Over de drempel (2)

door lievendebrouwere

In onze tijd gaat de mensheid over de drempel.
Vorige keer heb ik die drempeloverschrijding vergeleken met een geboorte: de mens komt terecht in een wereld die helemaal anders is maar toch ook weer vertrouwd.
Totaliter aliter, zei men vroeger, helemaal anders, maar de uitdrukking is wel samengesteld uit aliter (anders) en taliter (hetzelfde).
De wereld waarin we vandaag leven is inderdaad helemaal anders dan de wereld vóór 1900, maar tegelijk is het nog altijd dezelfde wereld.
Alles wat nu zichtbaar wordt, was toen reeds aanwezig.
Het ‘kind’ dat nu geboren wordt en de wereld op zijn grondvesten doet daveren, was toen reeds volgroeid en klaar om over de drempel te gaan.

Dat doet natuurlijk de vraag rijzen: waar komt dit kind vandaan, hoe is het in de baarmoeder van ons bewustzijn terechtgekomen?
Anders gezegd: wanneer vond de bevruchting plaats?
Volgens Rudolf Steiner leven we momenteel op het Keerpunt der Tijden, en dat kan wel kloppen met het beeld van zowel de drempeloverschrijding als de geboorte: het zijn allebei momenten die een keerpunt vormen, een punt waarop alles anders wordt.
Maar Steiner gebruikt die uitdrukking ook voor de komst van Christus, en die vond 2000 jaar geleden plaats.
Hoe valt dat samen te rijmen?
Hoe kunnen twee tijdstippen die zover uit elkaar liggen allebei aangeduid worden als het ‘keerpunt der tijden’?

Dat raadsel wordt opgelost als we het Keerpunt der Tijden zien als een zwangerschap die zich uitstrekt tussen bevruchting en geboorte, dat wil zeggen tussen de fysieke komst van Christus en zijn etherische wederkomst.
Wat betekent immers 2000 jaar in het geheel van de mensheidsgeschiedenis? Het is niet meer dan een ‘punt’, zij het dan wel een heel complex en dramatisch punt.
Een en ander maakt ook begrijpelijk waarom Rudolf Steiner de Weihnachtstagung een Welten-Zeitenwende-Anfang noemde.
De mensheidsontwikkeling keert zich om en begint in zekere zin opnieuw.
Op fysiek vlak gaat de ontwikkeling natuurlijk gewoon verder.
Het Keerpunt der Tijden kan niet betekenen dat we nu weer alles beginnen af te breken wat we in het verleden hebben opgebouwd en terugkeren naar een leven als holbewoner.
De ontwikkeling van ons (aardse) bewustzijn gaat in één richting, ze is onomkeerbaar.
Nee, het is op geestelijk vlak dat we rechtsomkeer maken, zoals we dat ook na de dood doen, wanneer we ons (voorbije) leven opnieuw beleven, maar dan in omgekeerde richting.
In onze tijd begint de terugkeer naar het verleden, naar onze geestelijke bron: we worden weer ‘als de kinderkens’. Maar dat doen we alleen op geestelijk gebied, want op materieel gebied doen we net het omgekeerde: we worden steeds ouder en volwassener.

Om dezelfde reden kan Rudolf Steiner ook zeggen dat we pas aan het begin – en dus niet aan het eind – van het christendom staan.
Tweeduizend jaar geleden werd de wereld bevrucht met het christendom en na een lange zwangerschap wordt dat christendom vandaag geboren.
Maar dat gebeurt deze keer niet in uiterlijke zin, in de vorm van een nieuwe godsdienst.
Nee, het is in het innerlijk van ieder mens (ongeacht zijn godsdienst) dat het christendom vandaag geboren wordt.
Die geboorte is uiterst moeilijk en pijnlijk – dat kunnen we aflezen aan alles wat sinds 1900 in de wereld gebeurt – maar de bevruchting was dat niet minder.
Die vond namelijk plaats toen Christus aan het kruis stierf en zijn Ik – gedragen door zijn bloed – doordrong in de aarde.
Op dat moment werd niet alleen de nieuwe aarde maar ook de nieuwe mens verwekt, de nieuwe mens die vandaag geboren wordt.

