De mythe van de rebellerende kunstenaar

door lievendebrouwere

Een tijdje geleden noemde ik Tom Naegels als voorbeeld van een kunstenaar die zijn ziel ingeruild heeft voor een job in loondienst bij De Standaard.
Daar moet hij nu, in de hoedanigheid van ombudsman, de politiek-correcte koers van de krant mee helpen ‘verkopen’ aan de lezer.
Ik moet eerlijk zeggen dat ik in zijn geval misschien hetzelfde had gedaan.
Het is niet niks om als onafhankelijk kunstenaar te moeten leven en de speelbal te zijn van andermans welwillendheid. Vooral als je vrouw en kinderen hebt en net een huis hebt gekocht, is dat een vrijwel onhoudbare toestand.
Daarom verkopen tegenwoordig vrijwel alle kunstenaars hun ziel, is het niet voor een vaste job, dan wel voor subsidies of een plek op de kunstmarkt.
Want daarbuiten is er geen leven meer, tenzij je heel veel geluk hebt.
Het resultaat is een slaafse en onderdanige kunstwereld die precies doet wat haar broodheren van haar verwachten.
Dissidenten zijn er niet, iedereen loopt keurig in de pas.
Het is een zo beschamende vertoning dat de kunstwereld zich verbergt achter een masker: dat van de eeuwige rebel, de dwarsligger, de stoorzender, hij-die-tegen-de-stroom-in-gaat.
Meer is de kunstwereld vandaag niet meer: een masker van het establishment.
Dankzij dat kunstmasker kunnen de machthebbers zich voordoen als herauten van de Nieuwe Tijd.

In De Standaard heeft Tom Naegels afgelopen weekend op die artistieke maskerade gewezen.
Dat siert hem.
Hij maakt gebruik van zijn job als ombudsman om iets te zeggen dat hij als ‘onafhankelijk’ kunstenaar nooit had kunnen zeggen.
Want het is zelfmoord om kritiek uit te oefenen op de kunstwereld en haar masker op te lichten.
Tom Naegels zou zonder pardon op straat zijn gezet, terwijl hij nu het vangnet heeft van zijn vaste job.
Hij moet het natuurlijk niet te bont maken, want de media en de kunstwereld, dat zijn twee handen op één buik.
Daarom heeft hij enkel een knuppel in het hoenderhok gegooid.
Verder zal hij zich waarschijnlijk niet wagen.
De afloop van zijn actie is trouwens voorspelbaar: eerst zal er veel gekakel zijn in het hoenderhok der kunsten, maar daarna zal iedereen weer zijn masker van rebel opzetten en mooi zijn ei leggen.

Ik zou heel graag zeggen dat het vandaag toch lijkt alsof er echte beroering ontstaat in het kunstenhok, maar ik wacht al zolang op een Hercules die deze Augiasstal komt uitmesten dat ik er niet meer in geloof.
De kunst is vandaag zo sterk vergroeid met de macht dat er veel en veel meer nodig is dan een opinieartikel van Tom Naegels om echt iets te veranderen.
Niettemin: alle beetjes helpen.

HET EINDE VAN DE KUNSTENAAR

‘Allemaal terug de zee in!’ roept Frie Leysen de kunstenaars onder ons op – een merkwaardige metafoor waarmee ze bedoelt dat de kunsten hun essentie moeten terugvinden: ze moeten de rol van ‘stoorzender’ spelen, die ‘tegen de stroom’ in gaat, ‘een compleet ander perspectief op onze tijd en onze wereld’ biedt, die ‘wijst waar het pijn doet’ en die daarom een ‘vrijzone’ nodig heeft waar hij los van alle ‘economische, politieke en sociale agenda’s’ zichzelf kan zijn.
Het is een klassieke visie op de rol van kunstenaars, die ritueel wordt aanroepen. Maar ik denk dat ze aan een herijking toe is. Nee, laat het me storender verwoorden: die kunstenaarsmythe is al heel lang failliet. De reden waarom de artistieke sector al zo lang machteloos staat tegenover alles waar hij graag invloed op zou willen hebben – van de hoogte van de eigen betoelaging, over het Vlaamse en federale regeringsbeleid in het algemeen, tot het stemgedrag van de gemeenschap die hij nochtans ‘een compleet ander perspectief’ geboden heeft – is precies omdat die sector zich aldoor verliest in die mix van mystiek, ideologie en zelfverheerlijking, dat al te geflatteerde zelfbeeld van de kunstenaar als uitverkoren dwarsdenker.

