Vloms

door lievendebrouwere

‘Beangstigend, ten slotte, is het kneuterige provincialisme van de sociolinguïsten en hun ‘Vlaams’.
Mogen we nog buiten Vláánderen kijken?
We wonen nog steeds in België.
Steeds meer Franstaligen leren Nederlands. Mogen zij niet verwachten dat ze in Vlaanderen dan ook in het Nederlands bejegend worden, en niet in het Vloms van Thuis? Hoe kunnen we van Franstalige landgenoten respect voor het Nederlands vragen als we dat zelf niet opbrengen?
Stel dat je je kinderen thuis laat eten als varkentjes, en ze nette tafelmanieren alleen doet bovenhalen als ze ‘bij mensen’ eten. Dan zullen ze zich de rest van hun leven onzeker en gefnuikt voelen als ze in gezelschap netjes moeten eten. Leer ze dat altijd te doen en het wordt een tweede natuur, en dus spontaan gedrag.’

Aldus Mia Doornaert in De Standaard van 10 november.
Het is bekend dat la Doornaert emotioneel wordt als het gebruik van Vlaamse dialecten ter sprake komt.
Dat is haar goed recht, maar ik moet er altijd om lachen.
Overdreven reacties zoals de hare verraden altijd verwantschap, in dit geval met kneuterige, provincialistische ‘varkens’ die Vloms spreken.
And guess what, we zijn inderdaad familie.
Maar daarmee houdt het ook op.

Toen ik ooit op een familiefeestje de moeder van Mia Doornaert argeloos in het Westvlaams begroette, kreeg ik meteen de wind van voren.
Hoe was het in godsnaam mogelijk dat een licentiaat Germaanse zo’n boerentaaltje sprak!
Het klonk alsof ik de familie te schande had gemaakt.
Het was m’n eerste kennismaking met de ‘betere’ tak van de Doornaert-familie.
Lichtjes verbouwereerd ging ik bij de vertrouwde ‘boerse’ tak zitten, waar ik op gegniffel en schouderklopjes onthaald werd.
Jaja, ze kenden Mia’s moeder wel.

Het klopt niet helemaal dat ik nooit eerder een ‘betere’ Doornaert de hand had gedrukt.
Het feestvarken (sic) van de avond, de heer Marcel Doornaert, jezuïet bij de gratie Gods, kwam af en toe bij ons op bezoek.
Hij liet zich dan voorrijden door een chauffeur, en voor hij deze liet uitstappen, kwam hij informeren of mijn moeder wel genoeg in huis had om de heren te ontvangen, en of ze ook een proper laken op tafel wilde leggen.
Duidelijk een betere Doornaert dus.

Hij vierde zijn 80ste verjaardag in het hoofdkwartier van de jezuïeten in Aalst.
En dat was ook het ‘betere’ werk.
Overal lagen perzische tapijten en stonden kostbare antieke meubelen.
Nee, ze kwamen niets te kort de broeders s.j.
Hun hele gebouw ademde rijkdom.
Zijzelf ademden iets heel anders uit, iets dat in de buurt van kwaadaardigheid kwam.
Nog nooit had ik zoveel gemelijke koppen bij elkaar gezien.
Van feestvreugde of collegialiteit was in de verste verte niks te merken.
Toen de overste – is dat bij de jezuïeten geen generaal? – tijdens de feestrede met een ernstig gezicht vertelde dat pater Doornaert tijdens zijn leven heel veel geleden had en daarom ongetwijfeld nu reeds als een heilige kon beschouwd worden, zag ik overal wenkbrauwen omhooggaan.
Marcel Doornaert veel geleden?
Dat was het eerste dat ze daarvan hoorden.
Ongetwijfeld had hij zwaar geleden onder de smerige tafellakens en het tekort aan sterke drank tijdens de bezoeken aan zijn familie.
Maar verder?
Ik begon te vermoeden dat de (overigens nog relatief jonge) jezuïeten-overste op bedekte wijze de spot dreef met zijn veel oudere collega.
Of waren die jezuïeten werkelijk zo zelfingenomen dat ze ervan overtuigd waren een levende heilige in hun midden te hebben?
Ik kon het moeilijk geloven.

