Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Maand: november, 2014

Vloms

‘Beangstigend, ten slotte, is het kneuterige provincialisme van de sociolinguïsten en hun ‘Vlaams’.
Mogen we nog buiten Vláánderen kijken?
We wonen nog steeds in België.
Steeds meer Franstaligen leren Nederlands. Mogen zij niet verwachten dat ze in Vlaanderen dan ook in het Nederlands bejegend worden, en niet in het Vloms van Thuis? Hoe kunnen we van Franstalige landgenoten respect voor het Nederlands vragen als we dat zelf niet opbrengen?
Stel dat je je kinderen thuis laat eten als varkentjes, en ze nette tafelmanieren alleen doet bovenhalen als ze ‘bij mensen’ eten. Dan zullen ze zich de rest van hun leven onzeker en gefnuikt voelen als ze in gezelschap netjes moeten eten. Leer ze dat altijd te doen en het wordt een tweede natuur, en dus spontaan gedrag.’

Aldus Mia Doornaert in De Standaard van 10 november.
Het is bekend dat la Doornaert emotioneel wordt als het gebruik van Vlaamse dialecten ter sprake komt.
Dat is haar goed recht, maar ik moet er altijd om lachen.
Overdreven reacties zoals de hare verraden altijd verwantschap, in dit geval met kneuterige, provincialistische ‘varkens’ die Vloms spreken.
And guess what, we zijn inderdaad familie.
Maar daarmee houdt het ook op.

Toen ik ooit op een familiefeestje de moeder van Mia Doornaert argeloos in het Westvlaams begroette, kreeg ik meteen de wind van voren.
Hoe was het in godsnaam mogelijk dat een licentiaat Germaanse zo’n boerentaaltje sprak!
Het klonk alsof ik de familie te schande had gemaakt.
Het was m’n eerste kennismaking met de ‘betere’ tak van de Doornaert-familie.
Lichtjes verbouwereerd ging ik bij de vertrouwde ‘boerse’ tak zitten, waar ik op gegniffel en schouderklopjes onthaald werd.
Jaja, ze kenden Mia’s moeder wel.

Het klopt niet helemaal dat ik nooit eerder een ‘betere’ Doornaert de hand had gedrukt.
Het feestvarken (sic) van de avond, de heer Marcel Doornaert, jezuïet bij de gratie Gods, kwam af en toe bij ons op bezoek.
Hij liet zich dan voorrijden door een chauffeur, en voor hij deze liet uitstappen, kwam hij informeren of mijn moeder wel genoeg in huis had om de heren te ontvangen, en of ze ook een proper laken op tafel wilde leggen.
Duidelijk een betere Doornaert dus.

Hij vierde zijn 80ste verjaardag in het hoofdkwartier van de jezuïeten in Aalst.
En dat was ook het ‘betere’ werk.
Overal lagen perzische tapijten en stonden kostbare antieke meubelen.
Nee, ze kwamen niets te kort de broeders s.j.
Hun hele gebouw ademde rijkdom.
Zijzelf ademden iets heel anders uit, iets dat in de buurt van kwaadaardigheid kwam.
Nog nooit had ik zoveel gemelijke koppen bij elkaar gezien.
Van feestvreugde of collegialiteit was in de verste verte niks te merken.
Toen de overste – is dat bij de jezuïeten geen generaal? – tijdens de feestrede met een ernstig gezicht vertelde dat pater Doornaert tijdens zijn leven heel veel geleden had en daarom ongetwijfeld nu reeds als een heilige kon beschouwd worden, zag ik overal wenkbrauwen omhooggaan.
Marcel Doornaert veel geleden?
Dat was het eerste dat ze daarvan hoorden.
Ongetwijfeld had hij zwaar geleden onder de smerige tafellakens en het tekort aan sterke drank tijdens de bezoeken aan zijn familie.
Maar verder?
Ik begon te vermoeden dat de (overigens nog relatief jonge) jezuïeten-overste op bedekte wijze de spot dreef met zijn veel oudere collega.
Of waren die jezuïeten werkelijk zo zelfingenomen dat ze ervan overtuigd waren een levende heilige in hun midden te hebben?
Ik kon het moeilijk geloven.

Wat heeft deze kleine familiekroniek nu te maken met wat Mia Doornaert schrijft in De Standaard?
Veel, denk ik.
Op het bewuste familiefeest waren er namelijk drie ‘standen’ bijeen.
De geestelijke stand der jezuïeten, even intelligent als kwaadaardig en rijk.
De hogere stand van de betere Doornaerts met hun keurige ABN.
De lagere stand van de provincialistische Doornaerts met hun kneuterige Westvlaams.
De moeder van Mia Doornaert was tijdens het feest niet weg te slaan van haar zopas heilig verklaarde schoonbroer.
Ze vormden een merkwaardig seculier-religieus duo dat door niemand ernstig werd genomen, niet door de hogere stand, niet door de lagere.
En geen van beiden had dat door.

Wel, ik denk dat Mia Doornaert het ook niet doorheeft.
Ze is al een tijdje barones en mag zich dus verheugen in de waardering van de hogere, en dus Franstalige, standen in België.
Ze staat dan ook altijd klaar om de Belgische belangen te verdedigen.
Een knecht kent zijn meester nietwaar?
Maar zou Mia door die hogere kringen echt ernstig worden genomen?
Of wordt ze gewoon beschouwd als een gewillig werktuig in hun verdeel-en-heers-politiek?
Want als de Franstalige elite haar macht in België wil behouden, moet ze verdeeldheid zaaien onder de Vlamingen.
Of de verdeeldheid die er al is, cultiveren en aanwakkeren.
En die verdeeldheid heeft veel, heel veel te maken met taal.

Dat we vandaag in Vlaanderen überhaupt nog Nederlands spreken, is te danken aan de kneuterige, provincialistische Vlamingen die, wegens gebrek aan onderwijs, geen Frans spraken zoals de betere kringen maar een plaatselijk Vlaams dialect.
Aangezien deze lagere standen in de 19de eeuw tot een erbarmelijk niveau waren afgezakt – zou het werkelijk toeval zijn dat barones Doornaert een vergelijking maakt met ‘varkentjes’? – klonk hun Vlaamse dialectversie van het Nederlands ongetwijfeld verre van beschaafd
Ik kom op mijn wandelingen soms wel eens oude autochtonen tegen, en als ik met hen in gesprek raak, moet ik raden naar wat ze willen zeggen, want hun dialect klinkt als het uitstoten van een reeks onsamenhangende oerklanken.
Ik kan me op zo’n moment levendig de minachting en afkeer van de betere kringen inbeelden voor dit soort ‘primitieven’. Ze moeten deze Vlaamse boertjes op dezelfde manier bekeken hebben als de kolonialen destijds de ‘negertjes’ bekeken.
Toen Vlaanderen uit zijn assen verrees en de betere kringen Nederlands gingen spreken, verdween die minachting niet.
Ze zocht andere wegen, en één ervan was een diepe afkeer voor het dialect.
Iedere ontwikkelde Vlaming diende zich daar krachtig van te distantiëren door een over-beschaafd Nederlands te spreken, het soort bekakte Nederlands waarvan bijvoorbeeld Julien Schoenaerts zich bediende.

Vlaamse kinderen, aldus Mia Doornaert, zullen zich hun leven lang onzeker en gefnuikt voelen als ze in beschaafd gezelschap Nederlands moeten spreken, want ze hebben het thuis niet moeten doen en daardoor is het geen tweede natuur kunnen worden.
Dat was inderdaad de filosofie van de ontwikkelde Vlamingen (die geen Frans meer spraken): we moeten onze kinderen verplichten om beschaafd Nederlands te spreken, want op die manier zullen ze het spontaan doen als ze groot zijn.
Diezelfde mentaliteit kwam ik ook tegen in Leuven toen ik daar (zonder enige overtuiging trouwens) Germaanse ging studeren.
De eerste dag al drukte een prof ons op het hart dat we overal en altijd ABN moesten spreken.
Ik dacht bij mezelf: wat denkt die vent wel?
Ik peinsde er niet over om me het castratentaaltje aan te meten dat ik zoveel mensen hoorde spreken en dat doorging voor ‘beschaafd’.
Ik hield te veel van taal dan dat ik ze op zo’n manier de nek zou willen omdraaien.
Je kunt veel zeggen van dialect – bijvoorbeeld dat het niet beschaafd is – maar het leeft tenminste.
En als ik moet kiezen tussen levende en dode taal, dan weet ik het wel.

Mensen als Mia Doornaert denken dat je een dode taal tot leven kunt wekken als je kinderen van jongs af dwingt om ze te spreken.
Ze is er zelf het beste bewijs van dat zoiets niet werkt.
Het soort Nederlands dat ze spreekt, klinkt allesbehalve als een tweede natuur.
Wat daarentegen wel als een tweede natuur klinkt, is haar afkeer voor dialectsprekers, dezelfde afkeer waar ik mee te maken kreeg toen ik haar moeder in het Westvlaams begroette.
Het is geen afkeer voor het dialect zelf – hoe kun je nu afkeer voelen voor je moedertaal? – maar voor degenen die weigeren zich tegen het dialect te keren.
Wie een wig drijft in een taal, drijft ook een wig tussen mensen.

De fout die Mia Doornaert maakt – en veel taalpuristen met haar – is dat ze taal niet als een levend wezen beschouwt.
Het levende Nederlands in Vlaanderen is het dialect.
Je kunt dat spijtig, pijnlijk of beschamend vinden, maar het is niet anders.
Als je die werkelijkheid niet erkent en respecteert, zal ze zich verzetten tegen alle ‘beschavingspogingen’ hoe goedbedoeld die ook zijn.
Ik ben dan ook een groot voorstander van de zogenaamde ‘tussentaal‘, niet als een doel, maar als een overgangsfase.
Wij Vlamingen komen van ver en we hebben nog een hele weg te gaan.
Maar je maakt die weg niet korter door sneller te willen gaan.
Wel integendeel.

An noch ik hebben ooit één woord ABN met onze kinderen gesproken, en toch spreken ze geen van drieën dialect.
Talen die leven evolueren vanzelf.
Maar dat heeft tijd nodig.
Je kunt iets dat leeft niet forceren zonder het te beschadigen.
Daarom ben ik blij met het soort tussentaal dat jonge mensen vandaag spreken en dat zelfs gecultiveerd wordt op tv.
Er spreekt een nieuw soort zelfbewustzijn uit, een zelfbewustzijn waar Vlamingen zo’n nood aan hebben.
Mensen als Mia Doornaert hebben wellicht hun verdiensten, maar door hun krampachtig purisme doen ze die verdiensten weer teniet.

Ja, Mia Doornaert is een voorbeeld van de onzekere en gefnuikte Vlaming die zich verplicht ziet of voelt om in beschaafd gezelschap beschaafder dan beschaafd te spreken en juist daardoor zijn onbeschaafdheid verraadt.
Want beschaafde mensen houden van hun taal, ze willen haar geen geweld aandoen en geven haar de kans om op haar eigen tempo te groeien en niet op het tempo van mensen die zich schamen voor hun afkomst en hun kneuterige, provincialistische familie.
In een interview zei Mia Doornaert ooit dat ze eigenlijk een frivool meisje is.
Wie de barones ooit gezien en gehoord heeft, weet wel beter.
Ze is helemaal geen frivool meisje, ze zou het alleen heel graag willen zijn.
Op dezelfde manier zou ze ook wel willen dat het ABN een tweede natuur voor haar was.
Maar dat is niet zo.
En dat neemt ze anderen kwalijk.
Ze noemt hen zelfs kneuterig en provincialistisch.

Ziedaar het Vlaamse probleem in een notedop.

Advertenties

Schoenaerts (5)

De zaak Schoenaerts blijft aanslepen.
Stan Lauryssens heeft zijn boek over Julien Schoenaerts al uit de handel genomen, maar nu eist Matthias Schoenaerts ook nog eens een schadevergoeding.
Dat klinkt allemaal behoorlijk overdreven voor een boek waarvan de auteur volhoudt dat alles wat erin staat waar is, een bewering die door het vonnis in kortgeding niet echt werd tegengesproken, want er was alleen sprake van ‘onjuistheden’, wat suggereert dat het om kleinigheden gaat, anders was het verdict wel zwaarder uitgevallen.
Het kwam dan ook als een verrassing dat Stan Lauryssens besloot om het boek uit de handel te nemen.
Vlak voor de opening van de boekenbeurs, en met een tweede druk op stapel, was dat toch wel een zeer drastische maatregel.
Was de auteur dan zo zwaar beledigd door de sticker die hij op z’n boek moest plakken?
Of zat er iets anders achter?
Was zijn onverwachte démarche wellicht een poging om Matthias Schoenaerts ertoe te bewegen een eis tot schadevergoeding te laten vallen?
Dat is wat een mens zou beginnen denken.

Maar we weten natuurlijk het fijne van de zaak niet.
De media hebben tot nog toe opvallend weinig aandacht aan de hele kwestie besteed.
Nochtans, een succesauteur die een boek uit de handel neemt precies op het moment dat het jaarlijkse Grote Boekenfeest begint: dat is, me dunkt, niet niks.
Dat ruikt naar een aanslag op de vrije meningsuiting.
Hoe kunnen de media, de uitgeverswereld, de schrijverswereld, kortom de hele culturele wereld, daar onverschillig voor blijven?
Toch lijken ze de schouders op te halen, alsof ze niks met de hele zaak te maken hebben.
Normaal staan de media altijd klaar om iets buiten proporties op te blazen, om er het laatste restje sensatie uit te persen, om er nog een flinke schep bovenop te doen, zeker als er Bekende Vlamingen bij betrokken zijn.
En nu: niets.
Nergens heb ik ook maar één commentaar of opinie-artikel gelezen.
Niemand in de hele schrijfwereld die zijn licht over de zaak liet schijnen.
Waarom niet?
Wisten zij iets wat wij niet weten?
Wilden ze geen slapende honden wakker maken?
Speelden er nog andere zaken mee?
Allemaal vragen, vragen die niet gesteld werden.
En dus doe ik dat maar zelf.

Ik stel me vragen bij het feit dat er over de zaak Schoenaerts geen vragen worden gesteld.
Het stilzwijgen is zo opvallend dat ik me de vraag stel: welke vraag wordt hier niét gesteld?
Wat is zo belangrijk dat er niet kan of mag naar gevraagd worden?
Het klinkt voorwaar een beetje als de Parsifalvraag, de vraag die (volgens de regels van de correctheid) niet mocht gesteld worden, maar die juist de verlossende vraag was, de vraag waar iedereen zat op te wachten.
Op zich is de Parsifalvraag geen moeilijke vraag, het is zelfs een voor de hand liggende vraag.
Maar de moeilijkheid is dat ze op de juiste manier moet worden gesteld.
Ze moet uit medelijden worden gesteld, letterlijk en figuurlijk.
Parsifal moet zichzelf herkennen in de lijdende Visserkoning.
Hij moet in diens lijden zijn eigen lijden zien.
Laat ik eens proberen in de zaak Schoenaerts de Parsifalvraag te stellen, de vraag die niet gesteld wordt.
Welke vraag zou dat wel kunnen zijn?
Welk lijden is het dat hier niet herkend wordt?

Alles begon met dat boek van Stan Lauryssens over Julien Schoenaerts.
Het is geschreven met een panache die grote betrokkenheid verraadt en ik heb het dan ook in één ruk uitgelezen.
Maar na afloop bleef ik met zitten met de vraag: waar loopt in dit boek de grens tussen fictie en werkelijkheid?
Al die scènes uit het leven van Julien Schoenaerts worden zo aanschouwelijk verteld dat het lijkt alsof schrijver er zelf bij was.
En dat kan niet.
Lauryssens kon onmogelijk weten hoe die soms intieme scènes zich in werkelijkheid hebben afgespeeld.
Hij ging dus over de grens.
Hij vermengde fictie met werkelijkheid, fantasie met feiten.
Dat maakte het allemaal zo sappig, zo levensecht, zo opwindend.
Maar was het ook aanvaardbaar?
Ging hij niet te ver?
Lauryssens beweerde dat alles wat hij schreef, gestaafd worden met documenten, verslagen, getuigenissen en interviews.
Als dat klopte, dan was zijn boek een fraai stuk docudrama.
Maar ik geloofde het niet.
Mijn gevoel zei me dat Stan Lauryssens zich te ver had gewaagd.
In de roes van het schrijven had hij de grens uit het oog verloren en iets gedaan wat eigenlijk niet kon.

