De parodie van Tuymans

door lievendebrouwere

Het kan verkeren, zei Bredero.
Dertig jaar geleden verklaarde Jan Hoet de schilderkunst dood.
Schilderen, zei hij met zijn gebruikelijk aplomb, behoort tot het verleden en geen enkel hedendaags kunstenaar laat zich daar nog mee in.
Vandaag zijn Luc Tuymans en Michaël Borremans wereldberoemd, en is schilderen weer helemaal in.
Vijftig jaar geleden gold het nabootsen van de werkelijkheid als het grootste taboe in de kunstwereld.
Je haalde je de hoon en minachting van alle kenners op de hals als je durfde een gelijkend portret te tekenen of te schilderen.
Sinds de uitvinding van de fotografie was de kunst immers ontslagen van de vernederende taak om de werkelijkheid na te bootsen. Ze kon zich eindelijk volop wijden aan haar scheppende taak.
Wie terugkeerde naar dat nabootsen, was niets minder dan een reactionair.
Vandaag schildert Luc Tuymans een portret van Jean-Marie De Decker op basis van een foto en alle kunstkenners bewonderen hem.
Hun hoon en minachting gelden nu niet de (in het kwadraat) nabootsende schilder, maar de rechter die hem voor dat nabootsen op de vingers tikt.
Ja, het kan beslist verkeren.

Het enige juridische verweer dat Luc Tuymans had tegen de beschuldiging van plagiaat was dat zijn schilderij een parodie was van de foto van Katrijn Van Giel.
Dat verweer was zo doorzichtig dat het zelf een parodie werd.
Iedereen kon namelijk zien dat hij de foto gewoon had nageschilderd.
Maar guess what: de kunstkenners vonden dat je niet van een nabootsing kon spreken omdat de pixels van de foto waren omgezet in verf, en dat was iets heel anders.
Vreemd dat ze dat argument vijftig jaar geleden niet aangevoerd hebben, want een klassiek portret bestaat ook niet uit vlees, huid en haar!
Vreemd ook dat ze dat argument uitgerekend nu aanvoeren, want nog nooit heeft iemand het werk van Tuymans een parodie genoemd.
Het is dan ook lachwekkend om dat nu wel te doen.
Komiek Geert Hoste betoogt zelfs dat hij zowel de persoon als het werk van Tuymans altijd heel humoristisch heeft gevonden.
De vraag rijst of de man geen parodie opvoert, maar te vrezen valt dat hij het ernstig meent.

Luc Tuymans bootst een foto na die zelf reeds een nabootsing is.
Soms maakt hij van die foto eerst nog een andere een foto, waardoor zijn schilderij een nabootsing van een nabootsing van een nabootsing wordt.
De kunstkenners beweren dat dat een parodie is, wat op zich ook reeds een parodie is.
Dat wordt door Geert Hoste (vermoedelijk ongewild) nog eens geparodieerd, waardoor het een parodie op een parodie op een parodie wordt.
Dames en heren, ziedaar de hedendaagse kunstwereld!
Niets is hier wat het lijkt, het is één groot spiegelpaleis.

Het is verleidelijk om daar … een parodie op te maken, want het is toch echt wel een ‘zottekesspel’.
Maar dan springen we zelf op die mallemolen.
We draaien dan mee in die artistieke carrousel tot we helemaal dronken zijn en van de wereld niet meer afweten.
Want daar komt het uiteindelijk op neer: de kunst weet van de wereld niet meer af.
Ze staat helemaal los van de werkelijkheid, verwijst enkel nog naar zichzelf, kopieert zichzelf, bewierookt zichzelf.
De kunstwereld is totaliter aliter.
Konden we in de klassieke kunst onze eigen wereld nog herkennen, dan kunnen we in de ‘hedendaagse’ kunst alleen de kunstwereld zelf herkennen.
En die kunstwereld is een vreemd, op zichzelf staand universum waar heel andere wetten heersen dan in de ons vertrouwde wereld.

Vreemd genoeg verandert dat vreemde universum op slag wanneer de buitenwereld er een oordeel over velt.
Toen de rechter oordeelde dat het gewraakte schilderij van Luc Tuymans geen parodie was, vond de kunstwereld opeens dat het er wel een was.
Nog nooit hadden kenners het werk van Tuymans een parodie genoemd, laat staan humoristisch gevonden (het idee alleen al!), maar nu deden ze dat opeens wel.
Blijkbaar is de Hedendaagse kunstwereld toch niet zo autonoom als hij voorgeeft te zijn.
Bij nader inzien is hij zelfs in hoge mate afhankelijk van de gewone wereld.
Dat bleek ook toen de nieuwe regering (een beetje) wilde besparen op kunst.
Opeens stond heel die zo zelfbewuste en onafhankelijke wereld op stelten.
Het was alsof het einde der beschaving was aangebroken.
Al bijna een eeuw doen kunstenaars hun uiterste best om de ‘gewone’ wereld te choqueren, te bekritiseren, te minachten en te bespotten, maar één enkel woord van kritiek op henzelf of één enkele beperkende maatregel hoe klein ook, vervult hen met ontzetting.
Nee, de zelfstandigheid van de kunstwereld is een schijnzelfstandigheid.
Het is een vermomde afhankelijkheid.

