On est tous Charlie

door lievendebrouwere

In Duitsland wordt er door Pegida betoogd tegen de islamisering van Europa.
Maar er wordt ook betoogd tegen Pegida zelf.
In Frankrijk kwamen miljoenen mensen op straat voor de vrijheid van meningsuiting.
Meteen besloten de Europese leiders om de vrijheid van meningsuiting wat meer aan banden te leggen.
Het minste wat men kan zeggen, is dat Europa verdeeld is.
Een deel is tegen de islamisering, een deel is ervoor.
Een deel is tegen de vrijheid van meningsuiting, een deel is ervoor.
Vanwaar die verdeeldheid?
Het is de oude tegenstelling tussen links en rechts.
Rechts is voor de vrijheid van meningsuiting, links is ertegen.
Rechts is tegen de islamisering, links is ervoor.
Sommigen zullen dat een veralgemenende, polariserende, rechtse voorstelling van zaken vinden.
Ze zullen pleiten voor een genuanceerde, verzoenende, linkse voorstelling.
Die zou dan luiden:
Links is voor een vreedzaam samenleven tussen Europa en de islam, rechts stuurt aan op polarisatie.
Links is voor een vrijheid van meningsuiting met beperkingen, rechts wil absolute vrijheid zonder enige beperking.

Deze linkse voorstelling doet echter twee vragen rijzen.
Ten eerste: kunnen Europeanen en moslims wel vreedzaam samenleven?
De realiteit lijkt dat tegen te spreken.
Hoe langer ze samenleven, des te groter worden de spanningen.
Hoezeer ook de lof wordt gezongen van de multiculturele samenleving, ze mislukt zienderogen.
De tweede vraag luidt: kan de vrijheid van meningsuiting beperkt worden?
De realiteit lijkt dat alweer tegen te spreken: in Engeland is het op bepaalde plaatsen al verboden om een zwarte koffie te bestellen, dat geldt namelijk als kwetsend voor bepaalde minderheden.
Het inperken van de vrijheid van meningsuiting leidt tot ergerlijke absurditeiten.

De linkse voorstelling van zaken is dus bedrieglijk.
Ze pleit voor vrede en verzoening maar veroorzaakt onvrede en geweld.
De rechtse voorstelling is een stuk oprechter.
Ze pleit ondubbelzinnig voor de confrontatie tussen Europa en de islam, en voor le choc des idées.
Zo’n botsing veroorzaakt natuurlijk ook onvrede en geweld, en dus maakt het eigenlijk geen verschil of we de zaken links of rechts aanpakken: het leidt in beide gevallen tot hetzelfde.
De strijd tussen links en rechts is met andere woorden een schijn-strijd.
Hij is als de strijd tussen de terroristen en de anti-terroristen die we in de straten van Parijs aan het werk hebben gezien: een strijd tussen gemaskerde mannen die als twee druppels water op elkaar leken.
Die (opvallende) gelijkenis drukte een diepe waarheid uit: dit was geen strijd van het goede tegen het kwade, dit was een strijd van het kwade tegen het kwade.
De strijd tussen links en rechts is een strijd tussen Lucifer en Ahriman.
Of tussen Ahriman en Lucifer, want beide lijken tegenwoordig zo sterk op elkaar dat ze inwisselbaar worden. Ze vormen een onontwarbaar kluwen waarachter een geest schuilgaat die het rechtstreeks op de mens gemunt heeft.
Terroristen en anti-terroristen lijken tegen elkaar te vechten, maar in werkelijkheid vechten ze samen tegen de mens en de menselijkheid.

Dat is the inconvenient truth van onze tijd: links en rechts vechten een verbitterde strijd uit met elkaar, een strijd die door beide wordt voorgesteld als een strijd tussen goed en kwaad, maar die in werkelijkheid een zelfvernietigende strijd is, een strijd van de mens tegen de mens.
De strijd tussen links en rechts is exemplarisch voor alle hedendaagse conflicten.
De grote uitdaging van onze tijd is dan ook: hoe kunnen links en rechts met elkaar verzoend worden?
Want dat is de enige manier om de zelfvernietiging tegen te gaan.
Maar eerst moet een andere vraag gesteld worden: kunnen beide tegenpolen wel met elkaar verzoend worden?
Die vraag zou ons tot bezinning moeten brengen, want als we ze negatief beantwoorden, vellen we ons eigen doodvonnis.
Als links en rechts niet met elkaar verzoend kunnen worden, dan is het afgelopen met de mensheid, dan zal ze zichzelf vernietigen.

