Het ruilhart van de Antichrist

door lievendebrouwere

Mijn uiteenzettingen over Christus en de Antichrist zullen veel lezers waarschijnlijk zeer abstract in de oren hebben geklonken, maar ik heb ze nodig om een kader te scheppen voor de veel concretere uiteenzetting waar het me om te doen is.
Ik wil het namelijk hebben over de blinde gelovige in onszelf en dan met name over de manier waarop hij tot uitdrukking komt in onze beleving van kunst.
Die ‘innerlijke moslim’ zoals ik hem al heb genoemd, is explosief van aard.
Er is geen kunst aan om hem te doen ‘ontploffen’.
Maar het plezier dat ik daar een tijdlang in geschept heb, is me vergaan toen ik vaststelde hoe wijd verspreid hij wel was.
Rudolf Steiner wist het 100 jaar geleden al: we zijn veel meer moslim dan we vermoeden.
Het is geen sinecure om deze verborgen moslim te benaderen, dat kunnen we aflezen aan de fluwelen handschoenen waarmee de zichtbare moslims worden aangepakt.
Daarom wil ik mijn beschouwingen over Christus en de Antichrist nog wat verder zetten om de confrontatie theoretisch te kaderen.
Je zou kunnen zeggen dat ik een muur van zandzakjes bouw om de schok op te vangen.

Onze beleving van kunst is in feite de enige levende religiositeit die ons nog rest.
De kunst heeft in onze moderne, seculiere wereld de rol van de religie overgenomen
We staan daar zelden bij stil omdat onze relatie met kunst louter gevoelsmatig is.
Maar sinds de Hedendaagse kunst op het toneel is verschenen, worden we gedwongen om ons bewust te worden van die relatie.
De ‘anti-kunst’ (zoals ze zichzelf wel eens noemt) stelt ons namelijk voor een keuze.
Je kunt niet van het Lam Gods van Van Eyck houden en tegelijk ook van de pispot van Marcel Duchamp.
Of beter: je kunt er niet op dezelfde manier van houden.

Dat doen we dan ook niet.

De ‘klassieke’ kunst benaderen we op een luciferische manier: gevoelsmatig, dromerig, subjectief. We geven ons over aan de schijnwereld van het kunstwerk en schakelen ons verstand uit. Als we dat niet doen, kunnen we nooit doordringen tot het wezen van deze kunst.
De ‘hedendaagse’ kunst daarentegen benaderen we op een ahrimanische manier: verstandelijk, bewust, objectief. We schakelen onze gevoelens uit en houden afstand. Als we dat niet doen, kunnen we nooit het raadsel van deze kunst oplossen.
We kijken dus op een volkomen andere manier naar klassieke en Hedendaagse kunst.
Maar daar zijn we ons niet van bewust.
We maken geen onderscheid tussen beide kunsten.
Voor ons is er maar één kunst: een grote, multiculturele wereld waar plaats is voor de meest diverse kunstuitingen.
We discrimineren niet en daar zijn we trots op.
We beschouwen het als een uiting van onze ruimdenkendheid.
Onderscheid maken tussen een ‘klassieke’ en een ‘hedendaagse’ kunst is in onze ogen een uiting van bekrompenheid, een vorm van artistiek racisme.
De idee dat er dwars door de kunstwereld een grens zou lopen, stoot ons hevig tegen de borst.

Nee, we weigeren te kiezen tussen het Lam Gods en een pispot.
We maken geen onderscheid tussen de oude en de nieuwe kunst.
We doen alsof er niets aan de hand is.
We blijven de kunst gewoon benaderen zoals we dat altijd gedaan hebben: gevoelsmatig, zonder erbij na te denken.
We verzetten ons met andere woorden tegen de bewustwording van (onze relatie met) de kunst.
En dat heeft zware gevolgen.
Bewustwording kun je namelijk niet tegenhouden, je kunt ze alleen tegen zichzelf keren, zodat ze zichzelf begint te vernietigen.
Sinds de Hedendaagse kunst is verschenen, kunnen we niet meer blijven staan bij onze dromerige, gevoelsmatige relatie met kunst.
We moeten wakker worden, anders verliezen we het bewustzijn.
We moeten vooruit, anders gaan we achteruit.