Toen de impressionisten hun atelier verlieten om in de natuur te gaan schilderen, brak een revolutie uit in de kunst.
Kunstenaars gingen in het volle leven staan, ze schilderden de gewone, dagelijkse werkelijkheid.
Ze braken uit hun artistieke cocon en veroverden hun vrijheid.
Vandaag blijft daar niets meer van over.
Wel integendeel, er is een contra-revolutie uitgebroken.
Kunstenaars hebben zich opnieuw teruggetrokken in hun atelier.
Ieder rechtstreeks contact met de werkelijkheid wordt vermeden.
Je zult Luc Tuymans nooit in de natuur of in de stad zien tekenen of schilderen.
Zijn werkelijkheid zijn foto’s in de krant. Die knipt hij uit en schildert ze na.
Soms haalt hij ze eerst door een of andere Instagram-filter voor wat flou artistique, maar dat is alles.
Tuymans schildert foto’s, daar komt het op neer.
En hij is niet de enige. Iederéén doet dat tegenwoordig.
Schilderen is – zeker in de ‘hedendaagse’ kunstwereld – als vanzelfsprekend schilderen-naar-foto’s.

Er schuilt een wrange ironie in deze vaststelling.
Want is de Hedendaagse kunst niet ontstaan in verzet tegen het nabootsen en reproduceren?
De fotografie, zo zei men, had de reproducerende functie van de kunst overgenomen en deze laatste kon nu vrij haar eigen gang gaan.
En dat deed ze ook: ze verwijderde zich zo ver mogelijk van alles wat reproductie en nabootsing was.
Het schilderen van een landschap of een portret werd als ‘reproduceren’ gebrandmerkt en taboe verklaard. Ja, het schilderen zelf werd als passé bestempeld. Het was gecompromitteerd: het had zich te lang ingelaten met nabootsing en zelfs de herinnering daaraan moest uitgeroeid worden.
Maar een oude wijsheid zegt: men wordt wat men bestrijdt, en men wordt het des te sneller naarmate men het heviger bestrijdt.
Het fanatieke verzet tegen de nabootsing in de kunst heeft geleid tot een generatie kunstenaars die niets anders doet dan … nabootsen.
En ze bootsen na in het kwadraat, want ze tekenen en schilderen naar foto’s.
Ze bootsen zelfs nabootsingen van nabootsingen na.

In die zin zou men het werk van Luc Tuymans inderdaad een parodie kunnen noemen.
In die zin zou men de hele Hedendaagse kunst een parodie kunnen noemen.
Zonder het te beseffen drijft ze immers de spot met … zichzelf.
Door van het nabootsen een karikatuur te maken, steekt de Hedendaagse kunst als het ware de draak met zichzelf.
Het is alsof ze zegt: dit is nu het resultaat van onze heroïsche strijd tegen het slaafse nabootsen: een generatie kunstenaars die krantenfoto’s kopieert!
Het is eigenlijk een geweldige grap.
Maar niemand lacht.
Niemand is zich bewust van het zichzelf-parodiërende karakter van de Hedendaagse kunst.
Luc Tuymans denkt dat hij een foto van Jean-Marie De Decker parodieert (al moet hij daaraan herinnerd worden door een uitspraak van de rechtbank) maar in feite parodieert hij zichzelf, in feite parodieert hij de hele Hedendaagse kunst.

Tuymans is als een luie puber die een portret van iemand moet schilderen en denkt: wat een gedoe, ik zoek snel een foto in de krant en schilder die na!
Eigenlijk is de hele Hedendaagse kunst puberaal: ze doet niks anders dan schoppen tegen de schenen van de grote mensen.
Maatschappijkritiek, noemt ze dat.
Het is een kunst die grenzen opzoekt, maar ze niet vindt.
Ze gaat altijd maar verder en verder, en zakt daardoor steeds lager en lager.
In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister, zegt Goethe, und das Gesetz nur kann uns Freiheit geben.
De kunst is bevrijd van haar nabootsende taak, maar ze heeft geen vrijheid gevonden want ze heeft geen nieuwe taak gevonden.
Integendeel, ze is in de slavernij terechtgekomen.
Ze moet de werkelijkheid niet langer nabootsen, maar bootst nu nabootsingen van nabootsingen na.
En dat doet ze niet alleen letterlijk, door foto’s na te schilderen.
Ze doet het ook figuurlijk, door al bijna 100 jaar telkens weer hetzelfde te herhalen.

