De spiegel van de kunst

door lievendebrouwere

‘Men moet zich bij het beleven tegenover de idee kunnen plaatsen, anders wordt men door de idee geknecht’.
Aldus Rudolf Steiner in zijn Filosofie der Vrijheid.
Hij heeft het hier natuurlijk niet over de dode, abstracte gedachte (die ons juist vrij laat) maar over de levende idee, dat wil zeggen over het geestelijke wezen achter de gedachte.

De belangrijkste ‘idee’ van onze tijd is ongetwijfeld Christus.
Dat we vandaag zijn wederkomst beleven, plaatst ons voor de opgave om tegenover hem te gaan staan, anders worden we als mensheid ‘geknecht’.
Geknecht worden door Christus is natuurlijk een contradictio in terminis.
Christus is wel de laatste die de vrijheid van de mens in het gedrang zou willen brengen.
Nee, het is door zijn tegenpool, de Antichrist, dat we geknecht worden als we niet tegenover Christus kunnen gaan staan.
En dat is wat vandaag op grote schaal gebeurt.
De Antichrist probeert de hele mensheid te knechten en hij gebruikt daarvoor onze blinde overgave aan Christus.

We raken in toenemende mate in de greep van de Antichrist omdat we de wederkomst van Christus ‘verslapen’.
Die wederkomst vindt namelijk plaats in de etherische wereld, de wereld die geest en materie verbindt.
Aangezien we als mens zowel uit lichaam als uit geest bestaan, is de etherische wereld ons eigenlijke element.
We zwemmen erin rond als een vis in het water, maar net als die vis zijn we ons niet bewust van dat zo vertrouwde element.
Het verschijnen van Christus in de etherische wereld plaatst ons voor de opgave om dit element te leren kennen, anders kunnen we Christus niet onderscheiden van de Antichrist en zal deze laatste ons knechten zonder dat we het zelfs maar merken.

De beste manier om de etherische wereld te leren kennen, is door de kunst.
De etherische wereld is namelijk een bij uitstek kunstzinnige wereld en het zijn etherische krachten die de kunstenaar gebruikt om materie te verheffen tot kunst.
Die kunst bezit dan ook de bij uitstek etherische eigenschap geest en materie met elkaar te verbinden.
Wanneer we naar een kunstwerk kijken, nemen we een etherische wereld waar en we doen dat op een etherische manier.
Wanneer we de wereld van de kunst betreden, dompelen we ons onder in het etherische element.
Maar we zijn ons daar niet van bewust want we gaan kopje onder in dit ‘water’, we kunnen er niet tegenover blijven staan.

Wat daar de gevolgen van zijn, zien we in de hedendaagse kunst.

Door hun vertrouwdheid met de etherische wereld waren kunstenaars de eersten die de wederkomst van Christus gewaarwerden.
Hun kunst ondergaat in de 20ste eeuw dan ook een ware metamorfose.
De ene dag maakten ze nog impressionistische schilderijen, de volgende dag stelden ze … een pispot tentoon.
Ze breken radicaal met het verleden: de kunst van na 1900 kan zelfs niet meer vergeleken worden met de kunst van daarvoor.
Wie de figuur van Christus een beetje kent, kan zich moeilijk voorstellen dat hij zich bij zijn wederkomst artistiek zou uitdrukken door middel van pispotten en kakmachines.
Wie weet hoe een rups verandert in een vlinder kan zich ook maar moeilijk voorstellen dat in de kunst precies het tegenovergestelde zou gebeuren en dat vlinders daar veranderen in rupsen.
En wie ten slotte vaststelt dat één ding géén metamorfose heeft ondergaan – ons bewustzijn – begrijpt wat er gebeurd is: we hebben de wederkomst van Christus ‘verslapen’ en daardoor is de kunst van de 20ste eeuw in handen van de Antichrist gevallen.