De weigering om te ‘discrimineren’ heeft de moderne kunstliefhebber blind gemaakt.
Hij ziet geen (artistiek) verschil meer tussen het Lam Gods en een pispot.
Een vergelijking tussen die twee zou hem normaliter met afschuw moeten vervullen, maar dat gebeurt niet.
Zijn gevoel zwijgt.
Het reageert niet meer.
De moderne kunstliefhebber is in staat de beelden van bijvoorbeeld Berlinde De Bruyckere te zien zonder misselijk te worden.
Meer zelfs, in plaats van misselijkheid en afschuw, voelt hij bewondering en eerbied.

De Hedendaagse kunst is in feite een religieuze leerschool: ze leert ons bewonderen en eerbiedigen.
Maar het is niet de oude bewondering en eerbied die we hier leren.
Het is een geheel nieuwe bewondering, een bewondering voor wat we normaal gezien verafschuwen.
Deze school legt ons oude kunstzinnig-religieuze gevoel niet alleen het zwijgen op, ze vervangt het ook door een nieuw gevoel, een omgekeerd gevoel.
Dit ‘nieuwe gevoel’ is volkomen blind.

De klassieke kunst is eveneens een leerschool: ze leert ons kijken met het hart.
Als we kijken met het hoofd, zien we alleen een chaotische verzameling van de meest verschillende kunstuitingen.
Maar in de kunst on ne voit bien qu’avec le coeur.
Pas wanneer we met ons hart leren kijken, verandert de artistieke chaos langzaam maar zeker in een hiërarchisch geordend geheel waarin alles zijn plaats heeft.
Ons hart leert onderscheiden tussen hoog en laag, tussen goed en slecht.
Het wordt ziende en het vergist zich niet meer.
Vergissen doet alleen het hoofd.

De oude religieuze beleving heeft in onze moderne wereld plaats gemaakt voor de kunstzinnige beleving, en die kunstzinnige beleving plaatst ons voor een keuze.
Ofwel worden we ons bewust van onze dromerige kunstzinnige beleving.
We doordringen ze met bewustzijn zodat ons hart tot een zintuig wordt, een ziele-oog.
Ofwel, en dat is de tweede mogelijkheid, doen we dat niet en laten alles bij het oude.
We verliezen dan het bewustzijn van onze kunstzinnige beleving.
In plaats dat ons hart ziende wordt, wordt het blind.
Er is immers geen derde mogelijkheid: ofwel wordt ons hart verlicht, ofwel wordt het verduisterd.
Maar het kan niet blijven dromen.

Het wereldwijde succes van de Hedendaagse kunst geeft aan dat ons hart steeds blinder wordt: het maakt geen onderscheid meer, het tast in het duister.
Maar dat betekent niet dat we geen geestelijke waarnemingen meer hebben.
Als dat zo was, zou kunst ons in toenemende mate koud laten.
Boeken, schilderijen, muziek: het zou ons allemaal niets meer zeggen.
Maar dat is duidelijk niet het geval.
Onze belangstelling voor kunst is zelfs veel groter dan vroeger, alleen al maar omdat vrijwel iedereen nu toegang heeft tot kunst.
Deze alomtegenwoordigheid van kunst is een beeld van de alomtegenwoordigheid van de geest.
We kunnen eraan aflezen dat het Kali Yuga afgelopen is en dat de ‘poorten van de hemel’ inderdaad weer zijn opengegaan.

We leven in een wereld die als het ware overspoeld wordt met geest.
Maar we merken er niets van.
Want we zijn geestelijk blind geworden.
We reageren alleen nog instinctief op de geest.
We zijn dan ook geen kunstliefhebbers meer, we zijn kunstconsumenten geworden.
We schrokken kunst gretig naar binnen als een hond, en het maakt niet uit welke kunst het is, als het onze buik maar vult.
In die lage regionen is onze artistieke en/of geestelijke beleving inderdaad afgedaald.
Ons hart is als het ware weggezakt in onze buik.
Het is in de onderwereld terechtgekomen.

