjah tevreden zal zijn vóór Zwarte Piet vervangen is door een ‘neutrale’ Piet, dat wil zeggen door een blanke Piet.
Maar een blanke Piet is hetzelfde als géén Piet, want het schoorsteenelement is essentieel in het Sinterklaasverhaal.
En Sinterklaas zonder Zwarte Piet, dat is bijna als Kerstmis zonder het kindje Jezus.
Nee, een ‘war on Black Pete’ dat is hetzelfde als een ‘war on Sinterklaas’.
En waarom zou Abou Jahjah zo’n oorlog willen voeren?
Waarom zou hij het Westerse kinderfeest bij uitstek willen aanvallen?
Omdat hij ‘in dialoog’ wil treden?

Na al die jaren blijft Abou Jahjah onverminderd hameren op het racisme van de Vlamingen, net zoals al zijn moslimcollega’s.
Er kan geen woord van begrip, empathie of waardering vanaf.
Ik wil niet eens over dankbaarheid spreken, bijvoorbeeld voor het feit dat ze hier vrijuit de meest grove kritiek kunnen uiten, iets waar ze in hun thuisland voor veroordeeld of opgehangen zouden worden.
Niets van dat alles, bij geen enkele moslimwoordvoerder.
Steeds weer dezelfde klachten, beschuldigingen en bedreigingen.
En dan moet ik geloven dat Abou Jahjah ‘alleen maar’ in dialoog wil gaan?

De waarheid is dat een dialoog allang niet meer mogelijk is.
Toen Marion van San destijds in opdracht van de Vlaamse regering een rapport maakte waaruit bleek dat de criminaliteit onder allochtonen aanzienlijk hoger lag dan onder autochtonen, moest ze zowat het land ontvluchten.
Nochtans rapporteerde ze alleen maar feiten.
Maar over die feiten – dat wil zeggen over de gewelddadigheid van moslims – was en is nog altijd geen gesprek mogelijk.
De dialoog is al tientallen jaren geleden vervangen door een politiek-correcte propaganda die alle schuld bij de Vlamingen legt.
Aan die propaganda heeft Abou Jahjah altijd enthousiast deelgenomen.
Hij doet dat trouwens nog altijd.
En uitgerekend de man die er volop heeft toe bijgedragen dat een echte dialoog vandaag onmogelijk is geworden, vraagt nu om … een dialoog?

Abou Jahjah vraagt om een dialoog waarvan hij heel goed weet dat die er niet zal komen.
Hij daagt De Wever uit omdat hij weet dat De Wever niks kan doen.
Want stel dat deze ingaat op het voorstel van Abou Jahjah en de dialoog voert zoals hierboven beschreven.
Het zou hem niet veel moeite kosten om Abou Jahjahs bedoelingen te ontmaskeren.
Maar die (ideële) overwinning zou meteen veranderen in een (reële) nederlaag omdat ze overspoeld zou worden door een storm van verontwaardiging in de hele politiek-correcte wereld.
En in de huidige omstandigheden zou het waarschijnlijk niet lang duren voor er geweld van kwam.

Abou Jahjahs ‘war on Black Pete’ is een schijnbeweging.
Het is hem helemaal niet te doen om Zwarte Piet.
Het is hem ook niet te doen om dialoog.

Het Sinterklaasfeest is in feite een beeld van de relatie tussen de autochtoon en de allochtoon.
Vroeger, ten tijde van het kolonialisme, ging het inderdaad om een blanke meester en zijn zwarte knecht.
Maar dat was een tijdsgebonden en materialistische interpretatie die niet alleen niet strookte met de oorspronkelijke (spirituele) betekenis van het feest maar die ook allang niet meer van kracht is.
Sinterklaas en Zwarte Piet zijn vandaag gewoon collega’s.
De Sint is een wat oubollige man geworden die niet echt meer van deze tijd is, terwijl Piet een echte kindervriend is geworden, een ondeugende speelvogel waar geen kind meer bang voor is.
Mooi toch, zou je zeggen?
Een beeld van de ‘multiculturele’ samenleving waarin volwassenen in vrede leven en alle kindertjes gelukkig zijn.
Maar dat is blijkbaar niet wat Abou Jahjah wil.
Anders zou hij niet proberen om dit onschuldige kinderfeest te verstoren.
Wat hij dan wél wil?
Iets zegt me dat hij daarover niet in dialoog zal gaan …