Christus en de Antichrist werken vandaag allebei in de etherische wereld.
Zolang we geen zintuig ontwikkelen voor die wereld, zullen we in toenemende mate ‘geknecht’ worden.
Diep in onze ziel – waar ons bewustzijn niet doordringt – begroeten we onze Heiland namelijk met groot enthousiasme.
Onze behoefte aan redding en genezing is zo groot dat we ons blindelings in zijn armen werpen.
We zijn eenvoudig niet in staat om afstand te houden.
Maar die afstand hebben we juist nodig om Christus te kunnen onderscheiden van de pseudo-Heiland.
Het volstaat dat deze laatste door middel van magische beelden en woorden rechtstreeks inwerkt op de onderbewuste lagen van onze ziel en we verliezen alle bezinning.
De gevolgen hebben we gezien in nazi-Duitsland.
En we zien ze vandaag ook in de hedendaagse kunst.

Dat wil zeggen, we zien ze eigenlijk NIET.

We kijken met verbijstering naar het Duitsland van de jaren ’30 en begrijpen niet hoe een hoogontwikkeld en vooruitstrevend volk als de Duitsers in de ban kon raken van zo’n onderwereldbeweging als het nazisme. Op hetzelfde moment staan de meest ontwikkelde en progressieve geesten onder ons vol bewondering voor een onderwereldkunst die bestaat uit pispotten, uitwerpselen en ander afval, en geen moment komt het in hen op dat ze eigenlijk precies hetzelfde doen.
Integendeel, ieder die hun ‘hedendaagse’ kunst in vraag durft te stellen, wordt ervan beschuldigd een … nazi te zijn, een gevaarlijke cultuurbarbaar.
Ze maken dus geen onderscheid meer tussen Christus en de Antichrist, evenmin als de Duitsers destijds.
Ze zijn op etherisch vlak volkomen blind geworden.
Het verontrustende is dat die blindheid vandaag niet slechts één volk treft, maar de hele mensheid.
De hedendaagse anti-kunst wordt bewonderd over de hele wereld, over alle grenzen heen.
Nog verontrustender is dat deze ‘etherische’ blindheid zich nu ook buiten de kunstwereld verspreidt.
Overal ter wereld zijn de hedendaagse intellectuelen behept met de onweerstaanbare drang om zich te onderwerpen aan een ronduit barbaarse ideologie.
Ze laten zich massaal knechten door de Antichrist.

Een en ander maakt duidelijk hoe belangrijk het is dat we bewustzijn ontwikkelen op etherisch gebied.
Het gaat om niets minder dan de redding van onze ziel, want wie eenmaal in de greep is van de Antichrist raakt er niet zomaar weer uit.
Wie ooit geprobeerd heeft in gesprek te gaan met zo’n ‘geknechte’ intellectueel weet dat het onbegonnen werk is: deze mensen zijn niet meer voor rede vatbaar.
We moeten dus uit de greep van de Antichrist blijven, en dat kan maar op één manier: door ons bewustzijn te verruimen, door ons inzicht in de materiële wereld uit te breiden tot de etherische wereld.
En dat is iets wat we kunnen oefenen in de kunst.
Dat is trouwens ook wat de Antichrist gedaan heeft: hij heeft de huidige ‘blindheid’ voorbereid in de kunst.

Door te midden van de klassieke kunstwereld (met zijn tekeningen, schilderijen en beeldhouwwerken) opeens een pispot neer te poten, heeft hij ons onverhoeds overvallen met de vraag: wat is kunst?
Op zich is dat geen slechte zaak, want die vraag leidt ons tot het bewustzijn van de etherische Christus.
Christus is namelijk het wezen van de kunst.
Het menselijke Ik schept zich een spiegel in de kunst, en juist omdat het deel is van het grote mensheids-Ik, schept het tegelijk een spiegel van Christus.
Wanneer we naar een kunstwerk kijken, zien we dus niet alleen onszelf weerspiegeld maar ook Christus.
We zijn ons daar alleen niet van bewust.
Hadden we, toen Marcel Duchamp zijn pispot tentoonstelde, werkelijk de vraag gesteld ‘wat is kunst?’ dan waren we ons bewust geworden van Christus – niet als een abstract, religieus begrip maar als een levende, geestelijke werkelijkheid.
Duchamps pispot verscheen echter in 1917, midden in de eerste wereldoorlog.
We hadden toen wel andere zaken aan ons hoofd dan te vragen naar het wezen van de kunst.

