Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Maand: januari, 2015

Antisemitisme en islamofobie

Met de regelmaat van een klok lezen we in de kranten dat het antisemitisme in Europa weer sterk toeneemt.
Zeventig jaar na de bevrijding van Auschwitz is dat een akelige vaststelling.
Na de tweede wereldoorlog was antisemitisme zowat het ergste waar je je in Europa kon aan bezondigen.
De holocaust had de Europeanen een zodanige schok gegeven dat niemand er nog maar aan dacht om een vinger uit te steken naar een jood.
Maar zie, vandaag lijkt de gruwel van de concentratiekampen alweer vergeten en voelen de joden zich opnieuw niet meer veilig in Europa.

Er staan nog andere alarmerende berichten in de krant: niet alleen de jodenhaat maar ook de moslimhaat grijpt in Europa om zich heen.
Onschuldige moslims, die niets misdaan hebben, worden overal uitgescholden, bedreigd en aangevallen.
Ja, zelfs hun kinderen worden het slachtoffer van haat en agressie.
Een mens vraagt zich af: wat is er toch aan de hand in Europa?

Voor velen is het antwoord duidelijk: het geest van het nazisme waart weer rond!
De jaren ’30 zijn terug, de laarzen marcheren weer, het bruine gedachtengoed verspreidt zich met angstaanjagende snelheid.
In Antwerpen kan een notoir fascist als Bart De Wever zelfs burgemeester worden.
Hoewel de kranten en de media er alles aan gedaan hebben om te waarschuwen voor deze nieuwe Hitler, is hij populair bij een groot deel van de bevolking.
Onlangs heeft hij zelfs het leger ingezet om te patrouilleren in de straten.
En niemand die er wat aan doet!

Gaan we een nieuwe holocaust tegemoet?
Is de bloeddorst van het Blanke Beest dan werkelijk onverzadigbaar?
Wat voor mensen zijn wij toch!
Zouden wij niet beter van de aardbodem verdwijnen?
Zou de wereld niet beter af zijn zonder ons?
Het zijn vragen die we misschien niet luidop stellen, maar die toch rondspoken in onze ziel.
Wij zijn een slecht, verdorven ras!

Een mens zou van minder depressief worden.
We verliezen er dan ook langzaam maar zeker het noorden bij en dreigen weg te zinken in een moeras van angst, machteloosheid en wanhoop.
Nu komt het er op aan het hoofd boven water te houden en niet toe te geven aan die blinde emoties.
Want blind zijn ze.
Ze hebben geen oog voor de werkelijkheid.
Ze luisteren alleen naar magische, bezwerende woorden zoals racisme, antisemitisme, islamofobie.

Hoe zien de zaken eruit als we onze oren dichtstoppen, onze ogen opentrekken en ons verstand gebruiken?

Wel, om te beginnen stellen we dan vast dat het groeiende antisemitisme grotendeels op conto van de moslims moet geschreven worden.
De kans dat het weer oplaait onder autochtone Europeanen is zo goed als onbestaande, tenzij men natuurlijk kritiek op de politiek van Israël als antisemitisme bestempelt.
Er is dus geen reden om bang te zijn voor of zich schuldig te voelen over een heroplevend Europees antisemitisme.
Er is daarentegen wel reden om bang te zijn voor het moslim-antisemitisme, want dat groeit met de dag.
Die angst moeten we volgens de kranten echter met kracht onderdrukken want hij is volstrekt redeloos en stoelt nergens op.
Het is een uiting van islamofobie, en dát is pas iets waar we bang moeten voor zijn.

Maar wacht eens even.

Het is heel erg verkeerd om antisemitisch te zijn.
En het is heel erg verkeerd om islamofoob te zijn.
Maar wie niet islamofoob is, is antisemitisch.
Want hij sluit de ogen voor het moslimgeweld tegen joden.
En wie niet antisemitisch is, is islamofoob.
Want hij maakt zich zorgen over de agressie van moslims tegen joden.
Is dat niet wat we noemen een cul-de-sac?
Wat we ook doen, we doen verkeerd.
Ten aanzien van joden en moslims kunnen we eenvoudig niets goeds doen.

Maar wacht eens even.

Wie zijn ‘wij’?
Wie zijn de verkeerden, de schuldigen?
Aziaten worden zelden of nooit beschuldigd van racisme.
Afrikanen evenmin.
Er blijft dus maar één boosdoener over:
De blanke Europeaan (want in Amerika wonen weinig moslims, en de joden hebben er niets te vrezen).
Nee, het is in Europa dat antisemitisme en islamofobie gedijen.
Hier is het dat joden en moslims het meest lijden.

Maar wacht eens even.

Als Europa dan toch zo’n oord des bederfs is, waarom wonen hier dan zoveel joden en moslims?
Als uitgerekend die twee bevolkingsgroepen – andere hoor je nooit klagen – hier gediscrimineerd en gebrutaliseerd worden, waarom blijven ze dan hun leven riskeren om hierheen te komen?
Dat kan toch alleen maar zijn omdat het bij hen thuis nog veel erger is.
Thuis, dat is voor joden én (veel) moslims: het Midden-Oosten.
En inderdaad, nergens zijn het antisemitisme en de islamofobie zo virulent als juist daar.
Israël is een doorn in het oog van de hele regio en de joden vrezen de haat van de moslims.
Maar ook moslims vrezen de haat van moslims.
Nergens is zoveel geweld als tussen moslims onderling: soennieten en sjiieten bevechten elkaar op leven en dood.
De grootste antisemieten en moslimhaters zijn dus … de moslims zelf.

Maar wacht eens even.

Als de moslims de grootste antisemieten en moslimhaters zijn, zou het dan niet kunnen dat zij het (nieuwe) antisemitisme en de moslimhaat Europa hebben binnengebracht?
Twintig, dertig jaar geleden was het vreedzaam leven in Europa.
Maar toen begonnen de moslims binnen te stromen.
En sindsdien is geweld een deel van ons bestaan geworden.

Moeten wij nu echt geloven dat het allemaal ONZE schuld is?

Als een mens zijn ogen en zijn verstand niet meer gebruikt, dan kun je hem om het even wat wijsmaken.
Als hij alleen nog luistert naar politieke slogans en bezwerende krantenkoppen, dan kun je hem wijsmaken dat hij nergens voor deugt en dat hij maar beter de plaats kan ruimen voor een superieur ras als het Semitische.

De moslim in onszelf

In een vorig bericht heb ik een parallel getrokken tussen het moslimterrorisme en de Hedendaagse kunst.
Veel mensen zullen dat waarschijnlijk de meest van de pot gerukte vergelijking van het jaar vinden, een absurd idee dat alleen maar afkomstig kan zijn uit het brein van een overjaarse hasjkikker.
Maar met dat soort emo-taal schieten we niet veel op.
In verwarde tijden als de onze komt het er juist op aan het hoofd koel te houden.
En dat blijkt bijzonder moeilijk te zijn.
Ten aanzien van het moslimterrorisme lukt het ons alvast niet en dat is ook begrijpelijk: onze fysieke veiligheid is in het gedrang.
Ten aanzien van de kunst, die helemaal geen fysieke bedreiging vormt, lukt het ons veel beter.

Althans, zo lijkt het.

Er wordt vandaag inderdaad zeer rationeel nagedacht over kunst.
Met name het discours over Hedendaagse kunst lijkt een schoolvoorbeeld te zijn van hoe we een vreemde en agressieve cultuur kunnen benaderen en integreren.
Want dat is toch wat Hedendaagse kunst is: een vreemde en agressieve cultuur?
Wie echter de moeite neemt om al die nuchtere uiteenzettingen eens grondig na te lezen en door te denken, komt tot de conclusie dat de kern ervan allesbehalve nuchter is.
Hij is juist volkomen irrationeel en emotioneel.
Het intellectualistische jargon waarin onze beschouwingen over kunst verpakt zijn, is niets anders dan een afleidingsmanoeuvre.
Onder hun wetenschappelijke uiterlijk verbergt zich een kern die in wezen religieus is.
We geloven in de Hedendaagse kunst zoals moslims geloven in hun Profeet: zonder er ons vragen bij te stellen.

Ik herinner me nog dat ik 25 jaar geleden ging luisteren naar een voordracht van Willem Elias.
Professor Elias is een van onze meest vooraanstaande kunsttheoretici en een man die in staat is door te dringen tot de kern van de zaak.
Die kern verwoordde hij als volgt.
Kunst, zei hij, is datgene wat gemaakt wordt door iemand die van zichzelf zegt dat hij een kunstenaar is.
Ik dacht eerst dat Willem Elias de draak stak met het postmoderne discours over kunst en dat zijn woorden dus een parodie waren.
Maar niets was minder waar: de man was bloedernstig.
Later begreep ik dat zijn definitie van kunst niets anders was dan een variatie op het thema van Marcel Duchamp: ‘dit is kunst omdat ik het zeg!’
Dat is inderdaad de kern van onze hedendaagse visie op kunst: iemand zegt dat iets kunst is en wij geloven dat.
Hoe blind dat geloof is, kunnen we aflezen aan de ‘hedendaagse’ kunstwerken: men kan het zo gek niet bedenken of het staat in een museum.
Wij geloven degene die zichzelf ‘kunstenaar’ noemt, zoals moslims degene geloven die zichzelf ‘profeet’ noemt.
Als het om kunst gaat, gedragen we ons allemaal als moslims.

Nu wordt in verband met moslimterrorisme telkens weer gezegd dat het niks te maken heeft met de islam, dat het gaat om enkelingen, dat de doorsnee moslim geen uitstaans heeft met het fanatisme van die extremisten.
Op het eerste gezicht is dat ook in de kunst het geval.
Het is maar een kleine minderheid die gelooft in de profeten van de Hedendaagse kunst.
De grote meerderheid van de bevolking vindt het onzin om afval en uitwerpselen tot kunst uit te roepen.
Zoals het onterecht is om alle moslims met de vinger te wijzen omdat een kleine fanatieke groep terreur zaait, zo is het ook onterecht om de gemiddelde Europese burger verantwoordelijk te stellen voor de uitspattingen van de Hedendaagse kunst.
Er is geen enkel verband tussen de artistieke beleving van deze elite en de artistieke beleving van de doorsnee burger, evenmin als er een verband is tussen de religieuze beleving van de terrorist en de religieuze beleving van de doorsnee moslim.