De mythe van de rebellerende kunstenaar

Een tijdje geleden noemde ik Tom Naegels als voorbeeld van een kunstenaar die zijn ziel ingeruild heeft voor een job in loondienst bij De Standaard.
Daar moet hij nu, in de hoedanigheid van ombudsman, de politiek-correcte koers van de krant mee helpen ‘verkopen’ aan de lezer.
Ik moet eerlijk zeggen dat ik in zijn geval misschien hetzelfde had gedaan.
Het is niet niks om als onafhankelijk kunstenaar te moeten leven en de speelbal te zijn van andermans welwillendheid. Vooral als je vrouw en kinderen hebt en net een huis hebt gekocht, is dat een vrijwel onhoudbare toestand.
Daarom verkopen tegenwoordig vrijwel alle kunstenaars hun ziel, is het niet voor een vaste job, dan wel voor subsidies of een plek op de kunstmarkt.
Want daarbuiten is er geen leven meer, tenzij je heel veel geluk hebt.
Het resultaat is een slaafse en onderdanige kunstwereld die precies doet wat haar broodheren van haar verwachten.
Dissidenten zijn er niet, iedereen loopt keurig in de pas.
Het is een zo beschamende vertoning dat de kunstwereld zich verbergt achter een masker: dat van de eeuwige rebel, de dwarsligger, de stoorzender, hij-die-tegen-de-stroom-in-gaat.
Meer is de kunstwereld vandaag niet meer: een masker van het establishment.
Dankzij dat kunstmasker kunnen de machthebbers zich voordoen als herauten van de Nieuwe Tijd.

In De Standaard heeft Tom Naegels afgelopen weekend op die artistieke maskerade gewezen.
Dat siert hem.
Hij maakt gebruik van zijn job als ombudsman om iets te zeggen dat hij als ‘onafhankelijk’ kunstenaar nooit had kunnen zeggen.
Want het is zelfmoord om kritiek uit te oefenen op de kunstwereld en haar masker op te lichten.
Tom Naegels zou zonder pardon op straat zijn gezet, terwijl hij nu het vangnet heeft van zijn vaste job.
Hij moet het natuurlijk niet te bont maken, want de media en de kunstwereld, dat zijn twee handen op één buik.
Daarom heeft hij enkel een knuppel in het hoenderhok gegooid.
Verder zal hij zich waarschijnlijk niet wagen.
De afloop van zijn actie is trouwens voorspelbaar: eerst zal er veel gekakel zijn in het hoenderhok der kunsten, maar daarna zal iedereen weer zijn masker van rebel opzetten en mooi zijn ei leggen.

Ik zou heel graag zeggen dat het vandaag toch lijkt alsof er echte beroering ontstaat in het kunstenhok, maar ik wacht al zolang op een Hercules die deze Augiasstal komt uitmesten dat ik er niet meer in geloof.
De kunst is vandaag zo sterk vergroeid met de macht dat er veel en veel meer nodig is dan een opinieartikel van Tom Naegels om echt iets te veranderen.
Niettemin: alle beetjes helpen.

HET EINDE VAN DE KUNSTENAAR

‘Allemaal terug de zee in!’ roept Frie Leysen de kunstenaars onder ons op – een merkwaardige metafoor waarmee ze bedoelt dat de kunsten hun essentie moeten terugvinden: ze moeten de rol van ‘stoorzender’ spelen, die ‘tegen de stroom’ in gaat, ‘een compleet ander perspectief op onze tijd en onze wereld’ biedt, die ‘wijst waar het pijn doet’ en die daarom een ‘vrijzone’ nodig heeft waar hij los van alle ‘economische, politieke en sociale agenda’s’ zichzelf kan zijn.
Het is een klassieke visie op de rol van kunstenaars, die ritueel wordt aanroepen. Maar ik denk dat ze aan een herijking toe is. Nee, laat het me storender verwoorden: die kunstenaarsmythe is al heel lang failliet. De reden waarom de artistieke sector al zo lang machteloos staat tegenover alles waar hij graag invloed op zou willen hebben – van de hoogte van de eigen betoelaging, over het Vlaamse en federale regeringsbeleid in het algemeen, tot het stemgedrag van de gemeenschap die hij nochtans ‘een compleet ander perspectief’ geboden heeft – is precies omdat die sector zich aldoor verliest in die mix van mystiek, ideologie en zelfverheerlijking, dat al te geflatteerde zelfbeeld van de kunstenaar als uitverkoren dwarsdenker.

