Kunst en maatschappijkritiek

door lievendebrouwere

‘Kunst is maatschappijkritiek’, zo toeteren alle kunstpausen, kunstintendanten, kunsttheoretici en andere kunstmensen ons dagelijks in de oren.
En wij geloven dat.
Wij stellen ons daar geen vragen bij.
Ja natuurlijk, denken we, kunstenaars zijn rebellen, dwarsliggers.
Ze gaan tegen de stroom in, ze zijn de luizen in de pels van de maatschappij.
We hebben hen nodig om wakker te blijven, om niet vast te roesten.

O ja?

Laten we eens kijken naar echte maatschappijkritiek.
Laten we eens kijken naar Bart De Wever.
Dat is nu eens een voorbeeld van een luis in de pels, een dwarsligger, iemand die tegen de stroom in gaat.
Hij probeert zowat in zijn eentje de koers die ons land vaart te verleggen van links naar rechts, en daarbij strijkt hij talloze mensen tegen de haren in.
Juichen wij deze man toe?
Bewonderen wij zijn lef, zijn dwarsheid, zijn rebelse karakter?
Belonen wij zijn maatschappijkritiek met prijzen, onderscheidingen en adellijke titels?

Natuurlijk niet.
We ergeren ons blauw, we zijn in alle staten.
We zetten het hele land op z’n kop.
Want we hebben een ontzettende hekel aan dwarsliggers.
We verdragen het niet dat mensen fundamenteel anders denken dan wij.
Daar gaan we helemaal van uit ons dak.

En dan zouden we de maatschappijkritiek van de kunst bewonderen?

De waarheid is dat we die kritiek helemaal niet ernstig nemen.
Maatschappijcritici die gesubsidieerd en geprezen worden door … de maatschappij?
Kom nou!
Maar we spelen het spelletje mee.
We staan met een ernstig gezicht te kijken naar een half paard, een hoop oude schoenen of wat conserven op een rek, en we denken: wow, dát is nog eens maatschappijkritiek!
We lezen in een catalogus wat Luc Tuymans bedoeld heeft met zijn fletse schilderijen, en we denken vol ontzag: amai, die kerel durft nogal!
Daarna stappen we weer de echte wereld in, en ergeren ons dood aan Bart De Wever.
Kon die verdomde vent de dingen niet laten zoals ze zijn!
Moest hij zo nodig zijn maatschappijkritiek in de praktijk brengen?
Kon hij niet doen zoals die Hedendaagse kunstenaars?

Nee, in de wereld van de kunst doen we precies het omgekeerde als in de echte wereld.
Hier bewonderen we dwarsliggers, daar verketteren we ze.
Hier zwijgen we eerbiedig, daar schelden we als viswijven.
Hier voelen we ons goed, daar voelen we ons slecht.
Hier betalen we grof geld, daar draaien we iedere euro om.
Hier applaudisseren we voor alles, daar zijn we verontwaardigd over alles.
Enzovoort.
We trekken een scherpe grens tussen de schijn van de kunst (die we als een spelletje beschouwen) en de werkelijkheid van de wereld daarbuiten (die we als harde realiteit ervaren).
Wat er in de schijnwereld van de kunst gebeurt, daar trekken we ons niks van aan.
Wat er in de werkelijkheid gebeurt, daar liggen we ’s nachts wakker van.

Vroeger was dat wel even anders.
De kunst van de oude Grieken bijvoorbeeld maakte deel uit van de Griekse werkelijkheid en speelde daar een belangrijke rol in.
Iedere Griekse boer kende zijn Homerus en de Griekse tragediën waren een bijna religieus ritueel dat massaal werd bijgewoond en een diepe invloed had op de Griekse ziel.
De hedendaagse kunst daarentegen is niet meer dan wat entertainment voor een elite die applaudisseert voor alles wat ze voorgeschoteld krijgt.
En het grote publiek trekt er zich nog veel minder van aan.
Nee, kunst heeft in onze tijd helemaal niks meer te betekenen.
Werd onze beschaving geboren in een cultuur waar kunst nog heilig was, dan gaat ze nu ten onder in een cultuur waar kunst gereduceerd is tot een gezelschapsspelletje of een middel om geld te verdienen.
Als er vandaag gesproken wordt over de wereldproblemen dan gebeurt dat altijd in termen van religie of wetenschap, nooit in termen van kunst.
Niemand neemt de kunst nog ernstig, ook niet degenen die haar bewonderen, voorál niet degenen die haar bewonderen.
Dat is de tragedie van onze tijd.