We hoeven niet eens naar het Midden-Oosten te kijken om dat te begrijpen.
In ons eigen land zien we hoe een democratisch verkozen regering bestreden wordt alsof ze de incarnatie van het kwaad is, enkel en alleen omdat ze rechts is.
De ‘boze geest’ achter die regering, het kwaadaardige brein Bart De Wever, wordt door links afgeschilderd als de nieuwe Hitler, en geen moment komt het bij links op dat het met deze onafgebroken demonisering zelf nazi-praktijken toepast.
Het is verbijsterend om te zien hoeveel mensen daarin meegaan, hoe het demoniseren van een mens een vanzelfsprekende zaak is geworden, een morele plicht bijna.
In Nederland heeft dat destijds geleid tot de moord op Pim Fortuyn. En dat is dan ook de onvermijdelijke uitkomst van de polarisatie tussen links en rechts: moord en doodslag.
In de afgelopen eeuw heeft die polarisatie zowat 100 miljoen doden geëist, en nog altijd heeft de mensheid niet bijgeleerd. Nog altijd trapt ze in dezelfde val en dreigt er opnieuw een apocalyptische vernietigingsgolf.
Er bestaat dus geen dringender vraag dan hoe we links en rechts met elkaar kunnen verzoenen.

Laten we die vraag eens toespitsen op de vrijheid van meningsuiting.
Rechts is voor absolute vrijheid: alles moet kunnen gezegd worden, hoe kwetsend het voor anderen ook is.
Links is het daar niet mee eens, het vindt dat er grenzen zijn aan de vrijheid van meningsuiting en dat je niet zomaar iedereen mag kwetsen.
Om een lang verhaal kort te maken: rechts heeft gelijk.
De vrijheid van meningsuiting is absoluut of ze is niet.
Een beperking, hoe klein ook, is als een gaatje in een dijk: vroeg of laat breekt de dijk door.
Voor wie in een vrije samenleving wil leven, kan er over dit principe geen discussie bestaan: de vrijheid van meningsuiting moet absoluut zijn.

Daarmee is de zaak natuurlijk niet opgelost, want principes zijn één zaak, de realiteit is een andere.
Er leven in Europa momenteel miljoenen moslims die wel de voordelen van een vrije samenleving willen, maar niet bereid zijn daarvoor de prijs te betalen, want ze willen niet gekwetst worden in hun religieuze gevoelens.
Worden ze toch gekwetst, dan reageren ze met agressie en geweld.
We kunnen daarvan denken wat we willen, maar de realiteit is dat er geweld van komt als we vasthouden aan de vrijheid van meningsuiting zoals rechts die voorstaat.
Links wil dat geweld vermijden door de moslims niet meer kwetsen.
Dat klinkt redelijk want star vasthouden aan de vrijheid van meningsuiting zal die vrijheid uiteindelijk fataal worden.
Toch is de linkse toegeeflijkheid al evenmin realistisch als de principiële houding van rechts, want hoe meer we toegeven aan de moslims, des te meer voelen ze zich tekortgedaan en des te minder moeten ze weten van onze vrije samenleving.
Beide houdingen – de linkse én de rechtse – leiden dus onvermijdelijk tot een botsing tussen de vrije samenleving en de islamitische samenleving.
En daarbij zal de vrije samenleving het onderspit delven, om de eenvoudige reden dat ze verdeeld is.
Als twee honden vechten om één been, dan loopt de derde ermee weg.

