De wederkomst van Christus in de etherische wereld van de kunst

door lievendebrouwere

Het grootst mogelijke onheil zal over de mensheid komen als ze de wederkomst van Christus verslaapt, aldus Rudolf Steiner.
Er bestaat voor de hedendaagse mens dus geen belangrijker opgave dan wakker te worden voor Christus.
Daarvoor moeten we echter ‘over de drempel’ want Christus manifesteert zich niet in de materiële maar in de etherische wereld, de wereld die de brug vormt tussen materie en geest.
De materie kennen we door ons bewustzijn naar buiten te richten.
De geest door ons bewustzijn naar binnen richten.
Maar wat beide met elkaar verbindt, dat ontgaat ons.
De etherische wereld is voor ons mensen wat water is voor vissen: het element waarin we leven.
Om dat element te leren kennen, moeten we ertegenover gaan staan.
We verliezen dan echter het bewustzijn, als vissen op het droge.
We zien het ‘water’ niet als we erin zitten.
En we zien het niet als we erbuiten staan.
Gelukkig is er de kunst.
Doordat ze geest en materie met elkaar verbindt, biedt ze ons een beeld van het etherische waar we tegenover kunnen gaan staan zonder ons bewustzijn te verliezen.
In de kunst kunnen we dan ook Christus beleven zonder geknecht te worden door de Antichrist.

Maar deze laatste maakt het ons wel heel, heel moeilijk.

Het is bekend welk pandemonium hij in de werkelijkheid veroorzaakt heeft om de 20ste-eeuwse mens te beletten zich bewust te worden van de wederkomst van Christus.
Die apocalyptische uitbarsting vond ook plaats in de kunst.
Ze was daar weliswaar geestelijker van aard, maar daarom niet minder vernietigend.
Zoals Europa door de wereldoorlogen verdeeld werd in een Oostelijk en een Westelijk deel, zo werd de kunst verdeeld in een Klassiek en een Hedendaags deel.
Het geweld – het materiële zowel als het geestelijke – was dus in de eerste plaats tegen het midden gericht, tegen het verbindende etherische element.
Van dat middengebied moest de aandacht worden afgeleid, want daar vond de wederkomst van Christus plaats.

Met name in de kunst zien we dat er sindsdien eigenlijk niks meer veranderd is.
Van zodra we de blik richten op het midden krijgen we te maken met de Antichrist.

Als we voldoende afstand nemen en de kunst als één geheel zien, dan verschijnt haar ‘midden’ als een lege ruimte, een diepe kloof die de kunstwereld in twee deelt.
Om dat midden te kunnen waarnemen, moeten we natuurlijk eerst de twee ‘stukken’ onderscheiden waarin de kunst verdeeld is: het ‘hedendaagse’ en het ‘klassieke’.
Maar juist dit onderscheid is taboe.
Het is absoluut not done om op zo’n ‘polariserende’ manier over kunst te denken.
Er bestààn helemaal geen twee kunsten, er bestaat alleen één grote ‘superdiverse’ kunst.
Wie er anders over denkt, is een culturele racist.
De Antichrist heeft de kunst in twee gedeeld, maar hij wil niet dat we dat zien.
Hij wil dat we slechts één kunst zien, geen twee.
Hij wil niet dat we onderscheid maken.
Hij wil dat we zien wat we denken te zien (eenheid), niet wat we werkelijk zien (tweeheid).
Hij wil dat we denken en waarnemen gewoon omwisselen.

Die omkering is blijkbaar een machtig wapen, want niemand ziet dat de kunst in twee stukken gebroken is.
Iedereen accepteert zonder protest dat er maar één kunst bestaat: de ‘hedendaagse’ kunst, de kunst die zichzelf uitgeroepen heeft tot de enige echte kunst van onze tijd.
Hoe ongemeen sterk de denkbeelden zijn die de Antichrist aan ons opdringt, blijkt uit het feit dat we ze onvoorwaardelijk geloven, hoe weerzinwekkend de werkelijkheid ook is.
We worden gedwongen om – letterlijke en figuurlijke – uitwerpselen als kunst te beschouwen, maar niemand waagt het nog om daartegen te protesteren.
Niemand durft nog de vraag te stellen: is dit werkelijk kunst?
De moderne kunstliefhebber gelooft in de Antichrist zoals een moslim in Allah gelooft: onvoorwaardelijk en fanatiek.
Zelfs de meest barbaarse daden kunnen zijn geloof niet schokken.