De wisselbeker Hugo Claus

Om te beginnen: het idee van ‘storen’ is inherent paradoxaal. Wat wérkelijk stoort, waardeer je niet. Frie Leysen geeft tal van voorbeelden van zaken die haar tegen de borst stoten: verrechtsing, nationalisme, commercialisering, conservatisme. Toch zegt ze niet: ‘Fantastisch dat ik op die manier werd uitgedaagd. In het bijzonder dank aan Matthias Storme, die mij met zijn prikkelende essay over de vrijheid om te mogen discrimineren echt op het verkeerde been gezet heeft. Ik heb moeten wroeten om mijn overtuigingen overeind te houden. Héérlijk!’ Nee, ze wil een stoorzender die het met haar eens is – een stoorzender die haar tegenstanders irriteert.
Het is de eerste fundamentele zwakte van de kunstenaarsmythe: mensen accepteren alleen het verzet waar ze zelf deel van uitmaken.
Maar dan negeren ze – tweede zwakte – dat het hele land ondertussen zo denkt.
Niet alleen kunstenaars vinden zichzelf vrijbuiters. Ook die nationalisten en conservatieven zien zichzelf als rebellen tegen een in hun ogen ‘linkse’ dominantie. Ten tijde van de bisschoppensynode postte een Facebook-kennis van me, een prominent katholiek advocaat, dat die ‘schijndebatten’ over homo’s en hertrouwde gescheidenen een manier waren om ‘de kerk als verzetsinstelling’ te ondermijnen – geef de wisselbeker Hugo Claus voor rebel van de dag dus ook maar door aan de paus van Rome.
Het establishment heeft zichzelf de facto opgeheven; dit is een cultuur van rivaliserende verzetsbewegingen. Wat de vraag oproept naar de unique selling proposition: waarom zouden kunstenaars nog de uitverkoren uit-de-doos-denkers zijn, als ondertussen elke Vlaming zichzelf zo verkoopt? Zijn er niet gewoon heel veel dozen?
Nu zou dat geen probleem zijn, als er ook onder kunstenaars tegengestelde visies zouden bestaan over de belangrijke kwesties van deze tijd, en ze dus een duizelingwekkende trompe-l’oeuil van perspectieven zouden creëren, een opwindend spiegelpaleis waarin al die subculturen zichzelf en elkaar onder ogen moeten komen. Maar net zoals de ondernemers een partij geworden zijn, en je dus nog voor ze hun mond hebben geopend al weet wat ze gaan zeggen, zo treden ook de kunstenaars naar buiten als voorspelbare woordvoerders van één duidelijk waardenkader; dat van de seculiere, blanke, progressieve, stedelijke middenklasse. Zelfs al deel je dat kader, ‘een compleet ander perspectief op onze tijd en wereld’ kun je het niet noemen.
Tot overmaat van ramp is de afgelopen jaren meermaals gebleken dat, als kunstenaars zich mengen in publieke debatten over thema’s die de natie verdelen, hun mening niet alleen voorspelbaar is, maar dat ze doorgaans inhoudelijk minder goed beslagen op het ijs komen dan andere deelnemers. Ze komen vaak niet verder dan een eenvoudige basisethiek, die we ook kennen van kinderen, prinsessen en kandidaat-missen: verdraagzaamheid is goed, nationalisme is slecht; verbeelding is goed, besparingen zijn slecht; natuur is goed, auto’s zijn slecht… Waardoor de burger die interesse heeft in die thema’s, de burger die inderdaad bereid is zijn zekerheden op het spel te zetten en nieuwe denkkaders te overwegen, diep ontgoocheld geraakt in kunstenaars, en op zoek moet naar anderen (wetenschappers, politici, journalisten…) met de kennis van zaken om de vinger écht op de wonde te leggen.
De kunstensector heeft vandaag veel gemeen met de katholieke Kerk.
Hij heeft fel aan legitimiteit verloren. Het maatschappijmodel dat hij nastreeft, lijkt verder af dan ooit. De functie die hij zichzelf toebedeelt, die van kritische vrijhaven, wordt maar in een beperkte kring nog geaccepteerd. Dat maakt het makkelijker om aan zijn middelen te zitten. Te midden van de verontwaardiging over al die tegenslag die de sector nu al jaren in de greep lijkt te hebben, zou het geen slecht idee zijn om de beroemde kritische blik ook eens naar zichzelf te richten. Er is een stuitend gebrek aan intern debat, aan eigen denkwerk, en aan expertise. De kunstenaarsmythe sluit de artiest op in een format; het reduceert hem tot een personage, een type, ‘de radicale tegenstem’, die opdreunt wat het script voor hem heeft voorgeschreven.
Je kan de schuld blijven leggen bij altijd dezelfde onverschillige vijanden: het neoliberalisme, het nationalisme, de verrechtsing. Je kan blijven geloven dat jij de enige vrijplaats in je bezit hebt, de enige spiegel voor de maatschappij, en als de mensen er niet in willen kijken dan is het ook goed, want het bewijs dat je hebt ‘gestoord’. Dan doe je wat Frie Leysen ons aanraadt te doen: achterwaarts, eenzaam fluitend, de oceaan in gaan. Hopen dat je, voor je verdrinkt, nog snel een walvis kunt worden. Een dier dat, zoals bekend, met uitsterven is bedreigd.

