Kunst als kritiek

door lievendebrouwere

Verleden week publiceerde Tom Naegels in De Standaard een opiniestuk dat voor de kunstsector een regelrechte kick in the teeth was.
Onder de provocerende titel ‘Het einde van de kunstenaar’ betoogde hij dat de mythe van de kunstenaar als dwarsligger failliet is en dat de sector haar kritiek best eens op zichzelf zou richten.
Het was een knuppel in het hoenderhok en ik voorspelde dat er luid gekakeld zou worden.
Dat bleek echter niet zo te zijn.
Eén reactie in De Standaard en één op DeWereldMorgen, en dat was het.
Meer heb ik niet gevonden.
Zouden ze in de kunstwereld met hun mond vol (of zonder) tanden staan?
Of zijn ze zich druk aan het beraden over een tegenaanval?
Ik denk dat het geen van beide is.
Volgens mij komt er gewoon niks meer.

Is het stuk van Tom Naegels dan de moeite van het reageren niet waard?
Wel integendeel.
Het slaat de nagel (sic) op de kop.
Bovendien verschijnt het precies op het moment dat de kunstsector in rep en roer staat naar aanleiding van de aangekondigde besparingen.
Je zou denken: hier moet een debat van komen.
Maar na wat kort gekakel blijft het oorverdovend stil.

Hoe komt dat?

Op DeWereldMorgen, een linkse website, schrijft Robrecht Vanderbeeken dat ‘de onderwijzerszoon met het brilletje’ een ‘zoveelste column met clichés vult die de N-VA-achterban even paait’.
Hij noemt Naegels een ‘zelfverklaarde onafhankelijke media-evangelist die vage columnitis bedrijft’.
Hij heeft het ook over ‘tsjevenmoraal’ en over ‘het op flessen getrokken enerzijds-anderzijds denken’.
Het mag duidelijk zijn: Tom Naegels is out.
Hij hoort er niet meer bij.
Kritiek leveren op de hedendaagse kunstwereld: dat doé je eenvoudig niet.
Dan onderga je het lot van een klokkenluider: je wordt vogelvrij verklaard.
Al een geluk dat Naegels een job heeft bij De Standaard, anders zag het er niet mooi uit voor hem.

De kunstwereld kent geen genade voor nestbevuilers.
Toen Frank Vande Veire tien jaar geleden zijn pamflet I love Art schreef, kreeg Jan Hoet één van zijn woedeaanvallen, begon Wim Delvoye te schelden, verklaarde Thierry De Cordier dat hij nooit meer in dit land wilde exposeren.
Er werd luid gekakeld in het artistieke hoenderhok, veel luider dan nu.
Maar Frank Vande Veire was dan ook één van hen, een gereputeerd kunstcriticus met grote belangstelling voor de Hedendaagse kunst, een insider dus.
Hem werd niet vergeven dat hij zich tegen zijn collega’s keerde.
Sindsdien heb ik niets meer van Vande Veire vernomen.
Gelukkig heeft de man, net als Tom Naegels, een vaste job anders was hij nu tot de bedelstaf veroordeeld.

De kunstwereld ziet zichzelf als een wereld vol kritische geesten.
Maar die kritische geesten dulden zelf niet de minste kritiek.
Wie het waagt even kritisch voor hen te zijn als zij voor anderen zijn, vliegt er onverbiddelijk uit.
Hij maakt voortaan deel uit van het verachtelijke ras der cultuurbarbaren.
Hij bestaat niet meer.
Blijkbaar hoorde Tom Naegels al niet echt meer thuis in het artistieke hoenderhok, anders zou er veel luider gekakeld zijn over zijn artikel, waarin hij min of meer hetzelfde zegt als Frank Vande Veire in I love Art.
Maar nu is de lijn dus heel duidelijk getrokken: Tom Naegels hoort bij de vijand, hij wordt geparkeerd bij de N-VA, en verder kun je uit de kunstwereld niet verwijderd worden.

Hem wordt nu verweten dat hij aan art-bashing doet, aan cultuur-jennen.
Het zijn twee neologismen die opgedoken zijn sinds de nieuwe regering wil besparen op cultuur.
Die besparingen, zo zeggen ze, zijn niet economisch maar ideologisch: ze zijn bedoeld om de cultuurwereld te treffen.
Hoewel er slechts 5% bespaard moet worden en hoewel alle sectoren van de samenleving getroffen worden, doet de kunstsector alsof hij rechtstreeks geviseerd wordt, alsof de algemene besparingen enkel maar dienen om een aanval op kunst en cultuur maskeren.
Met die hysterische reactie verraadt de kunstsector natuurlijk zichzelf.
Ze kijkt in een spiegel en schrikt zich een ongeluk.

Wat ziet ze dan wel in die spiegel?

