Schoenaerts (6)

door lievendebrouwere

In deel 5 van mijn beschouwingen over de zaak Schoenaerts had ik het over het opvallende stilzwijgen van de media. Ofschoon ze er altijd als de kippen bij zijn om een zaak op te kloppen tot een sensatieverhaal, doen ze in dit geval precies het omgekeerde. De reden voor dat ongewone gedrag – dat ik vergeleek met het stilzwijgen van Parsifal als hij voor de Visserkoning verschijnt – vond ik in het feit dat de zaak Schoenaerts de intellectuele wereld een spiegel voorhoudt.

Wat is er in die spiegel te zien?
Mensen die de grens tussen fictie en werkelijkheid overschrijden.
Julien Schoenaerts, Stan Lauryssens, Matthias Schoenaerts: allemaal gaan ze ‘over de grens’.
En ze doen dat omdat … anderen over de grens gaan.
Stan Lauryssens overschrijdt in zijn boek de grens tussen fictie en werkelijkheid, maar hij schrijft dat boek omdat Julien Schoenaerts … over de grens tussen fictie en werkelijkheid ging.
Matthias Schoenaerts overschrijdt die grens eveneens, en hij doet dat omdat Stan Lauryssens over de grens ging.
Allemaal gaan ze over de grens tussen fictie en werkelijkheid.
Allemaal verwijten ze elkaar die grens te overschrijden.
Allemaal bootsen ze elkaar allemaal na.
En geen van allen zijn ze zich daarvan bewust.

Wat het geval Schoenaerts zo interessant maakt, is dat het weerspiegelt wat vandaag overal gebeurt.
Bijvoorbeeld: politiek links verwijt rechts dat het agressief en onverdraagzaam is.
Maar het doet dat op een … agressieve en onverdraagzame manier.
Vervolgens verwijt rechts links dat het agressief en onverdraagzaam is.
En het doet dat eveneens op een agressieve en onverdraagzame manier.
Links reageert verontwaardigd: hoe durft rechts haar beschuldigen van datgene waar het zich zelf schuldig aan maakt!
En het gaat nog agressiever en onverdraagzamer te keer tegen rechts.
Hoe meer de zaak escaleert, hoe meer beide partijen gelijk hebben, want de ander gedraagt zich inderdaad agressief en onverdraagzaam.
Maar tegelijk worden ze steeds blinder voor het feit dat ze zich zelf zo gedragen.
En ten slotte ontstaat er een zelfvernietigende cirkel van blinde haat.
Die vicieuze cirkels kunnen we vandaag overal waarnemen.
De zaak Schoenaerts is geenszins een uitzondering.
Wel integendeel.
Ze is een schoolvoorbeeld van de regel die steeds meer navolging krijgt en die het moderne leven dreigt te herscheppen in een strijd van allen tegen allen.

De grote vraag is natuurlijk: hoe kunnen we die vicieuze cirkel van haat doorbreken?
Wat zou hier een oplossing kunnen zijn?
Toen Stan Lauryssens zijn boek uit de handel nam, leek er een eind te komen aan de hele affaire.
Matthias Schoenaerts kreeg wat hij eigenlijk wilde (maar via de rechtbank niet had kunnen bekomen): dat niemand het boek nog kon lezen.
Voor Lauryssens was het een offer van formaat.
Hij had jarenlang gewerkt aan zijn boek, het stond volop in de belangstelling, de tweede druk stond op stapel en de Boekenbeurs stond vlak voor de deur.
Hij stond met andere woorden op een hoogtepunt in zijn schrijverscarrière.
En precies op dat moment maakte hij er een eind aan.
Het was een bijzonder drastische beslissing en de zaak Schoenaerts leek daarmee afgelopen te zijn.
Maar dat was niet zo.
Onmiddellijk nadat Lauryssens zijn boek uit de handel had genomen, diende Matthias Schoenaerts een eis tot schadevergoeding in.
Het gebaar van zijn opponent maakte blijkbaar geen enkele indruk op hem, integendeel.
Hij zag zijn kans schoon om Lauryssens nog dieper in de modder te duwen.