De wisselbeker Hugo Claus

Om te beginnen: het idee van ‘storen’ is inherent paradoxaal. Wat wérkelijk stoort, waardeer je niet. Frie Leysen geeft tal van voorbeelden van zaken die haar tegen de borst stoten: verrechtsing, nationalisme, commercialisering, conservatisme. Toch zegt ze niet: ‘Fantastisch dat ik op die manier werd uitgedaagd. In het bijzonder dank aan Matthias Storme, die mij met zijn prikkelende essay over de vrijheid om te mogen discrimineren echt op het verkeerde been gezet heeft. Ik heb moeten wroeten om mijn overtuigingen overeind te houden. Héérlijk!’ Nee, ze wil een stoorzender die het met haar eens is – een stoorzender die haar tegenstanders irriteert.
Het is de eerste fundamentele zwakte van de kunstenaarsmythe: mensen accepteren alleen het verzet waar ze zelf deel van uitmaken.
Maar dan negeren ze – tweede zwakte – dat het hele land ondertussen zo denkt.
Niet alleen kunstenaars vinden zichzelf vrijbuiters. Ook die nationalisten en conservatieven zien zichzelf als rebellen tegen een in hun ogen ‘linkse’ dominantie. Ten tijde van de bisschoppensynode postte een Facebook-kennis van me, een prominent katholiek advocaat, dat die ‘schijndebatten’ over homo’s en hertrouwde gescheidenen een manier waren om ‘de kerk als verzetsinstelling’ te ondermijnen – geef de wisselbeker Hugo Claus voor rebel van de dag dus ook maar door aan de paus van Rome.
Het establishment heeft zichzelf de facto opgeheven; dit is een cultuur van rivaliserende verzetsbewegingen. Wat de vraag oproept naar de unique selling proposition: waarom zouden kunstenaars nog de uitverkoren uit-de-doos-denkers zijn, als ondertussen elke Vlaming zichzelf zo verkoopt? Zijn er niet gewoon heel veel dozen?
Nu zou dat geen probleem zijn, als er ook onder kunstenaars tegengestelde visies zouden bestaan over de belangrijke kwesties van deze tijd, en ze dus een duizelingwekkende trompe-l’oeuil van perspectieven zouden creëren, een opwindend spiegelpaleis waarin al die subculturen zichzelf en elkaar onder ogen moeten komen. Maar net zoals de ondernemers een partij geworden zijn, en je dus nog voor ze hun mond hebben geopend al weet wat ze gaan zeggen, zo treden ook de kunstenaars naar buiten als voorspelbare woordvoerders van één duidelijk waardenkader; dat van de seculiere, blanke, progressieve, stedelijke middenklasse. Zelfs al deel je dat kader, ‘een compleet ander perspectief op onze tijd en wereld’ kun je het niet noemen.
Tot overmaat van ramp is de afgelopen jaren meermaals gebleken dat, als kunstenaars zich mengen in publieke debatten over thema’s die de natie verdelen, hun mening niet alleen voorspelbaar is, maar dat ze doorgaans inhoudelijk minder goed beslagen op het ijs komen dan andere deelnemers. Ze komen vaak niet verder dan een eenvoudige basisethiek, die we ook kennen van kinderen, prinsessen en kandidaat-missen: verdraagzaamheid is goed, nationalisme is slecht; verbeelding is goed, besparingen zijn slecht; natuur is goed, auto’s zijn slecht… Waardoor de burger die interesse heeft in die thema’s, de burger die inderdaad bereid is zijn zekerheden op het spel te zetten en nieuwe denkkaders te overwegen, diep ontgoocheld geraakt in kunstenaars, en op zoek moet naar anderen (wetenschappers, politici, journalisten…) met de kennis van zaken om de vinger écht op de wonde te leggen.
De kunstensector heeft vandaag veel gemeen met de katholieke Kerk.
Hij heeft fel aan legitimiteit verloren. Het maatschappijmodel dat hij nastreeft, lijkt verder af dan ooit. De functie die hij zichzelf toebedeelt, die van kritische vrijhaven, wordt maar in een beperkte kring nog geaccepteerd. Dat maakt het makkelijker om aan zijn middelen te zitten. Te midden van de verontwaardiging over al die tegenslag die de sector nu al jaren in de greep lijkt te hebben, zou het geen slecht idee zijn om de beroemde kritische blik ook eens naar zichzelf te richten. Er is een stuitend gebrek aan intern debat, aan eigen denkwerk, en aan expertise. De kunstenaarsmythe sluit de artiest op in een format; het reduceert hem tot een personage, een type, ‘de radicale tegenstem’, die opdreunt wat het script voor hem heeft voorgeschreven.
Je kan de schuld blijven leggen bij altijd dezelfde onverschillige vijanden: het neoliberalisme, het nationalisme, de verrechtsing. Je kan blijven geloven dat jij de enige vrijplaats in je bezit hebt, de enige spiegel voor de maatschappij, en als de mensen er niet in willen kijken dan is het ook goed, want het bewijs dat je hebt ‘gestoord’. Dan doe je wat Frie Leysen ons aanraadt te doen: achterwaarts, eenzaam fluitend, de oceaan in gaan. Hopen dat je, voor je verdrinkt, nog snel een walvis kunt worden. Een dier dat, zoals bekend, met uitsterven is bedreigd.

Tom Naegels

Advertenties