De Antichrist werkte dus op twee vlakken tegelijk: het materieel-fysieke (waar hij dood en vernieling zaaide) en het etherisch-kunstzinnige (waar hij de grootst mogelijke verwarring zaaide).
Dat doet hij trouwens nog altijd.
Door middel van een waar bombardement met intellectualistische beschouwingen over kunst schept hij zoveel verwarring over de vraag wat kunst nu eigenlijk is, dat niemand nog het antwoord vindt.
Tegelijk creëert hij in de buitenwereld zoveel dreiging en angst dat niemand het nog waagt om op die vraag een ander antwoord te geven dan dat van de Antichrist.
En dat antwoord luidt: kunst bestaat niet.
Kunst is gewoon een consensus, een naam die we afspreken ergens aan te geven.
Er is geen wezenlijke inhoud, er zit geen geestelijke realiteit achter.

Door in plaats van een kleurrijk impressionistisch schilderij opeens een pispot voor onze neus te zetten, heeft de Antichrist ons met een schok wakker gemaakt: kunst is niets anders dan een luciferische illusie, een mooie droom.
Die schoktherapie paste hij ook toe op de hele menselijke beschaving.
Met twee wereldoorlogen doorbrak hij de illusie dat de mens een beschaafd wezen was.
Beschaving, zo toonde hij aan, is niet meer dan een laagje vernis waaronder zich de ware roofdieraard van de mens verbergt.
Die ‘nuchtere waarheid’ houdt de Antichrist ons sindsdien onafgebroken voor ogen, in de wetenschap, in de kunst, in de media, ja zelfs in de religie: we zijn een bende wilde dieren die getemd moeten worden, anders loopt het verkeerd af.

De Antichrist is buitengewoon sluw.
Kunst is inderdaad schijn.
Wanneer we naar een schilderij kijken of naar muziek luisteren, zijn we even ‘weg’ van de gewone werkelijkheid: we bevinden ons in een droomwerkelijkheid waaruit we daarna weer ontwaken.
Daar valt niets op af te dingen.
De vraag is echter of die droomwerkelijkheid niet even werkelijk is als de zogenaamde echte werkelijkheid.
Het vermogen om kunst te scheppen en ervan te genieten maakt deel uit van onze menselijke natuur.
Zolang de mens bestaat, maakt hij kunst, iets wat geen enkel dier ooit gekund heeft.
Juist dat scheppende vermogen onderscheidt ons van de dieren.
Het is eigenlijk het meest werkelijke wat er bestaat: zonder dat vermogen zouden we niet meer kunnen leven.
We zouden zonder meer gek worden, we zouden elkaar kapot maken.
Een terugkeer naar het dier-zijn zou pas echt wilde roofdieren van ons maken.

Dat is wat de Antichrist met ons doet: door ons blind te maken voor de kunstenaar-in-ons verandert hij ons in roofdieren die elkaar verscheuren.
Hij doet dat door ons te beletten in de spiegel te kijken, want dat is de enige manier om de kunstenaar-in-ons te leren kennen.
We zijn die kunstenaar namelijk zelf, en als geestelijk wezen kunnen we niet naar onszelf kijken zonder hulp van de spiegelende materie.
De meest concrete spiegel die we hebben, zijn andere mensen, maar sinds de Antichrist zijn duivels ontbonden heeft, is het ontzettend moeilijk geworden om in die spiegel te kijken.
Gelukkig is er ook nog de spiegel van de kunst.
Juist doordat het geen levende spiegel is, stelt hij ons in staat om in alle rust en vrijheid het scheppende wezen van de mens – en dus ook Christus – te benaderen zonder gevaar te lopen geknecht te worden.
Hoe intens onze beleving van kunst ook is, we blijven er altijd tegenover staan.
Dat is vooral het geval met de beeldende kunst.
Haar zeer materiële karakter maakt het nagenoeg onmogelijk om in haar te ‘verdwijnen’ zoals we dat wel kunnen met muziek of dans of literatuur.
Het nadeel is dan weer dat het ons meer moeite kost om ‘erin’ te komen.
Maar in tijden als de onze is dat nadeel juist een voordeel.

(wordt vervolgd)

Advertenties