Althans, zo lijkt het.

De werkelijkheid toont ons iets heel anders.
Het was opvallend hoe weinig moslims er aanwezig waren op de grote betogingen in Parijs.
Vrijwel geen enkele moslim wilde gezien worden met het bordje ‘Je suis Charlie‘.
Toen er in het Franse onderwijs een minuut stilte werd in acht genomen uit solidariteit met de slachtoffers van de aanslag, bleken de meeste moslimleerlingen daar niet te willen aan deelnemen.
Ze vonden dat de terroristen gelijk hadden: je kunt de Profeet niet zomaar laten beledigen!
Er leefde onder de moslimbevolking dus heel wat sympathie en begrip voor de terroristen.
Men besefte wel dat het niet het moment was om uiting te geven aan die sympathie, maar het omgekeerde doen en sympathie betonen met de slachtoffers, met Charlie Hebdo, met de vrije meningsuiting?
Nee, dat in geen geval!

In de kunstwereld is het niet anders.
De meeste mensen zullen nooit openlijk hun steun betuigen aan de ‘terroristische’ beelden van de Hedendaagse kunst, maar als men raakt aan het geloof waarop deze beelden berusten, dan reageren ze net als moslims: gekwetst, verontwaardigd, woedend.
Het probleem is dat er nooit geraakt wordt aan dat geloof.
Er is al bijna een halve eeuw geen spoor van kritiek meer op de Hedendaagse kunst.
Het geloof erin is even onaantastbaar geworden als het moslimgeloof in de Profeet.
Als gevolg daarvan zijn we ons niet langer bewust van dat geloof.
De moderne Europese mens leeft in de overtuiging dat hij alle geloof afgezworen heeft en volkomen nuchter en rationeel in het leven staat.
Vol afkeer en onbegrip kijkt hij naar moslims die in alle staten raken als hun Profeet beledigd wordt.
En geen moment komt het in hem op dat hij in een spiegel kijkt.
Geen moment daagt het bewustzijn dat er ook in hemzelf zo’n fanatieke gelovige leeft.

Het is nochtans niet moeilijk om die ‘verborgen moslim’ tevoorschijn te halen.
Ik doe dat al m’n hele leven.
Al van jongs af word ik geconfronteerd met het verbijsterende fenomeen dat rustige, bedaagde mensen opeens furieus worden als blijkt dat ik hun visie op kunst – en dan vooral Hedendaagse kunst – niet deel.
Aanvankelijk begreep ik niet wat er gebeurde.
Later begon ik er een spelletje van te maken.
Als ik me weer eens zat te vervelen op een familiefeestje of een andere bijeenkomst, bracht ik het gesprek op kunst.
‘Iemand laatst nog een goede film gezien?’
Het duurde dan nooit lang voor het er bovenarms op zat.
Ik wist precies wat ik moest zeggen om de emoties te doen oplaaien.
En het lukte altijd.
Ambiance verzekerd!

Lang heb ik dat echter niet volgehouden, want ik stelde vast dat dit verborgen fanatisme niet alleen bij kunstliefhebbers leefde.
Het leefde ook bij mensen die nooit blijk hadden gegeven van enige interesse voor kunst.
Het blinde geloof in Hedendaagse kunst bleek veel ruimer verspreid te zijn dan ik had kunnen vermoeden.
Ik verkeerde aanvankelijk in de mening dat het een beperkt verschijnsel was, iets dat je alleen aantrof in een kleine kring van ‘avant-gardisten’.
Maar ik moest algauw inzien dat het een algemeen verschijnsel was, iets wat de grenzen van de kunstwereld ver te buiten ging.
En dat vergalde mijn plezier in het uitdagen van de ‘verborgen moslim’.
Ik kwam hem overal tegen.
Iedereen bleek moslim te zijn als het over kunst ging.

Ik heb meer dan één vriend verloren doordat ik zijn of haar geloof in Hedendaagse kunst niet deelde.
Dat gebeurt trouwens nog altijd.
Het is een akelige gedachte te weten dat vrienden opeens kunnen veranderen in vijanden als je die ene, zeer gevoelige plek raakt: de irrationele kern van hun schijnbare rationaliteit, de blinde gelovige in henzelf.
Anders dan in de moslimwereld leeft die gelovige niet (langer) in ons bewustzijn.
In dat bewustzijn wanen we onszelf boven alle geloof verheven.
Maar dat is louter oppervlakte, buitenkant.
Diep in ons leeft een blinde gelovige, een godsdienstfanaat die zich teruggetrokken heeft uit de godsdienst, maar verder leeft in de wetenschap en de kunst.
Dat zijn de twee nieuwe religies van de moderne mens: kunst en wetenschap.
En ze zijn even blind en fanatiek als de oude religies.

Wie als gelovige ooit een discussie heeft gevoerd met een wetenschappelijk-materialist, heeft dit ‘nieuwe’ fanatisme aan den lijve ondervonden.
Er zijn er echt niet veel materialisten of atheïsten die rationeel blijven denken als je doordringt tot de kern van hun geloof.
Ze willen zichzelf zo graag als een ‘ongelovige’ zien – dat wil zeggen als iemand die de wereld ziet zoals hij is – dat ze onder geen beding geconfronteerd willen worden met de ‘gelovige’ in hun ziel, met degene dus die de wereld ziet zoals hij zou moeten zijn.
Hetzelfde geldt voor de moderne kunstliefhebber: als je raakt aan zijn geloof in de kunst dan verandert hij op slag in een ‘fanatieke moslim’.
Een echte moslim wordt fanatiek als je raakt aan zijn religieuze beleving.
De pseudo-moslim wordt fanatiek als je raakt aan zijn wetenschappelijke en/of kunstzinnige beleving.
De overtuiging dat de moderne mens het geloof overwonnen heeft, is misschien de grootste illusie van onze tijd.

Wat deze illusie zo sterk maakt, is dat ze immuun is voor kritiek.
Iedere kritische opmerking over de (materialistische) wetenschap of de (hedendaagse) kunst wordt namelijk afgedaan als een … geloof.
Ze wordt weggewuifd als het ietwat zielige verweer van iemand die zich vastklampt aan het verleden en niet mee kan met zijn tijd.
Om de een of andere reden (die een afzonderlijk onderzoek verdient) is dat het zwaarste verwijt dat men de moderne mens kan maken: dat hij niet modern is.
Niets is voor hem belangrijker dan progressief en eigentijds te zijn, en het is die enorme drang die zijn geloof in zowel de moderne wetenschap als de moderne kunst immuun maakt voor kritiek.
Daarom kan er terecht gesproken worden over de ‘verborgen moslim’ in onze ziel.
Moslims geloven immers dat de islam superieur is omdat alle andere godsdiensten ouder zijn.
De islam is de jongste en dus de modernste en dus de beste godsdienst.
Zo redeneren de moslims, en zo redeneren ook wij.

Nee, met kritiek kun je de ‘verborgen gelovige’ niet raken.
Er is maar één iets wat door zijn wetenschappelijke of kunstzinnige pantser heen dringt, en dat is een … nieuw geloof.
‘Wie kunst heeft en wie wetenschap heeft, die heeft ook religie.’ Aldus Goethe.
Dat is het enige wat we tegenover het moderne fanatisme kunnen plaatsen: een religie die tegelijk wetenschap en kunst is, een geloof dat tegelijk een weten en een zien is.
Dat is onze grote opgave op het Keerpunt der Tijden: een bewuste hereniging of re-ligie van kunst en wetenschap.
De versplintering van deze drie gebieden moet omgekeerd worden.
Kunst, wetenschap en religie moeten weer met elkaar verbonden worden.
We hoeven maar een blik te werpen op kunstenaars als Joseph Beuys om te beseffen dat ze zich gedragen als ingewijden, als vertegenwoordigers van een nieuwe mysteriecultuur.
En dat is inderdaad waar we moeten aan bouwen: een nieuwe ‘multi-cultuur’ waarin religie, kunst en wetenschap opnieuw een eenheid vormen zoals in de oude mysteriën.
Maar die eenheid moet bewust hersteld worden en niet door middel van rituele performances die van de toeschouwer een blind geloof eisen.
Want het is juist dat blinde geloof dat vandaag overal terreur zaait.

(wordt vervolgd)

Rood of dood! (4)

Nochtans, las ik ergens in de krant, staan de Standard-supporters bekend als links.
Nochtans?
Men vond het blijkbaar tegenstrijdig dat links zo’n schandalig spandoek had gemaakt.
Want is het niet juist rechts dat zich te buiten gaat aan geweld, haat, racisme, onverdraagzaamheid, enzovoort?
En staat links niet voor vrede, solidariteit, gelijkheid, verdraagzaamheid en beschaving?
In de gedachten van links is dat inderdaad het geval.
Maar de daden van links tonen iets heel anders.
Eigenlijk kunnen ze bondig samengevat worden met de slogan: rood of dood!

Klinkt dat overdreven?

Op hetzelfde moment dat de linkse pers (een rechtse is er niet) moord en brand schreeuwt over de tifo van de Standard-supporters, wordt de bevrijding van Auschwitz herdacht.
Uiteraard worden de misdaden van het nazisme toegeschreven aan rechts.
Maar is dat niet wat links altijd doet?
De nazi’s waren socialisten.
En de andere massamoordenaars van de 20ste eeuw, de communisten, waren nog een stuk roder.
Gedragen de moslimterroristen van de 21ste eeuw zich trouwens ook niet ‘links’?
Ze zaaien geweld en terreur maar doen dat in naam van een godsdienst die uit louter vrede en liefde en samenhorigheid heet te bestaan.

Maar we hoeven het niet eens zover te zoeken.
De tifo van de Standard-supporters was een grap, een typisch mannelijke aangebrande grap.
Het leek erg, maar dat was dan ook alles.
Hoe reageerde links – dat zichzelf zo ruimdenkend en verdraagzaam vindt – op deze deugnieterij?
Het begon moord en brand te schreeuwen.
Ik kan het niet helpen, maar ik vond dat wel een zéér ‘rechtse’ reactie.
De tifo was een vrije meningsuiting, een beetje op het randje maar meer ook niet.
De supporters wilden Steven De Four eens goed duidelijk maken wat ze van hem dachten.
De reactie van de linkse pers was echter geen meningsuiting.
Het was een oproep tot geweld.
Want het IS geweld als mensen omwille van een meningsuiting worden beboet, gestraft en veroordeeld.
En die oproep tot geweld werd meteen beantwoord: er werd door de voetbalbond een nieuwe regel opgesteld die het mogelijk moet maken op te treden tegen … oproepen tot geweld.

