De moderne aflaat

door lievendebrouwere

Kunst is maatschappijkritiek.
Alle kunstpausen en -pausinnen zeggen het.
Alle kunstenaars beamen het.
Alle verzamelaars vinden het geweldig.
En niemand die daar moet om lachen …

Het heeft iets van absurd theater om mensen als Jan Hoet, Gerard Mortier, Frie Leysen, Jan Fabre, Luc Tuymans enzovoort, mensen dus die zich bewegen in de hoogste kringen, die kind aan huis zijn bij koningen en koninginnen, die de spreekbuis zijn van kunsthandelaren en ander steenrijk volk, om die mensen hartstochtelijk te horen vertellen over hun heroïsche strijd tegen het establishment.
Onlangs ontving Frie Leysen – onverschrokken voorvechtster van de podiumkunsten – de Erasmusprijs, ten bedrage van 150.000 euro, uit handen van de Nederlandse koning en koningin.
Haar dankwoord was een scherpe kritiek op het land van de koning en de koningin, die daar op hun beurt voor dankten met een stralende glimlach en een warm applaus.
O wat houden ze van maatschappijkritiek, de rijken en machtigen der aarde!
Ze kunnen er maar niet genoeg van krijgen.
Ze zijn bereid er fortuinen voor te betalen.

Hoe valt deze schaamteloze vaudeville te verklaren?
Heel eenvoudig eigenlijk.
Men spreekt niet voor niets over een kunstkerk en over kunstpausen.
Wat die kunstkerk vandaag doet, is precies hetzelfde wat haar voorganger, de katholieke kerk, in de Middeleeuwen deed: fortuinen verdienen met de handel in … aflaten.
De Hedendaagse Kunstkerk is niets anders dan een gigantische aflatenfabriek.
Zij schenkt de rijken en machtigen dezer aarde kwijtschelding van zonden zodat ze ongestoord rijkdom en macht kunnen blijven verzamelen.
Het enige wat ze hoeven te doen, is Hedendaagse Kunst kopen.
Want daarmee steunen ze de geestelijke wereld.
Daarmee doen ze boete.

Boete is geen boete als het geen pijn doet.
Daarom is Hedendaagse Kunst schabouwelijk duur.
Daarom is Hedendaagse Kunst ook choquerend, misselijk makend, weerzinwekkend.
Daarom is Hedendaagse Kunst ten slotte maatschappijkritiek, dat wil zeggen kritiek op degenen die de maatschappij instandhouden: de rijke kunstverzamelaars.
Zij zijn het die boete willen doen.

Waarom voelen al die rijkelui zich zo zondig?
Wel, sinds pakweg 1900 gaat de mensheid over de drempel van de geestelijke wereld.
Dat weet ze natuurlijk niet, zodat de hele zaak een onbewuste uitwerking heeft.
De belangrijkste uitwerking is misschien wel dat de moderne mens zich schuldig voelt: de geest werpt licht op zijn zwarte ziel en dat wekt in hem de drang tot boetedoening.
Omdat niets van dat alles tot zijn bewustzijn doordringt, vermengt deze drang tot boetedoening zich met zijn drang om geld en macht te verzamelen.

En precies daar speelt de aflatenfabriek van de kunstkerk op in.
Ze biedt de rijkelui de kans om én hun zwarte ziel én hun zwart geld wit te wassen.
Ze biedt hen de kans om pijnlijk veel geld uit te geven aan rommel, rommel die echter nog in waarde kan toenemen en later met winst verkocht worden.
Ze biedt hen de kans zich bloot te stellen aan striemende kritiek en daardoor een onkreukbaar imago te verwerven.
Ze biedt hen met andere woorden de kans om goederen te kopen die tegelijk materiële én geestelijke winst opleveren.
Wat wil een rijk mens nog meer?
De Hedendaagse Kunst is het beste van twee werelden: de materiële wereld en de geestelijke wereld.
En hij hoeft er niks voor te doen dat hij al niet doet: geld beleggen, winst maken.
Het is het kapitalisme tot kunst verheven.

De hedendaagse kunstkerk is de schepper van een materialistische spiritualiteit of van een spiritueel materialisme.
Ze voorziet de moderne mens van aflaten zodat hij over de drempel van de geestelijke wereld kan gaan zonder ook maar iets van zijn materialistische gezindheid op te geven.
Aflaten waren in oorsprong nochtans een spirituele aangelegenheid: ze toonden de zondige mens hoe hij zijn ziel weer wit kon wassen door middel van boetedoening, geestelijke oefeningen, bedevaarten, gebed, enzovoort.
Maar gaandeweg werden deze aflaten ‘gematerialiseerd’: ze werden tot waardepapieren die gekocht konden worden, zonder een greintje geestelijke inspanning.
De christelijke leer werd aldus verzoend met het groeiende materialisme.
Vandaag is het niet anders.
De kunstkerk volgt het voorbeeld van haar moeder: ze verleent spirituele legitimiteit aan het hedendaagse materialisme.

Er is altijd een nauwe relatie geweest tussen religie en kunst.
De kunst was lange tijd een soort verlengstuk van de kerk.
Net als de aflaten van de kerk vergde de kunst een geestelijke inspanning: de kijker moest zich overgeven aan het kunstwerk, hij moest er zijn ziel voor openstellen, zodat de geest van het kunstwerk die ziel kon binnendringen en haar zuiveren.
We kennen het begrip catharsis van de Griekse tragedies.
De regelmatige opvoeringen van deze toneelstukken werden massaal bijgewoond als waren het zondagse eucharistievieringen.
Ze bewerkten bij de toeschouwer een zuivering van de ziel, die (tijdelijk) een ander mens van hem maakte.
Het kostte de oude Grieken geen moeite om intens mee te leven met deze toneelstukken.
Het lag in hun nog kinderlijke aard om deze tragedies innerlijk na te bootsen.

Maar de mens werd langzaam volwassener en ontwikkelde het vermogen om afstand te nemen.
Zijn kinderlijke overgave maakte plaats voor bewust oordelen.
Ten slotte lukte het hem niet meer om zich nog over te geven en contact te maken met de geest van het kunstwerk.
Dat was het moment waarop de kunst helemaal schijn werd: een zinloos ritueel waarvan niemand nog de betekenis begreep.
Maar het was tegelijk het moment waarop de mens ‘over de drempel’ ging en diep in zijn onderbewuste weer contact maakte met de geestelijke wereld.
De geest die hij er langs de voordeur had uitgejaagd, kwam langs de achterdeur weer naar binnen.

Het resultaat van die (onbewuste) vermenging van schijn en werkelijkheid is de moderne aflatenhandel van de hedendaagse kunstkerk.
De koper weet niet dat hij waardeloze rommel koopt omdat hij niet weet dat het eigenlijk aflaten zijn.
En de kunstenaar weet om dezelfde reden niet dat hij de koper bedriegt.
Beiden bedriegen elkaar omdat ze zich niet bewust zijn van de vermenging van artistieke schijn en geestelijke werkelijkheid.
En samen voeren ze een tragi-komedie op die alleen te begrijpen is als we zien hoe spiritualiteit en materialisme hier op een perverse manier met elkaar verweven zijn.

Advertenties