Er is dus geen andere mogelijkheid: als we de vrije samenleving willen redden, moeten we rechts en links met elkaar verzoenen.
En dat betekent dat de vrijheid van meningsuiting verzoend moet worden met een niet-kwetsende houding.
Dat klinkt als een contradictio in terminis, want de essentie van de vrije meningsuiting is juist dat men andere mensen mag kwetsen.
Als ik bijvoorbeeld van de kunstwerken van Berlinde De Bruyckere zeg dat ze me braakneigingen bezorgen, dan kwets ik haar daar ongetwijfeld mee.
Maar door die kunstwerken te maken, kwetst ze mij ook.
Wat nu gedaan?
Moet ik mijn mond houden of moet zij ophouden kunst te maken?
Moet zij zich aanpassen aan mij of ik aan haar?
Dat leidt onvermijdelijk tot een machtsstrijd en de kunstwereld toont ons hoe die eindigt: niemand durft zijn mond nog opendoen, niemand durft er nog een eigen mening op nahouden.
Ook de kunstenaar mag niet meer doen wat hij wil, hij moet zich strikt aan de ongeschreven regels houden.
Hij heeft al even weinig vrijheid als de kijker, dat wil zeggen: geen.
Toch voelen beiden zich volkomen vrij: ze denken dat ze mogen doen wat ze willen en ze denken dat ze mogen zeggen wat ze willen.
Dat is waar de ondergang van de vrije samenleving toe leidt: tot slaven die denken dat ze vrij zijn.
Het is de natte droom van elke machthebber.
Mensen die weerzinwekkende dingen doen en daar vreugde aan beleven.
Mensen die naar weerzinwekkende dingen kijken en nog nooit zoiets moois gezien hebben.
Mensen die in de hel zitten en zich in de hemel wanen: wat kan een duivel nog meer wensen?

We moeten de kunst dankbaar zijn dat zij in beeld brengt wat de uiteindelijke gevolgen zullen zijn als we er niet in slagen de vrije samenleving te redden.
Het zal leiden tot de ontmenselijking van de mens.
Het zal van hem een duivel maken die denkt dat hij een engel is.
Het is niet moeilijk om dat mensentype nu reeds waar te nemen.
Maar de kunst zou geen kunst zijn als zij ons niet ook nog iets anders toonde.
Hedendaagse kunst is eigenlijk niets anders dan een karikatuur van de vrije meningsuiting zonder enige beperking: alles is hier toegelaten, hoe kwetsend en choquerend het ook is.
De paradox is dat deze absolute vrijheid omslaat in zijn tegendeel: ze wordt tot de absolute plicht om te kwetsen en te choqueren.
Hedendaagse kunst is per definitie kwetsende en choquerende kunst.
Luc Tuymans vertolkte de geest van deze kunst toen hij zei: ik haat schoonheid!
De klassieke kunst – die schoonheid nastreeft en aangenaam wil zijn – is absoluut taboe in hedendaagse kringen.
Het merkwaardige is nu dat deze Hedendaagse kunst, die met haar bandeloze vrijheid en kwetsende natuur alles belichaamt wat de moslim verafschuwt, in de islamitische wereld niet op verzet stuit (in tegenstelling tot de klassieke kunst).

Hoe valt dat te verklaren?

Ik denk dat het op dezelfde manier verklaard kan worden als de massale solidariteit met Charlie Hebdo.
De grote meerderheid van al die Je suis Charlie-sympathisanten kende Charlie Hebdo niet eens.
Velen onder hen zouden waarschijnlijk zelfs afkeer gevoeld hebben voor het blad als ze het gekend hadden.
Maar ze reageerden niet rationeel, ze reageerden zelfs niet emotioneel, ze reageerden vanuit een dieper aanvoelen van waar het werkelijk om ging: de vrije meningsuiting, de vrije samenleving, de vrije menselijkheid.
Op een gelijkaardige manier reageren moslims, vermoed ik, op de Hedendaagse Kunst.
De meeste moslims kennen deze kunst niet eens, en ze zouden er waarschijnlijk weerzin voor voelen als dat wel het geval was.
Maar net als de Parijzenaars reageren ze er vanuit een diepere bewustzijnslaag op en voelen onbewust aan hoe belangrijk het is om mensen te mogen kwetsen en choqueren.