Ik begreep dan ook dat Matthias Schoenaerts klacht had neergelegd, en ik keek vol belangstelling uit naar de uitspraak van de rechter.
Ik verwachtte van hem te zullen horen waar Lauryssens precies over de grens was gegaan, want dat wilde ik wel eens weten.
Ik vond niet dat Stan Laryssens dit boek niet had mogen schrijven.
Ik vond het juist goed dat hij het geschreven had.
Hij had het alleen niet op de goede manier gedaan: hij had de grens tussen fictie en werkelijkheid niet gerespecteerd.

Ik was teleurgesteld toen bleek dat de rechter niet had aangegeven waar Stan Lauryssens precies ‘over de grens’ was gegaan.
Het bleef bij een uiterst vaag ‘dit boek bevat onjuistheden’.
Een soort Pontius-Pilatusoordeel dus, alsof de rechter zijn handen niet wilde vuilmaken.
Alsof hij een retorische vraag stelde: wat is fictie en wat is werkelijkheid?
Misschien was het in een kortgeding niet mogelijk om die grens te trekken.
In die zin is het dus goed dat Matthias Schoenaerts doorgaat.
Misschien wordt de zaak nu grondiger onderzocht en wordt eindelijk duidelijk of, waar en in welke mate Stan Lauryssens over de grens is gegaan.

Maar net als met het boek zelf heb ik er geen goed gevoel bij.
Wat denkt Matthias Schoenaerts eigenlijk te bereiken?
Hij beweert dat de goede naam van zijn vader is besmeurd, en dat is zeker waar.
Maar zal die naam gezuiverd worden als Lauryssens en uitgeverij Manteau veroordeeld worden tot een zware boete?
Ik betwijfel het ten zeerste.
Ik vrees zelfs dat de onverzoenlijke houding die Matthias Schoenaerts aanneemt wel eens een nieuwe smet zou kunnen werpen op de naam Schoenaerts.
Het heeft er namelijk de schijn van dat Matthias niet wil dat de (harde) waarheid over zijn vader aan het licht komt en dat hij de Schoenaerts-mythe in stand wil houden.
Je vader verdedigen door te zeggen dat dementie ‘wondermooi’ is: dat getuigt niet echt van veel werkelijkheidszin en daar kwets je ongetwijfeld heel wat mensen mee.

Als ik dat allemaal overloop dan duikt er in dit verhaal één constante op: de grens tussen fictie en werkelijkheid.
Julien Schoenaerts zag die grens niet duidelijk.
Hij wist niet wanneer hij ze overschreed, in geen van beide richtingen: hij nam de werkelijkheid mee het toneel op en hij nam het toneel mee de werkelijkheid in.
Acteren en leven liepen door elkaar, en die vermenging maakte hem ziek.
Maar ook voor Stan Lauryssens was de grens tussen fictie en werkelijkheid niet duidelijk.
Ook hij haalde ze door elkaar, met als gevolg: een proces, het uit de handel nemen van zijn boek, een schadevergoeding, en wie weet tot wat nog meer.
Zag de rechtbank die zich over de kwestie moest uitspreken de grens duidelijker?
‘Dit boek bevat onjuistheden’: vager kan een oordeel moeilijk zijn.
Ook hier werd de grens tussen fictie en werkelijkheid niet scherp getrokken.
Resultaat: noch de klager noch de beklaagde waren tevreden met het verdict.
De eerste spande een nieuw proces aan, de laatste reageerde verontwaardigd.
En opnieuw gingen ze allebei over de grens.

Maakte Matthias Schoenaerts niet precies dezelfde fout?
Bleef ook hij niet blind voor de grens tussen fictie en werkelijkheid?
Stan Lauryssens schrijft over een leven dat (door Julien Schoenaerts zelf) opgevat werd als één groot toneelstuk.
Dat maakt van zijn boek dus eigenlijk een kunstkritiek.
Maar als je niet akkoord gaat met een kunstkritiek, dan stap je niet naar de rechter.
Als iedere kunstenaar dat zou doen, dan durfde niemand nog iets schrijven over kunst.
Het is in het belang van zowel kunstenaar als criticus dat tussen beiden een scherpe grens wordt getrokken. Ze moeten allebei in volle vrijheid hun ding kunnen doen.
Je kunt ook niet meer voetballen als iedere voetballer die op het veld een elleboog in het gezicht krijgt naar de rechtbank stapt.
De grens tussen spel en werkelijkheid mag niet overschreden worden.
Matthias Schoenaerts doet dat toch en het onvermijdelijke gebeurt: de zaak keert zich tegen hem.
Hij wordt nu iemand die een boek uit de handel heeft doen verdwijnen omdat hij zich erdoor gekwetst voelde.
Hij krijgt de reputatie van een nestbevuiler, want de kunst heeft haar bestaan juist te danken aan de grens die haar van de werkelijkheid scheidt.
Maar dat begrijpt hij niet, want hij is kwaad en gekwetst.
Hij gaat door en eist nu ook nog een schadevergoeding.
Als die hoog oploopt, zal hij een precedent hebben geschapen waardoor schrijvers zich in de toekomst wel twee keer zullen bedenken vóór ze een biografie schrijven.

Iedereen blijft dus blind voor de grens: Matthias Schoenaerts, Julien Schoenaerts, Stan Lauryssens, de rechtbank en ten slotte ook de media.
Geen van allen zien ze waar het allemaal om draait.
Toch is er een onderscheid.
Julien en Matthias Schoenaerts zijn kunstenaars.
Zij leven in twee werelden: die van de kunst en die van de werkelijkheid.
Voortdurend moeten zij de grens tussen beide werelden overschrijden.
Ze kunnen niet anders.
Degenen die over kunst oordelen – de rechtbank, de media, de critici, de kunstliefhebbers – leven daarentegen maar in één wereld.
In de wereld van de kunst zijn zij buitenstaanders.
Daarom kunnen ze ook wat een kunstenaar niet kan: objectief oordelen.
Stan Lauryssens staat dan weer tussen beiden in: hij is criticus én kunstenaar.
Als criticus is hij een buitenstaander in de kunst.
Als kunstenaar is hij een buitenstaander in de werkelijkheid.
Daarom is hij de gebeten hond in beide werelden.

Er tekent zich een drieledig beeld af, met aan de ene kant de kunst (vertegenwoordigd door Julien en Matthias Schoenaerts), aan de andere kant de werkelijkheid (vertegenwoordigd door de rechtbank en de media), en daartussenin Stan Lauryssens, de man waar het allemaal om draait.
Maar juist omdat hij op de grens staat tussen beide werelden, wordt een oordeel over hem onvermijdelijk ook een zelfbeoordeling.
En daar hebben we de reden voor het opvallende stilzwijgen over deze zaak.
Voor de kritisch oordelende intellectueel is ze als een spiegel.
En wat hij in die spiegel ziet, is zijn eigen grootste probleem.
Hij is ervan overtuigd de werkelijkheid te zien zoals ze is, maar hij is evenveel kunstenaar als wetenschapper: hij schept zijn eigen werkelijkheid en hij beseft het niet.
Hij maakt geen duidelijk onderscheid meer tussen scheppen en oordelen.
Beide polen van zijn denken lopen ongecontroleerd door elkaar.
En dat leidt tot een verward denken, een denken dat ziek is.
Wie over de zaak Schoenaerts begint na te denken, komt vroeg of laat tot de vaststelling dat hij in een spiegel kijkt, en dat hij in feite aan het nadenken is over zijn eigen denken. Hij wordt geconfronteerd met zijn eigen verwarring, met zijn eigen ziekte: het onvermogen om een grens te trekken tussen fictie en werkelijkheid.

Maar hier treedt er een paradox op.

Als de intellectueel er zich totaal niet van bewust is in een spiegel te kijken, waarom zwijgt hij dan als vermoord?
Waarom gaat hij niet tekeer tegen de spiegel?
Want dát is het effect dat een spiegel heeft op iemand die de spiegel niet ziet: het spiegelbeeld doet hem in verontwaardiging ontsteken.
Nergens heeft een mens zo’n hekel aan als aan iemand die behept is met dezelfde gebreken als hijzelf.
Het is het verhaal van de splinter en de balk: de splinter in andermans oog wekt hevige reacties uit bij de eigenaar van de balk.

Behalve in dit geval.

In de zaak Schoenaerts wordt het toneel bevolkt met acteurs die allemaal een splinter in het oog hebben: ze zien geen van allen de grens tussen fictie en werkelijkheid.
Al die splinters weerspiegelen de balk in het oog van de kritische kijker.
En dus zou je verwachten dat hij tegen die splinters gaat fulmineren.
Maar dat doet hij nu juist NIET.
Dat is het meest verbazingwekkende in deze zaak: er wordt niet gereageerd, er worden geen vragen gesteld, er wordt unaniem gezwegen.

Dat kan maar één ding betekenen: de moderne intellectueel weet wel degelijk dat hij in een spiegel kijkt.
Hij weet het niet helemaal bewust, maar onbewust is het evenmin.
Op de een of andere manier voelt hij dat hij aan de zaak Schoenaerts zijn vingers gaat branden en hij deinst terug.
Hij doet niet als alle anderen in deze zaak: hij gaat niet over de grens.
Integendeel, hij trekt een scherpe grens die hij NIET overschrijdt.
En het is opnieuw de grens tussen fictie en werkelijkheid.
Want het kritische denken verhoudt zich tot de zaak Schoenaerts zoals schijn tot werkelijkheid.
Door zijn reflectieve aard is het fictie, geen werkelijkheid.
Het speelt zich helemaal in de gedachten af.
En die gedachten keren zich van de werkelijkheid af.

We zien dus dat in de zaak Schoenaerts de grens tussen fictie en werkelijkheid WEL overschreden wordt, terwijl ze eigenlijk NIET mocht overschreden worden.
In het nadenken over die zaak gebeurt precies het omgekeerde: de grens die overschreden HAD MOETEN worden, wordt NIET overschreden.

Wanneer Parsifal de graalburcht betreedt, komt hij als ridder tegenover de koning te staan.
Tussen beiden loopt een scherpe hiërarchische grens die niet mag overschreden worden.
Zijn ridderseed gebiedt hem dan ook te zwijgen.
Zijn hart daarentegen, dat ziet hoe de zieke koning lijdt, gebiedt hem te spreken.
Parsifal weet niet wat hij moet doen.
Zijn hoofd en zijn hart vechten met elkaar, maar zijn hoofd wint het.
Parsifal houdt zich aan de regels.
Daardoor laadt hij echter een zware schuld op zich, want het moment was gekomen om de wet te doorbreken en het hart te laten spreken.
Maar Parsifal was niet in staat de grens tussen wet en hart te overschrijden en de verlossende vraag te stellen.

In de graallegende was Parsifal bang dat hij te schande zou worden gemaakt door de hofhouding van de koning, door zijn leermeesters, door iedereen waar hij eerbied en ontzag voor voelt.
Maar waarvoor is de kritische denker, de intellectueel dus, bang in de zaak Schoenaerts?
Hij is bang voor zichzelf.
Hij is bang om in de spiegel te kijken en daar zijn eigen ziekte te zien.

Christelijke vorm en inhoud

De vorige keer had ik het over de ondermaatse reactie van Alicja Gescinska, doctor in de wijsbegeerte en werkzaam aan de prestigieuze Princeton University, op het opinieartikel van Maarten Boudry over de vrije samenleving en de vrije meningsuiting.
Maarten Boudry heeft daar op zijn beurt op gereageerd, en zo hoort het ook: du choc des idées jaillit la lumière.
Hij schrijft:

Beste Alicja,

Doemdenken, zo merk je terecht op in je reactie op mijn tribune over het vrije woord, is aan geen van ons beiden besteed. Precies daarom is het vreemd dat je pessimisme ontwaart in mijn stuk.
Laten we eerst de feiten rechtzetten.
Tegen mijn stelling dat de kiemen van het totalitarisme nergens zo vrijelijk woekeren als in een open samenleving, breng je in dat fundamentalistische meningen veel sneller vervolgd worden bij ons dan in pakweg Saoedi-Arabië.

Helaas ben je daarin bijzonder slecht geïnformeerd. Zelfs voor wat betreft het islamitische fundamentalisme, snijdt die bewering geen hout. In Saoedi-Arabië werd onlangs een sjiïtische geestelijke tot de dood veroordeeld omwille van politieke “ongehoorzaamheid” en insubordinatie.
Gematigde sjiïtische predikers, laat staan fundamentalisten, worden in Saoedi-Arabië systematisch onderdrukt en vervolgd. De sjiitische ayatollahs in Iran vervolgen en onderdrukken dan weer hun soennitische minderheid. Dit jaar nog protesteerde Human Right Watch tegen de terdoodveroordeling van 33 soennieten voor “vijandelijkheid jegens God”.

Sterker nog: je stelling over Saoedi-Arabië gaat zelfs voor hun “eigen” soennitisch fundamentalisme niet op: de Saoedi’s staan wereldwijd bekend om hun harde deradicaliseringsprogramma’s van soennitische jihadi, lieden die het inheemse extremisme nog iets verder doordrijven dan de Saoedische monarchie welgevallig is. Twee maanden geleden werden 88 extremisten opgepakt door de Saoedi’s, na de preek van een imam die Al Qaeda en ISIS verheerlijkte. En dan hebben we het nog enkel over het islamitische fundamentalisme: als getuige van Jehova moet je noch in Iran noch in Saoedi-Arabië op deuren gaan kloppen om de blijde boodschap van Jezus te verkondigen, als je leven je lief is.

Iran en Saoedi-Arabië zijn sektarische monoculturen, die alleen zichzelf tolereren. Dat, zo weten we uit de duurzame landbouw, leidt tot ernstige bodemverschraling. Een open samenleving daarentegen laat duizend bloemen bloeien, maar – en dat is belangrijk – laat ook duizend onkruiden woekeren.

Mijn stelling dat onze open samenleving “de voorwaarden voor haar eigen suïcide in zich draagt”, is geen fatalistische voorspelling, maar een beschrijving van de delicate evenwichtsoefening die het wezenskenmerk uitmaakt van een open samenleving. In plaats van haar vijanden te onderdrukken en monddood te maken, gunt de open samenleving hen een voorrecht dat zijzelf nooit zouden wederkeren, mochten zij de touwtjes in handen hebben: de radicale vrijheid van gedachte en meningsuiting. Indien we de tegenstanders van de open samenleving dat vrije woord niet gunnen, verlagen we ons tot hun niveau en hebben we zelf de vrije samenleving al opgeheven.

Toch vind jij dat de intoleranten onze tolerantie niet verdienen. ‘Tolerantie’ is een vaag begrip dat ik liever vermijd, omdat het alles en niets kan betekenen: van een totale onverschilligheid, over een houding die personen beschermt maar hun ideeën bestrijdt, tot een misplaatste vorm van warm ‘respect’ voor verfoeilijke ideeën. De kern van de zaak is dat mijn standpunt, in tegenstelling tot wat jij beweert, helemaal niet indruist tegen de tolerantie-paradox van Karl Popper. In die beroemde voetnoot van De open samenleving en haar vijanden, schrijft Popper letterlijk dat we de intoleranten enkel met harde hand mogen aanpakken wanneer zij eerst naar de wapens grijpen of onze veiligheid in het gedrang brengen, en dat we eerst alle middelen van het woord moeten uitputten om hen te bestrijden. Dat is precies wat ik zeg: schokkende, dogmatische en verwerpelijke meningen moeten we met het woord bestrijden, maar geweld of instigatie tot geweld mogen we nooit tolereren.