Hier zien we links weer eens aan het werk: het roept op tot geweld tegen een oproep tot geweld die er geen is.
Het projecteert met andere woorden zijn eigen oproepen-tot-geweld op rechts.
Was dat ook niet wat Hitler deed toen hij zijn eigen kwaadaardigheid op de joden projecteerde?
Is dat niet wat de moslims vandaag doen door zichzelf af te schilderen als onschuldige slachtoffers van het Westerse geweld?
Geen wonder dat links zo ‘verdraagzaam’ is voor moslims: ze zijn brothers in crime.
En die misdaad bestaat niet in alleen in beider gewelddadigheid maar ook – en vooral – in het niet-erkennen ervan.
Noch de moslimwereld noch de linkse Europese wereld zijn in staat hun gewelddadigheid onder ogen te zien. Ze wordt in een onbewuste reflex op de blanke wereld, op de rechtse wereld geprojecteerd.
Die wereld reageert buitengewoon gelaten, enkele uitzonderingen niet te na gesproken.
Pas nu, na tientallen jaren van getreiter door moslims en linksen komt er enig protest op gang, waarop uiteraard furieus (en gewelddadig) gereageerd wordt.
Want dat is het ergste wat links kan overkomen: dat hen een spiegel wordt voorgehouden, dat rechts precies hetzelfde gaat doen als zij.
Dat is eigenlijk het ergste wat ons allemaal kan overkomen: dat het kwaad dat we op de buitenwereld projecteren als een boemerang terugkeert.

Dat is ook wat dat fameuze spandoek op Sclessin ons toont.
Wat was die tifo anders dan een spiegel van links?
Rood of dood – is dat niet de diepste overtuiging die in iedere linkse ziel leeft?
Nooit lees ik in die ontelbare linkse beschouwingen enige bereidheid om rechts als een volwaardige gesprekspartner te beschouwen.
Altijd weer gaat het om de strijd TEGEN rechts, alsof het voortbestaan van de wereld ervan afhing: nie wieder Fascismus!
Dezelfde mentaliteit tref ik aan in de talloze beschouwingen van moslims.
Nooit is daar sprake van enig begrip voor de ergernis van de Europese bevolking over het eindeloze moslim-getreiter. Altijd weer wordt de eigen schuld op het Westen geprojecteerd, meestal vergezeld van al dan niet verholen bedreigingen.

Welnu, van die mentaliteit hebben de Standard-supporters een cartoon gemaakt, een niets verhullende cartoon.
Links wil de kop van rechts, niet meer en niet minder.
Rood of dood, daar komt het op neer.
Dat is de huiveringwekkende waarheid over links en dat hebben de linkse intellectuelen goed begrepen want ze reageerden als door een wesp gestoken.
Maar ze begrepen natuurlijk helemaal niks, want hun reactie was louter instinctief en een intellectueel dus onwaardig.
Ik heb al vaker betoogd dat Vlaanderen geen intellectuelen heeft: we zijn een volk zonder bovenlaag, een volk zonder hoofd zeg maar.
Maar dat geldt niet alleen voor Vlaanderen, het geldt voor heel Europa, en eigenlijk geldt het voor de hele moderne mensheid: ze heeft geen hoofd, het ontbreekt haar aan het bewustzijn dat ze zo nodig heeft, het bewustzijn dat als enige de vicieuze cirkel van geweld kan doorbreken.

De grote opgave van onze tijd, zei Rudolf Steiner, is de confrontatie met het kwaad.
En dat kwaad zit in de mens zelf.
Het zit in alle mensen, niet alleen in blanke mensen of in rechtse mensen.
En het zit vooral in mensen die het kwaad willen bevechten, die het willen uitroeien.
Want zij zijn juist degenen die het kwaad in zichzelf NIET onder ogen willen zien.

De tifosi van Standard hebben een gigantisch beeld van het kwaad gemaakt: een gemaskerde moordenaar die het hoofd van een speler als trofee in zijn hand houdt.
Hebben zij dat beeld op de supporters van Anderlecht geprojecteerd, als om te zeggen: kijk eens hoe gewelddadig, haatdragend en onverdraagzaam jullie wel zijn?
Welneen.
Ze hadden het over zichzelf!
Ze waren woedend omdat een Standard-speler ‘naar de vijand overgelopen was’.
Ze hadden hem liefst van al een kopje kleiner gemaakt.
Ze wisten dus heel goed welk ‘kwaad’ er in hun ziel leefde, maar in plaats van dat kwaad te ontkennen, het op de ‘vijand’ te projecteren en er zich met geweld tegen te ‘verdedigen’, maakten zij er … een beeld van.
En kijk, dat enorme spandoek was niet slechts een beeld van het kwaad dat in de ziel van de Standard-supporter leefde, het was een beeld van het kwaad dat in ieder mens leeft, en vooral dan in de mens die zich van geen kwaad bewust is, de linkse mens die zich beter voelt dan al die rechtse, racistische, haatdragende slechte mensen, en die zich op grond van dit beter-zijn gerechtvaardigd voelt om op te roepen tot geweld.

De Standard-supporters staan niet bekend als lieverdjes.
Bij iedere thuiswedstrijd – zeker tegen aartsvijand Anderlecht – maken zij van hun voetbalstadion een kolkende hel die de tegenstander de moed in de schoenen doet zinken.
Ze aarzelen niet om die tegenstander te bekogelen met alles wat los zit, ze vallen zelfs hun eigen voorzitter aan als die beslissingen neemt die hen niet zinnen.
Ach ja, schrijven de kranten dan, we zijn nu eenmaal in Luik, de ‘vurige stede’.
Ze vinden het wel leuk, die Luikse furie.
Maar als die fanatieke supporters voor een keer niet als halve wilden tekeer te gaan maar zich kunstzinnig uitdrukken door middel van een grote tekening, kent de ontzetting van de journalisten geen grenzen.
Het fysieke voetbalgeweld zien ze grootmoedig door de vingers, maar het artistieke geweld, dàt moet stante pede uitgeroeid worden!

Deze buitensporige en misplaatste reactie op wat niet meer was dan een grote cartoon toont ons waar het kwaad-in-ons het meest bevreesd voor is: dat we er een beeld van maken en dat we dat beeld herkennen.
We zien dat ook in de moslimwereld: wat deze wereld het meest met ontzetting slaat, zijn tekeningen waarin de moslims zichzelf onbewust herkennen. Maar ze slagen er niet in deze herkenning tot hun bewustzijn te laten doordringen en dus vertalen ze hem in geweld.
Ook Westers links slaagt er niet in zichzelf – bewust – te herkennen in de Standard-tifo.
Waar het hen aan ontbreekt is kunstzinnig bewustzijn.
Ze slagen er niet in de wereld als een kunstwerk te zien, dat wil zeggen als een spiegelbeeld van wat er in henzelf leeft.

En de ultieme valstrik is om hen dat kwalijk te nemen.
De Standard-tifo was een sprekend beeld van het hedendaagse kwaad.
De (linkse) reactie erop was een niet minder sprekend beeld van het kwaad.
Samen vormen deze twee beelden één groot en veelzeggend beeld van het kwaad.
En dat beeld is bijzonder stuitend.
We zouden het als volgt kunnen beschrijven:
Eenvoudige mensen die zich willen amuseren, maken samen een tekening die in zijn volkse ruwheid geniaal is.
Ontwikkelde intellectuelen, voor wie kunst niet ruw en authentiek genoeg kan zijn, reageren ontsteld op die tekening.
In plaats van de genialiteit ervan te erkennen, noemen ze het kunstwerk ‘ontaard’ en willen de makers ervan straffen.

Het is moeilijk om onbewogen te blijven bij zoveel domheid en kortzichtigheid.
Zijn dat nu de intellectuelen van onze tijd? is een mens geneigd zich af te vragen.
Moeten deze blinde schreeuwers het hedendaagse bewustzijn voorstellen?
En voor je ’t weet, maak je dezelfde fout: je beseft niet dat je in een spiegel kijkt.
Je verontwaardiging over hun domheid verschilt niet van hun verontwaardiging over de domheid van de Standard-supporters.
En zonder het te beseffen, draai je mee in dezelfde vicieuze cirkel die je aanklaagt.

Het is ontzettend moeilijk om die vicieuze cirkel te doorbreken.
Het is ontzettend moeilijk om de wereld als een spiegelbeeld te zien en daarin het kwaad te herkennen dat in je eigen ziel leeft.
Want hoe dichter je dat kwaad nadert, des te meer slaat het je met ontzetting.
Eigenlijk kun je dat kwaad niet benaderen, als je in de ruwe, grove verfstreken van het moderne leven niet ook de genialiteit waarneemt.
En dat is verdomd moeilijk.
Hoe meer het geweld toeneemt, des te moeilijker wordt het.

Maar is er een alternatief?
Buiten het afhakken van hoofden that is?

Rood of dood! (3)

En het blijft maar verontwaardiging regenen …
In Knack heeft docent Mediarecht Leo Neels het over de ‘vrijheid van zieke meningsuiting’.
Daartegen moeten we volgens hem beschermd worden door rechtsregels.
Toe maar!
En wie gaat bepalen wat ziek is?
Ik vind bijvoorbeeld al die verontwaardiging over dat spandoek ‘ziekelijk’.
Als ik redeneerde zoals Leo Neels, dan zou ik nu een regel opstellen om Leo Neels de mond snoeren.
Ik heb daar natuurlijk de macht niet voor.
Maar als ik die wel had, zou Leo Neels er dan akkoord mee gaan dat ik hem verbood om nog langer zijn ziekelijke mening te verkondigen?
Ik betwijfel het.
Al die verontwaardigden blazen momenteel hoog van de toren omdat ze macht en invloed hebben.
Als ze die NIET hadden, zouden ze wel een toontje lager zingen, want ze zouden beseffen dat die rechtsregels ter beperking van de vrije meningsuiting zich wel eens TEGEN hen zouden kunnen keren.
Soms heb ik zelfs de indruk dat al die verontwaardiging niets anders is dan een middel om macht te verwerven.