De Hedendaagse kunst toont met andere woorden aan dat Westerlingen en moslims ten aanzien van de wezenlijkste zaken niet verschillen: allebei vinden ze de vrije samenleving een kostbaar goed, allebei accepteren ze het kwetsende karakter van de Hedendaagse Kunst.
En dat is natuurlijk goed nieuws, want het toont aan dat de Westerse wereld en de moslimwereld wel degelijk met elkaar te verzoenen zijn: in de grond willen ze immers precies hetzelfde.
Dat is trouwens de reden waarom de moslims zo massaal naar Europa emigreren: ze willen deel uitmaken van de vrije samenleving. Daarvoor verlaten ze hun vaderland, daarvoor riskeren ze hun leven, daarvoor hebben ze alles over.
Maar waar ligt dan het probleem?
Waarom raken mensen die hetzelfde willen zodanig slaags dat ze elkaar naar het leven staan en zelfs dreigen te vernietigen?
Hoe kan een gemeenschappelijke impuls de wereld zo verdelen?
Om het antroposofisch uit te drukken: hoe kan de Wederkomst van Christus zo’n uitbarsting van haat veroorzaken?
Het antwoord is eenvoudig: omdat de mensheid zich niet bewust is van die wederkomst.
Zowel Westerlingen als moslims zijn zich niet bewust van de gemeenschappelijke impuls die hen bezielt: Christus, het wezen van de vrije samenleving.

Wat betekent dit nu concreet, in verband met de vrije meningsuiting?
Hoe kunnen twee zo tegengestelde idealen als anderen-mogen-kwetsen en niet-gekwetst-willen-worden met elkaar verzoend worden?
De oplossing ligt in het woordje ‘mogen’.
Vrijheid van meningsuiting betekent: anderen mogen kwetsen.
Het betekent niet: anderen moeten kwetsen, of anderen willen kwetsen.
Wie de vrije samenleving toegedaan is, mag anderen kwetsen, maar hij is daar niet toe verplicht.
Hij is namelijk vrij.
Dat is de kern van de zaak.
We zijn vrij om de ander al dan niet te kwetsen.
We mogen kwetsen, maar we moeten niet.
We kunnen kiezen.
En wie zich werkelijk bewust is van die keuze, zal niet gauw kiezen voor geweld, want hij weet dat het geen oplossing is.
Het is dus niet de keuze die moeilijk is, het is de bewustwording ervan.
Het is niet moeilijk om voor Christus te kiezen, het is zelfs het meest vanzelfsprekende dat er is.
Maar het is ontzettend moeilijk om ons van Hem bewust te worden.
En dat bewustzijn moet zo diep en zo levend zijn dat het tot een tweede natuur wordt, een nieuwe geweldloze natuur die onze oude gewelddadige natuur overwint en vervangt.

Dat bewustzijn sluimert reeds in ons.
Door de aanslag tegen Charlie Hebdo kwam het even naar boven, niet alleen bij Westerlingen maar ook bij moslims.
Opeens besefte iedereen: dit is niet de weg!
Maar dat besef was nog zeer zwak en kwetsbaar.
Het had geen verhaal tegen het intellectuele geweld dat meteen losbarstte en opriep tot oorlog: oorlog tegen het terrorisme, oorlog tegen de fundamentalistische islam, oorlog tegen de vrije meningsuiting, oorlog tegen Pegida, oorlog tegen alles en iedereen.
Deze oorlogsreactie is begrijpelijk, maar het is een onbewuste reactie, hoe geleerd en intellectueel ze ook klinkt.
De echte oorlog die moet uitgevochten worden is een bewustzijnsoorlog.
Er moet gevochten worden om die gemeenschappelijke impuls, die mondiale wil om te leven in een vrije samenleving, tot bewustzijn te brengen.
Daarbij moeten we elkaar mogen kwetsen, want anders kan er niet gevochten worden.
Maar tegelijk moeten we proberen gebruik te maken van onze vrijheid om niet te kwetsen.
We moeten met andere woorden leren vechten zonder te kwetsen.
En dat kan maar op één manier: door er een kunst te maken, door van de ideeënstrijd een spel te maken.
Dat is dus het goede nieuws: we staan niet machteloos tegenover het geweld dat vandaag de wereld teistert.
We kunnen er allemaal iets aan doen.
Iedere keer dat we met andere mensen spreken, kunnen we ons oefenen in de kunst om vrij onze mening te zeggen en toch anderen niet te kwetsen.
Niemand kan ons daartoe verplichten, we kunnen het alleen uit vrije wil doen, en die wil zal des te sterker worden naarmate we inzien dat deze verzoening van de tegenpolen de enige weg naar de toekomst is.

Advertenties