Luc De Vos

door lievendebrouwere

Zaterdagavond is, volkomen onverwacht, Luc De Vos gestorven.
De Gentse zanger was in Vlaanderen heel populair en dat is er ook aan te zien.
In de kranten regent het getuigenissen en in memoriams, zelfs in die mate dat ik denk: ’t zal een beetje gaan zeker!
Ik kende Luc van in de tijd toen ik nog naar televisie keek en hij te gast was in een of andere show.
Het was dan altijd lachen geblazen, want hij hing de naïeve stuntel uit die af en toe rake dingen zei, het soort dingen dat je gewoonlijk niet zegt omdat je beleefd wil blijven.
Luc was onbeleefd, maar op een ontwapenende manier.
Een speelse hond in het kegelspel.
Er zat geen kwaad in hem en dat maakte hem graag gezien bij iedereen.
Een gewone jongen.

Hij was natuurlijk géén gewone jongen, anders was hij nooit een Bekende Vlaming geworden.
Hij was een artiest, een gekwelde ziel die liedjes maakte waarin een hele generatie jonge mensen zichzelf herkende.
Ik behoor niet tot die generatie.
Ik behoor tot de generatie die is opgegroeid met de close harmony van de Beatles, de Mama’s and the Papa’s, de Beach Boys, enzovoort.
Het was de tijd toen er nog gezongen werd.
Luc De Vos zong niet.
Hij riep, hij schreeuwde.
Er was niks harmonisch aan.

Ik hou niet van geschreeuw, ik hou niet van rock ’n roll, ik heb een hekel aan lawaai.
Ik luister ook nooit naar teksten van liedjes.
Ik dateer nog van uit de tijd toen muziek muziek was en de tekst er niet toe deed.
I love you yeah yeah yeah!
Come on baby!

Daar kwam het qua lyrics zo’n beetje op neer.
Woorden waren gewoon klanken, ze betekenden niks, net als de muziek zelf.
Dat had je ook in de blues: I came home and my baby was gone …
Of in de flamenco: ik deed citroen in mijn thee, ja ik deed citroen in mijn thee.
Onnozele, nietszeggende teksten.

Nu is dat anders.
Soms lees ik wel eens een paar zinnetjes uit zo’n liedjestekst waar ik nooit naar luister en denk dan: hé, dit gaat werkelijk ergens over!
Moderne singer-songwriters schrijven eigenlijk muziek en literatuur tegelijk.
Bij Luc De Vos was dat zelfs heel duidelijk: naast zijn liedjes (waarvan de teksten al heel belangrijk waren) schreef hij ook boeken.
Ik lees in de krant dat hij zelfs een soort autobiografie heeft geschreven.
Het is duidelijk iets van deze tijd: muziek maken én schrijven.
Of schilderen én schrijven.
Het is een uiting van de zelfbewustwording van de kunstenaar.
En dat wordt toegejuicht.

Luc De Vos was populair omdat hij als artiest ook over zichzelf schreef en sprak.
En hij deed dat op een heel open en eerlijke manier.
Iedere artiest schrijft en spreekt vandaag over zichzelf en zijn kunst en de wereld waarin hij leeft.
Iedere muziekliefhebber luistert vandaag zowel naar de muziek als naar de teksten.
Iedere kunstliefhebber kijkt vandaag naar zowel de kunstwerken als naar de teksten die erover geschreven worden.
Die toenadering tussen beeld en woord of tussen muziek en woord is tegelijk ook een toenadering tussen kunstenaar en kijker of tussen muzikant en luisteraar.
En Luc De Vos was iemand die heel dicht bij zijn publiek stond.
Just one of the guys.

Op de een of andere manier heeft de moderne mens niet alleen behoefte aan de kunst van de kunstenaar maar ook aan diens bewustzijn.
Hij wil kunst niet alleen maar (gevoelsmatig) beleven, hij wil ze ook (verstandelijk) begrijpen.
Hij heeft niet meer genoeg aan het kunstwerk alleen, hij wil ook de kunstenaar zelf leren kennen.
En Luc De Vos liet zichzelf kennen, hij was als mens heel toegankelijk.
Hij was enerzijds een artiest, een Bekende Vlaming en anderzijds een heel gewone jongen zoals iedereen.
Mensen konden zich herkennen in zijn liedjes, mensen konden zich ook herkennen in hemzelf.
Jonge mensen tenminste.

Ikzelf kon dat niet.
Ik ben nog van de generatie die een scherpe grens trok tussen muziek en woord, of tussen beeld en woord, of tussen kunst en kunstenaar.
En die grens heb ik m’n hele leven gehandhaafd, tegen de stroom in.
Want die stroom ging steeds meer in de richting van het samenvloeien van beide werelden, de onbewuste wereld van het scheppen en de bewuste wereld van het oordelen.
En juist door dat samenvloeien verdween het bewustzijn van hun inherente tegenstrijdigheid, een tegenstrijdigheid die ik nooit heb kunnen en willen vergeten.