De zaak Schoenaerts leert ons dat het geen oplossing is om uit de vicieuze cirkel van haat te stappen.
Integendeel, hij gaat dan nog sneller draaien.
Wie zoals Stan Lauryssens een offer brengt en ziet dat het niet alleen niet aanvaard wordt maar zelfs nog meer wraakzucht opwekt, zal niet geneigd zijn nog eens zo’n toenaderingsgebaar te maken.
Hij zal juist geneigd zijn zelf wraak te willen nemen.
En is dat niet wat we vandaag overal zien?
Europeanen worden aan één stuk door beschuldigd van racisme, discriminatie en onverdraagzaamheid.
Net als Stan Lauryssens ontkennen ze die beschuldigingen.
In rechtbanken wordt er over die aanklacht net zo geoordeeld als in de zaak Schoenaerts: halfslachtig.
Er is inderdaad racisme, discriminatie en onverdraagzaamheid.
Maar hoeveel en in welke mate?
Waar precies wordt de grens overschreden?
Dat blijft allemaal heel onduidelijk.
Maar Europa maakt – omwille van de lieve vrede – een even genereus toenaderingsgebaar als Stan Lauryssens: het gaat overal de strijd aan met haar eigen racisme, discriminatie en onverdraagzaamheid. Het doet dat zelfs zo drastisch dat het op een offer gaat lijken.
Maakt dat offer echter een eind aan de beschuldigingen?
Ontwapent het de aanklagers?
Doorbreekt het de cirkel van wederzijdse haat?
Net als in de zaak Schoenaerts gebeurt precies het tegenovergestelde: de beschuldigingen nemen alleen maar in kracht toe.
Ze ontaarden stap voor stap in blinde haat en wraakzucht: Europa moet en zal in het stof bijten.

Uit de cirkel van haat stappen, is dus geen oplossing, zoveel is duidelijk.
De reden ligt voor de hand: zoals de zaken er nu voor staan, hebben beide partijen gelijk.
Ze gaan allebei zo hevig tekeer dat ze elkaar eigenlijk gelijk geven.
De haat laait zo fel op dat geen enkel offer hem kan blussen, tenzij de totale vernietiging van de tegenpartij.
Dat zien we niet alleen in de waanzinnige broedertwisten die overal in de wereld heersen, we zien het ook in de zaak Schoenaerts.
Het volstaat voor Matthias Schoenaerts niet dat Stan Lauryssens zichzelf bij wijze van spreken een arm afrukt door het gewraakte boek uit de handel te nemen.
Zou het volstaan als Lauryssens schuld bekende en toegaf dat hij een volkomen verkeerd beeld van Julien Schoenaerts geschilderd heeft?
Ik betwijfel het.
Matthias Schoenaerts wil Lauryssens zien bloeden, hij wil hem eigenlijk vernietigen.
Anders zou hij niet nog eens schadevergoeding eisen nadat het boek reeds uit de handel is verdwenen.

Maar zou die vernietiging Matthias Schoenaerts tot bedaren brengen?
Wat hij met de definitieve uitschakeling van Stan Lauryssens zou bereiken, is dat de waarheid over zijn vader niet meer aan het licht zou komen.
Maar die waarheid is dezelfde als de waarheid over hemzelf.
Matthias Schoenaerts zou dus ook zijn eigen ‘grensoverschrijdingsbesef’ vernietigen en dat zou vrij baan geven aan zijn haat tegen iedereen die over de grens gaat.
Nee, hoe men het ook draait of keert, uit de cirkel van haat stappen – vrijwillig of gedwongen – biedt geen enkele oplossing.
Iedereen die ooit in zo’n cirkel heeft gezeten, weet dat.
Wie uit de cirkel stapt doet de haat pas echt oplaaien.
Dat zien we ook in het groot.
In 1918 stapte Duitsland uit de orgie van haat die de eerste wereldoorlog was: het deed niet meer mee, het gaf zich gewonnen.
Dat gebaar was voor de tegenstrevers geen aanleiding om vrede te sluiten maar om wraak te nemen.
Het verdrag van Versailles legde de grondslag voor de volgende orgie van haat: de tweede wereldoorlog.
Daarna leek heel Europa uit de cirkel van haat te stappen: het wilde nooit meer oorlog.
En meteen begon de Koude Oorlog.
Die vandaag weer ‘heet’ lijkt te worden.
Nee, de cirkel van haat wordt alleen maar groter als men er uitstapt.
‘Nooit meer oorlog!’ betekent eigenlijk hetzelfde als ‘Ten oorlog!’

