Over de drempel

door lievendebrouwere

Het zijn grijze, grauwe dagen.
Kerstmis nadert, maar de verwachting is verder weg dan ooit.
Mijn advent begon eigenlijk half september, toen ik in Brugge weer mensen begon te tekenen en vervuld raakte van nieuwe hoop en leven.
Maar toen kwam de draak en aborteerde het hele zaakje.
Ik begreep er niks van.
Ik had hier jaren naartoe geleefd, alles leek naar dit punt toe te werken.
Maar wat een geboorte leek te zullen worden, veranderde opeens in een miskraam.

Ik probeerde de zaak te begrijpen.
Wat kon ik anders doen?
Ik had geen flauw idee hoe het nu verder moest.
Er opende zich een groot zwart gat waarin ik probeerde licht te ontsteken.
Maar mijn lucifers zijn opgebrand en er is nog altijd geen vuur ontstaan.
Straks breekt het nieuwe jaar aan en moet begonnen worden met de voorbereiding van het komende marktseizoen.
Maar ik weet niet eens of er nog een tweede marktseizoen komt.
Het eerste eindigde in een totale mislukking.
Ik heb nochtans alles geprobeerd om het te doen slagen.
Ik heb het hele jaar geschilderd in functie van de markt.
En ik heb sinds Michaël niets anders meer gedaan dan nadenken over mijn mislukking.
Allemaal vergeefs.
Er is mij nog altijd geen licht opgegaan.
Het zwarte gat blijft zwart.

Ik heb nog wel het ‘droompje’ dat ik kreeg in antwoord op mijn vraag: wat nu?
Het eerste deel ervan begreep ik, maar het tweede blijft een raadsel.
Slaat het wellicht op de situatie waarin ik nu zit?
Ik bevind mij in die droom in een soort Escher-achtige constructie waarin ik mij vastklamp aan een soort kanteel. Maar ik voel mij naar beneden glijden en roep om hulp.
Beneden kijkt een keurig geklede man omhoog, glimlacht even en vervolgt zijn weg.
Op dat moment val ik naar beneden en kom op mijn twee voeten terecht alsof ik me maar een halve meter boven de grond bevond.
Tot zover mijn droom.

Nu de werkelijkheid.
Door onafgebroken na te denken over de ‘abortering’ van mijn verwachtingen ben ik gevangen geraakt in het labyrint van mijn eigen gedachten.
Hoe meer ik nadenk, hoe vaster ik kom te zitten.
Ik had gehoopt mij al denkend een beeld te kunnen vormen van mijn situatie dat duidelijk genoeg was om het in een praktische maatregel te vertalen.
Maar dat is tot nog toe niet gelukt en ik sta dicht bij het punt om het allemaal op te geven en … los te laten.
Is dat werkelijk wat ik moet doen?
Is dat wat mijn droom me wil vertellen?

Nog meer werkelijkheid: verleden week werd ik omvergereden door een auto, gelukkig zonder al te veel erg.
Alweer een beeld dus van bruusk afgestopt worden.
Maar hoeveel belang ik ook hecht aan beelden, ik vind het nog altijd een brug te ver om ze mijn leven te laten bepalen.
We kunnen toch niet terug naar de tijd van de Romeinen toen het leven geregeld werd door auguren die de wil van de goden aflazen aan de vlucht van de vogels?
Dat strookt niet met de vrijheid die wij mensen sindsdien ontwikkeld hebben.
Daar staat dan weer tegenover dat die vrijheid ons stuurloos heeft gemaakt.
We weten niet meer waar het heen moet met de wereld.
We hebben grote behoefte aan leiding, want zelf komen we er niet meer uit.
Dat ondervind ik nu zelf maar al te goed.
Ik heb mezelf helemaal vrijwillig in deze situatie gebracht.
Het is MIJN situatie, een situatie die ik GEWILD heb.
Maar nu zit ik vast.
Met alles wat ik ontwikkeld heb op het vlak van denken, voelen en willen – met de vermogens dus die ik de MIJNE mag noemen – kom ik er niet uit.
Ik weet zelfs niet of ik nog langer moet proberen.
Ik weet eigenlijk helemaal niks meer.