Wat we momenteel beleven is een soort ‘neerdaling ter helle’.
Voor heel wat kunstliefhebbers is het echter een soort ‘hemelvaart’.
De onderwereld van de buik is namelijk warm, geborgen en vol van leven.
Hier komen de pispotten en de kakmachines vandaan die als grote kunst worden bewonderd.
Maar ze worden niet waargenomen met het ‘oude’ hart.
Ze worden waargenomen met het nieuwe ‘nieuwe’ hart dat geen verschil meer ziet tussen boven en beneden.
Het ziet ook geen verschil tussen de geest van de onderwereld en de geest van de bovenwereld.
De moderne kunstliefhebber is geenszins een ongelovige die zich enkel nog bezighoudt met aardse, materiële dingen.
Nee, hij is de drager van een nieuwe spiritualiteit, een onderwereld-spiritualiteit.
Hij aanbidt de Antichrist in de overtuiging dat hij Christus aanbidt.
Want zijn geloof is volkomen blind.

De keuze tussen de klassieke en de Hedendaagse kunst is in wezen een keuze tussen Christus en de Antichrist.
Ons hart weet dat.
Daarom wil de Antichrist het vervangen door een hart van eigen makelij, door een schijnbare eenheid van luciferische emoties en ahrimanische gedachten.
Dat antichristelijke ‘hart’ is door en door gespleten.
Het pendelt voortdurend heen en weer tussen Lucifer en Ahriman, zodat die twee een duivelsbrouwsel gaan vormen waarin de Antichrist zich kan uitdrukken.
Daardoor geeft hij ons als het ware een nieuwe identiteit.
De wisselwerking tussen Lucifer en Ahriman is als een geruststellende harteklop waardoor we ons in slaap laten wiegen.

Wat voor gevolgen de vorming van dit antichristelijke hart heeft, zien we in de kunstwereld.
De hedendaagse anti-kunst heeft de hele wereld veroverd: er zijn geen deuren die niet voor haar opengaan, zelfs niet de deuren van het Goetheanum.
Tegelijk zijn er echter andere deuren die dichtgaan.
De Hedendaagse kunst trekt een scherpe grens tussen zichzelf en de klassieke kunst.
Deze laatste wordt overal buitengewurmd teneinde een nieuwe (schijn)eenheid tot stand te brengen.
De Hedendaagse kunst trekt ook een scherpe grens tussen de hogere en de lagere klassen.
Ze mag dan niet discrimineren op geestelijk gebied, op maatschappelijk gebied discrimineert ze des te meer.
Ze kiest ondubbelzinnig partij voor de rijken en machtigen der aarde.
Het grote publiek probeert ze uit de kunstwereld te verdrijven.
Terwijl de elite een wereldwijd netwerk opbouwt dat alle aandacht en geld naar zich toe zuigt, zinkt de gewone bevolking weg in artistieke armoede en verslaving.
De kunstwereld wordt radicaal in twee gedeeld en de deur tussen beide werelden gaat slechts in één richting open.
Iedereen mag de keurtroepen van de Antichrist vervoegen, maar het omgekeerde is strikt verboden.

Gelukkig voor de kunstliefhebber is kunst geen werkelijkheid maar fictie.
Hij wordt als ‘ongelovige’ niet onthoofd of levend verbrand.
Hij wordt enkel verbannen uit de hemel der beschaafden en opgesloten in de hel der cultuurbarbaren.
Maar deze verbanning is erg genoeg: in vroeger tijden werd ze beschouwd als één der ergste straffen.
De mens wordt uit zijn vertrouwde wereld gerukt, zijn Ik wordt als het ware uit zijn ziel gedreven en staat naakt en moederziel alleen in de kou.
We zien in de praktijk dan ook dat veel mensen zich bekeren tot de Hedendaagse kunst, maar dat niemand het omgekeerde doet.
Een bekering heeft immers niets dan voordelen.
Alle deuren gaan open voor de nieuwe gelovige, hij maakt deel uit van een steeds groter wordende gemeenschap, hij moet niet langer nadenken, dat wordt allemaal in zijn plaats gedaan.
Er is slechts één nadeel: de bekeerling moet zijn oude hart afstaan.
Hij moet het vervangen door een nieuw, gemeenschappelijk hart.
Hij moet, zoals men dat vroeger zei, zijn ziel aan de duivel verkopen.