Zo’n spandoek als dat op Standard is volgens mij in de eerste plaats een uitgestoken middenvinger naar al die moraalridders achter hun bureautje.
De makers ervan wisten heel goed dat ze met dat afgehakte hoofd consternatie zouden verwekken, en dat was ook de bedoeling.
De moraalridders hebben dat heel goed begrepen en ze reageerden furieus.
Wie dachten die stomme voetbalsupporters wel dat ze waren!
Dat konden ze natuurlijk niet rechtstreeks zeggen, want die voetbalsupporters zijn hun bron van inkomsten.
En dus begonnen ze te roepen over het ‘aanzetten tot haat’, wel wetend dat zulks in de huidige omstandigheden … consternatie zou verwekken.
Ze zijn dus geen haar beter dan die supporters met hun spandoek.
Ze vechten alleen een machtsstrijd uit.
Ze willen de vrijheid van meningsuiting beperken tot henzelf.
Want zelf zijn ze drager van ‘gezonde’ meningen, en wie het niet met hen eens is, houdt er ‘ziekelijke’ meningen op na.

De verontwaardigden vonden het spandoek wansmakelijk en ziekelijk.
In welke wereld leven die mensen eigenlijk?
Hebben ze wel eens een modern kinderspelletje gezien, zo een waarbij ‘de vijand’ aan de lopende band neergeknald, onthoofd, gevierendeeld, verpletterd of op een andere manier vernietigd wordt?
Sportjournalist Hans Vandeweghe was geschokt omdat kinderen dat spandoek te zien kregen.
Seriously?
Wat scheelt er eigenlijk met die mensen?
Waarom maken ze zich zo druk om iets onnozels als een spandoek?
Waren ze bang dat de supporters de daad bij het woord zouden voegen en Steven De Four een kopje kleiner maken?
Wel, dan is er véél waar ze bang moeten voor zijn.
En daar komt het waarschijnlijk op neer: ze zijn bang.
Maar in plaats van hun angst onder ogen te zien, het hoofd koel te houden en erover te spreken, vertalen ze die angst in agressie en richten die op degenen die zich niet kunnen verweren.
Er wordt gedreigd met boetes en sancties tegen de voetbalsupporters die het spandoek gemaakt hebben.
Vijf jaar stadionverbod!
Voor veel van die mensen is voetbal hun enige plezier.
Ze léven voor het voetbal.
Als men hen dat gaat afnemen, blijft er niets meer over.
Dat is vragen om problemen.
Het leidt ertoe dat supporters gaan ‘radicaliseren’.
Het is met andere woorden een vicieuze cirkel.

Wat mij betreft zetten de ‘verontwaardigden’ evenveel tot haat en geweld aan als de makers van dat spandoek.
Ik zou zelfs zeggen: méér.
Want ze beschikken over meer intellectuele vermogens om hun angsten te rationaliseren, uit te drukken, bespreekbaar te maken.
Uitgerekend deze intellectuelen zouden het verstand moeten hebben om dat spandoek in zijn context te zien, de context van het voetbal.
Dat voetbal is van een onschuldig spelletje uitgegroeid tot een intens drama met hevige emoties.
Maar het blijft tot nader order fictie.
Het voetbalstadium van Standard was afgelopen weekend een echte heksenketel, de moderne versie van een Romeins amfitheater.
Maar Steven De Four heeft zijn hoofd nog.
Er is geen haar op dat hoofd gekrenkt.
Ondanks alles is het een spel gebleven, en daar zouden de ‘verantwoordelijken’ blij moeten mee zijn.
Wat gaan ze zeggen als er op een dag een moslimterrorist op het idee komt om naar een voetbalwedstrijd te gaan ‘kijken’?
En hij zal dat heus niet doen met een spandoek …

Rood of dood! (2)

Was het spandoek dat gisteren op de tribune van voetbalclub Standard prijkte ongepast?
Natuurlijk.
Het was namelijk veel te groot.
En daarmee is eigenlijk alles gezegd.
Het was overdreven, het was een karikatuur van een spandoek.
And so what!
Mogen we dan misschien niet meer lachen?
Mogen we geen karikaturen meer maken?
En waarom dan wel niet?
Omdat mensen zich gekwetst kunnen voelen?
Wel, er was er gisteren maar één die zich gekwetst kon voelen en dat was Steven De Four.
Op een foto is echter te zien dat hij het best een goede grap vond.
Misschien was hij wel een beetje ontroerd toen hij zag hoeveel hij voor de Standard-supporters betekende.
Als ik in zijn plaats was geweest, zou ik moslimsgewijs zijn neergeknield om mij te onderwerpen aan hun Godsoordeel.
Dat hoort allemaal bij het spel.
En zolang iedereen beseft dat het een spel is, is er niks aan de hand.

Maar blijkbaar is de sportwereld vandaag vergeven van mensen die vinden dat voetbal geen spel is maar dodelijke ernst.
Eén keer raden waar die mensen te vinden zijn: aan de kant van het geld.
Sportjournalisten bijvoorbeeld.
Die schrijven niet uit liefde voor het voetbalspel, ze schrijven omdat ze er hun brood mee verdienen.
En dat is géén spel.
Daarom zijn ze zo ernstig, daarom blazen ze het spelletje op tot een vorm van oorlog.
Want daar valt geld mee te verdienen.
Natuurlijk zijn de journalisten niet de enige schuldigen.
Er zijn véél mensen die geld verdienen met voetbal.
Eigenlijk is het hele spel in handen van ‘het geld’ geraakt.
De voetballers zelf zijn koopwaar geworden.
Dat was trouwens de reden van dat veelbesproken spandoek: De Four was verkocht aan Anderlecht.
Het feit dat hij niet langer voor Standard speelde, had in de eerste plaats te maken met geld.
Het was business, het was zakelijk.
En dat pikten de supporters niet.
Where is the love? riepen zij.
Zij voelden zich bedrogen.
Ze dachten dat De Four een minnaar was en nu bleek hij het voor het geld gedaan te hebben.
Steven De Hoer stond er elders in het stadion te lezen.

In feite was het spandoek een protest, niet alleen tegen de geldzucht van Steven De Four maar tegen de hele commercialisering (en daardoor ook brutalisering) van de voetbalsport.
Het was een uitdrukking van onmacht.
Is het hele terrorisme daar trouwens geen uitdrukking van?
En toont het beeld van het afgehakte hoofd niet waartegen de terroristen zich verzetten?
De hele wereld zit in de ijzeren greep van een bloedeloos ‘hoofd’ dat alleen maar cijfert en rekent.
Alles wordt herleid tot cijfers en geldbedragen.
En in die kille, harde wereld grijpen mensen in hun onmacht naar het vuur van geweld om nog een beetje warmte voelen.
In die zin was ook de slogan op het De-Fourspandoek veelzeggend: rood of dood!
Ofwel de hitte van het rode bloed ofwel de kilte van het dode hoofd.
Dat is de enige keuze die men vandaag nog ziet, aan beide zijden.
Want hoe reageerde het ‘hoofd’?
Met begrip? Met verzoenende woorden?
Wel integendeel.
Het verklaarde meteen de oorlog aan dit ‘terrorisme’.
De supporters zullen zwaar moeten boeten, niet omdat ze iets verschrikkelijks hebben gedaan, maar omdat ze het gewaagd hebben zich te verzetten tegen de ijzeren greep van Het Hoofd.
En iedereen die vandaag olie op het vuur giet, heeft boter op zijn … hoofd.

Rood of dood!

Vandaag stond de voetbaltopper Standard-Anderlecht op het programma.
Beide ploegen zijn aartsrivalen zoals dat heet.
Die rivaliteit kreeg vandaag nog een extra cachet omdat Steven De Four, jarenlang speler bij Standard, nu bij Anderlecht speelt.
Dat pikken de ‘vurige’ supporters van Standard natuurlijk niet.
Steven De Four is overgelopen naar de vijand!
Hij is met andere woorden een verrader, en verraders verdienen de dood!
Dat werd hem vanmiddag duidelijk gemaakt middels een gigantisch spandoek – het besloeg bijna een hele tribune – waarop een Standard-supporter, vermomd als een soortement IS-strijder, prijkte met het afgehakte hoofd van De Four in de hand.
Red or dead‘ stond er in onberispelijk Frans naast.

Ik moest heel erg lachen toen ik daarnet de foto in de krant zag staan.
Die supporters toch!
Steven De Four kon er zelf ook om lachen.
’t Zou er nog moeten aan mankeren!
Hij verdient genoeg geld om de Standard-supporters hun pleziertje te gunnen.
En méér dan dat is het ook niet: voetbal is amusement.
De ‘woedende’ Standard-supporters hebben Steven De Four met geen haar gekrenkt.
Ze hebben hun ‘diepe verachting’ alleen met woord en beeld geventileerd.
Het resultaat?
Een opwindende match vol emoties.
Steven De Four werd zelfs van het veld gestuurd met een rode kaart en Anderlecht werd met 2-0 naar huis gespeeld.
Lang geleden dat de Standard-supporters nog eens zo hun hartje hebben kunnen ophalen!
Ik gun het hen van ganser harte.
Ik denk dat Steven De Four later aan zijn kleinkinderen met veel plezier zal vertellen over die keer dat hij naar Standard terugkeerde en dat de supporters speciaal voor hem een enorm spandoek hadden gemaakt …
Ja, dat zijn leuke dingen voor de mens.
Ik denk dat duizenden Standard-supporters nog een hele week op wolken zullen leven.
En dat is toch de bedoeling van het voetbalspel! Even de sores van de week kunnen vergeten, even in een imaginaire wereld kunnen vertoeven waar de duivels kunnen worden losgelaten zonder dat er iemand last van heeft.
Een buitengewoon geslaagde namiddag dus.

Maar dat is zonder de politiek correcte waard gerekend.
Want de keurige heren met het onbevlekte blazoen zijn verontwaardigd:
Dit is ontoelaatbaar!
Wansmakelijk en onaanvaardbaar!
Dit gaat te ver!
Wij zijn enorm geschokt!
Wij beraden ons over wat we hieraan kunnen doen!

Voetbal is een spiegel van de samenleving, wordt wel eens gezegd.
En inderdaad, ook op het voetbalveld is het probleem niet het spandoek, maar de reacties erop.
De kranten zien hun kans schoon om de zaak op te kloppen, waarop de ‘verantwoordelijken’ zich geroepen voelen om in te grijpen, waardoor Standard een monsterboete boven het hoofd hangt, waardoor het voetbalplezier danig vergald wordt, waardoor de sfeer weer een stukje grimmiger wordt.