Tom Naegels

Schoenaerts (6)

In deel 5 van mijn beschouwingen over de zaak Schoenaerts had ik het over het opvallende stilzwijgen van de media. Ofschoon ze er altijd als de kippen bij zijn om een zaak op te kloppen tot een sensatieverhaal, doen ze in dit geval precies het omgekeerde. De reden voor dat ongewone gedrag – dat ik vergeleek met het stilzwijgen van Parsifal als hij voor de Visserkoning verschijnt – vond ik in het feit dat de zaak Schoenaerts de intellectuele wereld een spiegel voorhoudt.

Wat is er in die spiegel te zien?
Mensen die de grens tussen fictie en werkelijkheid overschrijden.
Julien Schoenaerts, Stan Lauryssens, Matthias Schoenaerts: allemaal gaan ze ‘over de grens’.
En ze doen dat omdat … anderen over de grens gaan.
Stan Lauryssens overschrijdt in zijn boek de grens tussen fictie en werkelijkheid, maar hij schrijft dat boek omdat Julien Schoenaerts … over de grens tussen fictie en werkelijkheid ging.
Matthias Schoenaerts overschrijdt die grens eveneens, en hij doet dat omdat Stan Lauryssens over de grens ging.
Allemaal gaan ze over de grens tussen fictie en werkelijkheid.
Allemaal verwijten ze elkaar die grens te overschrijden.
Allemaal bootsen ze elkaar allemaal na.
En geen van allen zijn ze zich daarvan bewust.

Wat het geval Schoenaerts zo interessant maakt, is dat het weerspiegelt wat vandaag overal gebeurt.
Bijvoorbeeld: politiek links verwijt rechts dat het agressief en onverdraagzaam is.
Maar het doet dat op een … agressieve en onverdraagzame manier.
Vervolgens verwijt rechts links dat het agressief en onverdraagzaam is.
En het doet dat eveneens op een agressieve en onverdraagzame manier.
Links reageert verontwaardigd: hoe durft rechts haar beschuldigen van datgene waar het zich zelf schuldig aan maakt!
En het gaat nog agressiever en onverdraagzamer te keer tegen rechts.
Hoe meer de zaak escaleert, hoe meer beide partijen gelijk hebben, want de ander gedraagt zich inderdaad agressief en onverdraagzaam.
Maar tegelijk worden ze steeds blinder voor het feit dat ze zich zelf zo gedragen.
En ten slotte ontstaat er een zelfvernietigende cirkel van blinde haat.
Die vicieuze cirkels kunnen we vandaag overal waarnemen.
De zaak Schoenaerts is geenszins een uitzondering.
Wel integendeel.
Ze is een schoolvoorbeeld van de regel die steeds meer navolging krijgt en die het moderne leven dreigt te herscheppen in een strijd van allen tegen allen.