Het enige wat de haat en het geweld kan doen ophouden, is inzicht in de oorzaak ervan.
Wat de zaak Schoenaerts aan het rollen heeft gebracht en – gelukkig op zeer beperkte schaal – heeft doen escaleren tot een vicieuze cirkel van wederzijdse haat, is een waarheid, een terechte kritiek.
De waarheid over Julien Schoenaerts had het recht om aan het licht te komen.
Maar in dat bewustwordingsproces is ze vermengd geraakt met allerlei onzuiverheden, met emoties, egoïsme, rancune enzovoort.
Om een actueel beeld te gebruiken: Sinterklaas is een Zwarte Piet geworden.
Door via de schoorsteen op aarde te komen, is de waarheid smerig en vuil geworden.
De zaak Schoenaerts is een onverkwikkelijke zaak geworden, een zaak waar zelfs de kranten zich niet meer willen mee bezighouden, maar ze bergt in zich nog altijd een zeer diepe en kostbare waarheid.
Door er – uit afschuw – niet meer naar te willen kijken, gooien we het kind met het badwater weg.
En we vergeten dat het badwater er juist door en voor het kind gekomen is.
De hele onverkwikkelijke Schoenaerts-affaire is de geschiedenis van een waarheid die bij zijn afdaling naar de aarde zo smerig is geworden dat ze tijdens het wassen onzichtbaar wordt in het smerige waswater.
Als we dat vuile water – uit afschuw – weggooien, gooien we ook het kind weg en moet er opnieuw een kind naar beneden komen. Want we hebben de waarheid nodig die zich in de zaak Schoenaerts – en in alle onverkwikkelijke geschiedenissen van onze tijd – kenbaar wil maken.

Als we deze eindeloze kringloop willen stoppen, moeten we dus om te beginnen het waswater NIET weggooien. We moeten niet uit de cirkels van haat stappen, in de mening dat we daardoor weer proper worden.
Want dat is niet zo.
We maken degenen die achterblijven alleen maar smeriger, waardoor onze eigen properheid schijn(heiligheid) wordt.
Het kind moet dus IN het waswater gezocht worden.
We moeten in het vuil gaan graven naar de oorspronkelijke waarheid.
In het geval Schoenaerts – en niet alleen daar – ligt die waarheid in het overschrijden van de grens tussen fictie en werkelijkheid.
Dat is waar het allemaal mee begon: Julien Schoenaerts die op theatrale wijze over die grens struikelde.
Dat is wat eigenlijk nog altijd gebeurt: iedereen gaat over de grens zonder ze te zien en … struikelt erover.
Het is dus deze grens die zichtbaar wil worden, deze waarheid die gekend wil worden.

Wat is dat nu precies, die grens tussen fictie en werkelijkheid?

In de zaak Schoenaerts is het de grens tussen de kunstwereld en de wereld daarbuiten.
Het stilzwijgen van de pers over de hele kwestie is als het ware uitdrukking van de vraag: wat hebben wij nu eigenlijk te maken met heel dat gedoe in de kunstwereld?
Wat kan ons dat schelen?
Waarom zouden we daar nog aandacht aan besteden?
Het is een vraag die steeds meer mensen zich stellen en die in de wereld van de kunst grote ongerustheid veroorzaakt.
Er wordt zelfs al gesproken over art-bashing.
Het stilzwijgen van de pers drukt in feite het oordeel van de buitenwereld uit.
En dat valt zo op omdat het volkomen haaks staat op het oordeel van de pers zelf, die niets dan lof heeft voor ‘dat gedoe in de kunstwereld’.
Het opvallende stilzwijgen van de pers vormt eigenlijk de grens tussen twee tegengestelde oordelen: de lof van de intelligentsia en de afkeer van de gewone bevolking.
De grens tussen fictie en werkelijkheid blijkt dus tegelijk de grens te zijn tussen een (intellectuele) elite en de bevolking, tussen liefde en haat.