Deze ‘nieuwe mens’ is geen fysiek wezen, maar het is evenmin een louter geestelijk wezen.
Het is een etherisch wezen dat gedurende 2000 jaar in de sfeer tussen lichaam en geest is gegroeid, ver buiten het bereik van ons bewustzijn.
Vandaag is dat (etherische) kind volgroeid en staat het voor de drempel van de bewuste (astrale) wereld.
Zoals ieder ongeboren kind kan het zelf niks doen en is het helemaal afhankelijk van zijn moeder, dat wil zeggen van de moderne mens zoals we hem vandaag kennen.
Maar anders dan bij een fysieke geboorte, leeft die mens in totale ontkenning van het kind dat in hem geboren wil worden.
Hij voelt wel dat er van alles te gebeuren staat en dat hij de speelbal is van krachten die hem ver te boven gaan, maar materialistisch als hij is, zoekt hij de oorzaak van de ‘weeën’ overal behalve in het bovenzinnelijk kind dat hij in zich draagt.

Maar of hij nu gelooft in dat kind of niet, de geboorte valt niet tegen te houden.
Toen Christus de mensheid bevruchtte, begon in haar een kind te groeien en evenmin als een moeder had ze daar enige controle over.
Ze besefte niet eens dat ze zwanger was.
Ze onderging het christendom als een uiterlijke noodwendigheid.
En vandaag, nu de bevalling is aangebroken, bereikt dat ‘ondergaan’ een hoogtepunt dat tegelijk een keerpunt is.
De mensheid wordt overweldigd door geboorteweeën.
Het (onzichtbare) kind reduceert zijn moeder tot een lijdend voorwerp.
Maar tegelijk wordt ze nu ook een handelend voorwerp.
Als het water van een zwangere vrouw breekt, gaat ze niet gewoon liggen wachten tot het allemaal voorbij is.
Nee, ze schiet nu juist in actie.
En precies aan die actie kunnen we aflezen wat we kunnen doen in het geval van een ‘etherische’ geboorte.

De fysieke wereld is immers niets anders dan een gecomprimeerde geestelijke wereld.
Als we bijvoorbeeld onze aarde zouden kunnen samenballen tot één punt, dan zou dat punt zich tot de aarde verhouden zoals de materie tot de geest.
Alles wat we kennen, zou erin zitten, maar we zouden het niet herkennen.
We zouden een microscoop nodig hebben om in dat ene punt heel onze uitgebreide en complexe aarde terug te vinden.
Op dezelfde manier zijn onze zintuigen er niet op berekend om in de materiële wereld de (oneindig samengedrukte) geestelijke wereld te herkennen.
Maar we bezitten wel het vermogen om onze zintuiglijke wereld in gedachten weer uit te laten groeien tot de geestelijke wereld die eraan te grondslag ligt. We kunnen hem bij wijze van spreken in het water leggen en kijken hoe hij zich langzaam weer ontplooit tot datgene wat hij was vóór hij uitdroogde, verschrompelde en verhardde tot een ‘punt’.
Dat ‘gedachtenwater’ is onze verbeelding, die een soort baarmoeder is waarin we een (materieel) zaadje kunnen planten en kijken hoe het zich ontwikkelt tot datgene wat het in (geestelijke) oorsprong was.
We kunnen dat ook doen met het fysieke geboorteproces en er op die manier achterkomen hoe een etherisch geboorteproces eruitziet en wat onze rol daarin is.

