Luc De Vos (2)

door lievendebrouwere

Morgen wordt Luc De Vos begraven – dat wil zeggen uitgewuifd – op het Gentse Sint-Pietersplein.
Dat is niet het plein voor Gent St-Pieters (dat is het Maria-Hendrikaplein) maar een stenen vlakte in de studentenbuurt van Gent.
Men verwacht dus veel volk en het zou best wel eens kunnen zijn dat heel dat uitgestrekte plein gevuld raakt, want als ik mag voortgaan op de krantencommentaren – en dat is natuurlijk altijd de vraag – was Luc De Vos bijzonder populair.
Op Anderlecht heeft het hele stadion afgelopen weekend zijn lijflied Mia gezongen.
En op AA.Gent zijn ze van plan dit weekend hetzelfde te doen.
Zelfs op de Nederlandse televisie werd Mia gezongen (door Bent Van Looy).

Ik moet eerlijk zeggen dat ik die populariteit niet goed begrijp.
Ik snap bijvoorbeeld niet wat er zo bijzonder is aan Mia.
Het is verkozen tot het mooiste Vlaamse liedje ooit, en dat vind ik lichtjes verbijsterend.
Ik kan dan ook moeilijk geloven dat de populariteit van Luc De Vos te danken is aan zijn muziek.
Misschien ligt het aan de combinatie van muziek en tekst.
Dat klinkt al wat aannemelijker.
Maar het verklaart naar mijn gevoel nog altijd niet waarom deze zanger zo’n volksheld was.

Een mogelijke oplossing van dit raadsel vond ik in een anekdote die Pascale Platel vertelde.
Ze was naar het voetbal gaan kijken en voor haar zat Luc De Vos met zijn zoontje Bruno.
Het kind trok zijn vader de muts van het hoofd.
Luc nam ze hem weer af en zette ze opnieuw op zijn hoofd.
Waarna het kind ze weer aftrok en Luc ze weer op zijn hoofd zette.
En dat ging zo maar door, tot Pascale Platel dacht: nu moet hij toch stilaan wel kwaad beginnen worden!
Maar Luc De Vos werd niet kwaad.
Hij bleef het spelletje meespelen.

Het is aan de kleine dingen dat men een mens herkent.
En de mens die hier zichtbaar werd, was een mens waar geen kwaad in zat.
Kinderen brengen het beste en het slechtste in een mens naar boven.
Ze kunnen je helemaal ontwapenen, zodat je niet anders kunt dan ze liefhebben.
Maar ze kunnen je ook het bloed van onder de nagels halen, zodat je ze wel de nek zou willen omwringen.
Kinderen kunnen je in beide richtingen tot het uiterste drijven.
En dat doen ze door je te spiegelen.
Ze houden volwassenen een spiegel voor, en juist omdat ze dat volkomen onbewust en onopzettelijk doen, is die spiegel zo helder en blijft niemand onberoerd door wat hij erin ziet.
Het kind maakt zichtbaar, wat de volwassene verbergt.

Wat het zoontje van Luc De Vos zichtbaar maakte tijdens die voetbalmatch, was de onbedaarlijke speeldrang van zijn vader.
Je zou in het telkens weer afrukken van die muts een beeld kunnen zien van het verlangen om het kind-in-de-mens te ‘ontbloten’, om de mens te zien zien zonder masker, zonder hoofdbedekking.
Het is niet moeilijk om dat te herkennen bij Luc De Vos.
De weinige keren dat ik hem op tv zag, speelde hij de rol van nar, degene dus die dingen zegt die anderen niet mogen zeggen.
Hij probeerde mensen hun ‘muts’ of hun masker af te trekken, maar hij deed dat zoals een kind dat zou doen: zonder enige kwaadaardigheid, zonder opzet, alleen maar om te spelen.