Dat er nog een andere kunst zou kunnen bestaan, een kunst die NIET bestaat uit alle mogelijke soorten afval, komt niet eens in hem op.
Zijn geloof in de denkbeeldige eenheid die de Antichrist hem voorhoudt, is een tweede natuur geworden, een etherische eigenschap.
Wat de kunstliefhebber ook ziet of denkt of voelt: het is niet bij machte iets te veranderen aan zijn antichristelijke benadering van kunst.
Hij is ‘etherisch geknecht’.
De Antichrist heeft hem de toegang tot Christus versperd.
Dat geldt in de eerste plaats voor de kunst van onze tijd: daar is de moderne kunstliefhebber volkomen blind voor.
Maar deze blindheid verspreidt zich ook over de kunst uit het verleden.
En dat is een verontrustende gedachte, want de kunst is de enige plek waar we in onze seculiere tijd nog de brug kunnen slaan naar de wereld van de geest.

Als we de toegang tot Christus weer willen vrijmaken, dan moeten we met ons bewustzijn doordringen in het etherische gebied en daar de confrontatie met ons geloof in de Antichrist aangaan.
Het meest aangewezen gebied om dat te doen, is de kunst.

Als we een schilderij bekijken zoals we de gewone, materiële werkelijkheid bekijken, dan zien we geen kunstwerk, maar alleen een doek dat bedekt is met verfklodders.
Willen we het schilderij als schilderij zien, dan moeten we overschakelen op een ander, dromeriger bewustzijn, een ‘etherisch’ bewustzijn.
We moeten ons overgeven aan de illusie dat die verfklodders bijvoorbeeld een schaal met appelen zijn.
We doen dat automatisch: we zien een kunstwerk NOOIT zoals we de gewone werkelijkheid zien, we zien het ALTIJD op een ‘etherische’ manier.
Maar daar zijn we ons niet van bewust.
We benaderen kunst op een onbewust-etherische manier.

We denken volkomen wakker te zijn wanneer we naar kunst kijken, maar dat is niet zo.
Onder invloed van het etherische karakter van de kunstwerken brengen we onszelf (zonder het te weten) in een staat van ‘verminderd’ bewustzijn: we schakelen ons heldere, rationele denken uit.
Dat is namelijk de voorwaarde om überhaupt kunst te KUNNEN zien.
De dichter Rilke zei het al: met niets komen we een kunstwerk minder nabij dan met het kritische verstand.
Dat verstand moeten we in de vestiaire achterlaten.
We moeten dromers worden, ‘gelovige’ mensen.
Wanneer we een museum of een tentoonstellingsruimte betreden, betreden we een (moderne) tempel, een sacrale ruimte.
We beseffen het niet, maar we komen hier om Christus te vereren.

Terwijl de kerken leeglopen, lopen de musea vol.
Maar schijn bedriegt.
Het museumbezoek gaat dezelfde kant op als het vroegere kerkbezoek: het verwordt tot een leeg ritueel waarvan de betekenis ons ontgaat, laat staan dat het ons nog in contact brengt met Christus.
Om dat contact te herstellen, moeten we ons bewust worden van de ware aard van dat ritueel.
We moeten ons bewust worden van de manier waarop we naar kunst kijken.
Vroeger was dat niet nodig.
Zolang Christus nog niet in de etherische wereld was verschenen, drukte hij zich nog voldoende sterk uit in de materiële wereld.
De rechtstreekse invloed die van kunstwerken uitging, was vele malen groter dan vandaag en mensen die er zich aan overgaven, konden Christus nog duidelijk leren kennen (ook al beseften ze niet dat het om Christus ging).
Vandaag is dat niet langer het geval.
Sinds Christus ‘over de drempel’ is gegaan, moeten ook wij over de drempel gaan.
We moeten hem als het ware tegemoetkomen en in het midden ontmoeten.
Zoals zijn Ik overgegaan is van de materiële naar de etherische wereld, zo moet ons bewustzijn overgaan van de astrale naar de etherische wereld.
We moeten bewust doordringen in de etherische wereld.
Doen we dat niet, en gaan we zoals vroeger onbewust over de drempel dan vallen we in handen van de Antichrist en veranderen zonder het te beseffen in fanatieke gelovigen.

