De dode letter en het levende woord

door lievendebrouwere

Moslims krijgen het vreselijk op hun heupen als de Profeet wordt afgebeeld.
Dat hebben ze bij Charlie Hebdo wel ondervonden.
Afbeeldingen zijn taboe in de islam.
De islamitische kunst is dan ook volkomen abstract en non-figuratief.
In moskeeën vind je alleen ornamenten, geen beelden.
Het verschil met een christelijke kerk kan niet groter zijn.
Daar bulkt het van de beelden.
In het centrum staat zelfs een beeld van de naakte mens: het kruisbeeld.
De artistieke tegenstelling tussen abstract en figuratief is de uitdrukking van een religieuze tegenstelling.
In het christendom is God mens geworden.
Hij is uit de hemel afgedaald om onder de mensen te leven en hun lot te delen.
In de islam heeft God zijn hemel nooit verlaten.
Hier is het de mens (Mohammed) die naar de hemel is opgestegen en het woord van God heeft gehoord.
In het christendom is dat woord vlees geworden.
In de islam is het een boek geworden.
Levend vlees en dode letters.
Ziedaar het verschil tussen beide.

Het verhaal van Mohammed doet denken aan het verhaal van Mozes.
Mozes besteeg de berg, vernam het woord van God, en schreef het op.
Islam en jodendom zijn dan ook zeer verwant.
Het zijn de godsdiensten-van-het-boek.
Ze gaan allebei terug op Abraham.
Het christendom is een heel ander verhaal.
Het gaat terug op Jezus.
Het is de godsdienst-van-de-mens.
Hier wordt niet de dode letter maar het levende woord van God vereerd.
Hier staat niet de abstracte geest centraal maar het concrete vlees.
Het christendom is onlosmakelijk verbonden met het menselijk lichaam.
Het verkondigt de lichamelijke opstanding uit de doden.
In de christelijke visie is het menselijk lichaam dus niet zomaar de tijdelijke behuizing van de geest.
Lichaam en geest horen ad aeternum samen.
Door mens te worden heeft God het lichaam ‘verheerlijkt’.

Het christendom wordt vaak geassocieerd met ascetisme, met sexuele onthouding, met vijandigheid tegenover het lichaam.
Niets is minder waar.
We hebben onze moderne sexuele vrijheid juist te danken aan … de katholieke kerk.
Haar niets ontziende strijd tegen de katharen was een strijd tegen het ascetisme en voor de lichamelijkheid.
De katharen – die in de Middeleeuwen een reële bedreiging vormden voor de kerk – waren heel wat spiritueler en verfijnder dan de katholieken, maar hun spiritualiteit was oosters-luciferisch van aard.
Ze beschouwden het aardse, het lichamelijke en het zinnelijke als zondig.
Hun burchten bouwden ze hoog op de rotsen, om zich te onttrekken aan aardse invloeden.
Hadden de katharen destijds het pleit gewonnen, dan zouden we nu in een heel andere wereld leven, een wereld zonder alcohol, zonder zinnelijke genietigen, zonder lichaamscultus, zonder vrijheid, zonder beelden van God of mens.
Een veel ‘islamitischer’ wereld dus.
De hele Griekse erfenis zou eraan zijn gegaan, ten voordele van de oosterse ascetische abstractie.

We realiseren ons veel te weinig welke cruciale rol het christendom heeft gespeeld in het ontstaan van onze vrije samenleving, een samenleving die gebaseerd is op de vereenzelviging van geest en lichaam.
Het is onze lichamelijkheid die ons vrij maakt.
In een zuiver geestelijke omgeving kunnen we niet vrij zijn.
Door ons te identificeren met ons lichaam onttrekken we ons aan de dwingende invloed van de geest.
Een godsdienst als de islam, die de geest (ver) BOVEN het lichaam stelt, laat geen vrijheid toe.
Die vrijheid is alleen mogelijk dankzij een godsdienst die, zoals het christendom, de geest (diep) IN het lichaam laat neerdalen.
Vandaag is de geest zelfs zo diep in het lichaam afgedaald dat hij zichzelf ‘vergeten’ is.
Hij is overweldigd en verdoofd door de zintuiglijkheid van het lichaam.
En precies die ‘verdoving’ maakt onze vrijheid mogelijk.

