De echte Jihad

door lievendebrouwere

Het is een vertrouwd tafereel in de grote Europese steden: het moslimkoppel.
Hij: moderner dan de modernste Westerling.
Zij: van top tot teen in zwarte sluiers gehuld.
Samen vormen ze een beeld van de gespleten moslimziel.
Aan de buitenkant: volkomen verwesterd.
Aan de binnenkant: fanatiek islamitisch.
Het verbazingwekkende is dat dit tafereel … geen verbazing wekt.
We lijken het niet eens op te merken, hoewel het een extreme onderwerping van de vrouw aan de man toont, iets wat ons normaal gezien toch hevig tegen de borst stoot.
Eén van onze grote idealen is namelijk de gelijkheid van man en vrouw.
We willen zelfs quota invoeren om die gelijkheid op ieder gebied af te dwingen.
Maar dat vurige idealisme geldt duidelijk niet de moslims.
Bij hen accepteren we de grootst mogelijke ongelijkheid tussen man en vrouw.
Meer zelfs, maatregelen om die ongelijkheid tegen te gaan – zoals het hoofddoekenverbod – stuiten op hevige tegenstand.
We hanteren dus heel andere normen voor onszelf en voor moslims.
Maar daar zijn we ons niet van bewust, integendeel.
Ons grote ideaal is juist de gelijkheid, niet alleen tussen man en vrouw, maar ook tussen Europeanen en moslims.
Alle Menschen werden Brüder en iedere discriminatie wekt onze verontwaardiging.

Hoe valt deze contradictie te verklaren?
Hoe komt het dat we niet verontwaardigd reageren op zo’n moslimkoppel, terwijl het toch een beeld is van de meest extreme onderwerping van de vrouw aan de man?
We doen zelfs alsof het een volkomen vanzelfsprekend beeld is.
En eigenlijk is het dat ook.
Het is namelijk een beeld van … onze eigen ziel.
Aan de buitenkant volkomen verwesterd.
Aan de binnenkant fanatiek islamitisch.
Het enige verschil is dat de moslims hun gespleten ziel openlijk in beeld brengen terwijl wij die ziel zorgvuldig verbergen.
Maar geen van beiden zijn we ons daarvan bewust.

Moslims zien er aan de buitenkant uit zoals wij: modern, zelfbewust, volkomen geïntegreerd, handig in de omgang met mechanica en electronica.
Van binnen leven ze echter nog in de Middeleeuwen.
Een vrije, democratische samenleving vinden ze onzin, een uitvinding van de duivel.
Waar ze met heel hun hart naar haken is een van hogerhand geleide samenleving, een samenleving waarin hen precies verteld wordt wat ze moeten doen.
Dat verlangen vermindert niet naarmate ze hier langer leven, integendeel het wordt alleen maar groter.
Zo kan het gebeuren dat er in het Midden-Oosten een profeet opstaat die alle moslims ter wereld oproept om terug te keren naar de 7de eeuw (toen God de mensheid vertelde wat ze moest doen) en dat tienduizenden moslims – jonge, moderne, verwesterde moslims – daar gehoor aan geven, alles laten vallen en in de verre woestijn de heilige oorlog gaan uitvechten, de oorlog tegen de goddeloze vrije samenleving.

Deze diepe gespletenheid van de moslimziel is de voedingsbodem voor de jihad, en zolang we dat niet begrijpen, zullen we niks kunnen doen aan het moslimgeweld, tenzij erin meegesleurd worden.
We kunnen die moslimgespletenheid echter niet begrijpen, als we niet ook onze eigen gespletenheid begrijpen, als we niet inzien dat de moslims ons een spiegel voorhouden.
Rudolf Steiner zei 100 jaar geleden al dat we veel meer moslim zijn dan we beseffen.
Vandaag zijn we fanatieke moslims geworden, bereid om de jihad uit te vechten, de heilige oorlog tegen de ongelovigen.
Dat is een harde noot om te kraken.
Maar als we niet in de moslimspiegel durven kijken, zal het ermee eindigen dat we hem stukslaan omdat we onszelf niet onder ogen kunnen zien.
Moslims en Westerlingen zullen elkaar proberen te vernietigen omdat ze niet in elkaars spiegel durven kijken.

De drijfveer van de jihad waartoe al-Baghdadi oproept, leeft in ieder van ons: het is de onwil om in de spiegel te kijken, de onwil om de wereld als een kunstwerk te zien.
Want dat is wat een kunstwerk voor de mens is: een spiegel van zijn ziel.
En de grootste vreugde die hij in de kunst schept, is de herkenning van het Ik, de kern en de hoeksteen van de menselijke ziel, het wezen dat de Zwei Seelen in iedere borst tot een eenheid smeedt.
De joy forever die we aan de kunst beleven, is de vreugde over de heelwording van onze ziel, over de overwinning van haar gespletenheid.
Het is in de kunst dat we de echte jihad uitvechten.
De pseudo-jihad die al-Baghdadi wil ontketenen, is eveneens gericht tegen de gespletenheid van de menselijke ziel, maar ze wil die gespletenheid opheffen door terug te keren naar het verleden, naar de paradijselijke tijd van vóór de ‘splijting’.
Dat komt echter neer op de vernietiging van de ziel, want het is onmogelijk om haar bewustwording om te keren.
De ‘artistieke jihad’ daarentegen wil niet terugkeren naar de oorspronkelijke eenheid.
Zij wil de gespletenheid behouden en haar gebruiken om een nieuwe eenheid tot stand te brengen, een driegelede eenheid waarbij de Zwei Seelen met elkaar verbonden worden door het Ik.