De bewuste drempeloverschrijding plaatst ons echter voor een schijnbaar onoverkomelijk probleem.
Ons heldere, rationele bewustzijn hebben we ontwikkeld door ons terug te trekken uit de etherische sfeer. We zien de wereld niet langer als een kunstwerk maar als een dood voorwerp waarmee we kunnen doen wat we willen, bijvoorbeeld: het helemaal uit elkaar halen om te zien hoe het ineen zit.
Zo hebben we de wetenschap ontwikkeld.
Zo hebben we ook onze vrijheid veroverd.
Door ons terug te trekken uit (de onderste, etherische laag van) de geestelijke wereld.
Als we die geestelijke wereld weer willen leren kennen, moeten we dat wetenschappelijke bewustzijn op de etherische wereld richten.
Maar dan vernietigen we die wereld.
We gaan dan te werk als een wetenschapper die een schilderij wil leren kennen door het in duizend stukjes te knippen en die grondig te analyseren.
De conclusie is dan onvermijdelijk dat … kunst niet bestaat.

Op die (materialistische) manier leren we natuurlijk nooit de kunstzinnige of de etherische wereld kennen.
Vóór we er ons bewust kunnen van worden, moeten we ons eerst overgeven aan die wereld, anders bestaat hij doodeenvoudig niet voor ons.
We moeten ons verstand uitschakelen en onderduiken in het ‘water’ van de etherische sfeer.
Maar … daardoor verliezen we het bewustzijn.
We zijn niet langer wakker meer, we zijn dromers geworden.
En we kunnen niet tegelijk slapen én wakker zijn.
Of wel?

Van die die vraag hangt eigenlijk alles af.
Als we niet wakker kunnen worden IN de etherische wereld, dan is de toegang tot de geest voorgoed afgesloten, dan vinden we Christus nooit.
Laten we dus proberen om die cruciale vraag wat scherper te stellen.

Als we naar kunst kijken dan schakelen we (bewust of onbewust) ons verstand uit.
Kunst is namelijk bij uitstek het gebied waar on ne voit bien qu’avec le coeur.
De Antichrist heeft de zaken natuurlijk op z’n kop gezet: hij heeft van de kunst een intellectuele aangelegenheid gemaakt.
Hij dwingt ons om bij het betreden van de (etherische) wereld van de kunst niet ons verstand maar ons gevoel uit te schakelen.
Hij keert de zaken dus gewoon om.
Op die manier is het natuurlijk niet moeilijk om bewust door te dringen in de etherische wereld.
Het is dan echter wel een etherische onderwereld die we leren kennen, een wereld waar niet Christus maar de Antichrist de scepter zwaait.
En we beseffen dat niet, want we kunnen geen onderscheid maken in deze geestelijke wereld.
Dat kunnen we alleen met ons hart, maar dat hebben we juist in de vestiaire achtergelaten.

In de materiële wereld kunnen we alleen onderscheiden met ons hoofd.
De gevoelens van ons hart vertroebelen het heldere verstand.
In de geestelijke wereld is het precies omgekeerd.
Hier kunnen we alleen onderscheiden met ons hart.
De gedachten van het hoofd leiden er ons op dwaalwegen.
In de materiële wereld verschaffen ze ons objectieve, algemeen geldende kennis, maar in de geestelijke wereld hebben we er niets aan.
We kunnen deze gedachten niet meenemen over de drempel, we moeten ze achterlaten.
Aan de ‘andere kant’ zijn we aangewezen op de gevoelens van ons hart, zoals we dat ook zijn in de wereld van de kunst.
Maar die gevoelens verschaffen ons geen objectieve kennis, daarvoor zijn ze te subjectief, te persoonlijk.
Ze sluiten ons als het ware op in een klein stukje van de geestelijke en kunstzinnige wereld.
Over het wezen van die wereld – Christus – vertellen ze ons niets, behalve op uitzonderlijke momenten buiten onze vrije wil om.

Wakker worden in de etherische wereld betekent dus tegelijk wakker worden in onze gevoelens, licht ontsteken in ons hart.
Want ons hart kan wel voelen, maar het kan niet zien.
Het kan onderscheiden, maar alleen tastend.
En daardoor loopt het gevaar eveneens geen verschil te zien tussen Christus en de Antichrist, want deze laatste draagt een schaapsvacht.
Nee, op een veilige manier de etherische wereld betreden – dat wil zeggen zonder in handen te vallen van de Antichrist – is alleen mogelijk met een hart dat ziende is geworden en even helder en objectief waarneemt als een hoofd.

En hier rijst opnieuw de vraag: is zoiets mogelijk?
Kan het menselijk hart een zintuig worden, kunnen gevoelens objectief zijn?
Het postmoderne antwoord op die vraag is een luid NEEN!
Maar dat is niet ons antwoord, het is het antwoord van de Antichrist.
Dat ondervinden we wel als we die vraag bevestigend beantwoorden.
Want dan gaan de poppen aan het dansen.

(wordt vervolgd)

Advertenties