De paradox is dus dat het christendom ten grondslag ligt aan het hedendaagse materialisme en atheïsme.
Geen enkele andere godsdienst zou het mogelijk hebben gemaakt om het bestaan van God te ontkennen.
Het absoluut unieke van het christendom is dat die ontkenning van God zelf is uitgegaan.
Hij is zelf in een menselijk lichaam afgedaald tot op het punt dat hij zijn goddelijkheid was ‘vergeten’. Mijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten?
Toen Christus deze woorden sprak, was hij helemaal mens geworden.
Hij wás nog wel God, maar dat wist hij niet meer, zijn bewustzijn was volkomen menselijk geworden.
Het was een bewustzijn zoals … wij dat vandaag hebben.

De moderne mens beleeft vandaag zijn Golgotha.
We zijn helemaal gekluisterd aan onze lichamelijkheid.
We hebben geen ander bewustzijn meer dan het bewustzijn van ons lichaam, van de materiële wereld.
En net als Christus moeten we nu met behulp van dat lichaamsbewustzijn de krachten van de opstanding ontwikkelen, de opstanding van het lichaam die tegelijk de opstanding van de geest is.
Want die twee gaan voorgoed samen.
Ze kunnen nooit meer van elkaar worden losgemaakt.
Dat is de essentie van het christendom.

We hoeven helemaal niet te geloven in het christendom om in te zien hoe cruciaal het geweest is voor de ontwikkeling van onze moderne wereld.
Zonder christendom geen materialisme.
We hebben ons materialisme vanuit een diepe religieuze bewogenheid zelf tot stand gebracht.
Het is namelijk gebaseerd op ons geloof in de Rede, en de Rede is het vleesgeworden woord van God, het is de Christus-in-ons.
Ons geloof in God-in-den-hoge is in de loop der eeuwen overgegaan op God-in-den-vleze.
Doordringen tot de grond van ons materialisme is dus doordringen tot ons (onbewuste) geloof in Christus.
Hij is de geest die zich ‘verbergt’ in het materialisme, die ‘vergeten’ is in het materialisme.
We moeten het materialisme dus niet opgeven om (weer) christelijk te worden.
We moeten het niet vervangen door een of ander spiritueel geloof.
We moeten alleen doordringen tot de kern ervan.

Het heeft iets ontroerends om te zien hoe sterk het geloof van materialisten is.
Op grond van hun onwrikbare geloof in de Ratio verwerpen ze alle godsdiensten, alle spiritualiteit, de hele geestelijke wereld.
Ze steunen helemaal op de kracht van hun eigen denken.
Ze steunen met andere woorden op de Christus-in-hen.
Maar hun tragiek is dat ze zich daar niet van bewust zijn en het ook niet willen worden.
Ze ‘herkennen’ het christendom niet meer, ze verwerpen het.
Ze weigeren om in te zien dat hun materialisme steunt op een geloof: het geloof in de rede.
En dat geloof valt niet te bewijzen.
Het is – net als de weigering om er zich bewust van te worden – een wilsdaad, een keuze.
Maar het is geen vrije keuze, want ze weten niet waarvoor ze kiezen.
Ze weten niet dat ze kiezen voor de geest van het christendom én hem tegelijk afwijzen.

