De belangrijkste vraag van onze tijd

door lievendebrouwere

Kunnen gevoelens objectief zijn?

Met die vraag bereik ik langzaam weer vaste bodem na een vlucht in abstracte hoogten.
Die ‘omweg’ was noodzakelijk om duidelijk te maken welk gewicht deze ogenschijnlijk onbelangrijke vraag heeft.
Ons hart voelt het belang van deze vraag wel degelijk aan en reageert er zelfs heftig op, tenminste wanneer ze concreet gesteld wordt.
Het weet echter niet waaróm het zo opgewonden reageert.
Dat kan alleen het verstand vertellen.
Maar gevoelens verhelderen met het verstand is een ongelooflijk geploeter.
Volgens Rudolf Steiner is dat geploeter echter buitengewoon belangrijk want het bepaalt hoe betrouwbaar onze gevoelens zijn, met name wanneer ze over de geestelijke wereld spreken (iets wat het verstand niet kan).

Nu kunnen we natuurlijk zeggen: ik heb geen boodschap aan de geestelijke wereld, ik beperk me tot de zichtbare, materiële wereld, daar heb ik meer dan genoeg aan.
Maar dat is een misvatting.
Zeker in onze moderne tijd is het een tragische misvatting te denken dat we ons kunnen beperken tot de materiële wereld.
Dat kunnen we alleen in het laboratorium van de wetenschap.
In het gewone leven lopen geest en materie voortdurend door elkaar heen.
Wie hier alleen maar materie meent te zien, misleidt zichzelf en komt op dwaalwegen terecht.
De reden waarom de moderne mens zodanig het noorden kwijt is, ligt juist in zijn onvermogen om materie en geest te onderscheiden.
Dat onvermogen is natuurlijk een gevolg van het materialisme: wie niet gelooft dat de geest bestaat, zal ook niet proberen hem te onderscheiden.
Hij zal geen aandacht besteden aan de gevoelswereld.
Dat is voor hem immers een fictieve wereld.

We denken dat we wakker zijn en de werkelijkheid zien zoals ze is, nuchter en objectief.
Maar niets is minder waar.
We slapen, en het zijn bepaald geen zoete dromen die we dromen.
We komen langzaam maar zeker in een nachtmerrie terecht.
Tegen een nachtmerrie bestaat er maar één remedie: wakker worden.
Maar dat is nu net waar de Antichrist zich hevig tegen verzet.
Hij wil dat we blijven slapen.
Hij wil dat de kloof tussen ons gevoel en ons verstand steeds groter wordt.
Het is met zijn wil dat we in botsing komen wanneer we de vraag stellen of gevoelens objectief kunnen zijn.
Maar we moeten de vraag wel concreet stellen, want voor abstracte vragen haalt de Antichrist zijn schouders op.
Het moet een vraag zijn die uit het hart komt.

Zo’n vraag is bijvoorbeeld: is dit kunst?
Wanneer we voor een pispot staan of enig ander stuk afval dat ons als kunst gepresenteerd wordt, is dat een heel eenvoudige, zelfs voor de hand liggende vraag, een vraag die spontaan uit ons hart oprijst.
En toch is ze taboe.

Naar aanleiding van de zaak Luc Tuymans schreef iemand: in plaats van ons af te vragen of het schilderij plagiaat is, zouden we ons misschien beter eens afvragen of het wel kunst is.
Die vraag werd gesteld in een satirisch stuk en dat is de enige manier waarop ze nog gesteld kan worden: bij wijze van grap.
Niemand luistert nog als de vraag in ernst wordt gesteld.
Ze wordt als een non-vraag beschouwd.
Iedereen is het er namelijk over eens dat je niet kunt zeggen wat kunst is.
Ieder oordeel over kunst is immers subjectief, en dus kan alleen een consensus bepalen of iets kunst is.
Over het werk van Luc Tuymans is men tot de consensus gekomen dat het grote kunst is, en het heeft geen zin die consensus aan te vechten, tenzij men in de positie verkeert die consensus te kunnen veranderen.
In de praktijk is dat onmogelijk want dan moet men opboksen tegen honderden mensen die allemaal heel veel geld geïnvesteerd hebben in het werk van Luc Tuymans.
Ze zullen nooit toestaan dat ze dat geld kwijtspelen doordat de consensus verandert.
Het zijn trouwens deze rijkelui die de consensus gecreëerd hebben.
Als individuele kunstliefhebber sta je machteloos tegenover dit internationale consortium van kunsthebbers.