Ze ziet een uiterst geslepen en kwaadaardige geest – Bart De Wever – die de hele kunstwereld wil doen dansen naar het pijpen van zijn enge nationalistisme.
Ze ziet een soort tweede Hitler die de Entartete Kunst aan de schandpaal wil nagelen.
Onnodig te zeggen dat dit beeld niet strookt met de werkelijkheid.
Het is overduidelijk een projectie.
Wat de kunstwereld ziet, is zijn eigen geest: een even intelligente als agressieve geest die geen enkele kritiek duldt en alles wat niet aan zijn normen voldoet tot voorwerp van bijtende spot maakt.
Dát beeld strookt helaas wel met de werkelijkheid.
Iedere kunstenaar die deel wil uitmaken van de kunstwereld moet zich onderwerpen aan de ‘hedendaagse geest’.
Wie dat weigert, wordt als ‘Entartet’ beschouwd en de straat opgeschopt.

De geest die de kunstwereld in zijn greep heeft, is inderdaad een Hitlerachtige figuur.
Hij ziet er onschuldig uit, maar wee degene die hem tegen de haren in strijkt!
Er is er namelijk maar één die kritiek mag geven en dat is hijzelf.
De Hedendaagse Geest presenteert zichzelf inderdaad als de vleesgeworden kritiek.
Het wordt keer op keer herhaald: hedendaagse kunst is maatschappijkritiek.
Er gaat een hypnotiserende werking uit van deze mantra want niemand stelt er zich vragen bij.
Niemand vraagt zich af: hoe kan kunst tegelijkertijd kritiek zijn?
Hoe kunnen twee zo tegengestelde begrippen samengaan?
Alsof de legendarische spanningen tussen kunstenaar en criticus nooit bestaan hebben, alsof ze in de Hedendaagse Kunst op wonderbaarlijke manier één zijn geworden.

De gevolgen van deze hypnose zijn desastreus.
Als kunst identiek is aan kritiek, dan is iedere kritiek op kunst ook een kritiek op de kritiek zelf.
Dat wil zeggen: het bestaansrecht van de kritiek wordt in twijfel getrokken.
Maar daardoor wordt ook het bestaansrecht van de kunst in twijfel getrokken.
Wie zich kritisch opstelt tegenover kunst stelt dus zowel de vrije meningsuiting al het vrije scheppen in vraag.
Hij stelt de hele vrije samenleving, de hele moderne cultuur, het hele moderne bewustzijn in vraag.
Hij is met andere woorden een cultuurbarbaar.

Kunst en kritiek zijn niets anders dan belichamingen van de twee polen van ons bewustzijn: de scheppende pool en de oordelende pool.
Door die twee te doen samenvallen, legt de Hedendaagse Geest dat bewustzijn lam.
Dat kunnen we aflezen aan de ontwikkeling van de Hedendaagse kunst.
Die is er namelijk niet.
De kunstwereld staat al 100 jaar stil: er is geen wezenlijk verschil tussen de pispot van Duchamp en de kakmachine van Delvoye.
Toch waren die 100 jaar gevuld met een koortsachtige activiteit.
Er is de vorige eeuw meer kunst geproduceerd dan de voorbije 10.000 jaar.

Maar die koortsachtige activiteit was een ‘gespleten’ activiteit: scheppen en oordelen gingen ieder hun eigen gang.
Daarom hebben ze zich ook zo stormachtig kunnen ontwikkelen: de wereld werd overspoeld met kunstwerken en kunstbeschouwingen.
Maar het gaat hier noch om een artistieke noch om een intellectuele ontwikkeling, want die veronderstellen een wisselwerking tussen beide.
En die is er niet.
Kunst en kritiek vallen immers samen.
Althans, zo stelt men het voor.
Kunstwerken en kunstkritieken worden samen tentoongesteld.
Naar kunst kijken betekent vandaag: kunstkritieken lezen.
Kunstenaars doen alsof hun werk ideeën uitdrukt.
Critici doen alsof ze die ideeën verwoorden.
En allebei doen ze alsof de kunstwerken en de ideeën samenvallen.
Meer zelfs, ze doen alsof het allemaal vanzelf spreekt.
Alsof men blind of van slechte wil moet zijn om het verband niet te zien.
En wie zou durven opperen dat er misschien geen verband is, tja … daar zijn geen woorden voor.

Nu is de moderne mens van nature kritisch ingesteld.
Voor hij ergens geloof aan hecht, wil hij de zaak eerst onderzoeken.
Maar die kans krijgt hij niet.
Als hij niet meteen het verband ziet tussen de kunst en de ideeën wordt hij uitgescholden voor cultuurbarbaar.
Dat komt als een schok, want hij is gewend dat er op kritiek met argumenten wordt gereageerd en niet met gescheld en verontwaardiging.
En dus zwijgt hij en doet alsof hij het allemaal heel interessant vindt.
Zo koopt hij zich tijd om na te denken en zich een oordeel te vormen.