De moraal van dit verhaal: we moeten weer leren spelen.
We moeten weer onderscheid leren maken tussen fictie en werkelijkheid.
Een spandoek maken: dat is fictie, dat is meningsuiting.
Twaalf mensen neerschieten: dat is werkelijkheid, dat is geweld.
EN DAT IS NIET HETZELFDE!

Moslimterrorisme en Hedendaagse kunst

Toen Luc Tuymans door Katrijn Van Giel werd aangeklaagd wegens plagiaat had hij, juridisch gezien, maar één verweer: verklaren dat zijn schilderij een parodie was op de foto.
Belachelijk natuurlijk, want het kleinste kind kon zien dat hij die foto gewoon gekopieerd had.
De rechter oordeelde dan ook dat er van parodie geen sprake kon zijn.
Daar konden de kunstliefhebbers niet om lachen, want hoe moest dat nu met de artistieke vrijheid?
Er zijn tal van beroemde kunstenaars die foto’s gebruikt, en soms zelfs verwerkt hebben in hun schilderijen.
Mag dat nu allemaal niet meer?
Moeten al die kunstenaars nu copyright gaan betalen?
Kan iedereen die meent een van zijn foto’s te herkennen in een kunstwerk nu klacht indienen?
Dat zijn terechte vragen.
Het hele copyright-systeem leidt tot absurditeiten.
Zo zijn er al landschappen die alleen nog tegen betaling mogen gefotografeerd of geschilderd worden.
Straks komt de stad Brugge nog op het idee om copyright te eisen voor haar bezienswaardigheden.
Men kan zich voorstellen wat voor toestanden dan zouden ontstaan!

Nee, de kunstliefhebbers hebben gelijk om te protesteren tegen dit vonnis.
Maar ze gebruiken daarbij de verkeerde redenen.
Ze maken zich zelfs belachelijk met die redenen.
Want wat zeggen ze?
Joost Zwagerman zegt: het schilderij is helemáál geen parodie!
The Guardian zegt: natúúrlijk is het een parodie!
Ze spreken elkaar dus faliekant tegen.
Maar dat is niet het enige.
De rechter oordeelde dat het schilderij van Tuymans noch grappig noch provocerend (en dus geen parodie) was.
Maar, zegt The Guardian, hoe kun je nu de wil om te provoceren en te amuseren bewijzen!
Dat kun je inderdaad niet, maar dat dééd de rechter ook niet.
Hij oordeelde over het schilderij, niet over (de wil van) de schilder.
Hoe komt het dat The Guardian dat verschil niet zag?

Met die vraag raken we aan de achillespees van de hele Hedendaagse kunst.
Want in die kunst gaat het NOOIT over het kunstwerk en ALTIJD over de kunstenaar en zijn bedoelingen.
Luc Tuymans kan niet half zo goed schilderen als Michaël Borremans en toch geldt hij als de grootste van de twee.
Zijn beroemdheid berust dan ook niet op de kwaliteit van zijn werk, ze berust op de kwaliteit van zijn bedoelingen en motieven.
Die bedoelingen en motieven vallen niet af te lezen aan het werk.
Ze vallen alleen af te lezen aan de kunstenaar, aan wat hij erover vertelt.
Daarom voert The Guardian ook als argument aan dat Tuymans zelf gezegd heeft dat zijn schilderij een parodie is.
En hier worden de zaken alweer belachelijk.
Tuymans heeft nog nooit gezegd dat hij parodieën maakt.
Alleen nu, in dit geval, beweert hij een parodie gemaakt te hebben.
Het is duidelijk WAAROM hij dat zegt: omdat het hem anders veel geld gaat kosten.
Met de aard van zijn schilderij heeft het niks te maken, dat begrijpt het kleinste kind.
Tuymans zegt het alleen uit eigenbelang.

Dat zegt natuurlijk iets over het morele niveau van Luc Tuymans.
Maar het zegt ook iets over de hedendaagse kunst in het algemeen.
Als kunstenaars pispotten, uitwerpselen, conservenblikken, bananenschillen en ander afval tentoonstellen, dan vertellen ze daar omstandig bij waarom ze dat doen en wat hun bedoeling is.
Hun uitleg (of die van gespecialiseerde uitleggers) geldt als bewijs van het kunstzinnige karakter van hun werk.
Vandaag is in de kunstwereld Marcel Duchamps adagium van kracht: ‘dit is kunst omdat ik het zeg!’
De kunstzinnige kwaliteiten worden niet langer gezocht in het kunstwerk maar in (de wil van) de kunstenaar.
Dat is een fundamentele ‘paradigma-shift’: in de klassieke kunst werd geoordeeld over het kunstwerk (is het goed gemaakt?), in de Hedendaagse kunst wordt geoordeeld over de kunstenaar (heeft hij goede bedoelingen?).
We baseren ons dus niet meer op het artistieke niveau van het kunstwerk maar op het morele niveau van de kunstenaar (of van de kunstuitlegger).
Als hij zegt dat iets kunst is, dan IS het ook kunst.
Als Luc Tuymans zegt dat zijn schilderij een parodie is, dan IS het ook een parodie.

De uitspraak in deze plagiaatkwestie heeft dus een ‘clash of civilisations’ veroorzaakt: de rechter (als vertegenwoordiger van de ‘gewone’ wereld) oordeelde over het schilderij terwijl de kunstwereld oordeelde over de kunstenaar.
In feite stond daardoor niet alleen Luc Tuymans in zijn hemd, maar de hele Hedendaagse kunst.
Want waarom zou Tuymans een uitzondering zijn?
Waarom zou hij zijn uitleg baseren op eigenbelang en geldgewin en zijn collega’s niet?
Waarom zouden we al die ‘hedendaagse’ kunstenaars op hun woord geloven?
That is the question.
Ze doen nu al bijna 100 jaar hun uiterste best om ons te choqueren door ons de meest weerzinwekkende dingen als kunst voor te stellen, en toch geloven we hen op hun woord als ze zeggen dat al die rotzooi ‘de kunst van onze tijd is’.
Geen moment komt het in ons op te twijfelen aan hun morele niveau, want … ze spreken in naam van de kunst.

Het doet onwillekeurig denken aan de moslimfundamentalisten die ons nu al tientallen jaren teisteren met hun grote en kleine terreurdaden.
We treden daar nauwelijks tegen op want … ze handelen in naam van de islam, de godsdienst van liefde en vrede.
Net als Hedendaagse kunstenaars verschaffen deze terroristen ook uitleg bij hun performances.
Hun aanslagen zijn, zeggen ze, onvermijdelijke reacties op wat wij de moslims aandoen.
Zelf kunnen de moslims er niets aan doen, het is allemaal onze schuld.
Wij zijn in feite de terroristen, zij zijn alleen maar slachtoffers.
De moslimterroristen keren de zaken dus gewoon om.
Zoals Hedendaagse kunstenaars afval als kunst voorstellen, zo stellen zij terreur voor als een heilige daad.

Onze houding tegenover de Hedendaagse kunst is dus dezelfde als onze houding tegenover het moslimterrorisme.
We kijken niet naar de daden, we kijken alleen naar (de bedoelingen van) de daders.
En we geloven die daders op hun woord.
De islam zaait al dood en geweld sinds zijn ontstaan, hij vernietigt beschavingen, hij veroorzaakt geestelijke en materiële armoede, hij liegt dat het gedrukt staat en trekt zich van de waarheid niets aan, en toch verovert deze ‘godsdienst’ de wereld en wordt hem overal de hand boven het hoofd gehouden als was hij iets waar we diepe eerbied moeten voor opbrengen.
Het is precies hetzelfde verhaal als de Hedendaagse kunst.
Sinds haar ontstaan doet ze alles geweld aan wat we mooi vinden, ze vernietigt de hele klassieke kunst, ze veroorzaakt een schrijnende geestelijke armoede, ze roept om het even wat tot kunst uit om het een jaar later weer de grond in te boren, ze maakt het rationele denken belachelijk en trekt zich van de logica niets aan, en toch verovert deze ‘kunst’ de wereld en gaan alle deuren (tot zelfs die van het Goetheanum) voor haar open als was ze het goddelijke werk van de wedergekomen Christus zelf.

Hoe is zoiets mogelijk?

Zou er vandaag eigenlijk wel een belangrijker vraag bestaan?
Want wat we vandaag overal zien gebeuren, is dat het kwade voorgesteld wordt als het goede.
En het gaat bepaald niet om kattekwaad, het gaat om het grootste kwaad dat de wereld ooit gekend heeft, want in de extremistische islam leeft de geest van het nazisme en het communisme verder.
En uitgerekend die uiterst kwaadaardige geest wordt vol ontzag, eerbied en zelfs enthousiasme begroet, als was hij het heil der wereld.
Op het Keerpunt der Tijden vindt er dus een onwaarschijnlijke morele omkering plaats: het kwade wordt als goed gezien, het goede als kwaad.
De moderne mens heeft als het ware een morele slag van de molen gekregen: hij ziet alles omgekeerd.
En hij is zich daar niet van bewust.
Met name de meest ontwikkelde en vooruitstrevende mensen – de intelligentsia – begroeten Ahriman enthousiast.
Jan-met-de-Pet is heel wat minder enthousiast.
Hij bekijkt zowel de islam als de Hedendaagse kunst met groot wantrouwen.
Zijn morele vermogens zijn nog min of meer intact.
Maar ze hebben geen stem.
Ze worden het zwijgen opgelegd door het intellectuele geweld van de ‘uitleggers’.

We moeten onze morele vermogens dus versterken.
Alleen al om ons bewust te worden van de morele omkering die vandaag aan de gang is, moeten we een morele inspanning leveren.
En die inspanning komt neer op een keuze: we moeten kiezen tussen onze ‘oude’ moraliteit en de ‘nieuwe’ moraliteit (die de oude op zijn kop zet).
Wat die keuze zo moeilijk maakt, is de enorme verwarring die veroorzaakt wordt door onze intellectuele benadering van de werkelijkheid, een benadering die ontaardt in een eindeloze ‘nuancering’ en ‘relativering’.
Door middel van die nuancering en relativering zijn de politiek correcte intellectuelen er bijvoorbeeld in geslaagd om de aanslag op Charlie Hebdo om te keren tot een aanslag op de islam.
Zo stond het letterlijk te lezen in de media.
Meer dan veertien dagen hadden ze er niet voor nodig om de zaak helemaal op zijn kop te zetten.
En niemand vond nog de kracht om daartegenin te gaan, want de aanvankelijke gevoelseenheid was alweer versplinterd tot een eindeloze intellectuele verwarring.