Het is wellicht te laat om onze beschaving nog te redden, maar laten we het toch eens proberen.
Laten we eens dwars liggen en tegen de stroom in roeien.
Laten we de kunst ernstig nemen, even ernstig als de werkelijkheid.
Ja, laten we doen als de oude Grieken en kunst beschouwen als een essentieel onderdeel van de wereld waarin we leven.
Is dat trouwens niet wat de kunst zelf wil wanneer ze zichzelf bestempelt als maatschappijkritiek?
Welaan dan, laten we die wil voor de verandering eens respecteren.

Wat houdt dat in?

Wie iemand ernstig neemt, gelooft wat hij zegt, zeker wanneer hij niet ophoudt het steeds weer te heralen.
We moeten de Hedendaagse Kunst dus geloven wanneer ze beweert een maatschappijkritiek te zijn.
Dat houdt in dat de hedendaagse kunstenaar een criticus is geworden.
En dat is nieuw.
De traditionele kunstenaar was helemaal geen criticus, verre van zelfs.
Soms zat er wel eens wat maatschappijkritiek verwerkt in zijn kunst, maar die bleef altijd ondergeschikt aan zijn hoofddoel: schoonheid scheppen.
Naarmate de kunst moderner en realistischer werd, verdween zelfs het laatste spoor van kritiek: het impressionisme was een ode aan de werkelijkheid-zoals-ze-was.
Monet, aldus Zola, was niets anders dan een oog.
En ogen zijn per definitie NIET kritisch.

Het maatschappijkritische karakter van de Hedendaagse Kunst wijst dus op een ingrijpende verandering.
De kunstenaar kijkt niet enkel meer naar de werkelijkheid, hij oordeelt er ook over.
Hij verplaatst zich als het ware in de toeschouwer en kijkt met diens oordelende (en dus innerlijke) ogen.
Dat zijn geen loze woorden.
De hedendaagse kunstenaar is inderdaad iemand die zich zeer bewust is van zijn wereld en van wat hij daarin doet.
Hij zich er zich vragen over, hij denkt erover na.
Vaak heeft hij een uitgesproken visie op de maatschappij, op zijn kunst en op de kunst in het algemeen.
Hij communiceert uitgebreid over die visie want ze maakt deel uit van zijn werk.
Het is de logische consequentie van een kunstenaar die tegelijk criticus is: zijn werk en zijn kritiek vormen één geheel, ze kunnen niet van elkaar worden gescheiden.
Wie bijvoorbeeld wel naar de kunstwerken van Joseph Beuys zou kijken maar niet naar zijn visie op kunst en samenleving, die heeft zijn werk niet gezien.
Dat geldt voor alle hedendaagse kunstenaars: men moet ze als kunstenaar én als criticus zien, anders ziet men ze helemaal niet.
En dat is toch wat een kunstenaar wil: gezien worden?

Hoe doen we dat: kijken naar Hedendaagse Kunst?

Wel, gewoon zoals iedereen dat doet: door naar het werk te kijken en de bijbehorende uitleg te lezen.
Niemand gaat nog naar kunst kijken zonder zich te informeren, zonder te lezen over de kunstenaar, zonder naar hem te luisteren.
Dat was vroeger heel anders.
Kunst was weggelegd voor een kleine elite die beschikte over de tijd en de middelen om zich te omringen met kunst. Maar die elite wilde niks te maken hebben met de kunstenaars zelf. Die behoorden namelijk tot een heel andere sociale klasse: die van de handarbeiders.
De kunstliefhebbers maakten dus een scherp onderscheid tussen het kunstwerk en zijn maker.
Het eerste bewonderden ze, de laatste minachtten ze.
Vandaag is dat helemaal anders geworden.
Juist doordat de kunstenaar criticus is geworden, is hij naast de kijker komen staan en kijken ze bij wijze van spreken samen naar de wereld en naar de kunst.
De eertijds zo strenge sociale grenzen zijn opgeheven.