Wat gebeurt er dus wanneer het water van een zwangere vrouw breekt?
Het machteloze afwachten is voorbij en er breekt een periode van hectische activiteit aan: kleren worden verzameld, de echtgenoot wordt gebeld, de vrouw wordt naar het ziekenhuis gevoerd, de gynaecoloog wordt verwittigd, alles wordt in gereedheid gebracht.
Zo gaat dat tegenwoordig.
Vroeger ging het enigszins anders.
Vrouwen werkten op het veld. Als hun water brak, gingen ze even naar huis, bevielen van hun kind, wikkelden het in doeken en namen het weer mee naar het veld, want het werk moest doorgaan.
Een geboorte was niks bijzonders, het was een natuurlijk gebeuren.
Vrouwen waren bijna voortdurend zwanger. De meeste kinderen overleefden immers hun eerste levensjaar niet. Alleen de sterksten bleven in leven.
Het is misschien een karikaturale voorstelling van het verleden, maar ze maakt wel duidelijk dat een geboorte vandaag totaliter aliter is.
Het is precies hetzelfde natuurlijke proces, maar het is ingebed in een geheel andere cultuur.

De kern van die ‘cultivering’ is de veranderde relatie tussen man en vrouw.
Vroeger was een geboorte en alles wat ermee te maken had een exclusief vrouwelijke aangelegenheid.
Men wist niet eens dat de man er iets mee te maken had, het hele bevruchtingsproces was nog niet bekend.
Ook toen dat wel bekend raakte, bleef men de man zorgvuldig buiten de hele zaak houden.
Vaders waren niet welkom bij de bevalling van hun kinderen, de deur van de verloskamer bleef gesloten.
Maar via de wetenschap drong de man langzaam maar zeker die exclusief vrouwelijke wereld binnen.
De vroedvrouw moest plaats ruimen voor de dokter.
De slaapkamer werd vervangen door de ziekenhuiskamer.
En ten slotte stapte ook de vader over de drempel.
Voor het eerst in de geschiedenis waren man en vrouw niet alleen verenigd bij de bevruchting maar ook bij de bevalling.
De cirkel was rond, het hele scheppingsproces – van conceptie tot geboorte – was doordrongen van helder, rationeel bewustzijn.
Vrouwelijk scheppen en mannelijk oordelen verenigden zich.

De mensheid gaat vandaag over de drempel.
Die grootse geestelijke gebeurtenis wordt in onze materiële wereld weerspiegeld in tal van ogenschijnlijk kleine dingen, zoals bijvoorbeeld de vader die ‘over de drempel’ van de verloskamer gaat.
Voor die vader is het een kleine stap, maar voor de mensheid is het een heel grote stap.
Want de mens betreedt voor het eerst volkomen bewust de wereld van de scheppende krachten, die in wezen geestelijke krachten zijn.
Anders gezegd: hij betreedt de etherische wereld, de wereld van de levens- en vormkrachten.
Hij overschrijdt dus de grens tussen de (bewuste) astrale wereld en de (onbewuste) etherische wereld.
Maar dat doet hij alleen als ‘man’, dat wil zeggen met zijn wakkere, rationele bewustzijn.
Als ‘vrouw’, dat wil zeggen met zijn slapende, scheppende onderbewustzijn, overschrijdt hij die grens in omgekeerde richting: het etherische kind betreedt de astrale wereld.

Het etherische geboorteproces is dus aanzienlijk complexer dan het fysieke geboorteproces: het omvat een mannelijke én een vrouwelijke grensoverschrijding.
Wat op fysiek gebied een exclusief vrouwelijke aangelegenheid is – de moeder heeft strikt genomen de vader niet nodig om haar kind op de wereld te zetten – is op geestelijk-etherisch gebied een aangelegenheid van man én vrouw.
Enerzijds is er een ‘etherisch kind’ dat geboren wil worden en dus de baarmoederlijke wereld van het onderbewustzijn wil verlaten om gekend te worden door het heldere rationele bewustzijn.
Anderzijds is er dat rationele bewustzijn dat deze donkere, onderbewuste wereld wil binnendringen.
Beide werelden – de mannelijk-rationele en de vrouwelijk-scheppende – bewegen zich onweerstaanbaar naar elkaar toe, beide hebben elkaar nodig: het kind wil gezien worden en het rationele denken wil het kind zien.