Na de kruisdood van Christus volgt de neerdaling ter helle, de confrontatie met de onderwereld.
Het dode lichaam wordt van het kruis gehaald, het kruis wordt afgebroken.
Maar de geest van Christus daalt in de duistere diepten van de materie af en stijgt daar weer uit op.
Dat punt hebben we vandaag in de moderne wereld bereikt: het (oude, uiterlijke) christendom verdwijnt, kerken worden gesloten, kruisbeelden verwijderd.
Alleen de dode materie blijft nog over.
En precies op dat moment worden we geconfronteerd met de onderwereld: het Beest stijgt op uit de aarde.
Ontsnappen aan dat apocalyptische monster kunnen we niet.
Het zal de materiële wereld aan stukken scheuren.
En in de mate dat we ons identificeren met die wereld zal het ook ons aan stukken scheuren.
Dat ontbindingsproces is reeds begonnen: ons astrale, ons etherische en ons fysieke lichaam worden langzaam maar zeker uit elkaar getrokken.
Denken, voelen en willen verliezen hun onderlinge samenhang en gaan hun eigen weg.
Ons Ik verliest zijn greep op het geheel.
Things fall apart, the centre cannot hold.
Mere anarchy is loosed upon the world.

The rough beast that slouches towards Bethlehem to be born plaatst ons voor de keuze.
Ofwel geven we ons willoos en gedachtenloos over aan zijn ‘ontbindende’ krachten.
Ofwel dringen we bewust en vrijwillig in zijn onderwereld door.
In het eerste geval zal ons Ik steeds zwakker worden en zich uiteindelijk niet meer kunnen handhaven in het uiteenvallende lichaam.
Zijn plaats zal dan worden ingenomen door het Beest, dat in dat verlaten lichaam ‘geboren’ zal worden, en op die manier een nieuw ras van beestmensen zal doen ontstaan.
In het tweede geval – dat van de vrijwillige ‘neerdaling ter helle’ – zal de bewuste confrontatie met de werking van dit Beest ons Ik versterken en daardoor ook ons uiteenvallende lichaam ‘helen’.
Er zal dan eveneens een nieuw ras van mensen ontstaan: mensen die vrijwillig kiezen voor de eenheid van geest en lichaam.

De keuze waar we op dit Golgotha-moment in de mensheidsgeschiedenis voor staan, is de keuze tussen Christus en de Antichrist, de keuze tussen de Mens en het Beest.
Aan de enorme impact die het begrip ‘racisme’ op ons heeft, kunnen we aflezen dat we diep van binnen weet hebben van die keuze.
Zoals steeds is het niet de keuze op zich die zo moeilijk is, maar de bewustwording ervan.
Niemand zal voor het Beest en zijn onderwereld kiezen als hij weet waarvoor hij kiest, dat wil zeggen als hij het verschil ziet met Christus.
Maar juist dat laatste is zo moeilijk.
Als jonge moslims die in het christelijke Westen wonen, naar de Islamitische Staat van al-Baghdadi reizen om daar een bloedige jihad uit te vechten, dan hebben we daar wel allerlei rationele verklaringen voor, maar echt begrijpen waarom moderne jongeren de gruwelen van IS verkiezen boven de vrije samenleving doen we toch niet.
Zien zij dan werkelijk het verschil niet?
Zien zij de goddelijke geest eerder in verkrachtingen, onthoofdingen en andere martelingen dan in een vreedzame samenleving?

Dat zijn vragen die we niet kunnen beantwoorden, en dat is een kwalijke zaak, want als we niet begrijpen hoe moslimjongeren ertoe komen om deze keuze te maken, zullen we niet kunnen verhinderen dat er steeds meer die keuze zullen maken.
Ons onbegrip zal als een boemerang naar ons terugkeren, want de jihad die de moslimjongeren in het Midden-Oosten gaan uitvechten, is in wezen een heilige oorlog tegen het christelijke Westen.
Maar dat zien we niet.
We zien de oorlog BUITEN ons niet, omdat we de oorlog BINNEN in onszelf niet zien.
Want ook in onze eigen ziel wordt de strijd tussen mens en beest, tussen Christus en de Antichrist uitgevochten.
We zien die strijd echter niet omdat we er niet aan deelnemen.
We gaan de innerlijke strijd niet aan, we verzetten ons niet tegen de Antichrist.
We geven er ons willoos en gedachtenloos aan over.