De grote vraag is natuurlijk: hoe kunnen we die vicieuze cirkel van haat doorbreken?
Wat zou hier een oplossing kunnen zijn?
Toen Stan Lauryssens zijn boek uit de handel nam, leek er een eind te komen aan de hele affaire.
Matthias Schoenaerts kreeg wat hij eigenlijk wilde (maar via de rechtbank niet had kunnen bekomen): dat niemand het boek nog kon lezen.
Voor Lauryssens was het een offer van formaat.
Hij had jarenlang gewerkt aan zijn boek, het stond volop in de belangstelling, de tweede druk stond op stapel en de Boekenbeurs stond vlak voor de deur.
Hij stond met andere woorden op een hoogtepunt in zijn schrijverscarrière.
En precies op dat moment maakte hij er een eind aan.
Het was een bijzonder drastische beslissing en de zaak Schoenaerts leek daarmee afgelopen te zijn.
Maar dat was niet zo.
Onmiddellijk nadat Lauryssens zijn boek uit de handel had genomen, diende Matthias Schoenaerts een eis tot schadevergoeding in.
Het gebaar van zijn opponent maakte blijkbaar geen enkele indruk op hem, integendeel.
Hij zag zijn kans schoon om Lauryssens nog dieper in de modder te duwen.

De zaak Schoenaerts leert ons dat het geen oplossing is om uit de vicieuze cirkel van haat te stappen.
Integendeel, hij gaat dan nog sneller draaien.
Wie zoals Stan Lauryssens een offer brengt en ziet dat het niet alleen niet aanvaard wordt maar zelfs nog meer wraakzucht opwekt, zal niet geneigd zijn nog eens zo’n toenaderingsgebaar te maken.
Hij zal juist geneigd zijn zelf wraak te willen nemen.
En is dat niet wat we vandaag overal zien?
Europeanen worden aan één stuk door beschuldigd van racisme, discriminatie en onverdraagzaamheid.
Net als Stan Lauryssens ontkennen ze die beschuldigingen.
In rechtbanken wordt er over die aanklacht net zo geoordeeld als in de zaak Schoenaerts: halfslachtig.
Er is inderdaad racisme, discriminatie en onverdraagzaamheid.
Maar hoeveel en in welke mate?
Waar precies wordt de grens overschreden?
Dat blijft allemaal heel onduidelijk.
Maar Europa maakt – omwille van de lieve vrede – een even genereus toenaderingsgebaar als Stan Lauryssens: het gaat overal de strijd aan met haar eigen racisme, discriminatie en onverdraagzaamheid. Het doet dat zelfs zo drastisch dat het op een offer gaat lijken.
Maakt dat offer echter een eind aan de beschuldigingen?
Ontwapent het de aanklagers?
Doorbreekt het de cirkel van wederzijdse haat?
Net als in de zaak Schoenaerts gebeurt precies het tegenovergestelde: de beschuldigingen nemen alleen maar in kracht toe.
Ze ontaarden stap voor stap in blinde haat en wraakzucht: Europa moet en zal in het stof bijten.

Uit de cirkel van haat stappen, is dus geen oplossing, zoveel is duidelijk.
De reden ligt voor de hand: zoals de zaken er nu voor staan, hebben beide partijen gelijk.
Ze gaan allebei zo hevig tekeer dat ze elkaar eigenlijk gelijk geven.
De haat laait zo fel op dat geen enkel offer hem kan blussen, tenzij de totale vernietiging van de tegenpartij.
Dat zien we niet alleen in de waanzinnige broedertwisten die overal in de wereld heersen, we zien het ook in de zaak Schoenaerts.
Het volstaat voor Matthias Schoenaerts niet dat Stan Lauryssens zichzelf bij wijze van spreken een arm afrukt door het gewraakte boek uit de handel te nemen.
Zou het volstaan als Lauryssens schuld bekende en toegaf dat hij een volkomen verkeerd beeld van Julien Schoenaerts geschilderd heeft?
Ik betwijfel het.
Matthias Schoenaerts wil Lauryssens zien bloeden, hij wil hem eigenlijk vernietigen.
Anders zou hij niet nog eens schadevergoeding eisen nadat het boek reeds uit de handel is verdwenen.