Daarom moeten we ook en vooral intolerante meningen tolereren. Tolerantie die zich enkel tot de verdraagzamen uitstrekt, is zoals vrije meningsuiting enkel voor wie gelijk heeft. Dat jij en ik elkaar tolereren, als verdraagzame zielen onder elkaar, is geen verdienste. Dat we een walgelijke mening als het negationisme tolereren, iets waar jij in je stuk niet toe bereid lijkt, vergt een inspanning. Dat is wat een open samenleving betekent.

Tot slot: de wortels van het jihadisme liggen volgens jou in de “sociale ongelijkheid en immobiliteit”. Volgens mij dwaal je daarin. Maar tot we dat geschil kunnen uitklaren, zullen wij elkaars ideeën moeten tolereren. Dat doe ik overigens met plezier.

Hartelijke groet,

Drie dingen vallen me op in deze repliek van Maarten Boudry:
1. Hij is bondig en to the point.
2. Hij is bijzonder helder.
3. Hij speelt op geen enkel moment de man (in dit geval de vrouw).

Deze drie elementen vallen op omdat ze maar al te vaak ontbreken bij de tegenstanders van de consequent verdedigde vrije meningsuiting.
In dit geval was Gescinska weliswaar even bondig als Boudry, maar dat kwam ongetwijfeld door de ruimte die de krant haar toegemeten had.
To the point was ze zeker niet, en dat maakt Boudry haar fijntjes duidelijk: ze stelt de dingen verkeerd voor.
Voor iemand met haar geloofsbrieven is dat ronduit beschamend, maar daar rept Boudry met geen woord over. Hij blijft hoofs en vermijdt zorgvuldig iedere persoonlijke opmerking.
Hij klinkt zelfs opgewekt en vriendelijk.
Voorwaar een prestatie!
Het is geen pretje als je woorden moedwillig verdraaid worden en je dus tegenover een tegenstander staat die zich niet aan de regels houdt.
Maar Boudry voegt de daad bij zijn woord dat tolereren een inspanning vergt.

Het is juist deze inspanning die zo vaak ontbreekt bij degenen die ijveren voor verdraagzaamheid: de zogenaamde ‘linksen’.
Wat me bij hen altijd weer opvalt, is hun … onverdraagzaamheid.
Het is alsof ze de grootste moeite hebben om zich te bedwingen en niet te beginnen schelden.
Meestal slagen ze daar ook niet in.
Hun stukken staan vol met persoonlijke, kwetsende opmerkingen.
Ze kunnen onmogelijk hun woede en verontwaardiging verbergen.
Als ze daar wél in slagen, komt het er langs hun oren weer uit.
Zelden vind ik bij hen de opgewekte, redelijke en hoofse toon die ik bij Maarten Boudry beluister en die me bijzonder aangenaam in de oren klinkt.
Het is een toon die ik als … christelijk zou durven aanmerken.
Heb je vijanden lief! Dat is wat er uit de teksten van Maarten Boudry spreekt.
Hij neemt nochtans geen blad voor de mond.
Hij durft uitspreken wat veel anderen net durven uitspreken.
Maar hij beschouwt de ander als een gesprekspartner, niet als een vijand.
En dat is wat ik zo mis bij ‘links’: beschaving, menselijkheid, redelijkheid.
Ze hebben daar wel de mond van vol, maar in de vorm van hun spreken is daar vaak bitter weinig van te merken.
Wat ik bij hen zo vaak beluister, is woede, verontwaardiging, agressie, minachting.
Allemaal emoties dus die enerzijds getuigen van een schrijnend gebrek aan respect voor andersdenkenden en anderzijds van de overtuiging de waarheid in pacht te hebben.
Zou het daarom zijn, vraag ik me af, dat ze zo tekeer kunnen gaan tegen de kerk?
De schijnheiligheid die links tentoonspreidt, is in mijn ogen de erfenis van het katholicisme.
Daarom zijn ze ook in alle staten als ze in die spiegel kijken: ze herkennen er zich onbewust in.
Hedendaags links is eigenlijk een huwelijk tussen religie en materialisme.
Het gelooft niet in God maar gedraagt zich wel als een kerk.
En is dat niet de definitie van schijnheiligheid: als de vorm tegengesteld is aan de inhoud?
Dat brengt me terug bij Maarten Boudry.
De vorm van zijn uiteenzettingen is christelijk, en de inhoud is dat – althans in dit geval – ook.
De vrije samenleving en de vrije meningsuiting zijn in wezen christelijke inhouden.
En hier ligt de Achillespees van Maarten Boudry: hij weet niet dat hij een christen is.
Hij is een overtuigd atheïst en Darwinist.
Dat is niet alleen zijn Achillespees, het is ook die van het hele Westen.
En daar richten de antichristelijke krachten – van welke gezindheid ook – hun pijlen op.

Het lef

Onlangs stond er in De Morgen – die voorwaar minder politiek-correct aan het worden is dan De Standaard – een opiniestuk van de jonge en moedige filosoof Maarten Boudry.
Ik heb hem gisteren trouwens in Gent gezien. Dat schept een band, dat begrijpt u.
Hij schrijft:

Cientia vincere tenebras, luidt de leuze van de Vrije Universiteit Brussel (VUB).
Wetenschap is een brandende fakkel in de duisternis, zo wist ook de astronoom Carl Sagan.
Uitgerekend in de bibliotheek van die instelling, waarin de verzamelde vruchten van vrij onderzoek opgebaard liggen, zou een jongere geronseld zijn voor IS en zijn kalifaat. U weet wel, de lui die ons tegenwoordig glanzende magazines opsturen (abonneer u op Dabiq) waarin ze de genocide op de jezidi’s theologisch rechtvaardigen, en met trots de slavernij weer invoeren.
Dieper in het ‘hart der duisternis’ kun je anno 2014 niet raken.

De moeder van de jihadist die hierover gisteren op Radio 1 getuigde, wenste anoniem te blijven. Enig voorbehoud is dus aangewezen. De symboliek is echter wrang: een universitaire campus, vrijhaven van kritisch denken en wetenschap, als ronselplek voor een ideologie die haaks staat op alles wat die universiteit belichaamt.

Toch kan het. De Britse schrijver Maajid Nawaz, een voormalige jihadstrijder die tot inkeer kwam in de gevangenissen van de Egyptische dictator Moebarak, beschrijft de infiltratie van het jihadisme op Britse campussen nauwkeurig in zijn autobiografie Radical.
De islamisten van Hizb ut-Tahrir, waarbij hij destijds was aangesloten, verscholen hun sektarische haat achter de wimpels van multiculturalisme en verdraagzaamheid.
Kritisch weerwerk deden ze doelbewust en steevast af als racisme.
Dat was een uitgekiende strategie.
Veel lieden uit het universitair bestuur waren exponenten van de jaren zestig: gevoelig voor de emancipatiestrijd, beducht voor het verwijt van ‘racisme’.

De getuigenis van Nawaz ontbloot de achilleshiel van onze tolerantie.
De kiemen van het fascisme woekeren nergens zo vrijelijk als in de vrije en open samenleving die zij wil ten gronde richten.
De recuperatie van tolerantie door intoleranten getuigt van een verregaand cynisme: zelf willen islamisten niets liever dan de democratie en het vrije woord omverwerpen, maar in afwachting gebruikten ze het als een handig schild om hun eigen ideologie mee af te schermen.
Zoals een virus de chemische signalen van zijn gastheer imiteert, is het jihadisme onze samenleving binnengedrongen onder het mom van de verdraagzaamheid waar we zo trots op zijn.

De Britse advocaat Anjem Choudary, ideologische peetvader van Fouad Belkacem en welbespraakte haatprediker, kan op de BBC ongestoord zijn giftige ideologie verspreiden.
Louter het feit dat hij daar zit en de hele natie kan toespreken, weerlegt het slachtofferdiscours waarin hij zich voortdurend wentelt.
Enkel in de tolerante maatschappijen die Choudary het meest verfoeit, die het gebod van de mens boven dat van God stellen, geniet hij dergelijke voorrechten.

Moeten we dan de vrije meningsuiting inperken?
Helemaal niet: radicale moslims genieten nog te weinig vrije meningsuiting.
Als zij bijvoorbeeld de Holocaust willen loochenen, moeten zij dat ongehinderd kunnen.
De negationismewet blijft een smet op het Belgische blazoen.

Moeten we vrijheid van meningsuiting inperken?
Neen, maar het ‘no pasarán’ moet wel luider weerklinken: een verfoeilijke mening mag, een oproep tot haat en geweld niet.
Een genocide ontkennen is eenieders recht, maar in één adem oproepen tot een nieuwe genocide, zoals men regelmatig hoort in radicaal-islamitische kringen (“Prepare for the REAL Holocaust”), moet hard en kordaat aangepakt worden.
Progressieve stemmen moeten hun angst voor ‘racisme’ en ‘islamofobie’ dringend bezweren, want die effent de weg voor de jihadisten.

Een open samenleving, zo wil de paradox nu eenmaal, draagt de voorwaarden voor haar eigen suïcide in zich. Om dat te verhinderen, zonder die open samenleving zelf op te heffen, moet iedereen de radicale vrijheid genieten ideeën te bestrijden en eigen meningen te uiten. Ook en vooral schokkende beledigende en verontrustende meningen.

Een universiteit blijft bij uitstek de arena waarin ideeën botsen.
Toen ik vorige maand een lezing gaf aan de VUB over atheïsme en de psychologie van religie, kwamen de scherpste vragen van enkele jonge moslima’s.
Die lichtpuntjes zijn belangrijker dan die enkeling – indien het verhaal klopt – die zich in de schaduw van de bibliotheek liet verleiden tot de duisternis.

Tot hier Maarten Boudry.
Op zo’n politiek niet-correcte maar wel zeer juiste uiteenzetting kon de reactie natuurlijk niet uitblijven, en die kwam de dag daarop al van Alicja Gescinska, een andere jonge filosofe.
Ze schrijft:

Filosoof Maarten Boudry verbaast zich dat het jihadisme kan opbloeien in onze open samenleving.
Dat gebeurt volgens hem ‘onder het mom’ van verdraagzaamheid.
Het is de prijs die we betalen voor onze zin voor tolerantie en vrije meningsuiting.
We willen graag in vrijheid leven, en dus moeten we ook leren leven met zij die deze vrijheid vijandig gezind zijn.
Maar klopt die redenering?
Voedt de open samenleving haar eigen tegenstanders, en is zij ‘suïcidaal’?

Boudry houdt, net als ik, niet van doemdenkers.
Toch spreekt uit zijn opiniestuk een opvallend pessimisme.
“De kiemen van het fascisme woekeren nergens zo vrijelijk als in de vrije en open samenleving.” Antiwesterse, antidemocratische en fundamentalistische meningen lijken nochtans weliger en openlijker te tieren in landen als Iran en Saoedi-Arabië dan in België of Nederland.
Dat wij Syriëstrijders en antidemocratische haatpredikers proberen aan te pakken, getuigt alleszins niet meteen van een erg ‘vrijelijk’ woekeren van antidemocratische meningen en praktijken.
Dat ongestoord een giftige ideologie verspreiden alleen maar kan in tolerante maatschappijen, zoals Boudry beweert, klopt niet.
De kans dat je in Saoedi-Arabië vervolgd wordt om fundamentalistische meningen, lijkt aanzienlijk kleiner dan bij ons.

Maar dat is hier niet de kern.
Wel Boudry’s bewering dat de open samenleving per definitie suïcidaal is: de verdediging van de vrije meningsuiting en verdraagzaamheid geeft altijd vrij spel aan wie deze meningsuiting en verdraagzaamheid wil opdoeken.
Die bewering druist radicaal in tegen de grote theoretici van de open samenleving.

Karl Popper sprak van een ‘tolerantieparadox’: “Als je tolerant bent voor hen die intolerant zijn, dan zal uiteindelijk de tolerantie ten onder gaan.”
Een weerbare open samenleving heeft geen nood aan een totale, radicale vrijheid.
Totale tolerantie verwordt altijd tot onverschilligheid.
Dat kan nooit een pijler zijn waarop een stabiele, open samenleving steunt.
Enkel wie tolerant is, verdient het om getolereerd te worden.
De Poolse filosoof Leszek Kolakowski omschreef dat als een ‘vrijheidsparadox’: je moet geen vrijheid toekennen aan wie verdrukking nastreeft.
Dat betekent dat we soms hardhandig de vrijheid en tolerantie moeten bewaken en inperken.
Enkel een begrensde vrijheid is een leefbare vrijheid.

Opvallend genoeg ziet Boudry in onze verdraagzaamheid en vrije meningsuiting niet enkel het probleem en de oorzaak van het circuleren van antidemocratische meningen.
Hij ziet er ook de oplossing voor datzelfde probleem in.
“Moeten we dan de vrije meningsuiting inperken? Helemaal niet: radicale moslims genieten nog te weinig vrije meningsuiting.”
Enkel via een radicale vrijheid kunnen we volgens Boudry de open samenleving redden van haar eigen ondergang.
Niet zo volgens Popper en Kolakowski: de radicale vrijheid betekent altijd de ondergang van de vrijheid zelf. Fundamentalisten en fanatici meer vrijheid van spreken geven, zal weinig heilzaam zijn voor onze open samenleving.

Ik deel met Boudry een verbazing over hoe antidemocratische opvattingen in een democratie opbloeien.
Hoe kan het dat iemand, geboren en getogen in Vlaanderen, een moslimfundamentalist wordt?
Waarom neemt Anjem Choudary, in Engeland geboren en ooit advocaat van beroep, het voortouw in de Jihad of words – zoals Choudary zijn prediken zelf omschrijft?
De diepere oorzaken van de aantrekkingskracht van het fundamentalisme blootleggen is belangrijk.

Over de zogenaamde ‘totalitaire verlokking’ is reeds veel geschreven. In ‘De anatomie van het fascisme’ beargumenteert Robert Paxton dat angst en toekomstpessimisme ‘activerende hartstochten’ van het fascisme zijn. Het geloof dat er binnen de gevestigde orde geen betere toekomst voor je weggelegd is, zwakt het geloof in die orde zelf af en wakkert een ressentiment (wrok)ertegen aan. In ons geval: tegen de democratische orde.

Dat sluit aan bij wat de Duitse filosoof Max Scheler al in het interbellum treffend beschreef. Antidemocratische opvattingen worden gevoed door ressentiment.
Ressentiment wordt aangewakkerd door angst en onmacht.
En het gevoel van onmacht, toekomstpessimisme en het onvermogen om een succesvol leven op te bouwen, zijn vaak een gevolg van sociale ongelijkheid en immobiliteit.
Sociale ongelijkheid en immobiliteit zijn drijfveren van het antidemocratisch ressentiment.
Scheler nam dat waar in de Weimarrepubliek.

En misschien geldt dat ook voor het huidig antidemocratisch ressentiment.
Jongeren een beter toekomstperspectief bieden en de sociale ongelijkheid wegwerken zijn dan effectievere middelen om hen te wapenen tegen de totalitaire verlokking van de woordenjihadisten, dan louter het maximaliseren van de vrije meningsuiting.

Tot hier Alicja Gescinska.