Als ik de zaak louter rationeel benader, dan kan ik maar beter stoppen met mijn marktkramerij.
Alles wijst erop dat het niks voor mij is, en ik ben de eerste om dat te beamen.
Zelfs de RVA vindt dat ik beter thuis kan blijven.
Het heeft geen zin om hard te werken en er nog geld aan toe te steken.
Tenslotte gaat een mens op de markt staan om geld te verdienen en niet om het kwijt te raken.
Zo’n louter rationele benadering draait echter uit op wanhoop over de zinloosheid van het leven en de onmacht van de mens.
Dat geldt trouwens niet alleen voor mijn geval.
Wie een optelsom maakt van alle problemen die de mens in zijn streven naar vrijheid gecreëerd heeft en daartegenover de vermogens plaatst die hij daarbij ontwikkeld heeft, kan niet anders dan tot de slotsom komen: dit loopt verkeerd af.
Hoe meer de mens zijn problemen probeert oplossen, des te groter maakt hij ze.
Zijn vermogens schieten gewoon tekort.

We hebben dus leiding nodig, want op eigen kracht redden we het niet meer.
Onze vrijheid heeft ons te diep in de problemen gebracht.
Maar diezelfde vrijheid belet ons ook om leiding te accepteren.
We willen ons leven niet laten bepalen door anderen, door dromen of door tekens allerhande.
We willen het zelf bepalen.
Maar dat lukt ons dus niet.
Ons ‘zelf’ is niet in staat om leiding te geven.
En toch is het IN dat ‘zelf’ dat we leiding moeten zoeken, want een leiding die niet uit onszelf komt, daar kunnen of willen we ons niet aan overgeven.

De vraag is natuurlijk of zo’n ‘innerlijke leiding’ wel bestaat.

Onze ziel is vandaag vervuld van liefde én haat, van hoop én angst, van rede én emotie, van goede wil én kwaadheid.
Ze is één en al tegenstrijdigheid.
Hoe kunnen we daar ooit leiding in vinden?
Dat is alleen mogelijk als we in onszelf iets vinden dat al deze tegenstellingen overstijgt.
Als die ‘innerlijke leider’ inderdaad bestaat, dan moet hij gezocht worden in het midden tussen de tegenpolen.
Maar dat midden is een groot, zwart gat.
Ons bewustzijn is volkomen gepolariseerd: het beweegt zich heen en weer tussen twee polen en kan zich in het midden niet handhaven.
Het dooft dan uit en we verliezen het bewustzijn.
De opgave is dus om bewustzijn te ontwikkelen IN dat midden, want het is de enige plaats waar we innerlijke leiding kunnen vinden, als die tenminste bestaat.

Volgens Rudolf Steiner gaat de mensheid vandaag over de drempel van de geestelijke wereld.
Er gebeurt met andere woorden in het groot wat we iedere avond in het klein meemaken wanneer we in slaap vallen: we betreden de geestelijke wereld maar we weten dat niet, omdat we bij het overschrijden van ‘de drempel’ ons bewustzijn verliezen.
Precies op het moment dat we als mensheid de grenzen van onze zelfstandigheid bereiken en overvallen worden door onmacht en vermoeidheid – we beleven een soort ‘wereldavond’ – gaan we over de drempel en betreden de geestelijke wereld.
Het is in deze wereld dat we leiding moeten zoeken want in de materiële wereld vinden we die niet meer.
Er is echter één groot probleem: we kunnen die wereld niet waarnemen.
Ons huidige bewustzijn, dat helemaal geworteld is in de materiële wereld, kan zich niet handhaven bij het overschrijden van de drempel.
De moderne mens weet dan ook, op enkele uitzonderingen na, helemaal niets af van een drempel of een geestelijke wereld.
Ten aanzien van die geestelijke wereld – die overal om ons heen is – slapen we dus.
We merken er niets van.
We zien wel dat er overal enorme veranderingen plaatsvinden, maar die schrijven we toe aan materiële factoren.
En juist dát brengt ons in de grootste problemen.