Wat heeft deze kleine familiekroniek nu te maken met wat Mia Doornaert schrijft in De Standaard?
Veel, denk ik.
Op het bewuste familiefeest waren er namelijk drie ‘standen’ bijeen.
De geestelijke stand der jezuïeten, even intelligent als kwaadaardig en rijk.
De hogere stand van de betere Doornaerts met hun keurige ABN.
De lagere stand van de provincialistische Doornaerts met hun kneuterige Westvlaams.
De moeder van Mia Doornaert was tijdens het feest niet weg te slaan van haar zopas heilig verklaarde schoonbroer.
Ze vormden een merkwaardig seculier-religieus duo dat door niemand ernstig werd genomen, niet door de hogere stand, niet door de lagere.
En geen van beiden had dat door.

Wel, ik denk dat Mia Doornaert het ook niet doorheeft.
Ze is al een tijdje barones en mag zich dus verheugen in de waardering van de hogere, en dus Franstalige, standen in België.
Ze staat dan ook altijd klaar om de Belgische belangen te verdedigen.
Een knecht kent zijn meester nietwaar?
Maar zou Mia door die hogere kringen echt ernstig worden genomen?
Of wordt ze gewoon beschouwd als een gewillig werktuig in hun verdeel-en-heers-politiek?
Want als de Franstalige elite haar macht in België wil behouden, moet ze verdeeldheid zaaien onder de Vlamingen.
Of de verdeeldheid die er al is, cultiveren en aanwakkeren.
En die verdeeldheid heeft veel, heel veel te maken met taal.

Dat we vandaag in Vlaanderen überhaupt nog Nederlands spreken, is te danken aan de kneuterige, provincialistische Vlamingen die, wegens gebrek aan onderwijs, geen Frans spraken zoals de betere kringen maar een plaatselijk Vlaams dialect.
Aangezien deze lagere standen in de 19de eeuw tot een erbarmelijk niveau waren afgezakt – zou het werkelijk toeval zijn dat barones Doornaert een vergelijking maakt met ‘varkentjes’? – klonk hun Vlaamse dialectversie van het Nederlands ongetwijfeld verre van beschaafd
Ik kom op mijn wandelingen soms wel eens oude autochtonen tegen, en als ik met hen in gesprek raak, moet ik raden naar wat ze willen zeggen, want hun dialect klinkt als het uitstoten van een reeks onsamenhangende oerklanken.
Ik kan me op zo’n moment levendig de minachting en afkeer van de betere kringen inbeelden voor dit soort ‘primitieven’. Ze moeten deze Vlaamse boertjes op dezelfde manier bekeken hebben als de kolonialen destijds de ‘negertjes’ bekeken.
Toen Vlaanderen uit zijn assen verrees en de betere kringen Nederlands gingen spreken, verdween die minachting niet.
Ze zocht andere wegen, en één ervan was een diepe afkeer voor het dialect.
Iedere ontwikkelde Vlaming diende zich daar krachtig van te distantiëren door een over-beschaafd Nederlands te spreken, het soort bekakte Nederlands waarvan bijvoorbeeld Julien Schoenaerts zich bediende.