Aan alles valt af te lezen dat het geboorteproces sinds 1900 is ingezet.
Enorme weeën hebben de wereld overvallen.
Maar toch heeft die wereld nog altijd geen idee van wat er nu werkelijk aan de hand is.
Hij blijft blind voor ‘het kind’.
Ook dat zien we weerspiegeld in het fysieke geboorteproces.
Het rationele bewustzijn is de vrouwelijke wereld van de scheppingskrachten binnengedrongen, wat uiteindelijk culmineerde in de aanwezigheid van de vader bij de bevalling.
Maar kunnen we werkelijk zeggen dat het mannelijke denken deze scheppende wereld begrijpt?
Brengen man en vrouw werkelijk samen hun kind op de wereld?
Of is die samenwerking en dat begrijpen slechts schijn?
Heeft een barende vrouw vandaag werkelijk het gevoel dat ze haar kind niet langer alleen op de wereld moet zetten? Voelt ze zich werkelijk begrepen door haar man en kan ze haar ervaringen echt met hem delen?
De vraag stellen is ze beantwoorden.
De aanwezigheid van de man in de verloskamer is in hoge mate symbolisch.
Het is een uiterlijk gebaar, wat ook tot uiting komt in het feit dat de vader eigenlijk geen keuze heeft.
Hij moet erbij zijn. Wat vroeger verboden was, is vandaag een plicht geworden.

We zien dat ook buiten de verloskamer.
We leven in een tijd dat man en vrouw – voor het eerst in de geschiedenis – als gelijken tegenover elkaar staan. Op alle gebieden werken ze samen: vrouwen verrichten ‘mannelijk’ werk en mannen zorgen voor de kinderen en het huishouden. Vrouwen hebben rationeel leren denken, mannen hebben hun empathische vermogens ontwikkeld. Vrouwen zijn harder geworden, mannen zachter. Enzovoort.
Maar als we de zaken wat nauwkeuriger bekijken, zien we dat die gelijkheid in hoge mate schijn is. Vrouwen zijn inderdaad doorgedrongen in de mannelijke beroepswereld, maar is die wereld daardoor vrouwelijker geworden?
Mannen verrichten nu huishoudelijke en opvoedkundige taken, maar doen ze dat uit vrije wil en uit liefde voor het werk, of doen ze dat omdat het nu eenmaal zo hoort?
De waarheid is dat beiden zich aanpassen, maar er niet met hun hele wezen bij zijn.
Uiterlijk gedragen vrouwen zich als mannen en mannen zich als vrouwen, maar innerlijk zijn ze allebei hetzelfde gebleven, wat ondermeer tot uiting komt in het feit dat het nog altijd de vrouwen zijn die kinderen moeten baren en mannen die vrouwen moeten bevruchten.
We zien ook dat de vrouw een veel groter vermogen heeft om zich aan te passen dan de man.
Bijna iedere vrouw gaat vandaag werken, maar de ‘huismannen’ blijven vooralsnog een kleine minderheid. Meisjes gaan naar school, net als jongens, en krijgen dus dezelfde rationeel-wetenschappelijke opvoeding. Maar hoeveel jongens krijgen een emotionele, kunstzinnige opvoeding?

Een en ander is begrijpelijk als we bedenken dat ieder mens uit een vrouw wordt geboren.
Het ‘vrouwelijke’ ligt aan de oorsprong van het mannelijke.
Het heeft het mannelijke in zich gedragen zoals een moeder haar kind en heeft er dan ook een veel nauwere relatie mee dan omgekeerd.
Vrouwen kunnen zich het mannelijke veel gemakkelijker eigen maken dan mannen zich het vrouwelijke kunnen eigen maken.
Meer zelfs, mannen zullen nooit kinderen kunnen baren zoals vrouwen.
Uit het mannelijke zal nooit iets vrouwelijks kunnen ontstaan.
Tenzij op geestelijk vlak.

(wordt vervolgd)

Advertenties