In feite zoekt de kunst wanhopig naar vrijheid.
Maar ze raakt steeds meer gevangen.
Aan die gevangenschap is ze zodanig gewend dat ze in alle staten is als er iets aan verandert, als er bijvoorbeeld bespaard wordt of als een rechter een oordeel velt.
Het idee om de gevangenis te verlaten, komt echter niet bij haar op.
Want ze voelt zich niet gevangen, ze voelt zich vrij.
De vrijheid van de Hedendaagse kunst – alles kan, alles mag – is echter een schijnvrijheid.
Het is een vrijheid die alleen bestaat zolang de samenleving het gedoogt.
En die samenleving is een anti-autoritaire ouder die alles goed vindt.
Maar zijn ‘verdraagzaamheid’ is in wezen onverschilligheid.
Dat is de pijnlijke waarheid die de kunst niet onder ogen kan zien: de moderne samenleving geeft geen zier om kunst.
Waarom protesteert ze niet als men haar stront als kunst voorschotelt?
Omdat het haar niks kan schelen.
Waarom protesteert ze niet als moslims haar stank voor dank geven?
Omdat die moslims haar niks kunnen schelen.
Er gaapt een diepe kloof tussen kunst en samenleving, een kloof die in de werkelijkheid weerspiegeld wordt als de kloof tussen de islam en het Westen.

Wat pubers zoeken zijn grenzen, en wel de grenzen van hun eigen Ik.
Die grenzen kunnen ze alleen vinden door het contact met een ander Ik.
In het beste geval is dat het Ik van de vader.
Het mannelijke is namelijk datgene-wat-grenzen-stelt.
Maar het mannelijke zit in een diepe crisis: de oude grenzen werken niet meer.
Daardoor is de puber meer en meer aangewezen op de Grote Wereld.
Maar die zit in de greep van ‘het vrouwelijke’.
Alles staat er in het teken van ‘de groep’ en ‘de gemeenschap’.
Er wordt niet gesproken over individuen maar over mannen en vrouwen, over allochtonen en autochtonen, over moslims en niet-moslims, over holebi’s en hetero’s, enzovoort.
De puber vindt daar geen Ik-grenzen meer, hij vindt er alleen groepsgrenzen.
En daar wil hij juist van bevrijd worden: van de groep, van de familie, van de oude banden.
Hij wil een Ik worden, een uniek individu.
En dus trekt hij zich terug in een digitale schijnwereld die hem, zonder dat hij het beseft, gevangen neemt en opsluit in een schijn-Ik.

Zowel de hedendaagse puber als de hedendaagse kunstenaar hebben nood aan nieuwe Ik-grenzen, aan een nieuwe mannelijkheid, aan een nieuw Ik.
Maar dat nieuwe Ik is geestelijk van aard.
De hele digitale wereld – inbegrepen de foto’s die Tuymans naschildert – is een beeld van het materialisme dat als een muur tussen de moderne mens en zijn nieuwe Ik staat.
Het is in dat World Wide Web dat de mens gevangen zit.
En dat geldt net zo goed voor kunstenaars, pubers als moslims.
Want het WWW is een beeld van iets dat in de mens zit, van zijn angst voor de werkelijkheid en dan met name de geestelijke dimensie van de werkelijkheid.
Want zonder die dimensie verwordt de materiële werkelijkheid steeds meer tot schijn, letterlijk én figuurlijk.
Het terrorisme dat vandaag de wereld teistert (en dat al bijna een eeuw de kunst teistert) is tegelijk een poging om te ontsnappen aan de schijn als het product van de angst voor de werkelijkheid, de echte ‘hele’ werkelijkheid.

Tuymans is een typisch voorbeeld van de kunstenaar die de werkelijkheid niet meer kan bereiken.
Hij zit opgesloten in zichzelf, in zijn atelier, in de (digitale) wereld van foto’s.
Dat brengt hem wel materiële rijkdom en roem, maar geen vervulling.
Je hoeft maar naar het werk (én het gezicht) van Luc Tuymans te kijken om daarin de innerlijke leegte, de innerlijke armoede en de innerlijke angst te herkennen.
Tuymans is een bange, blanke man die bejubeld wordt door andere bange, blanke mannen.
En niemand die hem de waarheid durft te zeggen, want in wezen zijn we allemaal zoals hij: gevangen in de schijn, wanhopig op zoek naar de werkelijkheid.

De waarheid is dat Luc Tuymans niets anders gedaan heeft dan stomweg die krantenfoto nageschilderd.
De waarheid is dat zijn kunst een parodie is op de hedendaagse mens die niet veel anders doet dan kopiëren, nabootsen en imiteren, maar wel in de waan verkeert dat hij buitengewoon origineel, uniek en authentiek is.
En dat is een harde waarheid om onder ogen te zien.

Advertenties