Wat meteen opvalt in haar betoog is dat zij de beweringen van Maarten Boudry verkeerd voorstelt.
Boudry zegt helemaal niet dat de vrije samenleving suïcidaal is, hij zegt alleen dat ze de voorwaarden voor haar eigen suïcide in zich draagt. En dat is iets helemaal anders.
Het is niet omdat ieder mens in staat is zelfmoord te plegen, dat ieder mens ook zelfmoordneigingen heeft.
Van iemand die summa cum laude is afgestudeerd, tot doctor in de Wijsbegeerte is gepromoveerd en momenteel aan Princeton University werkt, mag je toch verwachten dat ze in staat is iemands gedachten correct weer te geven.
Dat Gescinska dat niet doet, kan alleen maar uitgelegd worden als een opzettelijke vervalsing.
Je vraagt je af hoe zo iemand aan een doctorstitel komt, en hoe ze de prestigieuze Princeton Universiteit is binnen geraakt.
Of zou het misschien juist door dergelijke praktijken zijn …?
In ieder geval, ik vind dit zodanig beneden peil dat ik me afvraag of ze zich misschien tot de islam bekeerd heeft.
Want haar boodschap komt erop neer dat we het jihadisme in onze contreien niet te danken hebben aan te weinig maar aan te veel vrije meningsuiting, in combinatie met – u raadt het nooit – racisme.
Dat laatste zegt ze natuurlijk niet met zoveel woorden, ze spreekt van ‘sociale ongelijkheid’.
Maar het is alweer onze schuld: we zijn te vrij en we zijn te racistisch.
Je kunt daar uit afleiden dat ze de vrije samenleving ziet als de oorzaak van dat racisme.
Want de mens is natuurlijk een wild dier dat in toom moet worden gehouden door wetten en beperkingen.
Laat je hem te vrij dan komt zijn ware, racistische aard naar boven.
Deze Darwinistische visie op de mens speelt zeker een rol in Gescinska’s politiek-correcte visie.
Maar het is niet de enige factor, want ik ben er vrijwel zeker van dat Maarten Boudry, als overtuigd atheïst, ook een Darwinist is. En toch komt hij tot een heel andere kijk op de vrije samenleving.
Dus wat zit er nog meer achter?
Wat me opvalt is dat ze, in tegenstelling tot Boudry, nogal aan name-dropping doet.
Ze haalt er allerlei gereputeerde filosofen bij die haar stelling kracht moeten bijzetten.
Zou ze die filosofen even correct citeren als Maarten Boudry?
Ik heb daar zo mijn twijfels over.
Ik heb eens iemand gekend die er prat op ging altijd zijn bronnen te vermelden.
Maar toen ik zo’n bron eens ging raadplegen, bleek hij ze niet alleen verkeerd geciteerd te hebben, hij had ze gewoon omgekeerd. De bron bevestigde wat hij bestreed, maar hij haalde ze zonder verpinken aan als een argument contra.
Je moet het lef maar hebben!
Zou Alicja Gescinska ook zo’n lefdame zijn?
In ieder geval, als je zo iemand wetenschappelijk noemt, dan hangt mijn muur vol met summa cum laude’s.
Het zegt alleszins iets over de geest van de politieke correctheid …

Zout in de koffie

Men kan zich geen groter onderscheid indenken dan tussen Boeddha en Socrates.
Boeddha moest geheel opgenomen worden in de ziel van zijn leerlingen.
Socrates daarentegen moest in de ziel van zijn leerlingen net zo weinig aanwezig zijn als een vroedvrouw in het kind dat ze ter wereld heeft geholpen.
Moeten we bij het beschouwen van beide werkwijzen niet zeggen: hier hebben we twee radicaal tegengestelde ontwikkelingsstromen voor ons?
Toch raken ze elkaar weer, maar dan slechts aan hun uiteinden.
We mogen de dingen niet met elkaar vermengen, we moeten ze omschrijven in hun verschillende geaardheid en dan aantonen waar er desondanks toch een mogelijke overeenkomst is.
Het is nodig er steeds weer op te wijzen dat men de waarheid alleen maar op het spoor komt, wanneer men de dingen zo beschrijft.
Het is veel gemakkelijker om te zeggen: deze grote mensheidsleiders verkondigen allemaal hetzelfde, maar in een andere vorm.
Dat is zeker waar, maar het is ook zo triviaal mogelijk uitgedrukt.
Het komt erop aan de dingen zo te onderzoeken dat men én hun overeenkomsten én hun verschillen opspoort, dat men ze gedifferentieerd beschrijft en uit die differentiatie de hogere eenheid tracht te puren.
Deze opmerking over de methode van werken moet nu eenmaal gemaakt worden omdat beschouwingen over geestelijke zaken met het leven moeten overeenstemmen.
Peper en zout, suiker en paprika zijn toevoegingen die voor het eten op tafel staan.
In die zin zijn ze allemaal eender.
Maar niemand zal zout in plaats van suiker in zijn koffie doen.
Wat we in het gewone leven niet accepteren, zouden we ook in het geestelijke niet mogen accepteren.
We zouden er geen genoegen mogen mee nemen dat er gezegd wordt: Krishna of Zarathustra, Orfeus of Hermes zijn allemaal facetten van het ‘Ene’.
Dat is niet meer waard dan wanneer we zouden zeggen: peper en zout, suiker en paprika zijn allemaal verschijningsvormen van het ‘Ene’, namelijk de toevoeging tot de spijzen.

(Rudolf Steiner, het Markus-evangelie)

Die van die van u

Gisteren ben ik nog eens naar Gent gefietst, met de bedoeling om mezelf wat te verwennen.
Een mens wordt ook niet iedere dag 60 jaar.
Verwennen betekent voor mij: wat rondsnuisteren in boeken, cd’s of dvd’s.
Geen groter luxe dan kunst.
Het is intussen flink herfst geworden, de Sint-Michielszomer is voorbij.
Als ik me aan een voorspelling mag wagen: het zal nu wekenlang grijs en somber blijven.
Want dat is de nieuwe trend in het weer: lange periodes zon afgewisseld met lange periodes somberheid, lange periodes droogte afgewisseld met lange periodes regen.
Veel zon en veel somberheid, veel droogte en veel regen.
Het is met het weer zoals met alles: extremistisch, gepolariseerd.
Maar ik hou van de herfst, ook in haar extreme vormen.
Ik vond het dus best aangenaam in Gent: buiten alles grijs, binnen alles gezellig.
Maar de mens: hij houdt maar niet op met werken.
Overal opgebroken straten, overal afgebroken gebouwen, overal werkzaamheden.
De wereld gaat aan vlijt ten onder.
Een bepaald soort vlijt dan wel.

De Kouter was groot en leeg.
Alleen aan de kiosk hingen mooie geelbruine chrysanten.
Omdat ik alle boekhandels een kans wil geven, liep ik eerst binnen bij Standaard Boekhandel, maar daar vond ik niet wat ik zocht, namelijk een boek over Jozef van den Berg, een theatermens die 25 jaar geleden kluizenaar is geworden.
Een lezer had me daar m’n mening over gevraagd, maar ik vond het boek niet.
Toen ik het vroeg aan een jonge verkoper, zei hij: nee, we hebben geen exemplaar meer, maar ik kan het wel voor u bestellen. En hij keek me vragend aan.
Nee dank u, antwoordde ik, ik probeer het vandaag nog te pakken te krijgen.
Daar keek hij even verrast van op, alsof hij niet wist dat er aan de overkant van de straat nog een boekhandel was, en honderd meter verder nóg een.
We leven ieder in onze eigen wereld.

Ik stak de straat over en liep Het Paard van Troje binnen, de nieuwe hippe betere boekhandel van de Beste Boekverkoper van het Jaar.
Het is een nieuwe formule: boekhandel annex koffiehoek.
En ze werkt: de koffiehoek zat bomvol, er zaten zelfs mensen buiten op het terras.
Maar ik vond het hoogst onaangenaam.
In de boekhandel heerste de drukte van een café.
De boekverkopers waren tegelijk obers.
Vlug weer naar buiten!
Het zou dus weer de Fnac worden.
Hier vond ik wél wat ik zocht.
Ik vond er zelfs wat ik niet zocht.
Naast het boek over Jozef van den Berg (knappe kluizenaar overigens) vond ik ook nog de opvolger van Eben Alexanders boek over zijn bijna-doodervaring.
De Hemel in Kaart, heet het.
‘Een neurochirurg onderzoekt de mysteries van het hiernamaals.’
Of het even boeiend is als het spannende verslag van zijn BDE viel te betwijfelen, maar ik wilde de gok wagen.
Ik neusde nog wat rond in de kunstboeken, en wilde al vertrekken toen mijn oog viel op een klein smal boekje met versjes van Annie G.M. Schmidt: Die van die van u.
Het was ‘gedundrukt’ door van Oorschot, de legendarische uitgever die vroeger de Verzamelde Werken van de grote Russen uitgaf.
Toen ik het opensloeg moest ik al meteen hartelijk lachen.

Ik ben monsieur Maurice, coiffeur.
Dat staat met gouden letters op mijn deur.
Ik ben grand artiste in de haute coiffure.
Dat is gewoon een kapper, maar een hele dure.
Ik ben verschrikkelijk en vogue.
U kunt bij mij terecht, als u maar dok.
De haute volée uit Nice komt bij mij om advies.
Ik ben monsieur Maurice.

Wat een verfrissend geluid tussen al die ernst!
Wat een genot om de taal zo te voelen bewegen!
Het was een relatief prijzig boekje – 25 euro – maar wilde ik mezelf verwennen of wilde ik het niet?
Ik aarzelde nog even tussen Wislawa Szymborska en Annie G.M. Schmidt – ze delen eenzelfde kinderlijke geest – maar ik koos voor Annie: er zit meer muziek en beweging in haar verzen.
En het boekje was ook mooier.

Toen ik buiten kwam, was het al aan het donkeren.
Ik gaf m’n kleingeld aan een accordeonist die probeerde wat sfeer in de sfeerloze Veldstraat te brengen, en zocht m’n fiets weer op.
Onderweg naar huis moest ik denken aan de verzen van Rilke:

Wer jetzt kein Haus hat baut sich keines mehr
Wer jetzt allein is, wird es lange bleiben,
Wird wachen, lesen, lange Briefe schreiben
und wird in den alleen hin und her
unruhig wandern, wenn die Blätter treiben.

Herfst, zoals we zeggen.

Ik moest ook nog aan iets anders denken, iets dat me opgevallen was toen ik rondneusde in de kunstboeken.
Hoeveel boeken stonden daar niet tussen die kunst willen … uitleggen!
Hedendaagse kunst uiteraard, want andere kunst behoeft geen uitleg.
Is dat niet buitengewoon merkwaardig: dat kunst moet uitgelegd worden?
Ik zag zelfs verschillende boeken met titels als: Mijn dochtertje van vijf kan dit NIET!
Dat slaat natuurlijk op de populaire reactie op Hedendaagse kunst: dat kan mijne kleine ook!
Al die schrijvers willen dus aan gewone mensen uitleggen dat wat zij gewoon vinden helemaal NIET gewoon is.
Maar ik zie zo’n ‘gewoon mens’ nog niet gauw zo’n kunstuitlegboek kopen.
Zo’n mens hoeft noch de kunst noch de uitleg.
Dat is trouwens ook de vraag die ik me altijd stel:
Waarom zou ik luisteren naar de uitleg over iets wat me totaal niet interesseert?
Waarom zou ik me interesseren voor iets waar ik misselijk van word?

Stel, een zwartgemaskerde man snijdt een onschuldige de keel over en zelfs het hele hoofd af.
Vervolgens zegt hij tegen mij: laat mij u uitleggen waarom ik doe en wat het betekent!
Ga ik nu aandachtig luisteren naar die man, benieuwd wat zijn vreemde performance wel zou kunnen betekenen?
Of zeg ik: ga weg van mij, adderengebroed, en ga je gif in andermans oren spuiten!
Er zijn mensen die aandachtig luisteren naar zo’n man, en dan zeggen: hé ja, zo had ik het nog niet bekeken! Ze worden zelfs enthousiast over de ideeën en idealen van de koppensneller en duiken helemaal onder in zijn wereld, overtuigd dat daar het ware licht leeft.
Zo’n mensen bestaan niet alleen, ze worden ook met de dag talrijker.
Vanuit alle hoeken van de wereld stromen ze tegenwoordig in Syrië samen om er de goddelijke jihad te strijden tegen de ongelovigen die maar niet willen luisteren naar hun woorden.
Hun daden zijn er om hun woorden kracht bij te zetten, woorden van vrede, eerbied en respect.
Maar moet ik nu werkelijk naar die woorden luisteren als de daden me doen walgen?
Moet ik deze mensen bewonderen omdat ze zo’n hoge idealen aanhangen?
Of moet ik naar hun daden kijken en ze samen met de woorden vierkant afwijzen?

Tussen al die kunstboeken – en het waren er nogal wat – zag ik een boek zitten over de performances van Jan Fabre.
Het was zo’n uitzonderlijk dik en zwaar boek – maar heus nog niet het zwaarste, want ik zag er een met de afmetingen van een valies, met handvat en al – dat ik het vastnam en opensloeg.
Het was alsof ik de poorten van de onderwereld opende.
De woorden walgelijk en weerzinwekkend volstaan niet om Fabres performances te beschrijven.
Toen ik door al die foto’s bladerde – lelijke, vage, troebele foto’s (want anders zijn ze niet kunstzinnig) – dacht ik onwillekeurig: dit is een waarlijk geïnspireerd man!
Dit is een man waarover de geest vaardig is, daar kan geen twijfel over bestaan!
De vraag is alleen: welke geest?
Moet ik de aard van die geest afleiden uit de commentaren, verklaringen en uitleggingen die bij de foto’s staan en die ongetwijfeld ook nog in tal van uitlegboeken staan?
Of moet ik hem afleiden uit de weerzinwekkende beelden zelf?

Voor mij is dat geen moeilijke vraag.
Als ik een nachtegaal hoor zingen, dan ga ik niet eerst in een vogelboek nalezen of ik dit mooi moet vinden.
Als ik een zwartgemaskerde man een onschuldige de keel zie oversnijden (of onthoofden, of kruisigen, of stenigen, of ophangen) dan ga ik niet eerst de koran lezen om te weten of ik die man nu moet bewonderen of verafschuwen.
En als ik Jan Fabre met opengesperde mond en blauwgeverfde tong van de trappen van een gebouw zie rollen, dan ga ik niet eerst de bijbehorende tekst raadplegen om te weten of dit nu kunst is of iets heel anders.
Voor mij is het meteen duidelijk welke geest uit deze beelden en klanken spreekt.
En alle woorden ter wereld kunnen daar niets aan veranderen, zeker niet wanneer ik die woorden niet eens begrijp en ze me voorkomen als intellectualistisch gebazel.

Maar hey, that’s just me!

Er zijn heel wat mensen die er anders over denken.
Er zijn heel wat mensen die woorden belangrijker vinden dan beelden.
Er zijn heel wat mensen die vinden dat beelden er niet toe doen, dat het slechts illustraties zijn bij woorden, ideeën, overtuigingen.
Er zijn zelfs antroposofen die dat vinden.
Ook al heeft Steiner gezegd dat het precies omgekeerd is.
Ook al heeft hij ervoor gewaarschuwd dat Ahriman zou schrijven.
Maar de – diep onbewuste – overtuiging dat woorden veel belangrijker zijn dan beelden, dat ideeën veel geestelijker zijn dan de zintuiglijke werkelijkheid, die achterhaalde platonische overtuiging is onuitroeibaar.
Meer zelfs, ze maakt in onze tijd een stormachtige comeback.
Het is alsof onze beschaving eerst 1000 jaar platonisch is geweest, dan 1000 jaar aristotelisch, en nu is het weer de beurt aan de platonici, de ideeënvereerders, de woordkunstenaars.
Zij vinden dat we niet meer moeten kijken naar die lage, geestloze, zintuiglijke werkelijkheid.
We moeten opzien naar de ideeënwereld en luisteren naar de woorden die de ideeën vertolken.
We moeten ons niet naar buiten richten, naar de zichtbare werkelijkheid, we moeten ons naar binnen richten, en luisteren naar onze innerlijke stemmen.
En als die stemmen ons zeggen dat we iemands hoofd moeten afsnijden, dan doen we dat.
Als die stemmen ons zeggen dat we onze tong blauw moeten verven en van de trappen rollen, dan doen we dat.
Als die stemmen ons, met heel veel woorden, vertellen dat pispotten kunst zijn en nachtegalen kitsch, dan geloven we dat.
Want we zijn platonici en we weten het niet.