Dat heeft echter ook tot gevolg dat de oude ‘elitaire’ luxe van het louter toeschouwer-zijn niet meer weggelegd is voor de moderne kijker.
Hij kijkt niet meer alleen (en van geen mens gestoord) naar kunst, hij kijkt samen met de kunstenaar, hij kijkt door diens ogen.
En dat betekent dat hij zelf kunstenaar is geworden: Jeder Mensch eind Künstler.
Door criticus te worden heeft de kunstenaar de grens tussen hemzelf en de kijker overschreden.
Als de kijker hem echt ernstig wil nemen, dan moet hij hetzelfde doen en eveneens over die grens gaan.
Zoals de hedendaagse kunstenaar met de ogen van een criticus kijkt, zo moet de hedendaagse kijker met de ogen van een kunstenaar leren kijken.

Wat houdt dat in?

Het houdt in dat we het kunstwerk en de bijbehorende kritiek of toelichting als één geheel proberen te zien. Dat is namelijk wat een kunstenaar doet: geest en materie met elkaar verbinden.
Dat zijn opnieuw geen loze woorden.
De kijker die op de oude manier naar hedendaagse kunst wil kijken – louter als toeschouwer dus – komt van een kale reis thuis.
Als hij bijvoorbeeld de pispot van Duchamp op dezelfde manier bekijkt als een impressionistisch schilderij, dan ziet hij helemaal geen kunst, dan ziet hij alleen maar een … pispot.
Hedendaagse kunst die met klassieke ogen wordt bekeken, veroorzaakt een kortsluiting bij de kijker.
Hij ziet niets meer.
Hij staat nu voor de keuze: blijft hij zijn oude ogen gebruiken of gaat hij met nieuwe, kunstzinnige ogen kijken?
In het eerste geval rest hem niets anders dan de hedendaagse kunst de rug toe te keren want het heeft geen zin om in het duister te blijven ronddwalen.
In het tweede geval moet hij zelf licht ontsteken in die duisternis: hij moet uit dit ‘niets’ iets scheppen, precies zoals een kunstenaar dat doet.

Een en ander verklaart waarom Hedendaagse Kunst zo weinig succes heeft bij het grote publiek: het is niet voor iedereen weggelegd om kunstenaar te worden.
Dat vereist een grote en blijvende toewijding.
Het vereist ook een bindende keuze, want kunstenaar worden is geen job, het is een roeping.
In die zin is het juist om van een kunstkerk te spreken.
Doordat de kunstenaar ‘over de grens’ gaat, krijgt zijn werk religieuze dimensies.
In een materialistische tijd als de onze deinzen de meeste mensen daar natuurlijk voor terug.
Voorlopig is het alleen een kleine avant-garde die de stap over de drempel kan zetten.

Even resumeren: de Hedendaagse Kunst heeft een enorme stap gezet, de stap over de grens tussen kunst en kritiek.
De kunstenaar is criticus geworden en nodigt met zijn werk de kijker uit dezelfde stap te zetten en op zijn beurt kunstenaar te worden.
Voorlopig slaagt slechts een kleine minderheid daarin: een voorhoede die uit het ‘niets’ een geheel nieuwe kunst schept, een ‘sociale’ kunst, gebaseerd op de samenwerking tussen kunstenaar en kijker.
Tot zover is alles nog begrijpelijk.

Maar nu komt de kink in de kabel.

Want zo zeker als het is dat zowel kunstenaar als criticus de grens tussen beiden overschrijden, zo zeker is het ook dat die grens volkomen intact is gebleven en zelfs nog scherper wordt getrokken dan voorheen.

De hedendaagse kunstenaar werkt nog altijd in zijn atelier en stelt daarna zijn werk tentoon.
De hedendaagse kunstliefhebber gaat nog altijd naar die tentoonstelling kijken en probeert zich een oordeel te vormen over de kunstwerken.
Alhoewel.
Dat laatste klopt niet echt meer.
Vroeger kon de kijker zich een oordeel vormen door de kunstwerken met elkaar te vergelijken.
Op die manier kon hij onderscheid maken tussen goed en slecht.
Vandaag is dat niet langer mogelijk omdat Hedendaagse kunstwerken niet langer dezelfde, zichtbare werkelijkheid afbeelden.
Ze vormen nu allemaal afzonderlijke, unieke werkelijkheden waarover de kijker niet meer kan oordelen omdat hij geen vergelijkingsmateriaal heeft.
De enige manier waarop hij nog toegang kan krijgen tot deze kunstwerken is door de begeleidende uitleg van de kunstenaar.