Maar zou die vernietiging Matthias Schoenaerts tot bedaren brengen?
Wat hij met de definitieve uitschakeling van Stan Lauryssens zou bereiken, is dat de waarheid over zijn vader niet meer aan het licht zou komen.
Maar die waarheid is dezelfde als de waarheid over hemzelf.
Matthias Schoenaerts zou dus ook zijn eigen ‘grensoverschrijdingsbesef’ vernietigen en dat zou vrij baan geven aan zijn haat tegen iedereen die over de grens gaat.
Nee, hoe men het ook draait of keert, uit de cirkel van haat stappen – vrijwillig of gedwongen – biedt geen enkele oplossing.
Iedereen die ooit in zo’n cirkel heeft gezeten, weet dat.
Wie uit de cirkel stapt doet de haat pas echt oplaaien.
Dat zien we ook in het groot.
In 1918 stapte Duitsland uit de orgie van haat die de eerste wereldoorlog was: het deed niet meer mee, het gaf zich gewonnen.
Dat gebaar was voor de tegenstrevers geen aanleiding om vrede te sluiten maar om wraak te nemen.
Het verdrag van Versailles legde de grondslag voor de volgende orgie van haat: de tweede wereldoorlog.
Daarna leek heel Europa uit de cirkel van haat te stappen: het wilde nooit meer oorlog.
En meteen begon de Koude Oorlog.
Die vandaag weer ‘heet’ lijkt te worden.
Nee, de cirkel van haat wordt alleen maar groter als men er uitstapt.
‘Nooit meer oorlog!’ betekent eigenlijk hetzelfde als ‘Ten oorlog!’

Het enige wat de haat en het geweld kan doen ophouden, is inzicht in de oorzaak ervan.
Wat de zaak Schoenaerts aan het rollen heeft gebracht en – gelukkig op zeer beperkte schaal – heeft doen escaleren tot een vicieuze cirkel van wederzijdse haat, is een waarheid, een terechte kritiek.
De waarheid over Julien Schoenaerts had het recht om aan het licht te komen.
Maar in dat bewustwordingsproces is ze vermengd geraakt met allerlei onzuiverheden, met emoties, egoïsme, rancune enzovoort.
Om een actueel beeld te gebruiken: Sinterklaas is een Zwarte Piet geworden.
Door via de schoorsteen op aarde te komen, is de waarheid smerig en vuil geworden.
De zaak Schoenaerts is een onverkwikkelijke zaak geworden, een zaak waar zelfs de kranten zich niet meer willen mee bezighouden, maar ze bergt in zich nog altijd een zeer diepe en kostbare waarheid.
Door er – uit afschuw – niet meer naar te willen kijken, gooien we het kind met het badwater weg.
En we vergeten dat het badwater er juist door en voor het kind gekomen is.
De hele onverkwikkelijke Schoenaerts-affaire is de geschiedenis van een waarheid die bij zijn afdaling naar de aarde zo smerig is geworden dat ze tijdens het wassen onzichtbaar wordt in het smerige waswater.
Als we dat vuile water – uit afschuw – weggooien, gooien we ook het kind weg en moet er opnieuw een kind naar beneden komen. Want we hebben de waarheid nodig die zich in de zaak Schoenaerts – en in alle onverkwikkelijke geschiedenissen van onze tijd – kenbaar wil maken.

Als we deze eindeloze kringloop willen stoppen, moeten we dus om te beginnen het waswater NIET weggooien. We moeten niet uit de cirkels van haat stappen, in de mening dat we daardoor weer proper worden.
Want dat is niet zo.
We maken degenen die achterblijven alleen maar smeriger, waardoor onze eigen properheid schijn(heiligheid) wordt.
Het kind moet dus IN het waswater gezocht worden.
We moeten in het vuil gaan graven naar de oorspronkelijke waarheid.
In het geval Schoenaerts – en niet alleen daar – ligt die waarheid in het overschrijden van de grens tussen fictie en werkelijkheid.
Dat is waar het allemaal mee begon: Julien Schoenaerts die op theatrale wijze over die grens struikelde.
Dat is wat eigenlijk nog altijd gebeurt: iedereen gaat over de grens zonder ze te zien en … struikelt erover.
Het is dus deze grens die zichtbaar wil worden, deze waarheid die gekend wil worden.

Wat is dat nu precies, die grens tussen fictie en werkelijkheid?