Om een lang verhaal kort te maken: de grens tussen fictie en werkelijkheid is in wezen niets anders dan de grens tussen materie en geest.
In onze materialistische wereld is alles wat met geest te maken heeft fictie, schijn, inbeelding.
Vanuit de geest gezien is het dan weer de wereld van de materie die maja, fictie, schijn is.
Zowel het materialisme als het spiritualisme delen de wereld in twee, waarbij ieder deel het andere tot schijn verklaart.
In die zin zijn het allebei materialistische benaderingen, want vóór het materialisme zijn intrede deed in de geschiedenis beschouwde de mens de wereld als één.
Er bestond maar één werkelijkheid en die was zowel materieel als geestelijk.
In die oorspronkelijke (en vanuit ons materialistische standpunt dus spirituele) levensvisie bestonden die twee begrippen niet eens.
De tegenstelling tussen geest en materie is er maar gekomen door toedoen van het materialisme.

Hoewel materialisme en spiritualisme elkaar tot fictie verklaren, zijn ze allebei zeer reëel.
Anders zou er geen ‘clash of civilisations’ zijn, anders zou alle ellende die erdoor veroorzaakt wordt louter fictief zijn.
Een wereldbeschouwing die werkelijk spiritueel is en de werkelijkheid opnieuw als eenheid ziet, moet noodzakelijkerwijs driegeleed zijn.
Ze moet niet alleen het materialisme en het spiritualisme omvatten, ze moet ook – en vooral – de grens tussen beide omvatten.
Ja, die grens moet centraal staan in een werkelijk spirituele levensbeschouwing, want juist die grens vormt het verschil met een werkelijk materialistische levensbeschouwing.
Een spirituele levensbeschouwing die de materie afdoet als schijn, doet in feite net hetzelfde als het materialisme: ze deelt de wereld in twee en verklaart één deel tot fictie.
Maar als één deel fictie is, dan is ook de grens met de werkelijkheid … fictie.
En daar ligt het werkelijke verschil tussen materialisme en spiritualiteit: in hun houding tegenover de grens tussen fictie en werkelijkheid.

In een echt spirituele visie staat die grens centraal.
In het materialisme wordt ze niet ernstig genomen en zelfs ontkend.
Het echte materialisme erkent het bestaan van de geest niet.
En als er geen geest is, dan is er ook geen grens tussen geest en materie.
Dat is de paradox van het materialisme: het is de auteur van de grens tussen geest en materie, maar het ontkent dat auteurschap.
Het verdeelt de wereld radicaal in twee en … ontkent dat.
Het materialisme is een visie die zichzelf onzichtbaar maakt.
Vandaar dat de materialisten zichzelf helemaal niet materialistisch vinden, ze zien de werkelijkheid gewoon zoals ze is en begrijpen niet hoe mensen blind kunnen zijn voor die werkelijkheid.
Ze gedragen zich dan ook zeer paternalistisch tegenover spirituele mensen: ze proberen hen te doen inzien dat ze in een illusie leven.
Die welwillendheid toont echter zijn ware gezicht wanneer die spirituele mensen de rollen omkeren en de aandacht richten op de grens die de materialist zo angstvallig verborgen probeert te houden.