We zijn echter ook aristotelici en dat weten we evenmin.
We weten eigenlijk helemaal niets af van deze twee grote bewustzijnspolen.
Meer zelfs, we WILLEN er helemaal niks van afweten.
Daar zijn antroposofen het beste bewijs van.
Maar als het om deze onwil gaat, is iederéén vandaag antroposoof.
Niemand wil die beide grote bewustzijnspolen naast elkaar plaatsen, want … dan staat ons verstand stil.
Het resultaat is de kunstboekenafdeling van de Fnac, die uitpuilt van de boeken vol foto’s en afbeeldingen, foto’s en afbeeldingen waar iedereen aan verhangen is, maar die niemand au serieux neemt, want het gaat om de ideeën-achter-de-foto’s nietwaar.
Het resultaat is een mensheid die dagelijks uren zit te kijken naar beelden, en ze toch niet ziet, want ideeën zijn veel belangrijker nietwaar.
Het resultaat is een wereld waar zwartgemaskerde mannen onschuldige mensen onthoofden en zwartgesluierde vrouwen onschuldige mensen pesten, maar waar dat toch niet zo zwaar doorweegt als de overtuiging dat de islam voor vrede staat.

We leven vandaag in een wereld waar woord en beeld door elkaar lopen, waar iedereen tegelijk platonisch en aristotelisch is, waar niemand nog klaar ziet.
Hoe meer we denken, hoe troebeler ons verstand wordt.
Want we weten niet hoe het werkt.
We maken geen onderscheid tussen de twee grote polen waartussen het zich beweegt.
Dat kunnen we pas wanneer we dat verstand stil zetten.
Dan verschijnen die twee polen.
Dan wordt die ideeënchaos tot een beeld.
En dat is de keuze waarvoor we staan:
Ofwel zetten we zelf ons verstand stil.
Ofwel valt het vanzelf stil.

Denken betekent in onze tijd: ons denken vertragen.
Want Ahriman doet ons steeds sneller denken, zodat we verslaafd raken aan de snelheid van ons denken.
Steiner zei het al: een gewone boer denkt vandaag méér na dan Plato en Aristoteles samen.
Maar dat wil alleen maar zeggen dat hij sneller denkt.
En snel denken is slecht denken.
Het is denken dat z’n eigen gang gaat en door z’n snelheid de denker uit het denken slingert.
En Ahriman, die ontzettend snel kan denken, neemt zijn plaats in.
Al die snelle denkers van onze tijd, die dikke boeken vullen en aan iedereen Hedendaagse kunst willen uitleggen, zijn geen denkers.
Het zijn mediums, ahrimanische spreekbuizen.
Alleen wie zijn denken kan vertragen, krijgt het weer in zijn greep.
En traag denken is heel moeilijk.
Maar het is wél bewust denken, het is zelf denken.
Als het denken vertraagt, wordt het tot beeld.
En dan verschijnt vroeg of laat de tegenstelling die Plato en Aristoteles al belichaamden, de tegenstelling die ons verstand stil doet staan.
Maar juist de lege ruimte die dan tussen de twee polen ontstaat, kunnen wij innemen.
We kunnen dan zelf weer beginnen denken.
We kunnen dan zelf ons denken weer in beweging brengen, in plaats van het in duizelingwekkende vaart te laten meesleuren op de rollercoaster van Ahriman.

Daar moest ik dus allemaal aan denken toen ik op m’n gemak naar huis fietste waar An en Anna met taart op me zaten te wachten.
Dat wil zeggen: toen doken die gedachten als een wervelende warboel in me op.
Pas nu ik hier op m’n gemak naast de kachel zit, kan ik ze voldoende vertragen dat ze zichtbaar worden.
En als ik dat goed doe, worden ze tot een beeld.
En als ik dat nog beter doe, begint dat beeld te spreken.
Maar dat is hard werken, want ik ben en blijf een platonicus: ik denk veel te snel.
Door na te denken over kunst – over stilstaande beelden dus – heb ik in de loop der jaren (véél jaren) echter geleerd om trager en nauwkeuriger te denken, in plaats van dronken van gedachtensnelheid van het ene idee naar het andere te springen.

En zie, op mijn 60ste verjaardag koop ik drie boeken die eigenlijk allemaal te maken hebben met stilstaan.
Eben Alexander was een succesrijk neurochirurg (een Dr. McDreamy dus) wiens leven op een dag bruusk tot stilstand kwam en die als gevolg daarvan een bijna-doodervaring had.
Jozef van den Berg was een succesrijk toneelspeler die er op het hoogtepunt van zijn kunnen opeens mee stopt en kluizenaar wordt.
En Annie G.M. Schmidt is iemand die de snelle, volwassen denkactiviteit die nodig is om dikke boeken te schrijven, stopzet en weer begint te schrijven als een kind: eenvoudige versjes die iedereen begrijpt, zelfs het kleinste kind, maar die zo aanstekelijk zijn dat je … wil meespelen.

In zeker zin heb ik gisteren – ‘toevallig’ – een drieledig ideaalbeeld gekocht.
Want is dat niet wat ik al m’n hele leven probeer: m’n al te snelle, verwarde, dromerige, vormeloze platonische-tot-autistische denken zodanig vertragen dat het tot een beeld wordt, een tweeledig beeld met daartussen een lege ruimte waar ik zelf kan inkruipen en als kind weer geboren worden?
Want echt geboren ben ik nog altijd niet, zelfs niet na 60 jaar.
Ik ben niet helemaal van deze wereld, maar diep van binnen wil ik het wel zijn.
Het is echter zo’n lange weg, mens worden, op aarde komen.
Maar wie weet lukt het me wel.
Op het nippertje, zoals alles in m’n leven.
In extremis.

Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zijn geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.

En in dit land zijn alle avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn and’re muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.

En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.

Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen…
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.

(Annie G.M. Schmidt)

Zestig

Remember, remember, the 5th of November
The Gunpowder Treason and plot;
I know of no reason why Gunpowder Treason
Should ever be forgot.
Guy Fawkes, Guy Fawkes,
‘Twas his intent.
To blow up the King and the Parliament.
Three score barrels of powder below.
Poor old England to overthrow.

Op 5 november 1605 werd Guy Fawkes betrapt in de kelders van The House of Lords die hij volgestouwd had met buskruit ten einde de protestantse koning James I de lucht in te blazen en te vervangen door een katholiek. Deze redding van King and old England wordt sindsdien ieder jaar gevierd met vuur en vuurwerk.
Op 5 november 1688 landde Willem van Oranje in Engeland om koning James II (die gewoon gestorven was) te vervangen en toen kreeg de herdenking ook het karakter van een viering van vrijheid en religie, een ietwat ongewone combinatie in moderne ogen.
Wat er ook van zij, 5 november is een vurige en vreugdevolle dag in Engeland, ook voor kinderen, want die gaan langs de deuren, bedelend om pennies.

Hier aan de overkant van het Kanaal is het iets minder, want 5 november betekent hier alleen maar dat ik vandaag 60 word.
Zestig!
Ik ben in mijn leven achtereenvolgens 10, 20, 30, 40 en 50 jaar geworden, en telkens waren dat karakteristieke momenten waarop er – als altijd geheel buiten mijn wil om – een flinke ruk aan het stuur werd gegeven, maar 60 is toch nog wat anders.
Met 60 is het leven eigenlijk … afgelopen.
De teerlingen zijn geworpen.
Rien ne va plus.
Kijk maar naar God.
Hij schiep de wereld in zes dagen en op de zevende dag rustte hij.
Een gemiddeld mensenleven bestaat uit 70 levensjaren.
Met 60 is de schepping ervan dus voorbij.
Er blijven nu nog 10 jaar over om te rusten en te zien ‘dat het goed was’.
Althans in theorie, want in de praktijk wordt ons geen rust gegund en nog minder de kans om te zien dat het goed was.
Maar dat neemt niet weg dat 60 wel degelijk de kwaliteit heeft van de overschakeling van arbeid naar rust, van actie naar reflectie, van schepping naar oordeel.
Zo staat aan het eind van de hele wereldgeschiedenis het Laatste Oordeel, een periode dus waarin de mensheid terugkijkt naar haar verleden en ziet dat het goed was.

Dat Laatste Oordeel heeft nochtans een slechte reputatie, net als het begrip ‘oordeel’ in het algemeen.
Het heeft de connotatie van verschrikking, van ontzetting, van nu-is-alles-verloren.
We leven echter in een tijd dat al die oude, bijbelse en religieuze beelden en begrippen aan een grondige herinterpretatie toe zijn, een heldere, rationele interpretatie en geen instinctieve of emotionele.
Want ons instinct en onze emoties zijn volkomen onbetrouwbaar geworden, dat kunnen we duidelijk aflezen aan een aantal recente ‘interpretaties’ van religieuze teksten.
Vergeet dus alle beelden van het Laatste Oordeel.
Concentreren we ons liever op het blote begrip en proberen we erachter te komen wat het wil zeggen.
Daarvoor moeten we niet luisteren naar wat er in onze ziel weerklinkt, want die zit vol met emoties, angsten en andere vertroebelende factoren.
We moeten kijken naar de concrete werkelijkheid.
Wat is een ‘laatste oordeel’ in de werkelijkheid?

Wel, dat ondervind ik als 60-jarige momenteel aan den lijve.
Anderhalve maand geleden zat ik nog vol plannen, wat zeg ik, ik had meer plannen dan ik ooit in m’n leven heb gekoesterd.
Ik zag het weer helemaal zitten: ik zou schrijven, ik zou tekenen en schilderen, ik zou daar zelfs geld mee verdienen.
Alles wat ik ooit gewild had in m’n leven kwam als het ware samen: het werd gebundeld in één grote impuls waarmee ik mijn vita nuova zou beginnen, een nieuw leven dat in feite een wederopstanding zou worden van mijn oude leven.
En toen was het opeens gedaan.
Als met de hakbijl van een guillotine werd alles zonder pardon afgesneden.
Sinds Michaël is m’n leven bruusk tot stilstand gekomen, en het enige wat ik nog kan doen, is erover nadenken.
Niet dromend en mijmerend over de goede oude tijd, want het wás geen goede tijd.
Nee, pas nu, in extremis, leek de tijd goed te zullen worden.
En toen werd hij opeens stilgezet.

Ik zit helemaal niet met het gevoel ‘dat het goed was’.
Ik zit met het gevoel dat het helemaal NIET goed was.
Precies op het moment dat alles op zijn plaats leek te vallen in mijn leven, veegde iets of iemand de hele puzzel van tafel.
Goed?
Hoe kon ik dat in godsnaam goed vinden?
Nee, ik denk niet na over m’n leven als een tevreden man die na gedane arbeid in zijn schommelstoel aan zijn pijp zit te lurken.
Ik denk na met de gedrevenheid van iemand die zegt: wat is hier verdorie aan de hand?
Want als ik daar niet achter kom, blijf ik zitten met het gevoel dat iemand een Big Bad Joke met mij heeft uitgehaald, ja dat het hele leven een Kwalijke Grap is.

De laatste 10 jaar die ik (in theorie) nog te gaan heb, zullen dan inderdaad een verschrikking worden: ik kan niets meer doen, ik kan alleen nog denken hoe slecht en zinloos het allemaal was.
Mijn Laatste Oordeel zal dan zijn kwalijke reputatie eer aandoen, en om dat te voorkomen moet ik met inspanning van al mijn krachten … oordelen.
Ik moet alles in mijn leven wikken en wegen om erachter te komen wat het werkelijk betekende, te beginnen met dat laatste kapitale feit: dat onverwachte afkappen van al mijn plannen, de guillotine die neerkwam en mijn hoofd deed rollen.
Dat hoofd moet nu tot stilstand komen en ‘bloedeloos’ – dat wil zeggen onthecht (sic) – kijken naar dat bloedende lichaam.

Dat zijn veel metaforen in één zin, maar daar komt het toch een beetje op neer: ik moet naar m’n eigen leven kijken alsof ik gestorven was, alsof ik een hoofd was dat niks anders meer kan doen dan kijken, denken en oordelen.
Het Laatste Oordeel is maar een verschrikking als een mens zich niet inspant om zelf te oordelen, als hij het oordelen overlaat aan emoties, aan instincten, aan kwaadaardig geworden interpretaties, kortom aan alles waar hij zelf niet echt bij is.
Ja, als hij geoordeeld wordt in plaats van zelf te oordelen, dán kan zijn leven een echte hel worden, gevuld met spoken en demonen die hem geen moment met rust laten en hem sarrend influisteren: wat voor een mislukkeling ben je toch geweest, wat voor een ramp was dat leven van je, je was maar beter nooit geboren geweest!
Zelf oordelen betekent: de strijd met deze hellewezens aangaan, ze één voor één onder het licht houden en vragen: is het werkelijk waar wat je zegt?
Zelf oordelen betekent: je leven in het licht van de waarheid bekijken.
Dat is geen lachertje, want er is veel dat een mens liever in het donker zou willen laten.
Maar als de Dag des Oordeels daar is, dan komen ze een voor een tevoorschijn, alle spoken en demonen die zich in het donker ophielden, en dan beginnen ze te oordelen, ongenadig, zonder enig begrip of empathie.
Vernietigende oordelen zijn het die ze vellen en ze kunnen een mens tot waanzin drijven.

Als ik me niet vergis valt in het christendom het Laatste Oordeel samen met de Wederkomst van Christus: Hij is degene die het laatste oordeel over de mens uitspreekt.
Uit de antroposofie weten we dat de Wederkomst van Christus NU plaatsvindt.
Dat betekent dat we NU het Laatste Oordeel meemaken.
En het valt er ook aan te zien.
De mensheid wordt langzaam maar zeker gek.
Ze wordt tot waanzin gedreven door de spoken en demonen die uit de donkere holen van de ziel tevoorschijn komen en hun vernietigende oordelen vellen.
Omdat de mens daar niet op voorbereid is, werpt hij dat demonische oordeel instinctief van zich af en projecteert het op anderen.
Geboren wordt: de politieke correctheid.
De mensheid wordt verdeeld in goede mensen en slechte mensen, in mensen die recht naar de hemel gaan en mensen die in de hel moeten branden.
En natuurlijk vindt iedereen dat hij tot de goeden behoort.
Geboren wordt: de strijd van allen tegen allen.
In naam van het goede verkettert iedereen de anderen en wordt iedereen door de anderen verketterd.
Feest in de hel!

Niemand kan er tegenwoordig nog de ogen voor sluiten: dit wederzijdse veroordelen loopt niet goed af.
Het zal tot een apocalyps leiden.
Die is in het Midden-Oosten – de bakermat van de menselijke beschaving – trouwens reeds begonnen.
En de enige remedie is: oordelen.
Zelf oordelen, actief oordelen, met inspanning van al je krachten oordelen.
Niet over de ander, maar over jezelf.
Over je eigen leven, over dát deel van je dat zichtbaar geworden is, dat een vaststaande, objectieve werkelijkheid is geworden.
Al de rest, alles wat nog in je ziel leeft, is immers subjectief en derhalve ongeschikt voor wetenschappelijk onderzoek, dat wil zeggen: onderzoek door een hoofd-zonder-lichaam.