Maar dat maakt hem meer nog dan vroeger tot een passieve toeschouwer, iemand die zelfs geen oordeel meer vormt over wat hij ziet.
De kunstenaar van zijn kant is meer dan ooit degene die de touwtjes in handen heeft.
Hij schept niet alleen de kunstwerken, hij vertelt de kijker ook nog eens wat hij er moet van vinden.
En hier wordt de kink in de kabel pas goed duidelijk.
De kunstenaar gaat over de grens, maar hij duldt niet dat de kijker hem volgt.
Integendeel, hij wijst hem streng terug.
De kunstenaar is wel bereid in gesprek te treden met de kijker, maar dat gesprek moet eenrichtingsverkeer blijven.
Nooit mag de kijker oordelen over zijn werk, laat staan eraan meewerken.
Het moet heel duidelijk zijn wie de meester is en wie de leerling.
De hedendaagse kunstenaar gedraagt zich als een orakel of als een ingewijde: er mag alleen gekeken en geluisterd worden, er mag niets gezegd of gedaan worden.

Dat is een terugkeer naar het verre verleden, want vòòr de Grote Grensoverschrijding stond het de kijker vrij om te oordelen over de kunstwerken die hij te zien kreeg.
En van die vrijheid maakte hij ook gebruik.
Hij spaarde de kunstenaar zijn kritiek niet en deze laatste was er dan ook vaak doodsbang voor.
De impressionisten hadden hun gezicht echt niet moeten laten zien op hun eerste tentoonstellingen: ze zouden er niet zonder kleerscheuren vanaf zijn gekomen.
Er zijn ook verhalen genoeg over toneelspelers en operazangers die tomaten of eieren naar hun hoofd kregen als het publiek niet tevreden was.
Dergelijke taferelen zijn gewoon ondenkbaar in de Hedendaagse Kunst.
Hier heerst een plechtige sfeer van diepe ernst, als in een kerk tijdens een misviering.
En wee degene die deze plechtigheid zou durven verstoren!

Dit zijn opnieuw geen loze woorden.
Ze beschrijven een realiteit die iedereen kent, of tenminste zou kùnnen kennen als hij werkelijk belang stelde in Hedendaagse Kunst.
Maar dat is het nu net: niemand stelt genoeg belang in Hedendaagse Kunst om tot de vaststelling te komen dat ze één grote contradictie is.

Enerzijds nodigt ze de kijker uit om kunstenaar te worden, anderzijds dwingt ze dezelfde kijker tot volkomen passiviteit.
Enerzijds gaat ze over de grens tussen kunstenaar en kijker, anderzijds belet ze de kijker hetzelfde te doen.
Enerzijds is ze zowat de belichaming van maatschappijkritiek, anderzijds duldt ze zelf geen enkele kritiek.
Enerzijds wil ze weer deel uitmaken van de samenleving, anderzijds sluit ze er zich hermetisch voor af.
Enerzijds noemt ze zich hedendaags en actueel, anderzijds ademt ze de sfeer uit van de oude mysterietempels.
Enerzijds doet ze er alles aan om begrepen te worden, anderzijds spreekt ze een taal die geen mens begrijpt.
Enerzijds gaat ze prat op haar status als kunst, anderzijds noemt ze zichzelf een anti-kunst en wil ze de kunst afschaffen.
Enerzijds doet ze er alles aan om de goegemeente te choqueren, anderzijds is ze gechoqueerd als die goegemeente zelfs maar in de richting van haar subsidies kijkt.
Enerzijds beweert ze een heroïsche strijd te voeren tegen het establishment, anderzijds schurkt ze zich aan tegen alles wat macht en geld heeft.
Enzovoort, enzovoort.
Het rijtje is eindeloos.

De Hedendaagse Kunst is de vleesgeworden contradictie.
Als we haar echt ernstig willen nemen, dan moeten we deze tegenstrijdigheid onder ogen zien.
En daarin staan we alleen, want noch haar bewonderaars noch haar verguizers doen dat.
De eersten maken gewoon deel uit van de paradox en zijn er zich niet van bewust.
De laatsten verklaren hem tot onzin en keren er zich vanaf.
Alleen wie de kunst echt liefheeft, ziet haar gespletenheid onder ogen.
Hij stelt de vraag naar haar lijden, naar de diepe wonde waar niemand wil naar kijken.

(wordt vervolgd)

Advertenties