In de zaak Schoenaerts is het de grens tussen de kunstwereld en de wereld daarbuiten.
Het stilzwijgen van de pers over de hele kwestie is als het ware uitdrukking van de vraag: wat hebben wij nu eigenlijk te maken met heel dat gedoe in de kunstwereld?
Wat kan ons dat schelen?
Waarom zouden we daar nog aandacht aan besteden?
Het is een vraag die steeds meer mensen zich stellen en die in de wereld van de kunst grote ongerustheid veroorzaakt.
Er wordt zelfs al gesproken over art-bashing.
Het stilzwijgen van de pers drukt in feite het oordeel van de buitenwereld uit.
En dat valt zo op omdat het volkomen haaks staat op het oordeel van de pers zelf, die niets dan lof heeft voor ‘dat gedoe in de kunstwereld’.
Het opvallende stilzwijgen van de pers vormt eigenlijk de grens tussen twee tegengestelde oordelen: de lof van de intelligentsia en de afkeer van de gewone bevolking.
De grens tussen fictie en werkelijkheid blijkt dus tegelijk de grens te zijn tussen een (intellectuele) elite en de bevolking, tussen liefde en haat.

Om een lang verhaal kort te maken: de grens tussen fictie en werkelijkheid is in wezen niets anders dan de grens tussen materie en geest.
In onze materialistische wereld is alles wat met geest te maken heeft fictie, schijn, inbeelding.
Vanuit de geest gezien is het dan weer de wereld van de materie die maja, fictie, schijn is.
Zowel het materialisme als het spiritualisme delen de wereld in twee, waarbij ieder deel het andere tot schijn verklaart.
In die zin zijn het allebei materialistische benaderingen, want vóór het materialisme zijn intrede deed in de geschiedenis beschouwde de mens de wereld als één.
Er bestond maar één werkelijkheid en die was zowel materieel als geestelijk.
In die oorspronkelijke (en vanuit ons materialistische standpunt dus spirituele) levensvisie bestonden die twee begrippen niet eens.
De tegenstelling tussen geest en materie is er maar gekomen door toedoen van het materialisme.

Hoewel materialisme en spiritualisme elkaar tot fictie verklaren, zijn ze allebei zeer reëel.
Anders zou er geen ‘clash of civilisations’ zijn, anders zou alle ellende die erdoor veroorzaakt wordt louter fictief zijn.
Een wereldbeschouwing die werkelijk spiritueel is en de werkelijkheid opnieuw als eenheid ziet, moet noodzakelijkerwijs driegeleed zijn.
Ze moet niet alleen het materialisme en het spiritualisme omvatten, ze moet ook – en vooral – de grens tussen beide omvatten.
Ja, die grens moet centraal staan in een werkelijk spirituele levensbeschouwing, want juist die grens vormt het verschil met een werkelijk materialistische levensbeschouwing.
Een spirituele levensbeschouwing die de materie afdoet als schijn, doet in feite net hetzelfde als het materialisme: ze deelt de wereld in twee en verklaart één deel tot fictie.
Maar als één deel fictie is, dan is ook de grens met de werkelijkheid … fictie.
En daar ligt het werkelijke verschil tussen materialisme en spiritualiteit: in hun houding tegenover de grens tussen fictie en werkelijkheid.

In een echt spirituele visie staat die grens centraal.
In het materialisme wordt ze niet ernstig genomen en zelfs ontkend.
Het echte materialisme erkent het bestaan van de geest niet.
En als er geen geest is, dan is er ook geen grens tussen geest en materie.
Dat is de paradox van het materialisme: het is de auteur van de grens tussen geest en materie, maar het ontkent dat auteurschap.
Het verdeelt de wereld radicaal in twee en … ontkent dat.
Het materialisme is een visie die zichzelf onzichtbaar maakt.
Vandaar dat de materialisten zichzelf helemaal niet materialistisch vinden, ze zien de werkelijkheid gewoon zoals ze is en begrijpen niet hoe mensen blind kunnen zijn voor die werkelijkheid.
Ze gedragen zich dan ook zeer paternalistisch tegenover spirituele mensen: ze proberen hen te doen inzien dat ze in een illusie leven.
Die welwillendheid toont echter zijn ware gezicht wanneer die spirituele mensen de rollen omkeren en de aandacht richten op de grens die de materialist zo angstvallig verborgen probeert te houden.