Maar zo’n hoofd-zonder-lichaam kan natuurlijk nooit ‘zien dat het goed is’.
Het kan geen waardeoordelen uitspreken.
Het kan het voorbije leven wel nauwgezet beschrijven – en dat moet het ook doen – maar het kan er geen oordeel over uitspreken, het kan niet doordringen tot de betekenis van dat leven, tot de waarheid ervan.
Tenzij het zich de kwaliteiten van het hart eigen maakt.
Tenzij het met liefde leert oordelen.
En dat is wat een mens leert na zijn dood.
Zijn ‘afgehakte hoofd’ (zijn lichaamsloze bewustzijn) wordt opgevangen in een bad van liefde (de geestelijke wereld) en in plaats van zelfzuchtig bloed stroomt er nu onzelfzuchtig bloed door de hersenen.
Bij wijze van spreken uiteraard.
Met dit liefdevolle bewustzijn begint de gestorven mens nu te oordelen over zijn voorbije leven, te beginnen met de laatste fase, de fase van het ‘laatste oordeel’.
Hij doet dus eigenlijk hetzelfde wat de mens (in normale omstandigheden) in zijn ouderdom al doet: terugkijken naar het eigen leven.
Hij doet het alleen veel intenser.
Want wie liefdevol oordeelt, oordeelt veel krachtiger.
En wie krachtig oordeelt, oordeelt liefdevol.
Daarom zegt Steiner ook dat het wetenschappelijk denken na de dood verandert in liefde.
Ons intense zoeken naar waarheid en inzicht wordt in wezen gestuurd door de liefde.
Je kunt je eigen leven dan ook niet nauwgezet en ‘wetenschappelijk’ bestuderen zonder liefde.
Wie zonder liefde oordeelt, oordeelt zwak en slordig.

Het is een heel bijzondere tijd, deze tijd van het Laatste Oordeel.
We staan op het Keerpunt der Tijden.
We kunnen niet meer vooruit, we moeten omkeren, zoals aan het eind van ons leven, als we 60 worden.
De schepping is klaar.
Het kunstwerk waar sinds het begin der tijden aan gewerkt is, is af.
We kunnen er nu alleen nog maar naar kijken.
Maar dat kijken – op voorwaarde dat het liefdevol gebeurt – is tegelijk al het begin van de nieuwe schepping, van de herschepping van de wereld.
Het is een scheppend kijken, een scheppend oordelen.
Ook na de dood leren we liefdevol kijken naar en oordelen over ons voorbije leven.
En in dat liefdevolle kijken en oordelen ligt reeds de kiem voor ons volgende leven, net zoals in het kijken van de kunstenaar naar zijn eigen werk reeds het voornemen ontstaat om een nieuw – en beter – werk te maken.

We kunnen vandaag overal die onweerstaanbare drang waarnemen om een nieuwe en betere wereld te maken.
Maar als we dat doen zonder eerst te zien dat de oude wereld goed was – dat wil zeggen zonder eerst liefdevol te leren oordelen – dan veroorzaken we alleen nog meer ellende.
Want het is juist ons liefdeloze oordelen dat zoveel ellende veroorzaakt heeft.
Als we dat oordeel niet ten gronde veranderen, kunnen we de wereld nooit ten goede veranderen.
Wel integendeel.
Achter al onze veranderingspogingen zit immers ons onbewuste, instinctieve, emotionele (dubbelgangers)oordeel dat de wereld NIET goed is en dat het allemaal rottigheid en ellende is.
En juist dát oordeel zal werkelijkheid worden.
Juist de wereld die we NIET willen (en die we daarom wilden veranderen) zal onze Brave New World worden.
Door de wereld te willen verbeteren zonder ons oordeel te verbeteren, zullen we die wereld alleen maar slechter maken.

Geen groter gevaar voor de wereldvrede dan mensen die op de verkeerde manier – dat wil zeggen: liefdeloos oordelend – vrede willen stichten.
Daaraan zullen we Ahriman kunnen herkennen wanneer hij op het toneel verschijnt om de wereld te redden: hij zal vrede stichten op de verkeerde manier, dat wil zeggen zonder dat we daar zelf kunnen over oordelen.
Alleen door zelf te oordelen kunnen we liefdevol oordelen.
Alleen door liefdevol te oordelen, kunnen we de wereld redden.
Door het oordelen aan anderen over te laten, geven we vrij baan aan de spoken en demonen en roepen we ten slotte zelf de Grote Dubbelganger te voorschijn.

Enfin, dat waren maar wat losse beschouwingen naar aanleiding van mijn 60ste verjaardag, het begin van de Laatste-Oordeelsfase van mijn leven, waarin ik probeer te ‘zien dat het goed’ was om op die manier een ‘nieuw leven’ te beginnen.
Het zal waarschijnlijk afhangen van mijn vermogen om te zien-dat-het-goed-is wanneer dat nieuwe leven begint, of dat nog in dit leven is, dan wel of het voor een volgend is.
Wat er ook van zij, ik hou u op de hoogte van mijn vorderingen, niet omdat ik vind dat u het allemaal moet horen, maar omdat ik het nodig heb dat er iemand luistert.
Het is in dit leven niet anders dan na de dood: alléén lukt het niet om liefdevol te oordelen, om een hoofd te ontwikkelen met de kwaliteiten van een hart, of omgekeerd.
Daarvoor moet je – minstens – met z’n tweeën zijn.
U bent dus bedankt voor de medewerking.

Résistance

Groot nieuws op deze heuglijke dag!
Drie Grote Vlaamse Schrijvers – Tom Lanoye, Erwin Mortier en Stefan Hertmans – hebben besloten om hun boekenbeursonderonsje over de Grote Oorlog te vervangen door een gesprek over de Kleine Oorlog tegen de nieuwe regering, een oorlog waar ze, vol historisch bewustzijn, enthousiast aan deelnemen.
Vanuit hun rode pluchen zetel.
Dàt zal indruk maken!
Vooral op de gewone man, het gebruikelijke kanonnenvlees.
De drie GVS-ers pikken het niet dat de regering – lees: Bart De Wever – zomaar eventjes 5% wil besparen op cultuur, en dus ook op henzelf.
Ik weet niet of ik voor de gewone man mag spreken – waarschijnlijk niet – maar voor mijn part bespaart de regering 20% op al wat tegenwoordig cultuur heet. Zoals in Nederland, een land vol cultuurbarbaren, zoals iedereen weet.
Ik bladerde vandaag toevallig in een vuistdik boek over de grote cultuurbijdragen van Jan Fabre.
Hier mag de regering voor mijn part 100% op besparen.
Dat is een winst van 50.000 euro per jaar. Of 500.000 ik wil er vanaf zijn.
En dan spreek ik nog niet over de morele, esthetische en emotioneel-intelligente winst.
Niemand die daar wat mee verliest, behalve Jan Fabre zelf, maar die is al lang binnen.

Benieuwd wat al die rose en rode cultuurdragers zullen zeggen als de nationale betoging morgen uit de hand loopt. Want de donkerrode PS is naar verluidt al maandenlang oorlogstaal aan het spreken. In de Franstalige kranten wordt de nieuwe regering afgeschilderd als een Vlaamse – en dus nazistische en fascistische – regering, en wordt er dagelijks opgeroepen tot Résistance: verzet tegen de vijand, de vreemde bezetter.
Dat zijn wij Vlamingen dus, die de Franstaligen al de helft van België afgenomen hebben en nu ook de andere helft nog willen.

Als dat maar goed afloopt …

Maar het is niet allemaal kommer en kwel.
De vakbonden dreigen namelijk de VRT helemaal plat te leggen.
Dat vond ik als kind al hoogdagen: vervangingsprogramma’s! Alleen maar muziek op de radio!
Geen gezever, geen nieuws, geen Siska Schoetersen!
En het kost bijna niets.
Ik overweeg voorwaar mijn radio nog eens aan te steken, na meer dan 30 jaar!

Maar het zou 5 november niet zijn als er niet nòg goed nieuws was.
Luistert u maar naar Koen Meulenaere.

Het is niet allemaal slecht, wat de regering De Wever beslist.
Het meeste wel, niet alles.
Zo wil ze naast in vele andere ook in de budgetten van de nationale wetenschappelijke en culturele instellingen de hakbijl zetten.
Als we spreken over een sector waar de voorbije decennia een zondvloed aan subsidies slecht is beheerd, dan spreken we over de nationale wetenschappelijke en culturele instellingen.
Bijna zo erg als Electrawinds.
Neem het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten.
Er moeten dus ook Lelijke Kunsten zijn, maar die krijgen geen museum, tenzij in Gent.
Organiseren ze een prestigieuze tentoonstelling over Rogier Van der Weyden, uit de grootste musea ter wereld worden werken van onschatbare waarde geleend, moeten ze na een week de tent sluiten omdat ze bij werken aan het dak de buis van de waterleiding hebben lek geboord.
Alle doeken nat.
Aan die lui vertrouw je geen geld toe, en zeker geen schilderij.
Het Nationaal Orkest.
Dat kan nog evenveel lawaai maken met een trompet of drie minder.
En zonder hoorns, nu zijn er vijf.
Tien altviolen zeg, waarom geen twintig?
Waarom moeten er vier fagotten meeblazen als één al zo verschrikkelijk klinkt?
En waarom zijn er naast de pupiteraanvoerder nóg drie trombones terwijl er bijvoorbeeld maar één tuba is? Het merendeel der instrumenten in het Nationaal Orkest kan makkelijk worden vervangen door één kleine elektronische tafelpiano van 200 euro.
Het Nationaal Instituut voor Natuurwetenschappen.
Een jaar of twintig geleden een kleine boost gekregen toen de speelgoed- industrie een commerciële hype rond de dinosaurussen creëerde, maar voor de rest valt daar behalve een opgezette beer en een min of meer correct nagebouwd geraamte van een mammoet niet veel te bewonderen.
Het Museum voor Midden-Afrika, nog zoiets.
Had misschien zijn nut ten tijde van onze missionarissen, maar is voorbijgestreefd.
Een standje met het ebolavirus? U kunt lang zoeken.
Waarom staat de in Congo geboren en voor antropologen toch zeer interessante Marc Reynebeau er niet geëxposeerd?
Heeft overigens zelf het Museum van vooringenomenheid beschuldigd, balancerend op het randje van racisme en geschiedenisvervalsing.
Wie geïnteresseerd is in Midden-Afrika belt maar naar Peter Verlinden, of naar Pierre Chevalier.
Het Legermuseum! In het Jubelparkcomplex.
Onverantwoord.
Niet alleen door de vreselijke wapens die er tentoon worden gesteld, zoals een echte musket uit de tijd van de sansculotten, maar ook door de gruwelijke relikwieën: een buitgemaakte helm van een Duitse soldaat uit de Slag bij de IJzer, althans dat doen ze ons geloven, en een Canadese gamel.
De kelders liggen vol gestouwd met een immense voorraad springstoffen, op scherp staande landmijnen, van hun pin ontdane granaten, bommen, obussen, kisten dynamiet, vaten nitroglycerine, tonnen buskruit, een koffer kartetsen, een doos schrapnels, flessen pentriet, pakken semtex, flacons picrinezuur, een thermos gevuld met uranium-235, diverse ontstekingsmechanismen en opdraaiwerkers, lange en korte lonten…
Eén slecht gedoofde sigaret en de hele Europese wijk van Brussel vliegt de lucht in.
Afschaffen, allemaal.
Voortaan alleen nog regionale musea en blaaskapellen.
Confederalisme begint in de kunst.

De gespleten ziel

De wereld waarin we leven is zowel voor moslims als voor Westerlingen een overweldigend materiële wereld. Het rechtstreekse contact met de geest is verloren gegaan.
Dat kunnen we aflezen aan de verwarring die ontstaat wanneer moslims en Westerlingen met elkaar samenleven en voor de opgave geplaatst worden om hun geestelijke grondslagen weer in hun bewustzijn te halen en te verzoenen met de nieuwe ‘multiculturele’ situatie.
Ze slagen daar geen van beiden in.
Als kippen zonder kop rennen ze rond en botsen tegen elkaar.
Ze botsen niet alleen met het wereldbeeld van de ander, ze botsen ook met het eigen wereldbeeld.
Door deze ‘clash of civilisations‘ ontstaat er niet alleen een groeiende kloof tussen moslims en Westerlingen, maar ook tussen moslims en Westerlingen onderling.

Eén van de opvallendste gevolgen van die kloof is de groeiende populariteit van de hoofddoek.
Het dragen van een hoofddoek door vrouwen is een oud gebruik dat tot voor kort ook nog in het Westen in zwang was.
In de tweede helft van de 20ste eeuw is het echter snel in onbruik geraakt, ook in het Midden-Oosten.
Het hoorde blijkbaar bij het afgelopen patriarchale tijdperk.
In de 21ste eeuw heeft de hoofddoek onder moslims echter een spectaculaire come-back gemaakt.
Terwijl in het Westen geen enkele vrouw nog een hoofddoek draagt, zijn niet alleen steeds meer moslima’s er een gaan dragen, maar hij is ook steeds groter geworden.
We zien nu zelfs vrouwen rondlopen in een burka, een hoofddoek die het hele lichaam bedekt.
De burka is een duidelijk bewijs dat de moslims het noorden kwijt zijn.
Toch is er een beeld dat de moslimverwarring nog sprekender tot uitdrukking brengt, een beeld dat steeds vaker opduikt in onze Europese steden: het moslim-echtpaar.
Hij: cool, hip, modieus gekleed, volkomen Westers.
Zij: van top tot teen gehuld in een zwarte ‘hoofddoek’.
Dit vreemde duo illustreert niet alleen de kloof tussen het Westen en de islam, het is ook een beeld van de kloof binnen de islam zelf.

Ik vind het steeds weer verbijsterend om zo’n moslimkoppel te zien lopen.
Het doet me een beetje denken aan een dierentemmer met zijn gedresseerde beer: ze leven samen, maar ze stammen uit twee totaal verschillende werelden.
Vooral op warme zomerdagen is het een schrijnend schouwspel.
De moslimman is gekleed in shorts, zijn hemd staat open tot aan de navel, zijn blote voeten zitten in sandalen en er staat een coole zonnebril op zijn neus.
De moslimvrouw daarentegen is helemaal ingepakt: alleen haar handen en ogen zijn vrij.
Soms hoop ik wel eens dat haar sluiers heel dun zijn en dat ze eronder helemaal naakt is, maar dat is ijdele hoop. Ze is met meer dan één laag bedekt, en dat terwijl iedereen loopt te puffen van de hitte en zoveel mogelijk kleren heeft uitgetrokken.

Tien, twintig jaar geleden zag je in het kosmopolitische Brugge vrijwel nooit moslima’s met hoofddoeken. Vandaag zie je op de reien bootjes rondvaren met alleen maar ‘zwarte kraaien’ aan boord: van top tot teen in het zwart geklede moslima’s.
In de levendige, kleurrijke toeristenatmosfeer van Brugge is het een lichtjes hallucinant schouwspel: je kunt nauwelijks geloven dat het echt is.
Hetzelfde extreme contrast belichaamt zo’n moslimkoppel.
Kleur tegenover zwart.
Levendigheid tegenover doodsheid.
Zichtbaarheid tegenover onzichtbaarheid.
Zinnelijk genot tegenover strenge ascese.
Verbinding tegenover afwijzing.
Je weet wel dat die twee uitersten samenhoren, maar hun verschijning vertelt een heel ander verhaal.
Toch gedragen ze zich alsof er niks aan de hand is, alsof het volkomen normaal is dat de man er zo Westers uitziet als maar kan, terwijl de vrouw erbij loopt als een non van de strengste orde.

Ik vraag me wel eens af: schaamt zo’n moslimman zich niet met zo’n zwarte spookgedaante naast zich?
Een normale man is toch trots als hij een aantrekkelijke vrouw naast zich heeft, een vrouw die ‘gezien mag worden’?
En de moslima zelf?
Wat moet zij niet denken en voelen als zij daar rondloopt als een melaatse tussen allemaal vrijgevochten Westerse vrouwen die trots zijn op hun lichaam en hun schoonheid?
Moslima’s zijn toch ook vrouwen?
Willen zij zich dan niet mooi maken? Willen zij niet gezien worden? Willen zij niet genieten van de zon en de wind op hun huid?
Ik mag niet denken aan de ziekelijke gedachten die nodig zijn om die zwarte vermomming goed te praten.
En dan spreek ik nog niet over de kinderen, die een vogelschrik als moeder hebben en haar gezicht niet eens kunnen zien.