Deze intellectuele verwarring gaat gepaard met diepe, onbewuste angstgevoelens die te pas en te onpas uitbarsten in hevige emoties (van vooral verontwaardiging).
Niemand ontsnapt daaraan, want we leven steeds meer in een sfeer van fysieke dreiging.
Onze (oude) moraliteit is al zodanig verzwakt dat niemand nog wil sterven voor de goede zaak.
Daarom is de treffende gelijkenis tussen de extremistische islam en de Hedendaagse kunst zo belangrijk, want zij biedt ons de mogelijkheid om ons bewust te worden van de morele omkering die vandaag aan de gang is zonder ons fysiek bedreigd te voelen.
Niemand zal met een aanslag dreigen als we ons vragen beginnen stellen over het blinde geloof in Luc Tuymans en de Hedendaagse kunst.
Maar we zullen wél geconfronteerd worden met dezelfde terroristische geest.
En we zullen verbaasd vaststellen dat we die geest allemaal kennen.

De parodie van Tuymans

Het kan verkeren, zei Bredero.
Dertig jaar geleden verklaarde Jan Hoet de schilderkunst dood.
Schilderen, zei hij met zijn gebruikelijk aplomb, behoort tot het verleden en geen enkel hedendaags kunstenaar laat zich daar nog mee in.
Vandaag zijn Luc Tuymans en Michaël Borremans wereldberoemd, en is schilderen weer helemaal in.
Vijftig jaar geleden gold het nabootsen van de werkelijkheid als het grootste taboe in de kunstwereld.
Je haalde je de hoon en minachting van alle kenners op de hals als je durfde een gelijkend portret te tekenen of te schilderen.
Sinds de uitvinding van de fotografie was de kunst immers ontslagen van de vernederende taak om de werkelijkheid na te bootsen. Ze kon zich eindelijk volop wijden aan haar scheppende taak.
Wie terugkeerde naar dat nabootsen, was niets minder dan een reactionair.
Vandaag schildert Luc Tuymans een portret van Jean-Marie De Decker op basis van een foto en alle kunstkenners bewonderen hem.
Hun hoon en minachting gelden nu niet de (in het kwadraat) nabootsende schilder, maar de rechter die hem voor dat nabootsen op de vingers tikt.
Ja, het kan beslist verkeren.

Het enige juridische verweer dat Luc Tuymans had tegen de beschuldiging van plagiaat was dat zijn schilderij een parodie was van de foto van Katrijn Van Giel.
Dat verweer was zo doorzichtig dat het zelf een parodie werd.
Iedereen kon namelijk zien dat hij de foto gewoon had nageschilderd.
Maar guess what: de kunstkenners vonden dat je niet van een nabootsing kon spreken omdat de pixels van de foto waren omgezet in verf, en dat was iets heel anders.
Vreemd dat ze dat argument vijftig jaar geleden niet aangevoerd hebben, want een klassiek portret bestaat ook niet uit vlees, huid en haar!
Vreemd ook dat ze dat argument uitgerekend nu aanvoeren, want nog nooit heeft iemand het werk van Tuymans een parodie genoemd.
Het is dan ook lachwekkend om dat nu wel te doen.
Komiek Geert Hoste betoogt zelfs dat hij zowel de persoon als het werk van Tuymans altijd heel humoristisch heeft gevonden.
De vraag rijst of de man geen parodie opvoert, maar te vrezen valt dat hij het ernstig meent.

Luc Tuymans bootst een foto na die zelf reeds een nabootsing is.
Soms maakt hij van die foto eerst nog een andere een foto, waardoor zijn schilderij een nabootsing van een nabootsing van een nabootsing wordt.
De kunstkenners beweren dat dat een parodie is, wat op zich ook reeds een parodie is.
Dat wordt door Geert Hoste (vermoedelijk ongewild) nog eens geparodieerd, waardoor het een parodie op een parodie op een parodie wordt.
Dames en heren, ziedaar de hedendaagse kunstwereld!
Niets is hier wat het lijkt, het is één groot spiegelpaleis.

Het is verleidelijk om daar … een parodie op te maken, want het is toch echt wel een ‘zottekesspel’.
Maar dan springen we zelf op die mallemolen.
We draaien dan mee in die artistieke carrousel tot we helemaal dronken zijn en van de wereld niet meer afweten.
Want daar komt het uiteindelijk op neer: de kunst weet van de wereld niet meer af.
Ze staat helemaal los van de werkelijkheid, verwijst enkel nog naar zichzelf, kopieert zichzelf, bewierookt zichzelf.
De kunstwereld is totaliter aliter.
Konden we in de klassieke kunst onze eigen wereld nog herkennen, dan kunnen we in de ‘hedendaagse’ kunst alleen de kunstwereld zelf herkennen.
En die kunstwereld is een vreemd, op zichzelf staand universum waar heel andere wetten heersen dan in de ons vertrouwde wereld.

Vreemd genoeg verandert dat vreemde universum op slag wanneer de buitenwereld er een oordeel over velt.
Toen de rechter oordeelde dat het gewraakte schilderij van Luc Tuymans geen parodie was, vond de kunstwereld opeens dat het er wel een was.
Nog nooit hadden kenners het werk van Tuymans een parodie genoemd, laat staan humoristisch gevonden (het idee alleen al!), maar nu deden ze dat opeens wel.
Blijkbaar is de Hedendaagse kunstwereld toch niet zo autonoom als hij voorgeeft te zijn.
Bij nader inzien is hij zelfs in hoge mate afhankelijk van de gewone wereld.
Dat bleek ook toen de nieuwe regering (een beetje) wilde besparen op kunst.
Opeens stond heel die zo zelfbewuste en onafhankelijke wereld op stelten.
Het was alsof het einde der beschaving was aangebroken.
Al bijna een eeuw doen kunstenaars hun uiterste best om de ‘gewone’ wereld te choqueren, te bekritiseren, te minachten en te bespotten, maar één enkel woord van kritiek op henzelf of één enkele beperkende maatregel hoe klein ook, vervult hen met ontzetting.
Nee, de zelfstandigheid van de kunstwereld is een schijnzelfstandigheid.
Het is een vermomde afhankelijkheid.

Toen de impressionisten hun atelier verlieten om in de natuur te gaan schilderen, brak een revolutie uit in de kunst.
Kunstenaars gingen in het volle leven staan, ze schilderden de gewone, dagelijkse werkelijkheid.
Ze braken uit hun artistieke cocon en veroverden hun vrijheid.
Vandaag blijft daar niets meer van over.
Wel integendeel, er is een contra-revolutie uitgebroken.
Kunstenaars hebben zich opnieuw teruggetrokken in hun atelier.
Ieder rechtstreeks contact met de werkelijkheid wordt vermeden.
Je zult Luc Tuymans nooit in de natuur of in de stad zien tekenen of schilderen.
Zijn werkelijkheid zijn foto’s in de krant. Die knipt hij uit en schildert ze na.
Soms haalt hij ze eerst door een of andere Instagram-filter voor wat flou artistique, maar dat is alles.
Tuymans schildert foto’s, daar komt het op neer.
En hij is niet de enige. Iederéén doet dat tegenwoordig.
Schilderen is – zeker in de ‘hedendaagse’ kunstwereld – als vanzelfsprekend schilderen-naar-foto’s.

Er schuilt een wrange ironie in deze vaststelling.
Want is de Hedendaagse kunst niet ontstaan in verzet tegen het nabootsen en reproduceren?
De fotografie, zo zei men, had de reproducerende functie van de kunst overgenomen en deze laatste kon nu vrij haar eigen gang gaan.
En dat deed ze ook: ze verwijderde zich zo ver mogelijk van alles wat reproductie en nabootsing was.
Het schilderen van een landschap of een portret werd als ‘reproduceren’ gebrandmerkt en taboe verklaard. Ja, het schilderen zelf werd als passé bestempeld. Het was gecompromitteerd: het had zich te lang ingelaten met nabootsing en zelfs de herinnering daaraan moest uitgeroeid worden.
Maar een oude wijsheid zegt: men wordt wat men bestrijdt, en men wordt het des te sneller naarmate men het heviger bestrijdt.
Het fanatieke verzet tegen de nabootsing in de kunst heeft geleid tot een generatie kunstenaars die niets anders doet dan … nabootsen.
En ze bootsen na in het kwadraat, want ze tekenen en schilderen naar foto’s.
Ze bootsen zelfs nabootsingen van nabootsingen na.

In die zin zou men het werk van Luc Tuymans inderdaad een parodie kunnen noemen.
In die zin zou men de hele Hedendaagse kunst een parodie kunnen noemen.
Zonder het te beseffen drijft ze immers de spot met … zichzelf.
Door van het nabootsen een karikatuur te maken, steekt de Hedendaagse kunst als het ware de draak met zichzelf.
Het is alsof ze zegt: dit is nu het resultaat van onze heroïsche strijd tegen het slaafse nabootsen: een generatie kunstenaars die krantenfoto’s kopieert!
Het is eigenlijk een geweldige grap.
Maar niemand lacht.
Niemand is zich bewust van het zichzelf-parodiërende karakter van de Hedendaagse kunst.
Luc Tuymans denkt dat hij een foto van Jean-Marie De Decker parodieert (al moet hij daaraan herinnerd worden door een uitspraak van de rechtbank) maar in feite parodieert hij zichzelf, in feite parodieert hij de hele Hedendaagse kunst.