Om dat te illustreren, heb ik al vaker het beeld van de geboorte gebruikt, want een drempeloverschrijding is in feite een geestelijke geboorte, net zoals een geboorte een fysieke drempeloverschrijding is.
Wanneer een zwangere vrouw weeën krijgt, dan weet iedereen wat er moet gebeuren en wordt alles gedaan om de geboorte zo goed mogelijk te laten plaatsvinden.
Maar stel nu eens dat men geen flauw idee heeft wat er met die vrouw aan de hand is.
Men zal dan denken dat ze ernstig ziek is, dat ze in haar buik een gezwel heeft dat op alle mogelijke manieren moet bestreden worden.
Onwetendheid zorgt er dus voor dat de oprechte wil om de vrouw te helpen, uitgroeit tot de grootste bedreiging voor vrouw en kind.
Het probleem ligt met andere woorden niet bij de vrouw (als draagster van nieuw leven) maar bij de man (als drager van oud bewustzijn).
Het zijn niet de ingrijpende veranderingen die onze wereld ondergaat die het probleem vormen, het is de manier waarop ons materialistische bewustzijn erop reageert.
Onze – blinde – pogingen om de wereld te verbeteren, brengen die wereld juist in gevaar.
De enige echte verbetering kan alleen komen van het ‘kind’ dat geboren wil worden.

Dat kind gaat bij de geboorte ‘over de drempel’ en komt terecht in een geheel andere wereld waar het volkomen weerloos en hulpeloos is.
Het wordt er echter opgevangen door een moeder en een vader.
Voor die moeder is de geboorte eveneens een ‘drempeloverschrijding’: haar leven verandert voorgoed, van nu af aan is ze onlosmakelijk verbonden met en verantwoordelijk voor haar kind.
Dat geldt in mindere mate ook voor de vader: hij moet voortaan zijn vrouw delen met het kind.
Toch is zijn rol veel vrijer dan die van moeder en kind.
Hij kan zelf bepalen in welke mate hij verbonden blijft en verantwoordelijkheid opneemt.
Wat voor de moeder een natuurlijke kwestie is, is voor hem een morele kwestie.

Dat zien we ook bij de grote drempeloverschrijding van de mensheid.
De moderne mens is ‘zwanger’: in zijn ziel heeft zich een ‘kind’ ontwikkeld, een zelfstandig ‘ik’.
Hij kan dat ‘ik’ niet zien, evenmin als een moeder haar ongeboren kind kan zien.
Maar zoals een moeder de aanwezigheid van haar kind kan afleiden uit haar gezwollen lichaam, kan de moderne mens de aanwezigheid van zijn ‘ik’ afleiden uit zijn gezwollen zelfbewustzijn, .
Dat wil zeggen: hij ZOU dat kunnen, als hij tegenover dat zelfbewustzijn ging staan.
Maar hier ligt het grote verschil tussen een fysieke en een geestelijke zwangerschap.
Een zwangere vrouw kan haar dikke buik niet ontkennen, en ze kan dat des te minder naarmate het tijdstip van de geboorte nadert.
De moderne mens daarentegen kan zijn gezwollen zelfbewustzijn wél ontkennen, en hij doet dat zelfs des te meer naarmate het wanstaltiger proporties aanneemt.
We hoeven maar te kijken naar de onwaarschijnlijke arrogantie waarmee de hedendaagse materialist reageert op iedereen die gelooft in een geestelijke of goddelijke wereld.
Hij voelt zich verregaand superieur en het is onmogelijk om hem met die grootheidswaan te confronteren want dan barst hij uit in hevige verontwaardiging.
Hij reageert met andere woorden als een hoogzwangere vrouw die niets vermoedend in een spiegel kijkt en daar een dikke waggelende eend ziet.
Een echte vrouw weet natuurlijk dat die gedaanteverandering slechts van voorbijgaande aard is, anders zou het een vernietigende klap voor haar ego zijn.
Dat is ook de reden waarom het de moderne mens nagenoeg onmogelijk is om tegenover zijn gezwollen materialistische bewustzijn te gaan staan: zijn zelfbewustzijn zou het niet overleven.
En dus vermijdt zijn ego angstvallig alle ‘spiegels’ en wordt het zelfs gewelddadig als het zich dreigt bewust te worden van zichzelf.
Toch is het juist in die ‘zelfvernietigende’ confrontatie van het ego met zichzelf dat het ‘ik’ geboren wordt.