Dat was ook wat de kleine Bruno deed tijdens die voetbalwedstrijd: hij wilde het kind in zijn vader tevoorschijn roepen om ermee te kunnen spelen.
En onder die muts zat inderdaad een kind dat met het andere kind het spelletje van mutsje-trek speelde.
Maar het was geen gewoon kind.
Zoals Pascale Platel dat kleine tafereel beschreef, wendde Luc De Vos zich niet af van de wedstrijd om in plaats daarvan wat te stoeien met zijn zoontje.
Nee, hij deed het allebei.
Hij bleef enerzijds de volwassene die aandachtig een voetbalwedstrijd volgt, en anderzijds werd hij een kind dat met een ander kind een spelletje speelde.
Luc De Vos was volwassene en kind tegelijk.
Dat is wat deze kleine anekdote zichtbaar maakte.
Dat is volgens mij ook wat hem zo populair maakte.

Het is namelijk zeer uitzonderlijk dat iemand volwassene en kind tegelijk is.
De meeste volwassenen zijn helemaal geen kind meer.
Ze hebben, onder druk van het leven, hun (innerlijk) kind zo diep weggeborgen dat ze het niet meer terugvinden.
Er zijn ook mensen die de relatie met dat kind levendig weten te houden.
Die mensen noemen we kunstenaars.
Ze slagen erin de dromerige – en in wezen nog geestelijke – wereld van het kind te verzoenen met de harde materiële werkelijkheid.
Dat resulteert dan in kunstwerken die tegelijk materieel én geestelijk zijn, volwassen én kinderlijk.
Maar het resulteert zelden in kunstenaars die dezelfde harmonie vertonen, wel integendeel.
Kunstenaars zijn in de regel géén harmonische mensen.
Het zijn mensen in wie de volwassene en het kind zich gedragen zoals in het uiterlijke leven: soms spelen ze, soms maken ze ruzie, maar ze vallen zeker niet samen.
Dat doen ze alleen in de kunst, niet in de kunstenaar.
Tussen die twee gaapt een diepe kloof.

Bij Luc De Vos was dat niet het geval.
Kunst en kunstenaar vielen bij hem wél samen.
Ik vond die kunst niet zo geweldig, maar Luc De Vos zat er helemaal in en de kunst zat helemaal in Luc De Vos.
Hij was dus in zekere zin een levend kunstwerk.
En inderdaad, het was een plezier om hem bezig te zien, altijd weer.
Kunst en werkelijkheid waren één bij hem.
Dat zag je ook aan zijn leven: dat was eveneens een kunstwerk.
Hij werkte drie uur per dag, en dat vond hij genoeg.
De rest van de dag speelde hij.
Hij zag de wereld als één grote speeltuin.
Luc De Vos wandelde bijna iedere dag door Gent en sloeg dan een praatje met de bekenden die hij tegenkwam, en dat waren er nogal wat.
Hij ging graag naar feestjes, hij was graag onder de mensen.
Hij amuseerde zich in het leven.

Is dat niet de droom van ieder mens?
Vooral voor jonge mensen is het leven hard: ze krijgen de kans niet meer om te spelen.
Ze mogen geen kind meer zijn, ze moeten zo vlug mogelijk volwassen worden.
En als ze dan volwassen zijn, blijft het kind in hen zeuren om te spelen en belet hen om echt volwassen te worden.
Daarom zijn de moderne volwassenen zo kinderachtig.
Daarom omringen ze zich van ’s morgens tot ’s avonds met kunst, en leven daarin uit wat ze als kind niet hebben kunnen doen.
Alleen in de fictieve wereld van de kunst kan de moderne mens zijn zeurende kind geven wat het wil, alleen daar kan hij vrede stichten tussen de volwassene-die-moet en het kind-dat-wil.
Jonge mensen leven vandaag in een wereld van muziek, van beelden, van woorden.
Ze zijn constant verbonden met iPods, iPads en iPhones.
Als de electriciteit uitvalt, zijn ze helemaal verloren.
De kloof tussen de fictieve wereld waaraan ze verslaafd zijn en de harde werkelijkheid waarin ze als slaven leven, is bijzonder groot.

Als ze dan iemand als Luc De Vos zien, die erin slaagt die kloof te overbruggen, dan wordt hij hun idool.
Maar hij is meer dan een idool, want een idool leeft alleen in de wereld van de fictie.
Hij is onbereikbaar in de werkelijke wereld.
Luc De Vos was dat niet.
Je kon hem in Gent voortdurend over straat zien lopen.
Je kon hem aanspreken, en dan was hij precies dezelfde als op televisie of op een podium.
Hij was ‘heel’ en in een gespleten wereld als de onze is dat een grote zeldzaamheid.
Luc De Vos was zo populair en geliefd omdat hij het ideaal belichaamde dat in ieder modern mens leeft: dat van een volwassen kind.
Wat de meeste mensen alleen maar in de fictieve wereld van de kunst kunnen beleven, beleefde hij in werkelijkheid.