De paradox van het materialisme is dat het een grens trekt en die vervolgens probeert uit te wissen.
Ahriman ontleent zijn macht dan ook aan het feit dat hij een geest is die de materie zichtbaar maakt maar zelf onzichtbaar blijft.
Hij is een geest die ontkent dat er geesten bestaan.
Ik besta niet, zegt hij.
Wat de zaak Schoenaerts doet escaleren tot een vicieuze cirkel van haat, is het feit dat de kern van de zaak – de grens tussen fictie en werkelijkheid – niet aan de oppervlakte komt.
Als iedereen zou inzien dat het om deze grens gaat, dan zouden ze zich niet blijven ergeren aan wat er zich op die grens afspeelt, en ze zouden elkaar ook niet blijven nabootsen tot het schuim hen op de bek stond en ze zich gedroegen als een dolle hond.
Anders gezegd: als ze Ahriman zagen, zouden ze hem niet meer nabootsen.
Maar – en dat is eveneens een paradox – door hem na te bootsen, maken ze hem steeds zichtbaarder.
Hoe machtiger Ahriman wordt, des te minder kan hij zich verbergen.
De moderne wereld raakt steeds meer bevolkt, niet alleen met reële honden, maar ook met mensen die zich gedragen als grommende, blaffende en bijtende honden.
En vroeg of laat komt er een moment dat deze mensen zich bewust worden van hun hondse gedrag en beseffen dat ze even hard aan het blaffen zijn als degenen waartegen ze blaffen.
Dat is het moment dat in de zaak Schoenaerts het stilzwijgen van de pers intreedt.
Op de een of andere manier is bij haar het vermoeden gerezen dat ze … in een spiegel kijkt.

En wat ze daar ziet, is de ontkenning van de grens tussen fictie en werkelijkheid.

De nieuwe Belgische regering wil 5% besparen op cultuur.
Dat is peanuts vergeleken bij de 20% die de Nederlandse regering enkele jaren geleden bespaarde. Toch veroorzaakt die kleine besparing een grote schok in de artistieke en culturele wereld.
De reacties zijn zo buitensporig dat ze wijzen op het doorbreken van iets dat allang onder de oppervlakte sluimerde: het besef van de grote kloof tussen de kunstwereld (de wereld van de fictie) en de werkelijkheid daarbuiten.
Die kloof is de afgelopen honderd jaar alsmaar groter geworden, en toch werd ze al die tijd ontkend geworden.
Vandaag heeft die ontkenning absurde proporties aangenomen, want de kunstwereld die op nooit geziene wijze gesteund wordt door de rijken en de machtigen, die bejubeld wordt door de intelligentsia en nergens ook maar één woord van kritiek tegenkomt, die establishment-wereld ziet zichzelf als een … verzetshaard, als een avant-garde die tegen de schenen van de gevestigde orde schopt.
Het zou lachwekkend zijn als het niet zo pijnlijk was.
Nergens is de ontkenning van de grens tussen fictie en werkelijkheid zo absoluut als in de kunstwereld.
Nergens is het materialisme zo diep geïncarneerd.

Ik zou willen schrijven dat het materialisme hier een grens heeft bereikt en dat de culturele wereld eindelijk geconfronteerd wordt met zichzelf en met de bijna absurde ontkenning van de kloof die ze zelf geslagen heeft.
Maar ik denk dat al meer dan 40 jaar.
Ik denk al m’n hele leven: dit kàn toch niet blijven duren, vroeg of laat moeten de ogen toch opengaan!
Maar verre van open te gaan, lijken ze alsmaar blinder te worden voor de grenzen die het materialisme overal trekt, met name dan die ene grote grens tussen fictie en werkelijkheid.
De zaak Schoenaerts illustreert dat.
Het materialisme in een notedop, zo zou deze ‘toneelvoorstelling’ kunnen heten.
Momenteel is het pauze: er is een nieuwe rechtszaak opgestart en het onderzoek loopt.
Maar in plaats dat het publiek – hier vertegenwoordigd door de pers – de voorstelling druk becommentarieert, blijft het zwijgend zitten.
Wat heeft die ongebruikelijke stilte te betekenen?
Is ze de uitdrukking van onverschilligheid en afstomping?
Of is ze een teken van groeiend zelfbesef, de voorbode van een verlossende vraag?
Ik denk niet dat ik de enige ben die vol verwachting toekijkt.

(wordt vervolgd)

Advertenties