Wie gelooft echter nog in de ziel?
Wie gelooft nog in de duivel?
Voor de moderne mens is dat allemaal fictie.
Maar sinds de Antichrist de grens tussen kunst en werkelijkheid overschreden heeft, is er toch wel een en ander veranderd.
‘Ongelovigen’ worden nu wel degelijk onthoofd of levend verbrand, en onwillekeurig rijst de vraag of de ‘gelovigen’ die dergelijke doodvonnissen uitvoeren wel een ziel hebben.
We beginnen onwillekeurig ook over ‘het kwaad’ te spreken, want we beseffen dat de gruwelen van de Islamitische Staat niet meer vanuit menselijke motieven verklaard kunnen worden.
Deze nieuwe religieuzen hebben een grens overschreden.
Ze hebben hun keuze gemaakt, ze hebben voor de Antichrist gekozen en de deur achter zich dichtgetrokken zodat ze niet meer terug kunnen.

Uiteraard wisten deze (veelal jonge) mensen niet voor wie ze kozen, want ze kozen onbewust.
Terwijl hun hoofd vol was van sloganeske ideeën en hun hart vol van frustraties, ondergingen ze ongemerkt een inwijding, een inwijding in de mysteriën van de Antichrist.
Door die mysteriën kreeg hun leven een nieuwe zin, iets waar ze al zolang en zo wanhopig naar zochten.
We zien op video’s van (ongemaskerde) IS-strijders dan ook niets dan lachende gezichten.
Deze mensen voelen zich gelukkig want eindelijk is hun ziel weer vervuld, eindelijk heeft ze weer een Ik dat orde schept, richting bepaalt en zin geeft.
Dat dit Ik een koekoeksjong is dat alle menselijkheid uit hun ziel zal verwijderen, beseffen ze niet en ze zullen het waarschijnlijk nooit beseffen.
Want ze hebben hun geestelijke of morele onderscheidingsvermogen verloren.
En in ruil hebben ze een nieuw hart gekregen, een schijnhart.

De hele mensheidsgeschiedenis is eigenlijk één lange bewustwording van Christus, een bewustwording van ons diepste gemeenschappelijk Ik.
Het is een bewustwording van wat wij in het diepst van ons wezen WILLEN, en juist omdat we het willen, kunnen we die bewustwording niet ontlopen.
We hebben dus niet de vrijheid om ons NIET bewust te worden van Christus.
We hebben alleen de vrijheid om te kiezen HOE we ons bewust worden: op een christelijke of op een anti-christelijke manier.
Want uiteindelijk komt het op hetzelfde neer: ons bewust worden van de Antichrist is tegelijk een bewust worden van Christus.
Maar de weg van de Antichrist is onnoemelijk veel langer en pijnlijker.
Dat hebben de Duitsers in de 20ste eeuw ondervonden: hun ogen gingen pas open toen ze aan de rand van de totale vernietiging stonden.
En hetzelfde herhaalt zich nu met de moslimwereld.

Maar het herhaalt zich ook in onszelf.
De zichtbare moslim is slechts een spiegelbeeld van de onzichtbare moslim in onze eigen ziel.
Zonder dat we het beseffen, voeden we een koekoeksjong dat onze eigen jongen één voor één uit het nest gooit.
Zonder dat we het beseffen, worden we stap voor stap ingewijd in de mysteriën van de Antichrist.
Materieel gezien hebben we het goed, veel beter dan de gemiddelde moslim.
Maar geestelijk zijn we ziek, veel zieker dan de gemiddelde moslim.
Want we weten niet dat onze ziel in gevaar is.
We slapen, en we slapen diep.
We slapen zo diep dat we nauwelijks nog wakker te krijgen zijn.

Honderd jaar na de pispot van Marcel Duchamp staan we nog altijd in bewondering voor kakmachines en andere onderwereld-kunst.
We mogen onszelf dan wel beschouwen als ‘gematigde’ kunstliefhebbers die dit soort extremen afwijzen, maar hoe sterk de moslim-in-onszelf reeds is geworden, kunnen we afleiden uit het feit dat we allang niet meer protesteren tegen dit artistieke terrorisme.
Meer zelfs, we hebben de terroristen in ons hart gesloten.
We beschouwen ze als één van ons en we ‘ontploffen’ als iemand ze aanvalt.
Dat is wat ik volgende keer wil proberen: ik wil de innerlijke moslim tot ‘ontploffing’ brengen, niet om hem te sarren maar om hem zichtbaar te maken, om aan te tonen dat hij wel degelijk bestaat en geen fictie is.

Advertenties