De paradox van het materialisme is dat het een grens trekt en die vervolgens probeert uit te wissen.
Ahriman ontleent zijn macht dan ook aan het feit dat hij een geest is die de materie zichtbaar maakt maar zelf onzichtbaar blijft.
Hij is een geest die ontkent dat er geesten bestaan.
Ik besta niet, zegt hij.
Wat de zaak Schoenaerts doet escaleren tot een vicieuze cirkel van haat, is het feit dat de kern van de zaak – de grens tussen fictie en werkelijkheid – niet aan de oppervlakte komt.
Als iedereen zou inzien dat het om deze grens gaat, dan zouden ze zich niet blijven ergeren aan wat er zich op die grens afspeelt, en ze zouden elkaar ook niet blijven nabootsen tot het schuim hen op de bek stond en ze zich gedroegen als een dolle hond.
Anders gezegd: als ze Ahriman zagen, zouden ze hem niet meer nabootsen.
Maar – en dat is eveneens een paradox – door hem na te bootsen, maken ze hem steeds zichtbaarder.
Hoe machtiger Ahriman wordt, des te minder kan hij zich verbergen.
De moderne wereld raakt steeds meer bevolkt, niet alleen met reële honden, maar ook met mensen die zich gedragen als grommende, blaffende en bijtende honden.
En vroeg of laat komt er een moment dat deze mensen zich bewust worden van hun hondse gedrag en beseffen dat ze even hard aan het blaffen zijn als degenen waartegen ze blaffen.
Dat is het moment dat in de zaak Schoenaerts het stilzwijgen van de pers intreedt.
Op de een of andere manier is bij haar het vermoeden gerezen dat ze … in een spiegel kijkt.

En wat ze daar ziet, is de ontkenning van de grens tussen fictie en werkelijkheid.

De nieuwe Belgische regering wil 5% besparen op cultuur.
Dat is peanuts vergeleken bij de 20% die de Nederlandse regering enkele jaren geleden bespaarde. Toch veroorzaakt die kleine besparing een grote schok in de artistieke en culturele wereld.
De reacties zijn zo buitensporig dat ze wijzen op het doorbreken van iets dat allang onder de oppervlakte sluimerde: het besef van de grote kloof tussen de kunstwereld (de wereld van de fictie) en de werkelijkheid daarbuiten.
Die kloof is de afgelopen honderd jaar alsmaar groter geworden, en toch werd ze al die tijd ontkend geworden.
Vandaag heeft die ontkenning absurde proporties aangenomen, want de kunstwereld die op nooit geziene wijze gesteund wordt door de rijken en de machtigen, die bejubeld wordt door de intelligentsia en nergens ook maar één woord van kritiek tegenkomt, die establishment-wereld ziet zichzelf als een … verzetshaard, als een avant-garde die tegen de schenen van de gevestigde orde schopt.
Het zou lachwekkend zijn als het niet zo pijnlijk was.
Nergens is de ontkenning van de grens tussen fictie en werkelijkheid zo absoluut als in de kunstwereld.
Nergens is het materialisme zo diep geïncarneerd.

Ik zou willen schrijven dat het materialisme hier een grens heeft bereikt en dat de culturele wereld eindelijk geconfronteerd wordt met zichzelf en met de bijna absurde ontkenning van de kloof die ze zelf geslagen heeft.
Maar ik denk dat al meer dan 40 jaar.
Ik denk al m’n hele leven: dit kàn toch niet blijven duren, vroeg of laat moeten de ogen toch opengaan!
Maar verre van open te gaan, lijken ze alsmaar blinder te worden voor de grenzen die het materialisme overal trekt, met name dan die ene grote grens tussen fictie en werkelijkheid.
De zaak Schoenaerts illustreert dat.
Het materialisme in een notedop, zo zou deze ‘toneelvoorstelling’ kunnen heten.
Momenteel is het pauze: er is een nieuwe rechtszaak opgestart en het onderzoek loopt.
Maar in plaats dat het publiek – hier vertegenwoordigd door de pers – de voorstelling druk becommentarieert, blijft het zwijgend zitten.
Wat heeft die ongebruikelijke stilte te betekenen?
Is ze de uitdrukking van onverschilligheid en afstomping?
Of is ze een teken van groeiend zelfbesef, de voorbode van een verlossende vraag?
Ik denk niet dat ik de enige ben die vol verwachting toekijkt.

(wordt vervolgd)