Het kan niet anders of zo’n moslimkoppel is een beeld van een compleet gespleten ziel.
Enerzijds verbindt die ziel zich zo volkomen met het Westen dat ze er niet meer van te onderscheiden is: de moderne moslimman.
Anderzijds stoot die ziel het Westen zo radicaal van zich af dat ze zichzelf tot een karikatuur maakt: de zwartgesluierde moslimvrouw.
Natuurlijk is een gespleten ziel geen exclusieve moslimaangelegenheid.
Zwei Seelen wohnen, ach! in meiner Brust, schreef Goethe al.
Ieder mens heeft, zoals Faust, ‘twee zielen’ in zijn borst waarvan de ene zich vastklampt aan de materie en de andere naar de geest streeft.
In die zin verschilt de moslim niet wezenlijk van de Westerling.
Hij is alleen meer geneigd tot de uitersten.
Die uitersten liggen vandaag echter zo ver uit elkaar dat de vraag rijst: wat houdt de twee Seelen van de moslim eigenlijk samen?

De moslim is een religieus mens, maar dat waren vroeger alle mensen.
Oorspronkelijk had de mens een even vanzelfsprekende verhouding met de geestelijke wereld als met de materiële wereld. Toen het contact met de geest echter zwakker werd, moest de mens zich inspannen om dat contact te behouden: hij werd religieus.
In onze tijd is het contact met de geest vrijwel verdwenen en nu staat de mens voor de keuze: ofwel wordt hij materialist ofwel wordt hij nóg religieuzer.
Het Westen kiest voor het materialisme, de moslimwereld kiest voor de religie.
Maar die religie raakt wel helemaal verkrampt. In een door en door materiële wereld als de hedendaagse heeft ze geen (geestelijke) grond meer om op te staan en ze verwordt tot een verzameling dogma’s en regels die bijna met geweld moeten gehoorzaamd worden.
De islam werd met andere woorden … materialistisch.
Ook in het Westen was dat het lot van de religie, maar in plaats dat het christendom hier met geweld werd opgelegd, werd het gewoon vervangen door de materialistische wetenschap, die de nieuwe religie van het Westen werd.
Toen de Grote Emigratie begon, botsten deze twee ‘materialistische religies’ op elkaar: de wetenschappelijke en de islamitische.
De ‘clash of civilisations’ was geboren.

Maar deze ‘clash’ is niet echt een frontale botsing zoals in de Middeleeuwen, toen beide religies ook al met elkaar in aanvaring kwamen.
Het materialistische aspect van beide religies botst niet, integendeel.
Op dit niveau komen moslims en Westerlingen prima overeen.
Ze willen precies hetzelfde: rijk worden.
Daarom is de Grote Inwijking, afgezien van de normale wrijvingen, zonder geweld verlopen.
Maar naarmate de moslims materieel ingeburgerd raakten en er weer ruimte kwam voor meer geestelijke zaken, werd duidelijk dat beide religieuze aspecten – het wetenschappelijke en het islamitische – zich niet met elkaar lieten verzoenen.
Moslims en Westerlingen vonden elkaar (uiterlijk) in hun materialisme, in hun drang naar aardse rijkdom en zintuiglijk genot. Maar langzaam kwam de (innerlijke) tegenstelling tussen hun wereldbeelden naar boven, en die tegenstelling is sindsdien alleen groter geworden, tot ze uiteindelijk zichtbaar werd in de hoofddoek, en meer nog in het moderne moslimkoppel.

En hier duikt een wezenlijk verschil op tussen de moslimziel en de Westerse ziel, een verschil dat ook uiterlijk zichtbaar is.
Terwijl bij de moslims man en vrouw verschillen als dag en nacht, leven Westerse koppels duidelijk in één en dezelfde wereld. En dat is niet enkel een kwestie van kleding …
Hun uiterlijk is een weerspiegeling van hun innerlijk.
In de moslimziel is er geen enkel contact tussen het religieuze deel en het materialistische deel.
In de Westerse ziel is dat contact er wel, en dat is te danken aan het christendom.

Anders dan de islam is het christendom een religie die de materie waardeert.
Dat komt sprekend tot uitdrukking in het feit dat de christelijke God mens is geworden en in een fysiek lichaam heeft geleefd.
In de islam is zoiets ondenkbaar.
Allah leeft hoog in de hemel en de idee dat hij zich zou verlagen tot de aarde is ronduit blasfemisch. Daarom is de profeet Mohammed opgestegen tot in de hemel om daar het woord van God te vernemen.
In het christendom is net het omgekeerde gebeurd: het woord van God is daar zelf naar beneden gekomen. Het is mens geworden, meer zelfs, het heeft zich tot het einde der tijden met de aarde verbonden.

Qua wereldbeeld is dat een gigantisch verschil.

Dankzij het christendom is de Europese mens vertrouwd geraakt met de materie zonder het gevoel te hebben zich af te wenden van de geest.
Wel integendeel, aardedienst was tegelijk godsdienst, want de christelijke God had zich met de aarde verbonden en daardoor de materie ‘geheiligd’.
Voor de moslim daarentegen is aardedienst een verraad aan de godsdienst.
De moslim die zich naar de aarde keert, keert zich af van God.
Hij zondigt.
Daarom is het beeld dat wij van de moslim hebben iemand die niet werkt maar de hele dag op café zit te kletsen of in de moskee zit te bidden.
Het is een karikaturaal beeld, maar het is wel gelijkend.
De moslimwereld is helemaal geen actieve, ondernemende wereld zoals het Westen.
Het is een passieve, gelaten wereld waar het inch’allah heerst: alles is de wil van God, de mens zelf heeft niks te willen.

In het Westen moet de moslim echter wel werken, en met het geld dat hij daarmee verdient, koopt hij een auto, een huis, een iPhone en alle andere aardse goederen die de Westerling ook heeft.
Dat maakt van hem echter een zeer zondig man, die meer aandacht aan de aarde besteedt dan aan de hemel.
En dat moet dus gecompenseerd worden: de moslim gaat de islamitische voorschriften veel stipter naleven dan hij dat vroeger in zijn thuisland placht te doen.
Omdat de religieuze mens ook een paternalistische mens is of was, laat hij het vuile werk door zijn vrouw opknappen.
De zwarte sluier die zij moet dragen is eigenlijk een boetekleed.
Zij boet de zonden van de man uit.
Daardoor wordt zij voor hem ook het zinnebeeld van de islam.
Onder haar zwarte sluiers verbergt zij louter zuiverheid, onbezoedeld door Westerse blikken.
De moslima is daar zelf ook trots op: hoe meer boete zij doet, des te zuiverder wordt ze.
Hoe lelijker ze zich aan de buitenkant maakt, des te mooier wordt ze daaronder.
Ze offert als het ware haar vrouw-zijn.
Haar hoofddoek is het teken van haar martelaarschap.
Het is ook een teken van haar superioriteit ten opzichte van de Westerse vrouwen.

Het is niet eens zo lang geleden dat een dergelijke kwezelmentaliteit ook hier bij ons heerste.
Hoeveel vrouwen liepen niet helemaal in het zwart rond, hoeveel vrouwen deden geen boete en kwelden zichzelf en hun omgeving, hoeveel vrouwen hingen niet de martelaar uit – allemaal voor hun zieleheil en dat van de wereld!
We worden als het ware geconfronteerd met ons eigen verleden.

Moslims doen boete voor de zonden die ze op zich laden door in het Westen te leven.
Maar ze genieten niet alleen van hun ‘zonden’, ze genieten ook van hun boetedoening.
Aan dat verknipte genot ontlenen ze het voor ons Westerlingen zo onbegrijpelijke superioriteitsgevoel: materieel gezien staan ze op gelijke hoogte met ons, maar geestelijk voelen ze zich ver verheven boven dat dekadente Westen.
Voor ons Westerlingen is de tegenstrijdigheid tussen het materialisme en het godsdienstfanatisme van de moslims zo ostentatief dat ons verstand erbij stilstaat.
We zien zo’n hippe, moderne moslim lopen naast zijn van top tot teen in het zwart gehulde vrouw en we zijn verbijsterd: we kunnen die twee niet aan elkaar knopen.
Maar zelf zien ze absoluut niet wat daar vreemd aan is, en dat kun je ook aan hen aflezen.
Ze lopen er volkomen zelfverzekerd bij.
Ze zijn zich van geen kwaad bewust.
Wel integendeel.

En hier duikt het wezenlijke verschil op tussen onszelf en de moslims.
Wij zijn ons namelijk bewust van onze gespletenheid.
De moslim is dat niet.
Iemand als Yassine Channouf schreeuwt zijn onschuld in de kranten uit terwijl hij een paar dagen tevoren zijn broers nog geholpen heeft bij het plegen van een roofoverval. Hij schrijft doodleuk dat hij ‘de tijd die hem nog rest’ gaat gebruiken om te vechten tegen racisme, alsof de Belgen een fatwa tegen hem afgekondigd hebben en zijn dagen geteld zijn.
Hoe kan een jonge, intelligente en onschuldig ogende jongen zo leugenachtig en doortrapt zijn! vragen we ons af.
We begrijpen echter niet dat Channouf zo eerlijk en oprecht overkomt omdat hij dat in zijn eigen ogen ook is.
Hij weet helemaal niet hoe leugenachtig en schijnheilig hij in onze ogen is.
Hij is nu eenmaal anders.

Als wij liegen dan weten we dat.
Het ene deel van onze ziel (dat aards voordeel wil) verwijdert zich dan van het andere deel (dat geestelijk zuiver wil blijven) en we voelen een innerlijke spanning. Want beide Seelen in unser Brust zijn als door een elastiek met elkaar verbonden en blijven allebei in ons bewustzijn.
Bij mensen als Yannouf gebeurt dat niet.
Als het ‘materiële’ deel van hun ziel de ene kant opgaat, verdwijnt het ‘religieuze’ deel gewoon uit hun bewustzijn. Er is geen ‘elastiek’ die onder spanning komt te staan, en dus ook geen besef van tegenstrijdigheid.
Keren ze weer terug naar het religieuze, onschuldige deel van hun ziel, dan verdwijnt het eerste deel.
Ze voelen zich volkomen onschuldig en beseffen niet dat ze iets verkeerds hebben gedaan.
Op die manier kunnen ze liegen zonder ook maar één moment te beseffen dat ze liegen.
Op die manier kunnen ze ook in heilige verontwaardiging uitbarsten als ze van leugens worden beschuldigd.
Op die manier kunnen ze ons ook volkomen in verwarring brengen.
Want we begrijpen niet dat we met een ander soort ziel te maken hebben.
Een ziel die, net als de onze, gespleten is maar dat niet weet.

Ik herinner me nog een voorval op de geschenkenbeurs van de Gentse steinerschool.
Een kindje van de eerste klas had een portemonneetje gekregen van Sinterklaas en daar hadden zijn ouders en ooms en tantes wat geld in gestopt waarmee het op de ‘bazaar’ mocht kopen wat het wilde.
Het kind had daar wekenlang naar uitgekeken en het liep nu met glunderende ogen rond overwegend waar het zijn centjes zou aan besteden.
Maar dat was zonder de waard gerekend.
Een tienjarige moslimjongen uit de buurt had het kind zijn portemonneetje afhandig gemaakt en was ermee aan de haal gegaan.
Het kind was ontroostbaar. De bazaar was in zijn ogen een soort paradijs geweest en daar was het brutaal uit verdreven door die moslimjongen die niemand kende.
Mijn vrouw kreeg de dief, op aanwijzingen van de omstanders, te pakken en bracht hem bij het diep ongelukkige kind dat tranen met tuiten huilde.
Ben je niet beschaamd, vroeg ze, om zo’n klein kind te bestelen?
Maar toen ze in zijn ogen keek, zag ze daar geen spoor van schaamte.
Het deed hem allemaal niks.
Hij zei alleen maar: ik heb niks gedaan!
En hij begreep niet waarom iedereen zo’n misbaar maakte.
Wat me schokte, zei An achteraf, was niet dat hij zo’n klein en weerloos kind had bestolen, maar dat hij geen enkel besef had iets verkeerds te hebben gedaan.

Wij Europeanen en Westerlingen zijn geen onschuldige zielen. We vergrijpen ons ook aan kinderen, we vertellen ook leugens, ons gedrag hangt ook aan elkaar van de tegenstrijdigheden.
Maar dat gaat altijd gepaard met een gevoel, hoe vaag ook, dat er iets niet klopt.
En als we dan geconfronteerd worden met onze leugens of tegenstrijdigheden, dan stijgt dat gevoel omhoog tot we het niet meer kunnen negeren.
Ons verstand moét er zich dan wel mee bezighouden en er ontstaat een intense uiteenzetting tussen beide.
Die uiteenzetting tussen gevoel en verstand lijkt bij moslims niet te bestaan.
Ik heb ze althans nog nooit waargenomen.
Als ik discussies zie tussen moslims en Westerlingen, dan zie ik hoe de Westerlingen worstelen met de waarheid.
Ze willen niet alleen logisch en rationeel zijn, ze willen ook dat het waar is.
En dat is iets waar moslims zich niet om bekommeren.
Ze willen alleen maar logisch en rationeel zijn (of het lijken, want het is de vraag of je zonder waarheid rationeel kunt zijn).
En dus winnen ze meestal die discussies, want ze hoeven alleen met hun tegenstanders te vechten, ze hoeven niet met hun eigen waarheidsgevoel te vechten.
Niemand is opgewassen tegen Abou Jahjah, niet omdat hij zoveel intelligenter is dan Westerse intellectuelen, maar omdat hij niet met zichzelf hoeft te vechten.
Zijn verstand hoeft geen rekening te houden met zijn gevoelens, het kan zich helemaal concentreren op zijn doel: de discussie winnen, de ander aftroeven.

Het klopt niet helemaal als ik zeg dat moslims zich niets aan de waarheid laten gelegen liggen.
Ze doen dat zelfs meer dan wij.
Alleen is hun waarheid de onze niet.
Waarheid is voor hen: de koran, het woord van God.
Die waarheid is door Mohammed uit de hemel gehaald en op aarde gebracht in de vorm van een boek vol woorden, regels en voorschriften.
Voor Westerlingen is de waarheid eveneens uit de hemel op aarde gebracht, maar dan wel in de vorm van een mens die zei: ik ben de waarheid.
Doordat die mens gestorven is en opgestaan, leeft hij vandaag in ieder mens, ook in moslims.
Maar hij leeft daar in de wil, niet in het gevoel.
De waarheid kan zich bij moslims niet in het gevoel manifesteren omdat hun verstand dat belet.
Het is er namelijk van overtuigd de waarheid reeds te bezitten in de vorm van de koran.
Wat er vanuit de onbewuste wil ook opstijgt aan waarheidsgevoel, de moslim besteedt er geen aandacht aan. hij vindt dergelijke gevoelens zelfs zondig.
En zo kan hij staalhard liegen zonder daar iets bij te voelen, want hij doet het om de ongelovige Westerlingen te verslaan zodat de waarheid van de koran veld kan winnen.
Wat wij liegen noemen – welbewust zaken vertellen die tegen ons waarheidsgevoel ingaan – is voor hem: de waarheid verspreiden.
En dat doet hij niet wikkend en wegend, proberend verstand en gevoel met elkaar in overeenstemming te brengen. Hij doet het instinctief, geleid door de onverzettelijke wil de waarheid over de hele wereld te verkondigen.