En toch was Luc De Vos niet gelukkig.
Tim Van der Mensbrugghe vertelt dat hij Luc tegenkwam op een zondag.
Alles goed, Luc?
Ja. Neen. Pfft.
Maar allez, ge hebt een vrouw en een kind, ge zingt uw liedjes en ge verdient daar geld mee. Gij hebt toch alles wat ge wilt?
Weet ge, ’t is misschien juist daarmee!
En Luc verdween weer in de stad.

Luc De Vos had alles bereikt waarvan hij gedroomd had en dat was: ontsnappen uit Wippelgem.
Het dorp van zijn jeugd was een gevangenis van geestloosheid geweest: een ‘volwassen’ wereld waar geen ruimte was voor het ‘kind’ en zijn dromen.
In interviews vertelde hij hoe blij hij was om in Gent te wonen en omringd te zijn door kunst en cultuur. Hij vergeleek de stad zelfs met New York: het bruiste er van leven.
Toch kon hij niet zwijgen over Wippelgem.
Je kunt een jongen wel uit zijn dorp halen, maar het dorp niet uit de jongen.
Was dat dorp niet een beeld van de wereld waarin we vandaag leven?
Is de moderne wereld niet één groot Wippelgem, een zee van grauwe geestloosheid?
Zeker, art is everywhere tegenwoordig.
Maar kunst blijft hoe dan ook een aparte wereld.
Hoe diep die wereld ook is doorgedrongen in de werkelijkheid, de kloof blijft onverminderd bestaan.
Ja, ze wordt zelfs alsmaar groter.
Want er is wel steeds meer kunst en cultuur, maar de werkelijkheid wordt ook steeds harder en ondraaglijker.
Hoe meer Gent, hoe meer Wippelgem.

Luc De Vos leefde in een wereld die niet méér kon verschillen van het dorp waar hij was opgegroeid.
Hij zong liedjes, hij deed wat hij het liefst deed, hij verdiende er goed zijn brood mee, hij was bekend, hij kwam op televisie, hij schreef boeken, hij amuseerde zich.
Maar hoe verder hij Wippelgem achter zich liet, des te meer kwam het als een zeurend kind aan zijn mouw trekken.
Hoe meer hij zich in zijn sas voelde in zijn culturele Gentse biotoop, des te meer kwam Paddenkoppenland zich aan hem opdringen.

Luc De Vos stierf precies op de dag dat zijn zoon 14 jaar werd.
Veertien jaar, dat is de leeftijd waarop volwassene en kind uit elkaar gaan.
Het is de leeftijd waarop het kind niet langer de muts van zijn vader aftrekt, maar zelf een muts op zijn hoofd zet, de muts van de volwassenheid.
Het is het moment waarop het kind ‘het dorp’ verlaat om naar ‘de stad’ te trekken.
Luc De Vos moet dat moment hebben voelen naderen.
In de anekdote van Pascal Platel vormden vader en zoon een ontroerende twee-eenheid.
Die twee-eenheid was tegelijk een beeld van de twee-eenheid van kunst en werkelijkheid.
Het betekende voor Luc De Vos ontzettend veel dat hij die eenheid tot stand had weten te brengen, het was a dream come true.
Maar nu dreigde die droom verbroken te worden.
Er zou niet alleen een kloof geslagen worden tussen vader en kind, maar ook de kloof tussen het spelende kind dat Luc De Vos was en Paddenkoppenland daarbuiten werd steeds tastbaarder.
Alles wat hij in zijn jeugd in Wippelgem had beleefd, kwam terug, maar nu in omgekeerde zin.
Ik denk dat hij het niet nog eens wilde doormaken.
Kort tevoren had hij ook zijn moeder verloren.
Ik denk dat het hem allemaal te veel werd.
Ik denk dat het zijn hart heeft gebroken.
Dat grote en tegelijk kleine hart van hem.

Advertenties