De al-Baghdadi in ons

door lievendebrouwere

Verleden week verscheen in de kranten een korte biografie van al-Baghdadi, de gevreesde leider van IS.
Ik moest onwillekeurig denken aan Hitler: eenzelfde banale figuur, eenzelfde schimmig verleden, eenzelfde studie-afwijzing, eenzelfde verblijf in de gevangenis, eenzelfde politiek talent, eenzelfde hypnotiserende redenaar, eenzelfde wreedaardigheid, eenzelfde blitzcarrière.
Een jaar geleden wist niemand nog wie deze man was, vandaag jaagt hij de hele wereld angst aan.
Ik ging op youtube eens kijken naar de toespraak waarmee hij verleden zomer in de openbaarheid is getreden en dat was … verhelderend.
Het is voor een modern mens namelijk totaal onbegrijpelijk hoe zo’n monotone, slaapverwekkende speech wereldwijd zo’n opschudding kon veroorzaken, want onmiddellijk begonnen van over de hele wereld de jihadi’s toe te stromen.
Blijkbaar heeft al-Baghdadi iets wakker gemaakt dat in de ziel van vele moslims sluimert en verstaat hij – net als Hitler – de kunst om te verwoorden wat in diepe onbewuste lagen van de moslimziel leeft.

De vraag is wat dat wel zou kunnen zijn.

Uit alles wat al-Baghdadi zegt, blijkt dat hij terug wil keren naar de oorspronkelijke islam, de islam van de 7de eeuw.
Uit alles wat hij doet, blijkt dat hij Mohammed wil navolgen, de profeet waarvan hij trouwens beweert rechtstreeks af te stammen.
Alles wat hij zegt en doet, wordt tot in de details gestaafd met verzen uit de Koran.
Zijn fameuze toespraak in de moskee van Mosul bestaat voor meer dan de helft uit Koran-verzen.
De bewering dat hij geen moslim zou zijn, is bespottelijk.
Als er één echte moslim bestaat, dan is het wel al-Baghdadi.
Hij is als het ware een tweede Mohammed, de ideale moslim dus.
En zo gedraagt hij zich ook.
Ik ben de leider van ALLE moslims, zegt hij, wie mij niet volgt is geen moslim.

Het is een bijzonder hoog spel dat Al-Baghdadi speelt want ‘als een moslim tegen zijn broeder zegt dat hij geen moslim is, dan heeft één van beiden gelijk’.
Aldus Mohammed.
Ofwel is de beschuldigde een afvallige, ofwel de beschuldiger.
En groter zonde bestaat er niet in de islam.
Op afvalligheid staat de doodstraf.
Al-Baghdadi plaatst moslims dus voor de keuze: ofwel is men VOOR hem, ofwel is men TEGEN hem.
Ofwel is hij de grootste moslim, en moet iedereen hem navolgen.
Ofwel is hij de grootste ketter, en dan moet men hem ter dood brengen.
Een tussenweg is er niet, daar laat Al-Baghdadi geen twijfel over bestaan.
Alleen moslims die IS vervoegen, kennen in zijn ogen genade.
Hij is er dan ook van overtuigd dat de eindstrijd begonnen is.
Het kaf wordt van het koren gescheiden.
En iedereen moet kiezen waartoe hij wil behoren.

Dat is in een paar lijnen wat er blijkbaar op de bodem van de moslimziel sluimert en wat op de een of andere manier door al-Baghdadi wordt wakker gemaakt: het einde der tijden is aangebroken, de scheiding der geesten is ingezet, het laatste oordeel is nakende.
Deze dingen leven echter niet alleen in het onderbewuste van de moslim, ze leven in het onderbewuste van ieder mens.
Diep van binnen weten we allemaal dat we op een kritiek moment in de wereldgeschiedenis zijn aangekomen.
Wat dat betreft is er geen verschil tussen de moslim en de Westerling.
Maar er is een heel groot verschil in de manier waarop beiden daarop reageren.
Wij Westerlingen reageren door na te denken.
In crisissituaties proberen we het hoofd koel te houden en overleg te plegen.
Moslims reageren op de tegenovergestelde manier.
Ze verliezen het hoofd en geven zich over aan een hogere leiding.
De Westerse reactie is een individuele reactie, de moslimreactie is een groepsreactie.

Natuurlijk is dit een veralgemening – Westerlingen zijn vaak heel wat minder individueel dan ze lijken en moslims reageren zelden als één blok – maar als we kijken naar het streven is het onderscheid heel duidelijk.
Bij Westerlingen overheerst het streven naar individualiteit, vrijheid en zelfstandigheid.
Bij moslims overheerst het tegenovergestelde streven.
Dat merk ik nog het duidelijkst bij moslim-intellectuelen: ook al schoppen ze het tot hoogleraar aan een Westerse universiteit, ze blijven in de eerste plaats moslim.
Ik heb het al meer gezegd: in al die jaren heb ik nog nooit een artikel gelezen van een moslim-intellectueel dat niet dezelfde boodschap uitdroeg: jullie zijn verkeerd, daar zijn wij het slachtoffer van en dat zal jullie berouwen.
In welke vorm die boodschap ook wordt gegoten, in wezen is het dezelfde boodschap die ook al-Baghdadi uitdraagt.
Ook al lijken ze perfect geïntegreerd, niet één van die talrijke moslim-intellectuelen slaagt erin een eigen, individueel standpunt in te nemen, althans niet in het openbaar.