Een zwangere vrouw gaat al met een ‘aangeslagen’ ego door het leven, maar wanneer de bevalling inzet, blijft er van dat ego geen spaan meer over.
Ze wordt dan gereduceerd tot een naakt en machteloos lichaam dat geteisterd wordt door de hevigste pijnen.
Een diepere vernedering is nauwelijks denkbaar, en er is waarschijnlijk geen vrouw ter wereld die ze uit vrije wil zou ondergaan, dat wil zeggen zonder te weten dat ze beloond zal worden met een kind dat haar diepste verlangens vervult.
Dat weten is trouwens reeds aanwezig bij de bevruchting (en waarschijnlijk zelfs vroeger) en het begeleidt haar tijdens de hele zwangerschap.
Van Rudolf Steiner weten we dat een kind zijn ouders kiest.
Het is dus reeds werkzaam in de ontmoeting tussen man en vrouw.
Maar het werkt vooral door de vrouw, want zij is het die uiteindelijk de man kiest.
Zij is het ook die de bevruchting toelaat.
Deze overgave aan de man als bevruchter leidt negen maanden later tot de overgave aan de man als verloskundige.
De zwangerschap strekt zich dus uit tussen twee ‘overgaven’ van de vrouw aan de man: de genotvolle overgave van de bevruchting en de pijnlijke overgave van de bevalling.
Het zijn allebei drempeloverschrijdingen, points of no return.

Heel dit ingewikkelde proces dat begint met de ontmoeting tussen man en vrouw en eindigt met de geboorte van het kind, speelt zich ook af bij een (geestelijke) drempeloverschrijding.
Het voltrekt zich nu echter IN de mens.
Iedereen is hier dus man én vrouw.
Hij is tegelijk degene die het kind baart en degene die het kind verlost, degene die bevrucht en degene die bevrucht wordt.
Als vrouw en baarmoeder is de moderne mens in hoge mate passief.
Iedereen gaat vandaag over de drempel, of hij dat nu wil of niet.
We worden als het ware overrompeld door de geest: hij brengt ons allemaal in barensnood.
Als vrouw – dat wil zeggen in ons wils- en gevoelsleven – zijn we dus niet langer vrij: de bevalling neemt het nu van ons over.
Hoe hard we ook roepen en klagen: rien ne va plus.

Als man – dat wil zeggen in ons denken, in ons wakkere bewustzijn – liggen de zaken heel anders.
Hier kunnen we zonder de minste moeite het bestaan van ‘het kind’ ontkennen.
Dat hebben we te danken aan het materialisme, dat ons ervan overtuigd heeft dat er geen geestelijke wereld bestaat.
We voelen we ons dus volkomen vrij om te doen we wat we willen.
In ons denkende bewustzijn gedragen we ons (allemaal) als een man die alleen voor zijn plezier met een vrouw naar bed gaat.
Die man weet niet eens dat een menselijke ziel zwanger kan worden en een kind baren, laat staan dat hij daar rekening mee houdt of er zich verantwoordelijk voor voelt.
Hij gelooft zelfs niet dat er zoiets als een ziel bestaat.
Volgens hem bestaat alleen … hijzelf.
De materialistische denker gelooft inderdaad dat alleen het materialistische denken bestaat.
En hij handelt daar ook naar, hij reduceert de mens tot zijn hersenen.
Dat die reductie gevolgen zou kunnen hebben voor zijn ziel, daar staat hij geen moment bij stil.

(wordt vervolgd)

Advertenties