Tuymans is als een luie puber die een portret van iemand moet schilderen en denkt: wat een gedoe, ik zoek snel een foto in de krant en schilder die na!
Eigenlijk is de hele Hedendaagse kunst puberaal: ze doet niks anders dan schoppen tegen de schenen van de grote mensen.
Maatschappijkritiek, noemt ze dat.
Het is een kunst die grenzen opzoekt, maar ze niet vindt.
Ze gaat altijd maar verder en verder, en zakt daardoor steeds lager en lager.
In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister, zegt Goethe, und das Gesetz nur kann uns Freiheit geben.
De kunst is bevrijd van haar nabootsende taak, maar ze heeft geen vrijheid gevonden want ze heeft geen nieuwe taak gevonden.
Integendeel, ze is in de slavernij terechtgekomen.
Ze moet de werkelijkheid niet langer nabootsen, maar bootst nu nabootsingen van nabootsingen na.
En dat doet ze niet alleen letterlijk, door foto’s na te schilderen.
Ze doet het ook figuurlijk, door al bijna 100 jaar telkens weer hetzelfde te herhalen.

In feite zoekt de kunst wanhopig naar vrijheid.
Maar ze raakt steeds meer gevangen.
Aan die gevangenschap is ze zodanig gewend dat ze in alle staten is als er iets aan verandert, als er bijvoorbeeld bespaard wordt of als een rechter een oordeel velt.
Het idee om de gevangenis te verlaten, komt echter niet bij haar op.
Want ze voelt zich niet gevangen, ze voelt zich vrij.
De vrijheid van de Hedendaagse kunst – alles kan, alles mag – is echter een schijnvrijheid.
Het is een vrijheid die alleen bestaat zolang de samenleving het gedoogt.
En die samenleving is een anti-autoritaire ouder die alles goed vindt.
Maar zijn ‘verdraagzaamheid’ is in wezen onverschilligheid.
Dat is de pijnlijke waarheid die de kunst niet onder ogen kan zien: de moderne samenleving geeft geen zier om kunst.
Waarom protesteert ze niet als men haar stront als kunst voorschotelt?
Omdat het haar niks kan schelen.
Waarom protesteert ze niet als moslims haar stank voor dank geven?
Omdat die moslims haar niks kunnen schelen.
Er gaapt een diepe kloof tussen kunst en samenleving, een kloof die in de werkelijkheid weerspiegeld wordt als de kloof tussen de islam en het Westen.

Wat pubers zoeken zijn grenzen, en wel de grenzen van hun eigen Ik.
Die grenzen kunnen ze alleen vinden door het contact met een ander Ik.
In het beste geval is dat het Ik van de vader.
Het mannelijke is namelijk datgene-wat-grenzen-stelt.
Maar het mannelijke zit in een diepe crisis: de oude grenzen werken niet meer.
Daardoor is de puber meer en meer aangewezen op de Grote Wereld.
Maar die zit in de greep van ‘het vrouwelijke’.
Alles staat er in het teken van ‘de groep’ en ‘de gemeenschap’.
Er wordt niet gesproken over individuen maar over mannen en vrouwen, over allochtonen en autochtonen, over moslims en niet-moslims, over holebi’s en hetero’s, enzovoort.
De puber vindt daar geen Ik-grenzen meer, hij vindt er alleen groepsgrenzen.
En daar wil hij juist van bevrijd worden: van de groep, van de familie, van de oude banden.
Hij wil een Ik worden, een uniek individu.
En dus trekt hij zich terug in een digitale schijnwereld die hem, zonder dat hij het beseft, gevangen neemt en opsluit in een schijn-Ik.

Zowel de hedendaagse puber als de hedendaagse kunstenaar hebben nood aan nieuwe Ik-grenzen, aan een nieuwe mannelijkheid, aan een nieuw Ik.
Maar dat nieuwe Ik is geestelijk van aard.
De hele digitale wereld – inbegrepen de foto’s die Tuymans naschildert – is een beeld van het materialisme dat als een muur tussen de moderne mens en zijn nieuwe Ik staat.
Het is in dat World Wide Web dat de mens gevangen zit.
En dat geldt net zo goed voor kunstenaars, pubers als moslims.
Want het WWW is een beeld van iets dat in de mens zit, van zijn angst voor de werkelijkheid en dan met name de geestelijke dimensie van de werkelijkheid.
Want zonder die dimensie verwordt de materiële werkelijkheid steeds meer tot schijn, letterlijk én figuurlijk.
Het terrorisme dat vandaag de wereld teistert (en dat al bijna een eeuw de kunst teistert) is tegelijk een poging om te ontsnappen aan de schijn als het product van de angst voor de werkelijkheid, de echte ‘hele’ werkelijkheid.

Tuymans is een typisch voorbeeld van de kunstenaar die de werkelijkheid niet meer kan bereiken.
Hij zit opgesloten in zichzelf, in zijn atelier, in de (digitale) wereld van foto’s.
Dat brengt hem wel materiële rijkdom en roem, maar geen vervulling.
Je hoeft maar naar het werk (én het gezicht) van Luc Tuymans te kijken om daarin de innerlijke leegte, de innerlijke armoede en de innerlijke angst te herkennen.
Tuymans is een bange, blanke man die bejubeld wordt door andere bange, blanke mannen.
En niemand die hem de waarheid durft te zeggen, want in wezen zijn we allemaal zoals hij: gevangen in de schijn, wanhopig op zoek naar de werkelijkheid.

De waarheid is dat Luc Tuymans niets anders gedaan heeft dan stomweg die krantenfoto nageschilderd.
De waarheid is dat zijn kunst een parodie is op de hedendaagse mens die niet veel anders doet dan kopiëren, nabootsen en imiteren, maar wel in de waan verkeert dat hij buitengewoon origineel, uniek en authentiek is.
En dat is een harde waarheid om onder ogen te zien.

Het perverse denken

Naar aanleiding van het ‘plagiaat’ van Luc Tuymans kwam het beeld in me op van de Hedendaagse kunst als een omkering-van-een-omkering.
Want dat is toch wat het Keerpunt der Tijden is?
Een omkering, een ommekeer.
Het oerbeeld van die omkering zijn de dood en verrijzenis van Christus.
Wat Christus 2000 jaar geleden overkwam, overkomt nu de hele mensheid.
De mensheid beleeft nu haar Golgotha.
Iedereen bevindt zich in een of ander stadium van de lijdensweg die Christus ooit ging (en die Hij nu via ons opnieuw gaat).
Voor veel mensen is dat natuurlijk onzin, ze noemen het (zoals een van mijn lezers dat onlangs deed) een gevolg van ‘het associërend denken van een 15-jarige hashkikker’.
Wel, ik kan mijn lezers verzekeren dat ik geen andere verdovende middelen gebruik dan port en chocola, maar aan associërend denken bezondig ik me natuurlijk wel.
Dat is namelijk hoe je beelden vormt.
En dat is wat ik doe: ik probeer door te dringen tot de oerbeelden van de wereld waarin ik leef.
En om die beelden zichtbaar te maken, moet ik ze als het ware distilleren uit mijn zintuiglijke waarnemingen.
Distilleren is een tijdrovend proces: het gaat druppel per druppel.
Maar wat je overhoudt is een geestrijke drank.

Ik stook op mijn blog dus ‘spiritualiën’.
Of ze drinkbaar zijn, weet ik niet, want ik ben een amateur, een self made distillateur.
Ik zou trouwens niet weten waar ik het moet leren: oerbeelden distilleren.

In ieder geval, je kunt overal geestrijke dranken van stoken.
Oerbeelden manifesteren zich overal, zelfs in de meest banale zaken.
Ja, het is vaak in heel onaanzienlijke fenomenen dat ze zich het duidelijkst uitdrukken.
God toont zich in de details, zegt men wel eens.
De aanslagen in Parijs waren zo’n ‘detail’.
Op zichzelf stelden ze niet zoveel voor: 12 doden.
Sommige mensen reageerden dan ook cynisch op de consternatie die de aanslagen teweegbrachten.
Ochottekes, zeiden ze, al die heisa voor 12 doden! In Afrika en het Midden-Oosten sterven er honderden, duizenden mensen door terreur en daar kraait geen haan naar. Wat een hypocrisie!
Boekhoudkundig gezien hebben ze natuurlijk gelijk: de balans tussen doden en tranen was niet in evenwicht.
Maar dit soort gecijfer is natuurlijk materialisme pur sang.
Wie wil doordringen tot de geestelijke dimensie van deze aanslag (of van gelijk welk ander fenomeen) kan niet anders dan in beelden gaan denken.
En dat gaat via associaties.

Daarbij kan men natuurlijk ver van huis raken, en daarom is het van groot belang dat men logisch blijft.
Maar de logica van beelden is een ‘innerlijke’ logica, het is een logica van het hart.
Wie alleen de ‘uiterlijke’ logica van het hoofd erkent, kan gemakkelijk de draak steken met het associërend denken-in-beelden.
Ieder ‘spiritueel’ mens die ooit in discussie geraakt is met zo’n materialistische hersendenker heeft het drakenkarakter van het moderne intellect aan den lijve ondervonden.
Er gaapt dan ook een diepe kloof tussen het scherpe denken-in-begrippen en het dromerige denken-in-beelden.
Wie door wil dringen tot de geestelijke dimensie van de wereld waarin we leven, moet die kloof overbruggen.
En zoals dit beeld al suggereert: je kunt daarbij ook IN die kloof vallen.
Dat is precies wat in de wereld van de Hedendaagse kunst gebeurt: het (wetenschappelijke) denken-in-begrippen en het (kunstzinnige) denken-in-beelden worden daar op zodanige manier met elkaar verbonden dat er een een denken ontstaat dat niet anders dan pervers kan worden genoemd.
Het is een denken dat de omkering – dat wil zeggen het centrale oerbeeld – omkeert.
De verwarring die daardoor ontstaat, is niet te overzien.
In dit ‘perverse’ denken ligt volgens mij dan ook de oorzaak van de terreur die de wereld momenteel teistert en die van de aarde langzaam maar zeker één grote Schedelplaats maakt.

De wolf en zijn schaapsvacht

Van moslimterrorisme naar Hedendaagse kunst, de stap is minder groot dan men wel denkt.
De wereldberoemde Vlaamse schilder Luc Tuymans is veroordeeld voor plagiaat.
Hij had een krantenfoto nageschilderd en de fotografe lapte hem een proces aan zijn broek.
Belachelijk natuurlijk.
Stel, ik maak een foto, zet hem op internet en aan de andere kant van de wereld is er iemand die een schilderij maakt op basis van die foto.
Zal ik die kerel nu als een misdadiger voor de rechter slepen?
Of zal ik doen als Telemann die een bedankbriefje stuurde naar mensen die – zoals Bach bijvoorbeeld – zijn muziek ‘plagieerden’?
Het tweede natuurlijk.
Als een wereldberoemd kunstenaar een schilderij maakte naar MIJN foto, dan zou ik verguld zijn.
Dat ben ik ook als iemand een idee of een stuk tekst van me ‘pikt’.
Dank denk ik: hé, blijkbaar heb ik iets gezegd of geschreven dat aanslaat!
En daar gaat het toch om!
Je denkt of spreekt of schrijft niet om er geld mee te verdienen.