We mogen er als Westerlingen dan wel van overtuigd zijn dat alle mensen gelijk zijn, ze zijn ook in hoge mate ongelijk.
Tussen onszelf en de moslims bijvoorbeeld gaapt een diepe kloof.
En dat is een zeer inconvenient truth.
Als we werkelijk een gemeenschappelijke grond willen vinden, dan zullen we in die kloof moeten afdalen.
En dat is wat we doen als we met ons bewustzijn doordringen in de wereld van de kunst.
Want we begeven ons dan op een gebied waar materie en geest samenkomen en waar ook het Westerse materialisme en het islamitische geloof elkaar ontmoeten.

We realiseren het ons namelijk niet, maar in de kunst gedragen we ons als … moslims.

Toen Marcel Duchamp 100 jaar geleden zijn pispot tentoonstelde, deed hij dat met een uitspraak die sindsdien de grondgedachte van de Westerse kunst is geworden: dit is kunst omdat ik het zeg!
We kunnen moeilijk beweren dat we pispotten, uitwerpselen en ander afval als kunst beschouwen op basis van een zelfstandig, individueel oordeel.
We doen dat ‘omdat het ons gezegd wordt’.
We doen het omdat we niet anders durven.
Want er zwaait wat als we het (collectief) opgelegde oordeel niet accepteren en het vervangen door ons eigen (afwijkende) oordeel.
We worden dan als ‘afvalligen’ beschouwd en uit de artistieke gemeenschap gestoten.
En dat is een ‘doodstraf’ die we onder geen beding willen riskeren.
Stiekem twijfelen we er misschien wel aan dat een pispot kunst is, maar dat zullen we nooit openlijk toegeven.
In het openbaar erkennen we de Hedendaagse kunst als de enige, echte kunst van onze tijd en Jan Hoet (vrede zij met hem) als haar Profeet.

Wat moslims op religieus gebied doen, dat doen wij op artistiek gebied: ons onderwerpen aan profeten, kaliefen, ayatollahs en andere van God gezondenen.
Op het niveau van ons heldere (fysieke) bewustzijn begrijpen we niets van die moslims met hun fanatieke geloof en voelen we een diepe afkeer voor hun primitieve groepsgedrag.
Maar op het niveau van ons dromerige (etherische) bewustzijn doen we precies hetzelfde als zij.
Dat beseffen we natuurlijk niet, want we vermijden angstvallig de grens die tussen deze twee bewustzijnsniveaus loopt.
Want dan zouden we moeten inzien dat we ons op kunstzinnig gebied net als moslims gedragen: we buigen diep ter aarde voor zelfverklaarde profeten die allerlei nonsens uitkramen.
We zouden dan ook moeten inzien dat moslims zich op wetenschappelijk gebied net als Westerlingen gedragen: ze drijven de spot met het blinde geloof van anderen (in dit geval: ons geloof in de Rede).

Als we de grens tussen de fysieke en de etherische wereld overschrijden, komen we terecht in een wereld waar Westerlingen zich als moslims en moslims zich als Westerlingen gedragen.
Beiden ontmoeten elkaar dus op die grens en stellen tot hun verbazing vast dat ze eigenlijk gelijk zijn.
Tenminste, dat zouden ze vaststellen als ze hun bewustzijn konden bewaren.
Maar dat is nu net het grote probleem: we verliezen het bewustzijn wanneer we deze grens overschrijden.
We beginnen te dromen zoals wanneer we een museum binnenstappen.
En we weten het niet.
We denken dat we wakker blijven, maar ons denken heeft ongemerkt zijn helderheid verloren.
Dat beseffen we niet omdat we doorgaans niet denken in een museum: we kijken alleen maar in zwijgende bewondering.
Beginnen we toch te denken (zoals intellectuelen dat vandaag in groten getale doen) dan klinkt ons betoog misschien wel geleerd en gepassioneerd, maar eigenlijk houdt het geen steek.
We zijn geestelijk in zekere zin dronken.
Jan Hoet (vrede zij met hem) was daar een treffend voorbeeld van: als je je door hem liet ‘betoveren’, dat wil zeggen als je je liet wegglijden in de etherische droomsfeer die hij wist te creëren, dan was hij een machtig interessante kerel, een visionair, een profeet.
Maar als je wakker en nuchter bleef, dan stelde je vast dat er geen logica zat in wat hij vertelde.
Hij verkocht gebakken lucht, net als al-Baghdadi.

De ongelooflijke invloed die van dit soort profeten uitgaat, illustreert hoe buitengewoon moeilijk het is om wakker te blijven op de grens tussen geest en materie.
Maar als we de apocalyptische clash of civilizations willen vermijden waar een zelfverklaarde profeet als al-Baghdadi rechtstreeks op aanstuurt, dan hebben we geen keuze.
Als we willen doordringen tot de gemeenschappelijke grond van moslims en Westerlingen, dan moeten we over de drempel gaan zonder ons hoofd te verliezen.
Of beter, zonder ons bewustzijn te verliezen, want ons hoofd kunnen we niet meenemen over de ‘drempel’.
En dan komen we (weer) bij de vraag: is dat wel mogelijk?
Is het mogelijk om ons hoofd te verliezen en toch bij bewustzijn te blijven?
Bestaat er nog een ander bewustzijn dan ons hoofdbewustzijn, een bewustzijn dat even helder en objectief is?
Is het met andere woorden mogelijk om helder te zien op een gebied dat we alleen maar dromerig, gevoelsmatig kunnen waarnemen?
Is het bijvoorbeeld mogelijk om helderziend te worden op het gebied van de kunst?

Advertenties