De jihad van al-Baghdadi is in wezen gericht tegen het menselijke Ik.
Hij wordt geïnspireerd door de Antichrist die de bewustwording van Christus wil verhinderen.
Want die bewustwording is de geboorte van het Ik, een geboorte die begint wanneer we in de spiegel kijken en onszelf herkennen in de ander.
Die herkenning kan niet langer ‘als in een droom’ gebeuren zoals wanneer we verliefd worden.
Daarvoor is de afstand tussen onszelf en de ander veel te groot geworden.
Die afstand wordt treffend in beeld gebracht door het moslimkoppel, en op grotere schaal door de clash of civilisations.
We zijn zo individueel geworden, zo anders-dan-de-anderen, dat iedereen voor ons een moslim is geworden (of een Westerling als we moslim zijn).
Aan de buitenkant is daar misschien niet zoveel van te merken, maar diep van binnen ervaren we dezelfde vreemdheid en afkeer die moslims en Westerlingen tegenover elkaar voelen.
In onze ziel heerst een heel groot NEEN tegenover andere mensen en dat NEEN maakt ons ontzettend eenzaam, radeloos en wanhopig.
Als we er niet in slagen om dat NEEN te overwinnen, zal de pijn in onze ziel zo ondraaglijk worden dat alleen geweld ze nog zal kunnen verdoven.
Dat is uiteindelijk ook wat de jihadi's in de armen van al-Baghdadi drijft: hun zielepijn, het lijden aan de gespletenheid van hun ziel.

Die zielepijn is wat we allemaal gemeen hebben.
Geen enkel modern mens – moslim of Westerling – ontsnapt eraan.
Het is de geboortepijn van ons Ik.
Maar ten aanzien van dat Ik moeten we een keuze maken.
We zijn ervóór of we zijn ertegen.
We kunnen niet half geboren worden.
Ofwel vechten we om dit zielekind ter wereld te brengen.
Ofwel vechten we om zijn geboorte te verhinderen.
Dat is de keuze waarvoor we staan: welk soort jihad willen we uitvechten?
De scheppende jihad die het Ik ter wereld brengt en de ziel heelt?
Of de vernietigende jihad die de geboorte van het Ik wil verhinderen en daardoor moeder en kind in gevaar brengt?
Die keuze is niet moeilijk want het is de keuze tussen leven en dood.
Moeilijk is alleen de bewustwording van die keuze.
Moeilijk is het kijken in de spiegel.
Want door in die spiegel te kijken en door te dringen tot de kern van het spiegelbeeld, springt het kind in onze schoot op en worden we ons ervan bewust dat we zwanger zijn.

Van zodra we dat weten, verandert alles en bereiden we ons voor op de geboorte.
Blijven we echter onwetend over ‘het kind in onze schoot’ dan zal de gespletenheid van onze ziel steeds ondraaglijker worden tot we dit ‘pijnlijke gezwel’ met geweld zullen willen verwijderen.
Voor het Westen is de IS van al-Baghdadi zo’n kwaadaardig woekerend gezwel dat chirurgisch verwijderd moet worden voor het zich uitzaait over het hele wereldlichaam.
Voor de IS van al-Baghdadi is de vrije samenleving van het Westen dan weer een kwaadaardig gezwel dat de hele wereld dreigt aan te tasten en dat met de meest agressieve middelen dient bestreden te worden.
Allebei willen ze dus de wereld redden, en allebei dreigen ze die wereld te vernietigen omdat ze niet in elkaars spiegel durven kijken.

Hoe moeilijk dat laatste is, kunnen we aflezen aan de diepe weerzin die in ons opstijgt als we op televisie zo’n uitzinnige moslimmenigte zien die met opengesperde mond en van woede verwrongen gezicht zijn haat uitschreeuwt tegen het Westen.
Of als we zien hoe in oranje geklede gevangenen worden onthoofd, gekruisigd of levend verbrand door zwartgemaskerde mannen.
Deze middeleeuwse barbarij doet onze maag keren, en verre van tot inkeer en zelfinzicht te komen, voelen we in ons dezelfde verontwaardiging, woede en haat opkomen die deze blaffende en bijtende barbaren bezielt.
Zonder erbij na te denken storten we ons in een vernietigende jihad tegen deze honden, niet beseffend dat onze woede en onze haat hen met een diepe vreugde vervult, de vreugde van de Antichrist.
Want zijn natte droom is de apocalyptische eindstrijd waarbij de mensheid zichzelf vernietigt in een orgie van geweld en in de heilige overtuiging de wereld te bevrijden van het kwaad.