Maar hoe hij ook zijn best doet, hij kan dat verband tussen de kunstwerken en de kunstkritieken niet vinden.
Hij staat nu voor een dilemma.
Als modern, rationeel mens stuit het hem tegen de borst geloof te hechten aan iets wat hij niet kan waarnemen.
Maar het stuit hem ook tegen de borst om géén geloof te hechten aan wat hij wél kan waarnemen: mensen die vol overtuiging beweren de waarheid te spreken.

Stel dat die mensen gelijk hebben en het verband tussen kunst en kritiek is inderdaad zo vanzelfsprekend als zij beweren: wat zegt dat dan over hem?
Dat hij blind is, dat hij een zintuig mist voor de nieuwe kunst.
Of dat hij van slechte wil is en een soort onbewuste aversie heeft voor alles wat nieuw is.
In beide gevallen is hij iemand die is blijven stilstaan, die zich de afgelopen 100 jaar niet meer ontwikkeld heeft, een dinosaurus, zeg maar.
Dat komt hard aan.
Maar het alternatief is niet veel beter.
Want stel dat de mensen uit de kunstsector géén gelijk hebben en er helemaal geen verband is tussen de kunst die zijn maken en de beschouwingen die ze erover schrijven?
Met wat voor mensen heeft hij dan te maken?
Redelijke mensen zijn het niet, want ze dulden geen enkele kritiek.
Ze zijn agressief, want ze schelden hem de huid vol.
Ze gedragen zich met andere woorden als barbaren, die iedereen die hun overtuiging niet deelt als … barbaren beschouwen.
Hun overtuiging – stront is kunst – is zo weerzinwekkend dat ieder beschaafd mens moreel verplicht is ze te bestrijden.
Maar nu wordt het pas echt moeilijk
Deze barbaren zijn namelijk niet alleen bijzonder barbaars, agressief, arrogant en kwetsend, ze zijn ook bijzonder intelligent, machtig en talrijk.
Ze vormen met andere woorden een indrukwekkende overmacht.
Niet alleen gaan alle deuren open voor deze barbaren en stroomt er onwaarschijnlijk veel geld in hun richting, ze worden ook nog eens verdedigd door zowat de hele intellectuele wereld.
Hun overmacht is zo verpletterend dat het zelfmoord is zich ertegen te verzetten.

En dus – uit louter zelfbehoud – kiest de moderne kunstliefhebber ervoor deze barbaren NIET als barbaren te beschouwen, maar als ontwikkelde, beschaafde mensen, als superieure mensen zelfs, want ze zien verbanden die hijzelf met de beste wil van de wereld NIET kan zien.
Logischerwijze zou hij zichzelf nu als een inferieur mens moeten zien.
Maar de moderne mens is van nature een hoogmoedig mens.
Niets is heilig voor zijn kritische zin: alles onderwerpt hij aan een onderzoek.
Zonder dat hij het zelf goed beseft, plaatst hij zich boven alles en iedereen.
En nu zou hij zich dus ONDER de vertegenwoordigers van kunst en cultuur moeten plaatsen?
Nee, dat is een stap te ver.
En dus blijft er maar één uitweg meer over: hij treedt zelf toe tot deze Parnassus.
Hij bekeert zich tot het geloof dat daar heerst: het geloof dat kunst en kritiek samenvallen en dat er dus een vanzelfsprekend verband is tussen de kunstwerken en de kritische beschouwingen erover.

Dat is uiteindelijk de keuze waarvoor de moderne kunstliefhebber staat: ofwel treedt hij toe tot deze machtige geloofsgemeenschap en geniet hij er alle voordelen van (en die zijn niet gering) ofwel raakt hij in de clinch met een tegenstander die veel te sterk is en die zijn ondergang zal betekenen.
De keuze is dus snel gemaakt.
En zo groeit de wereldwijde geloofsgemeenschap die de kunstwereld is alsmaar aan, gedreven door zelfbehoud, hoogmoed en … liefde voor de kunst.
Want wie geen belang stelt in kunst en cultuur, blijft uiteraard ongevoelig voor de aantrekkingskracht die van deze ‘hogere’ wereld uitgaat.
Het is juist de gecultiveerde mens die blootstaat aan het dilemma: bekeer u of brand in de hel!
De paradox is dus dat uitgerekend het streven naar een betere wereld de groeiende kloof veroorzaakt tussen een barbaarse elite die zich boven alles verheven waant en een barbaarse bevolking die wegzinkt in onverschilligheid voor alles wat hoger is.

(wordt vervolgd)

Advertenties