Daarom stoor ik me ook aan die stortvloed van sympathiebetuigingen voor Luc De Vos.
Want in al die – ongetwijfeld oprechte – waardering verliest men de grens uit het oog die Luc De Vos zo graag wilde overschrijden: de grens tussen fictie en werkelijkheid.
Hij kwam uit de harde werkelijkheid van een arbeidersgezin en vond dat vreselijk.
Hij verlangde hevig naar de culturele en artistieke sfeer van de stad.
Maar toen hij er eindelijk in slaagde die stap te zetten, ging hij zich gedragen als … een eenvoudige volksjongen.
Waar hij ook verscheen, hij was gekleed in afgedragen jeans en t-shirt, zijn ‘arbeidersuniform’.
Het was een beeld van zijn gespletenheid.
Innerlijk verafschuwde hij zijn afkomst, uiterlijk droeg hij ze als een ereteken.
En dat werd ‘authentiek’ genoemd.
Luc De Vos werd geliefd omdat hij zo echt was.

Maar die echtheid was een schijn-echtheid.
Luc De Vos spéélde de eenvoudige volksjongen die overal zichzelf blijft.
In werkelijkheid was hij een overtuigde culturo die – zoals alle culturo’s tegenwoordig – al het eenvoudige en volkse diep verafschuwt.
In een van zijn laatste interviews geeft hij stevig af op het platte, domme Vlaanderen, op Bart De Wever en op rechts, precies zoals het hoort als je tot de culturele wereld wilt behoren.
Luc De Vos deed maar alsof hij een eenvoudige volksjongen was, het was een gimmick, een imago.
Maar tegelijk wás hij ook de eenvoudige volksjongen die hij met zoveel overtuiging speelde.
Dat was de paradox: hij was de speler én zijn rol.
Hij speelde dat hij zichzelf was.

Daarom was hij ook zo populair: moderne jonge mensen herkennen in hem hun eigen gespleten en gekwelde ziel.
Maar die herkenning is niet bewust.
Ze brengt hen niet tot het besef van hun eigen gespletenheid.
Het zet hen niet aan om daar iets aan te doen.
Nee, ze juichen die gespletenheid eigenlijk toe.
Onbewust denken ze: Luc De Vos is cool, dus gespleten-zijn is cool.
En zo ontstaat er een (jongeren)cultuur die de innerlijke gespletenheid tot een ideaal verheft.
Een cultuur waarin iedereen angstvallig hetzelfde doet en toch overtuigd is heel anders te zijn dan de anderen.
Een cultuur die zwelgt in het materialisme maar zichzelf heel maatschappijkritisch vindt.
Een cultuur die heel beschaafd en intellectueel is, maar op popconcerten de beest uithangt.
Het is de cultuur die ik heb zien ontstaan, een cultuur van rijkeluiskinderen die zich solidair verklaren met de arbeiders die ze minachten.
Het is de cultuur die intussen is uitgegroeid tot de huidige politiek-correcte cultuur, die in naam van de gelijkheid de mensheid opdeelt in goede en slechte mensen.

Al die lofprijzingen aan het adres van Luc De Vos vergroten alleen maar de kloof die de wereld vandaag in twee deelt.
Ik zie een stoet van Bekende Vlamingen die een andere Bekende Vlaming bewieroken.
Ik zie een wereldje dat zo vol is van zichzelf dat het geen moment denkt aan hoe al die onderlinge liefde moet overkomen op mensen die niet tot dat wereldje behoren.
Want die mensen voelen steeds duidelijker dat al die liefde slechts de keerzijde is van haat.
Ze worden namelijk steeds openlijker geminacht door het artistieke en culturele wereldje.
En dat gebeurt dan ook nog eens in hun naam.
Ze zien een Luc De Vos die eruitziet zoals zij zelf – een doodgewone jongen – maar die niettemin tot een heel andere wereld behoort, een wereld die niks van hen moet weten.

Ik twijfel er niet aan dat al die loftuigingen in de krant oprecht en gemeend zijn.
En toch zijn ze ook schijnheilig.
Het zijn loftuigingen die tegelijk beledigingen zijn, juist door de onderliggende gespletenheid die maar niet tot het moderne bewustzijn doordringt.
Ik twijfel er niet aan dat Luc De Vos een sympathieke kerel was die het allemaal heel goed bedoelde.
Ik zou zelfs graag eens een gesprek met hem gevoerd hebben.
Ik zou hem dan gevraagd hebben naar de echte Luc De Vos, de man achter het rock ’n rollmasker, de man achter het volksjongensmasker.
En ik denk dat hij blij zou zijn geweest met die vraag.
Ik denk dat hij wachtte op die vraag, de vraag waar de hele gespleten mensheid op wacht.
Ja, misschien is hij wel gestorven omdat hij niet langer kon wachten.

Advertenties