Vlaamse kinderen, aldus Mia Doornaert, zullen zich hun leven lang onzeker en gefnuikt voelen als ze in beschaafd gezelschap Nederlands moeten spreken, want ze hebben het thuis niet moeten doen en daardoor is het geen tweede natuur kunnen worden.
Dat was inderdaad de filosofie van de ontwikkelde Vlamingen (die geen Frans meer spraken): we moeten onze kinderen verplichten om beschaafd Nederlands te spreken, want op die manier zullen ze het spontaan doen als ze groot zijn.
Diezelfde mentaliteit kwam ik ook tegen in Leuven toen ik daar (zonder enige overtuiging trouwens) Germaanse ging studeren.
De eerste dag al drukte een prof ons op het hart dat we overal en altijd ABN moesten spreken.
Ik dacht bij mezelf: wat denkt die vent wel?
Ik peinsde er niet over om me het castratentaaltje aan te meten dat ik zoveel mensen hoorde spreken en dat doorging voor ‘beschaafd’.
Ik hield te veel van taal dan dat ik ze op zo’n manier de nek zou willen omdraaien.
Je kunt veel zeggen van dialect – bijvoorbeeld dat het niet beschaafd is – maar het leeft tenminste.
En als ik moet kiezen tussen levende en dode taal, dan weet ik het wel.

Mensen als Mia Doornaert denken dat je een dode taal tot leven kunt wekken als je kinderen van jongs af dwingt om ze te spreken.
Ze is er zelf het beste bewijs van dat zoiets niet werkt.
Het soort Nederlands dat ze spreekt, klinkt allesbehalve als een tweede natuur.
Wat daarentegen wel als een tweede natuur klinkt, is haar afkeer voor dialectsprekers, dezelfde afkeer waar ik mee te maken kreeg toen ik haar moeder in het Westvlaams begroette.
Het is geen afkeer voor het dialect zelf – hoe kun je nu afkeer voelen voor je moedertaal? – maar voor degenen die weigeren zich tegen het dialect te keren.
Wie een wig drijft in een taal, drijft ook een wig tussen mensen.

De fout die Mia Doornaert maakt – en veel taalpuristen met haar – is dat ze taal niet als een levend wezen beschouwt.
Het levende Nederlands in Vlaanderen is het dialect.
Je kunt dat spijtig, pijnlijk of beschamend vinden, maar het is niet anders.
Als je die werkelijkheid niet erkent en respecteert, zal ze zich verzetten tegen alle ‘beschavingspogingen’ hoe goedbedoeld die ook zijn.
Ik ben dan ook een groot voorstander van de zogenaamde ‘tussentaal‘, niet als een doel, maar als een overgangsfase.
Wij Vlamingen komen van ver en we hebben nog een hele weg te gaan.
Maar je maakt die weg niet korter door sneller te willen gaan.
Wel integendeel.

An noch ik hebben ooit één woord ABN met onze kinderen gesproken, en toch spreken ze geen van drieën dialect.
Talen die leven evolueren vanzelf.
Maar dat heeft tijd nodig.
Je kunt iets dat leeft niet forceren zonder het te beschadigen.
Daarom ben ik blij met het soort tussentaal dat jonge mensen vandaag spreken en dat zelfs gecultiveerd wordt op tv.
Er spreekt een nieuw soort zelfbewustzijn uit, een zelfbewustzijn waar Vlamingen zo’n nood aan hebben.
Mensen als Mia Doornaert hebben wellicht hun verdiensten, maar door hun krampachtig purisme doen ze die verdiensten weer teniet.

Ja, Mia Doornaert is een voorbeeld van de onzekere en gefnuikte Vlaming die zich verplicht ziet of voelt om in beschaafd gezelschap beschaafder dan beschaafd te spreken en juist daardoor zijn onbeschaafdheid verraadt.
Want beschaafde mensen houden van hun taal, ze willen haar geen geweld aandoen en geven haar de kans om op haar eigen tempo te groeien en niet op het tempo van mensen die zich schamen voor hun afkomst en hun kneuterige, provincialistische familie.
In een interview zei Mia Doornaert ooit dat ze eigenlijk een frivool meisje is.
Wie de barones ooit gezien en gehoord heeft, weet wel beter.
Ze is helemaal geen frivool meisje, ze zou het alleen heel graag willen zijn.
Op dezelfde manier zou ze ook wel willen dat het ABN een tweede natuur voor haar was.
Maar dat is niet zo.
En dat neemt ze anderen kwalijk.
Ze noemt hen zelfs kneuterig en provincialistisch.

Ziedaar het Vlaamse probleem in een notedop.