Nee, het is nagenoeg onmogelijk om in deze spiegel te kijken, en hoe meer de vernietigende jihad zich uitbreidt, hoe onmogelijker het zal worden.
De enige manier waarop we in de spiegel kunnen kijken, is de kunstzinnige manier.
Als we de werkelijkheid tot beelden herleiden, kunnen we – misschien – de moed opbrengen om onszelf in die (spiegel)beelden te herkennen.
Maar ook dat is heel moeilijk geworden.
We hebben het immers afgeleerd om (levende) beelden te maken van de werkelijkheid.
In de kunst hebben we ons radicaal afgekeerd van de zichtbare werkelijkheid.
Het ‘nabootsen’ van die werkelijkheid is het grootste artistieke taboe geworden.
We hebben de levende beeldvorming vervangen door een dode beeldvorming.
In plaats van beelden te maken met onze ziel, maken we beelden met camera’s en smartfoons.
En intussen is de cirkel rond: we maken nu pseudo-levende beelden op basis van dode beelden.
Luc Tuymans en Michaël Borremans zijn wereldberoemd geworden door foto’s na te schilderen en in hun zog slepen ze een lange stoet van epigonen achter zich aan.
Het idee om levende beelden te maken van de levende werkelijkheid komt in de hedendaagse kunstenaar niet eens meer op.
Hij ziet het verschil niet meer tussen levend en dood.

We hebben het niet alleen afgeleerd om levende beelden te maken van de werkelijkheid, we hebben het ook afgeleerd om naar die beelden te kijken.
We worden zodanig omringd door dode beelden dat we niet meer weten hoe we naar levende beelden moeten kijken.
Als we een zeldzame keer nog levende beelden zien, kijken we ernaar alsof het dode beelden waren.
We weten niet beter of het moet zo, we hebben het nooit anders geleerd.
We herkennen in beelden heel goed de materiële werkelijkheid.
In het beste geval herkennen we er ook nog de ziel van de maker in, zijn unieke stijl.
Maar de kern van die ziel, het Ik, die blijft voor ons verborgen.
Toch is het juist dat Ik waarin we onszelf kunnen herkennen en dat ons eigen Ik doet opspringen van vreugde.
Wie kan zeggen dat hij die vreugde nog kent?
Wie kan zeggen dat hij nog verliefd kan worden op een beeld en iedere keer weer dezelfde vreugde in zijn hart voelt opstijgen als hij het ziet?
Met (astrale) muziek lukt ons dat misschien nog, maar met een natuurgetrouw (etherisch) beeld van de werkelijkheid?

Met het fameuze moslimkoppel lukt het ons alvast niet.
We herkennen het niet eens als een beeld, laat staan als een beeld van onze eigen ziel.
Daarvoor zijn we veel te veel moslim geworden.
We maken geen beelden meer, tenzij dode of abstracte beelden.
Het afbeelden van de concrete, zintuigelijke werkelijkheid is taboe.
En het afbeelden van de geestelijke kern van die werkelijkheid is helemaal een doodzonde.
In goede moslim-traditie verzetten we ons hevig tegen het afbeelden van de Profeet, want daarachter schuilt de – christelijke – overtuiging dat het mogelijk is het goddelijke in een zintuiglijke vorm te vatten.
Al-Baghdadi wijst er met klem op dat Allah alleen is en dat hij géén zoon heeft.
En als goede moslims geloven wij dat.
We ontkennen in alle toonaarden dat de mens een Ik heeft en dat het mogelijk is dat Ik af te beelden.
We erkennen Jezus als een profeet, dat wil zeggen als een zuivere ziel, maar hij is in geen geval de mens geworden God.
Die christelijke overtuiging wijzen we verontwaardigd af als een schandelijke blasfemie.
We zeggen er heel luid NEEN tegen.

We zijn dus niet alleen niet meer bij machte om door te dringen tot het Ik-niveau van een beeld of een kunstwerk, we proberen het ook niet meer, we WILLEN het doodeenvoudig niet.
We verzetten ons uit alle macht tegen de idee dat dit IK zou bestaan en dat we het kunnen herkennen in een zintuiglijk waarneembare gedaante.
Van dat verzet zijn we ons helemaal niet bewust.
Integendeel, we treffen het net zo goed aan bij moslims, christenen als antroposofen.
Dit antichristelijke NEEN leeft vandaag bij heel veel mensen, ongeacht hun bewuste overtuiging.
Er is voor de moderne gespleten mens helemaal geen kunst aan om tegelijk JA en NEEN te zeggen tegen Christus.
Die kunst verstaan we allemaal.
Christus en de Antichrist vormen in onze ziel één groot kluwen en zolang we daar geen onderscheid in maken, heeft de Antichrist het laatste woord, want Christus is gebonden door onze vrije wil.
Hij wacht geduldig tot we die andere kunst leren, die hele moeilijke kunst om in de spiegel van de wereld te kijken en daarin onszelf te herkennen.
De kern van dat zelf is ons Ik en als het zichzelf herkent in het Ik van de wereld, dan springt het op van vreugde en gaat het de strijd aan, de echte jihad, de heilige oorlog van de geest.

Advertenties