De hele copyright-ellende ontstaat maar doordat men kunst tot koopwaar maakt.
Dat is met name in de beeldende kunsten het geval.
Als een componist een stuk muziek verkoopt, dan kan hij het nog zoveel spelen als hij wil.
Als een schrijver zijn manuscript verkocht heeft, kan hij nog altijd zijn boek lezen.
Als een schilder daarentegen een schilderij verkoopt, ziet hij het in de meeste gevallen nooit meer terug, hij is het voorgoed kwijt.
Vandaag kan hij er zonder probleem een foto van nemen voor hij het verkoopt, dan heeft hij nog iets.
Maar Monet, wiens beroemde schilderijen we vandaag allemaal kennen, had aan het eind van zijn leven helemaal niets meer over van die schilderijen, tenzij een pijnlijke herinnering.
Want hij had ze – vaak aan dumpingprijzen – moeten verkopen om te kunnen overleven.
Dat is heel wat anders dan een schrijver of een componist, die zijn hele leven omringd blijft door zijn ‘kinderen’.

Er is maar één reden waarom de maakster van de door Luc Tuymans nageschilderde foto de schilder een proces heeft aangedaan: geld.
Was Tuymans een onbekend schildertje geweest, dan had ze zich de moeite wel bespaard.
Had ze hem toch een proces aangedaan – en hem daardoor tot de bedelstaf veroordeeld – dan zou dat zonder meer honds gedrag zijn geweest.
Het is dus buitengewoon kleinzielig van die fotografe om een collega (sic) een proces aan te doen.

Dit gezegd zijnde, is het van Tuymans al even kleinzielig om een krantenfoto na te schilderen zonder even contact op te nemen met de fotografe.
Tuymans is namelijk wereldberoemd.
Als hij een schilderij maakt van een foto, dan krijgt de hele zaak mondiale allures en is er ook veel geld mee gemoeid.
Tuymans verkoopt bovendien niet alleen het schilderij voor buitensporig veel geld, hij verdient ook nog eens pakken geld met de reproducties ervan, en hij kijkt streng toe op de copyright.
En toch is het hem te veel om even te bellen naar de fotografe en te vragen: is het OK dat ik je foto als basis gebruik voor een schilderij?
Hij hoeft dat niet eens zelf te doen, er zijn genoeg mensen die deze zakelijke dingen voor hem regelen.
Maar dat gebeurt dus niet, deze kleine geste kan er niet van af.
Belachelijk natuurlijk.

Ik kan dan ook heel goed begrijpen dat die fotografe naar de rechter is gestapt.
Als ik me niet vergis, heeft ze dat trouwens niet onmiddellijk gedaan.
Het is al zowat een half jaar geleden dat hele plagiaatkwestie in de krant kwam.
Tuymans heeft dus alle tijd gehad om de zaak in der minne te regelen en de fotografe bijvoorbeeld een al dan niet symbolische schadevergoeding te betalen.
Maar dat heeft hij niet gedaan.
Het is bekend dat Tuymans stijf staat van de arrogantie.
Als hij geïnterviewd wordt, gedraagt hij zich niet als een mens die blij is met de aandacht en bewondering die hij krijgt, maar als een halfgod die geïrriteerd is omdat hij zich moet verlagen tot het niveau van gewone stervelingen die toch niks begrijpen van zijn godenkunst.
Tja, dan kan het inderdaad gebeuren dat zo’n sterveling denkt: we zullen die halfgod eens van zijn sokkel trekken!

De hele zaak is dus belachelijk, kleinzielig, beschamend.
Maar tegelijk is ze tragisch, want ze illustreert weer eens hoe diep ‘het geestelijke’ weggezonken is in ‘het materiële’ en daar brokken maakt.
Waar het in onze tijd op aan komt is dat de geest weer opstaat uit zijn materiële graf en de hele materiële wereld optilt naar zijn eigen niveau.
Dat is de betekenis van het Keerpunt der Tijden waarover Rudolf Steiner spreekt.
Het materialisme is de dood van de geest en uit die dood moet de geest nu weer verrijzen.
Dat is een enorme, wereldomspannende ommekeer, een gigantisch Stirb und Werde.
De Hedendaagse kunst presenteert zichzelf als de wederopstanding van de oude, dode kunst, maar in werkelijkheid is ze het Golgotha van de kunst: het eertijds zo prachtige ‘lichaam’ van de kunst wordt nu aan het kruis gespijkerd en onherkenbaar verminkt.
De Hedendaagse kunst is een ‘omkering’ van het Keerpunt der Tijden.
Het is een weerzinwekkende marteling die voorgesteld wordt als een stralende verrijzenis.

Het gruwelijkste aspect van deze pervertering (letterlijk: omkering) is dat ze niet langer beperkt blijft tot de kunst.
Sinds 9/11 wordt ze nu ook zichtbaar in de gewone werkelijkheid.
De fictie van de kunst wordt in snel tempo werkelijkheid.
Het terrorisme dat nu in toenemende mate onze wereld op zijn kop zet, heeft zich in de kunst ongestoord kunnen ontwikkelen tot het aan het begin van de 21ste eeuw ‘geboren’ werd.
En nu herhaalt die geschiedenis zich.
Ook in de realiteit ontwikkelt het terrorisme zich ongestoord.
Het wordt alweer de hand boven het hoofd gehouden door de Westerse intellectuelen.

Veertien dagen geleden vermoordden moslimterroristen 12 kunstenaars in hartje Parijs.
En wat schrijft Walter Zinzen vandaag?
Hij beschuldigt de politie ervan moordenaars en terroristen te zijn.
Hij keert de zaken dus gewoon om: niet de aanvallers zijn terroristen, maar de verdedigers.
Precies hetzelfde dus wat in de kunstwereld al een halve eeuw aan de gang is: wie de klassieke Europese kunst verdedigt tegen de ‘terroristen’ die haar reduceren tot afval en uitwerpselen, wordt beschouwd als een cultuurbarbaar, een bedreiging voor kunst en cultuur, een terrorist zeg maar.
Het resultaat van deze perverse omkering is dat de gehele kunstwereld in handen is van de ‘terroristen’ en dat ieder verzet ertegen dood is.

Wat er in de wereld van de kunst (al zolang) gebeurt, is een toekomstbeeld, een beeld van hoe ook de werkelijkheid er binnenkort zal uitzien.
Want de kunst maakt zichtbaar wat er in de geest leeft.
En wat er in de geest leeft, komt onvermijdelijk tot uitdrukking in de materie.
Het is dus slechts een kwestie van tijd voor het terrorisme tot kunst zal zijn verheven en iedereen die ertegen protesteert beschouwd zal worden als een … terrorist.
Iemand als Walter Zinzen toont ons reeds waar het heen gaat: wie zich verdedigt tegen het moslimterrorisme wordt als een terrorist beschouwt.
Veertien dagen zijn er verlopen sinds de aanslagen in Parijs, en de politiek-correcte intelligentsia heeft haar pijlen alweer gericht tegen degenen die protesteren tegen de moslimterreur.
Wordt er geprotesteerd tegen deze omkering?
Nauwelijks.
Er is nauwelijks iemand die het openlijk durft op te nemen tegen Walter Zinzen, een van de grote politiek-correcte coryfeeën.
Het zal dan ook niet lang meer duren of de werkelijkheid heeft de kunst ingehaald: ieder verzet tegen de islamisering van Europa zal als ‘barbarij’ worden gebrandmerkt.
Terreur zal als vanzelfsprekend worden beschouwd.
Het zal zelfs niet meer als terreur worden ervaren.

Homo homini lupus: dat zal de mentaliteit worden van de toekomstige mens.
Het is reeds de mentaliteit van de hedendaagse kunstenaar.
En die mentaliteit splijt de samenleving in twee.
Aan de ene kant heb je halfgoden zoals Luc Tuymans: arrogante, steenrijke figuren die door hun soortgenoten de hemel worden in geprezen, maar zich in hun kruis getast voelen als er iemand hen niet bewondert.
Aan de andere kant heb je dan de kleine garnalen, zoals de fotografe, die zich eveneens in hun kruis getast voelen omdat ze zo neerbuigend behandeld worden.
Het resultaat: onderlinge wedijver, wantrouwen en kleinzieligheid alom.
Kunstenaars zijn mensen die – door hun nauwere contact met de geest – het voorbeeld zouden moeten geven, en dat doen ze ook.
Ze tonen ons welke geest de kunstwereld veroverd heeft en nu begonnen is aan de verovering van de hele wereld: het is een wolf gehuld in een schaapsvacht.

En die geest is méér werkzaam in een figuur als Walter Zinzen dan in een kunstenaar als Luc Tuymans.
Want Tuymans is als kunstenaar te kinderlijk van aard dan dat hij die ‘wolfsgeest’ zou kunnen verbergen. De arrogantie en de gemelijkheid staan op zijn gezicht te lezen, ze spreken uit zijn gedrag, ze spreken ook uit zijn schilderijen.
Walter Zinzen daarentegen is een volstrekt aaibare mens: vriendelijk, welwillend, beschaafd.
Niemand zou op het idee komen enig kwaad in de man te zien.
Ja het zou van kwaadaardigheid getuigen om uitgerekend in deze beminnelijke, onschuldige intellectueel een ‘roofdier’ aan het werk te zien.
En toch.
Het zijn juist mensen als Walter Zinzen – het prototype van de politiek-correcte intellectueel – die overal het zaad van de onenigheid en het wantrouwen zaaien.
En zij kunnen dat ongestoord doen omdat ze er zo menselijk, zo sympathiek, zo goedaardig uitzien.
Denk maar aan Jan Hoet, nog zo’n onweerstaanbaar sympathieke mens waar niemand enig kwaad zou durven in zien.
Of denk aan al die onschuldig uitziende, breed glimlachende jonge Syriëstrijders.
De wolf bedient zich van schaapsvachten om zijn doel te bereiken.
En dàt is wat hem zo gevaarlijk maakt.