Deze machteloosheid van het individu wortelt geheel en al in de overtuiging dat gevoelens niet objectief kunnen zijn.
Als dat WEL zo was, zouden de zaken er helemaal anders uitzien.
Er zou dan geen consensus nodig zijn om vast te stellen of iets kunst is.
Iedereen zou dat met eigen ogen kunnen vaststellen.
Als het hart even objectief kon waarnemen als het oog, zou het meteen duidelijk zijn of iets kunst is of niet.
Er zouden geen kunstpausen of andere consensus-deskundigen meer nodig zijn om ons te vertellen wat we moeten zien, wat we moeten voelen, wat we moeten denken.
We zouden dat allemaal weer ZELF kunnen doen.
Het zou dan ook afgelopen zijn met ‘kunstenaars’ als Marcel Duchamp die zeggen: dit is kunst omdat ik het zeg!
We zouden niks meer hoeven te geloven, we zouden het zelf kunnen zien.

Het draait dus allemaal om de vraag: kunnen gevoelens objectief zijn?
Kan de kloof tussen gevoel en verstand overbrugd worden?
Pas wanneer we deze vraag in abstracto stellen wordt duidelijk hoe cruciaal ze is.
Het is zonder meer de Belangrijkste Vraag van onze tijd.
Want het ligt voor de hand dat we de wederkomst van Christus niet met onze fysieke ogen kunnen waarnemen.
En we zijn ook niet in staat hem helderziend waar te nemen.
Het enige contact dat we nog hebben met de wereld van de geest zijn onze gevoelens.
Maar die vertellen ons evenmin iets over Christus, althans niet voor zover we weten.
Als we Christus willen waarnemen – en niets is vandaag belangrijker dan dat – dan moeten we WETEN wat we voelen, dan moeten we in onze gevoelswereld ZIENDE worden.
We zien pas iets als we weten dat we het zien.
Dieren zien een schilderij net zo goed als wij, misschien zelfs beter.
Maar ze weten niet wat ze zien.
En dus zien ze helemaal geen schilderij.

Zo kijken ook wij (in toenemende mate) naar de werkelijkheid: als dieren.
Onze zintuigen zijn scherper dan ooit, ons verstand was nooit meer ontwikkeld.
En toch zien we eigenlijk niets.
We zien niet dat de wereld een kunstwerk is.
We zien niet dat het wezen van dat kunstwerk Christus is.
We hebben daar geen flauw idee van.
Want we slapen, we dromen, we zijn niet wakker.
En we weten het niet.
We weten niet dat we slapen omdat we niet weten wat we zien.
We zien Christus met ons hart, maar we weten het niet.
We zien hem overal en we reageren daar instinctief op door ons hart te openen, maar we weten niet dat we hem zien, we herkennen hem niet.
Want het is duister in ons hart, er brandt geen licht, we kunnen er niets onderscheiden.
Onderscheiden doen we namelijk alleen met ons hoofd en dat heeft niet de minste belangstelling voor ons duistere hart met zijn subjectieve gevoelens.
Daardoor kan in dat hart – dat zijn deuren wagenwijd heeft opengezet voor Christus – de Antichrist binnensluipen zonder dat we er iets van merken.

We merken zijn aanwezigheid pas op wanneer we de vraag stellen of er licht kan ontstoken worden in ons hart.
Daar reageert hij heftig op, want hij weet dat hij geen kans maakt als we hem zien.
En dat laatste kunnen we alleen met ons hart.
Laten we dus de vraag stellen of we met ons hart kunnen zien.
Laten we ze heel concreet stellen ten aanzien van de kunst.

Is het mogelijk om duidelijk te zien of iets kunst is of niet?

(wordt vervolgd)

Advertenties