En hier wordt de tragedie van de moslims zichtbaar.
Zonder dat zij het beseffen, laten zij zich leiden en inspireren door … Christus, het wezen van de waarheid dat in hun wil leeft zoals het in eenieders wil leeft.
Maar het leeft daar niet alléén.
In de onbewuste wil van de hedendaagse wil leeft ook het antichristelijke wezen van de leugen.
En wat moslims zo verwarrend maakt, is dat zij door beide wezens tegelijk worden geïnspireerd.
Ze beleven Christus en de Antichrist – het wezen van de waarheid en het wezen van de leugen – als één enkel goddelijk wezen waarvoor ze bereid zijn hun leven te offeren, zowel hun fysieke leven als hun zielenleven.
En juist omdat hun verstand in de overtuiging leeft de waarheid reeds te bezitten, doet het geen moeite om te luisteren naar wat vanuit de onbewuste wil opstijgt in het gevoel.
Nochtans is dat gevoel de enige manier waarop het verstand kan doordringen in de duistere wereld van de wil en onderscheid maken tussen de twee machtige wezens die daar naast elkaar leven: het wezen van de waarheid en het wezen van de leugen.
Onderscheid maken tussen waarheid en leugen betekent: tot een vergelijk komen tussen verstand en gevoel. Want de waarheid stijgt niet alleen op in het gevoel, ze wordt ook weerspiegeld in de ratio.
Pas als die twee – waarheidsgevoel en ratio – tot een vergelijk komen, weet de mens dat hij contact heeft met de levende waarheid en niet met de levende leugen.

Gebrek aan empathie

In De Morgen stond onlangs het verontwaardigde verslag van Yassine Channouf, een jonge Marokkaan die samen met zijn broers van bed werd gelicht en twee dagen in de cel moest doorbrengen op verdenking van diefstal.
In geuren en kleuren beschrijft hij de vernederingen die hij moest ondergaan terwijl hij volkomen onschuldig was.
Zijn conclusie: België is geen rechtstaat, België is een onrechtstaat.
Uiteraard werd dit schokkende relaas breed uitgemeten in de kranten en de reacties waren voorspelbaar: iedereen schaamde zich om in een land te wonen waar onschuldigen opgesloten worden.
Yassine Channouf zelf, een twintiger, besloot om de tijd die hem nog restte te wijden aan het verzamelen van getuigenissen van racisme-slachtoffers.
De tijd die hem nog restte?
Het klonk alsof zijn leven permanent in gevaar was en hij ieder moment door de politie – of door Vlaamse racisten – vermoord kon worden.

Een paar dagen later was het de beurt aan Wouter Van Bellingen, de nieuwe (zwarte) directeur van het Minderhedenforum.
‘Vlamingen hebben blijkbaar meer empathie met dieren dan met migranten,’ vertelde hij tijdens een interview in Knack.
Hij voegde er nog aan toe: : ik denk soms dat Vlaanderen een psycholoog nodig heeft, om eindelijk eens in het reine te komen met zijn trauma’s: van de weigering om de wreedheden van het kolonialisme onder ogen te zien, via collaboratie en repressie, tot de moeizame omgang met migranten en nieuwkomers.’

Het zal wel niet het laatste schot voor de Vlaamse boeg zijn, want zwarte Wouter krijgt in Knack een vaste column waar hij zijn gal kan spuwen op het racistische, xenofobe, onverdraagzame Vlaanderen.
Voor wie het al vergeten is: Wouter Van Bellingen is de ex-schepen van Sint Niklaas die van de ene dag op de andere een Bekende Vlaming werd toen twee koppels weigerden door hem getrouwd te worden ‘omdat hij zwart was’.
De affaire heeft hem geen windeieren gelegd want vandaag is hij dus benoemd tot directeur van het Minderhedenforum.
De twee racistische koppels die zijn carrière gelanceerd hebben, zijn nooit gevonden.
Geruchten gaan dat de zaak met racisme niks te maken had en dat de weigering stoelde op het feit van Van Bellingen stamde uit – lees: geadopteerd was door – een familie van collaborateurs, van ‘zwarten’ dus.
Maar het schandaal was intussen zo groot geworden dat het ‘opportuner’ werd geacht om het misverstand onopgehelderd te laten.
Later is Van Bellingen nog eens in het (wereld)nieuws gekomen door een soort massa-trouwpartij op de (zeer) Grote Markt van Sint Niklaas.
En vandaag haalt hij dus weer het nieuws met de uitspraak dat Vlaanderen naar de psychiater moet om eindelijk eens iets te doen aan zijn racistische inborst.

Ja, hij weet het goed aan boord te leggen, deze immer breed glimlachende Wouter Van Bellingen. Ik verdenk er hem dan ook van een platte politieke opportunist te zijn, iemand die naast zijn ellebogen ook de kleur van zijn huid gebruikt om zich een weg te banen naar de top.
En ik verdenk Yassine Channouf ervan van hetzelfde laken een broek te zijn.
In zijn aangrijpende verslag van de vernederingen die hij moest ondergaan, schreeuwt hij zijn onschuld annex verontwaardiging uit.
Maar een dag later reageerde justitie al door te zeggen dat er wel degelijk aanwijzingen waren voor zijn betrokkenheid bij een diefstal.
De vluchtauto werd namelijk gehuurd op zijn naam en met gebruik van zijn identiteitskaart.
Hij werd ook vlakbij Channoufs huis teruggevonden, terwijl in datzelfde huis ook een grote som geld werd aangetroffen.
En daar zou de onschuldige Channouf helemaal niks vanaf geweten hebben?
Pittig detail: Channouf is mede-oprichter van Mouvement X, een ‘burgerrechtenbeweging’ die vecht tegen uitsluiting, discriminatie en racisme. Aan het hoofd staat niemand minder dan Abou Jahjah, nog zo’n onschuldige migrant.

Wat me vooral trof in de tekst van Yassine Channouf was het totale gebrek aan empathie met de Vlamingen.
Hoeveel jaar is het nu al dat de Vlamingen de pesterijen van Marokkaanse jongeren moeten ondergaan?
Het verhaal is bekend: deze soms nog zeer jonge jongeren overvallen iemand, worden aangehouden door de politie, dezelfde dag nog vrijgelaten wegens te jong of geen plaats in de gevangenissen, en de volgende dag beginnen ze opnieuw.
Een tijdje geleden werd zo’n jongere aangehouden die al meer dan 60 overvallen op zijn actief had en nog nooit veroordeeld was.
Ook hem moesten ze weer laten gaan.
Rekening houdend met het feit dat dergelijke berichten slechts met mondjesmaat in de krant komen (wegens stigmatiserend voor de Marokkaanse gemeenschap), mag je ervan uitgaan dat er in dit land heel wat Marokkaanse jongeren rondlopen die hun dagen vullen met het pesten (of moeten we zeggen: terroriseren?) van burgers en politie.

Het kost mij dan ook weinig moeite om me te verplaatsen in zo’n politieman die al jaren getreiterd en uitgelachen word door Marokkaanse jongeren en daar volkomen machteloos tegenover staat.
Kun je van zo’n politieman menselijkerwijs verwachten dat hij beleefd blijft als een zoveelste jonge Marokkaan wordt aangehouden en vol verontwaardiging zijn onschuld uitschreeuwt?
Ik vind het juist van een bewonderenswaardige verdraagzaamheid getuigen als hij alleen maar zegt: ook niks gedaan, zeker?

Yassine Channouf is zo vol van zijn eigen vernedering dat er in zijn bewustzijn geen plaats is voor de – veel grotere – vernederingen van de Vlamingen.
Als Marokkaan zou hij zich moeten schamen voor het gedrag van zijn landgenoten, want als er ergens rellen zijn, als er ergens een overval wordt gepleegd, als er ergens een schoolbus met kinderen wordt aangevallen, als er ergens mensen in elkaar worden geslagen, als er ergens vrouwen worden lastiggevallen: altijd weer zijn er Marokkanen bij betrokken.
Ze staan in heel Europa dan ook bekend als ruziemakers, en dat is nog zwak uitgedrukt.
Ik beweer niet dat alle Marokkanen zo zijn.
Ik beweer ook niet dat er geen schatten van Marokkanen bestaan.
Maar Marokkanen die hun eigen reputatie niet kennen, zijn als Duitsers die niet weten wat nazi’s zijn.
Natuurlijk kun je de misdaden van de Marokkanen niet vergelijken met die van de nazi’s.
Maar het zijn wel misdaden die nú gepleegd worden, dagelijks en op grote schaal.
Er leeft in Europa dan ook zoveel wrok tegenover Marokkanen dat er onafgebroken moet gewaarschuwd worden voor stigmatisering en demonisering.

Toch doet Yassine Channouf alsof er geen vuiltje aan de lucht is.
Meer zelfs, hij vindt het wraakroepend dat Marokkanen niet met meer respect behandeld worden.
Hij is zo verontwaardigd over de onvriendelijke houding van politie en justitie tegenover Marokkanen dat hij begint te spuwen, te schelden en te schreeuwen dat België een onrechtstaat is.
Channouf is nochtans geen onontwikkelde straatjongere die niet weet wat er in de wereld gebeurt.
Nee, hij heeft een master en studeert aan de universiteit van Leiden.
Hij is dus een intellectueel van wie je toch énige nuancering en zelfkritiek zou mogen verwachten.
Maar die ontbreken totaal.
Yassine Channouf toont niet het minste begrip voor het wantrouwen van de Belgen.
En hij is niet de enige.
Nog nooit heb ik uit de mond van Marokkanen of andere moslims één blijk van begrip vernomen voor de wrok van de autochtone Vlamingen.
In al die honderden artikels en opiniestukken van hun hand heb ik nog nooit één teken van empathie aangetroffen.
Altijd weer zijn het klachten, beschuldigingen, waarschuwingen en zelfs bedreigingen.
Met deze week dus als klap op de vuurpijl de bewering van Wouter Van Bellingen dat Vlamingen meer empathie hebben voor dieren dan voor migranten.

Als ik die groteske woorden lees, kan ik niet anders dan denken: deze man heeft het over zichzelf.
Hij projecteert zijn eigen gebrek aan empathie op de Vlamingen.
Hij doet daarmee niets anders dan wat allochtonen al tientallen jaren doen.
Ze verwijten de Vlamingen, de Belgen, de Europeanen, kortom het hele Westen waar ze zelf mank aan gaan: een totaal gebrek aan inlevingsvermogen.
Hoe is het in godsnaam mogelijk, roepen ze, dat de Vlamingen niets doen aan hun racisme! Ze blijven ongestoord verder discrimineren en behandelen allochtonen alsof het geen mensen zijn! Hebben ze dan werkelijk geen greintje empathie? Wat zijn dit toch voor wezens!
Ze kunnen er echt niet bij dat er zulke mensen bestaan.
De Westerse mens is voor hen een volslagen raadsel, een wezen waar ze totaal geen hoogte van krijgen, waar ze zich onmogelijk kunnen in verplaatsen.

Kunnen?

Als ik pasgeboren kinderen zie lachen naar wildvreemde mensen die zich over hun wieg buigen, dan lijdt het voor mij geen twijfel dat ze beschikken over een aangeboren inlevingsvermogen.
Ze hebben nog nooit mensen gezien, en die volwassenen moeten hen voorkomen als monsterachtig grote en vreemde wezens, maar toch glimlachen ze alsof ze hen herkennen, alsof ze voelen: die reuzen zijn mensen, net als ik.
Hetzelfde stel ik vast wanneer Westerse camera-ploegen doordringen in het Amazone-oerwoud en daar Indianen ontmoeten die nog nooit contact hebben gehad met de buitenwereld.
Ik zie dan mensen die op een kinderlijke manier reageren op die vreemde Westerlingen: ze lachen, ze zijn nieuwsgierig, er is een soort elementaire menselijke verstandhouding.
Nee, gebrek aan inlevingsvermogen is de mens niet aangeboren.
Empathie maakt deel uit van zijn menselijke natuur.

Als mensen blijk geven van een totaal gebrek aan empathie, als ze er niet in slagen zich in te leven in andere mensen, dan is dat geen kwestie van kunnen, maar van niet-willen.
Als deze onwil een hele volksgemeenschap kenmerkt, dan is dat geen kwestie van natuur, maar van cultuur.
Het is een bewust verzet tegen een aangeboren menselijke eigenschap: de empathie, het inlevingsvermogen.

In de woorden van zowel Yassine Channouf als Wouter Van Bellingen klinkt de ‘clash of civilisations‘ door, de botsing tussen culturen.
Om welke culturen gaat het hier?
Er is natuurlijk de botsing tussen de islamitische en de Westerse cultuur.
Maar er is ook nog een andere botsing.
Wouter Van Bellingen werpt de Vlamingen dezelfde beschuldigingen in het gezicht die we altijd horen van moslims.
Maar Van Bellingen is geen moslim, Van Bellingen is een … Vlaming.
Of belet zijn zwarte huid hem om een Vlaming te zijn?
Kunnen Vlamingen alleen maar blank zijn?
Veel mensen zouden dat een racistische gedachte vinden, en daar wil ik hem niet van verdenken.
Dus hebben we hier te maken met een Vlaming die zichzelf – met een brede glimlach – beschuldigt van een schrijnend gebrek aan empathie.
Ofwel is deze Van Bellingen zwakzinnig, ofwel gaat hij er vanuit dat er twee soorten Vlamingen, of beter gezegd, twee Vlaamse culturen zijn: een cultuur (waar hij uiteraard zelf toe behoort) die vreemdelingen met open armen ontvangt, en een cultuur die meer van honden dan van migranten houdt, een racistische cultuur dus.

Ook onder Vlamingen vindt er dus een ‘clash of civilisations’ plaats.
Het gaat met andere woorden niet om één botsing maar om twee ‘botsingen van culturen’.

Laat we eens naar de eerste botsing kijken, de botsing tussen de islam en het Westen.
Die komt tot uitdrukking in twee kapitale verwijten:
De moslims willen zich niet integreren en de Westerlingen zijn racistisch.
Goed en wel bekeken, gaat het hier om één en hetzelfde verwijt: het ontbreekt de anderen aan inlevingsvermogen.
Alleen gaat het in het ene geval om een ‘fysiek’ inlevingsvermogen: de moslims weigeren zich aan te passen aan de gewoonten en gebruiken van het Westen.
In het andere geval gaat het om een ‘geestelijk’ inlevingsvermogen: de Westerling kan zich niet verplaatsen in de geest van de moslim en behandelt hem daarom zonder respect.

Het begint bekend te klinken, maar ze hebben allebei gelijk.
De moslims weigeren zich inderdaad ‘in te leven’ of te integreren: ze vragen aparte wetten, ze willen apart zwemmen, ze willen apart slachten, ze willen apart vlees. Ze willen kortom niet op gelijke voet behandeld worden.
De Westerlingen van hun kant zijn niet bereid zich in te leven in de geest van de moslim, die in de eerste plaats een religieuze geest is. Moderne Westerlingen willen niets meer te maken hebben met religie. Ze peinzen er niet over om religieuze wetten op voet van gelijkheid met seculiere wetten te plaatsen.

Het gaat dus niet zomaar om de botsing tussen twee culturen, het gaat om de botsing tussen de wereldbeelden die aan die culturen ten grondslag liggen.
In het Westen is dat het wetenschappelijke wereldbeeld.
In de islam is dat het religieuze wereldbeeld.
En beide wijzen elkaar radicaal af.
In het materialistische wereldbeeld van het Westen is er geen plaats voor religie of geest, tenzij als een soort bijproduct van de materie. Van gelijkheid tussen geest en materie kan geen sprake zijn. Een dialoog op voet van gelijkheid tussen materialistische en religieuze denkbeelden is dan ook uitgesloten.
Omgekeerd is het niet anders.
In het religieuze wereldbeeld van de islam is er geen plaats voor wetenschap, tenzij als een commentaar op de koran. Dat de Westerse wetenschap op gelijke voet zou staan met het woord van God is ondenkbaar voor de moslim. Een dialoog tussen beide is dan ook uitgesloten.

Van zodra de islam en het Westen doordringen tot de grondslagen van hun cultuur houdt de verstandhouding op en vindt er een frontale botsing plaats.
Ten aanzien van die geestelijke grondslagen gelden de woorden van Kipling: East is East and West is West, and the twin shall never meet.
Anders gezegd: tussen de religieuze islam en het materialistische Westen heerst de broedertwist.

(wordt vervolgd)