Wat zoveel moslimjongeren doen, dat doen wij ook.
Wij kiezen voor het Beest en we weten het niet.
Het is louter instinctief groepsgedrag, een vorm van massahysterie.
En hoe meer we ons daaraan overleveren, hoe moeilijker het wordt om er ons aan te onttrekken.
Want we zijn trots op onze dienstbaarheid aan het Beest.
We kijken vol verachting neer op die bekrompen, oubollige, achterhaalde ‘christenen’ die krampachtig vasthouden aan de eenheid van lichaam en geest.
Waar wij naar streven is juist het losmaken van die eenheid.
Door ons lichaam over te geven aan de onderwereld stijgt onze geest steeds hoger ten de hemel, waar ons de eeuwige gelukzaligheid wacht.
Het afslachten van andere mensen – het scheiden van hun lichaam en geest – brengt ons in een spirituele roes, die ons steeds meer bevrijdt van de aarde tot onze eigen martelaarsdood ons de ultieme vrijheid brengt.

Dat alles speelt zich in onze ziel af, maar we hebben er geen flauw benul van, want we kijken niet in de spiegel.
We kijken weliswaar naar alles wat er in de wereld gebeurt, maar we herkennen het niet.
We herkennen de moslimjongeren niet, we herkennen al-Beghdadi niet, we herkennen de jihad niet.
Het speelt zich, menen wij, allemaal ver van ons bed af, in een andere wereld waar we niets mee te maken hebben.
Maar die ‘andere’ wereld komt steeds dichterbij.
En wat er in die spiegel te zien is, wordt steeds scherper, steeds duidelijker.
Tegelijk wordt het ook steeds moeilijker om die dreigende wereld als een spiegel te zien.
Toch schept juist het ontbindingsproces waaraan we overgeleverd worden de voorwaarden om zo’n spiegelbewustzijn te ontwikkelen.
De afstand tussen onszelf en ons lichaam wordt steeds groter.
Daardoor zijn we in staat om tegenover de wereld te gaan staan.
Die afstand opent de mogelijkheid om die wereld te her-kennen, dat wil zeggen op een nieuwe manier te kennen, als een spiegelend deel van onszelf.
Maar dan moeten we ons daar wel uit vrije wil weer mee willen verbinden.
We moeten vanuit ons Ik weer de brug willen slaan naar ons lichaam, niet alleen ons persoonlijke lichaam, maar ook ons wereldlichaam.

Dit hele proces van afstand nemen en opnieuw verbinden, is niet nieuw voor ons.
Integendeel, we kennen het heel goed.
We kennen het namelijk uit de kunst.
Telkens we naar een kunstwerk kijken, maken we instinctief die beweging van afstand nemen en opnieuw verbinden.
Deze zo typische pendelbeweging is een uitdrukking van onze onbewuste herkenning van het spiegelkarakter van het kunstwerk.
Wat de kunstenaar doet wanneer hij het kunstwerk maakt – geest en materie verbinden – doet ook de kijker wanneer hij het kunstwerk afwisselend van dichtbij en van op een afstand bekijkt.
Hij verbindt het waarnemen van de geest met het waarnemen van de materie.
Uit die instinctieve, lichamelijke beweging ontstaat langzaam het bewustzijn voor het ‘christelijke’ karakter van het kunstwerk, dat wil zeggen voor datgene wat geest en materie verbindt.
Naarmate dit Ik-bewustzijn zich ontwikkelt, verruimt ook het waarnemingsveld zich.
We bekijken niet langer één kunstwerk, we bekijken meerdere kunstwerken, en als we dit bewustwordingsproces voortzetten, kunnen we uiteindelijk de hele kunstwereld zien zonder er het contact mee te verliezen.

We kunnen, zegt Boeddha, maar twee fouten maken op deze bewustwordingsweg:
Er niet aan beginnen en hem niet tot het einde gaan.
Dat is de keuze waarvoor we op dit Keerpunt der Tijden staan: zetten we onze bewustwordingsweg verder of blijven we staan (en rusten we op onze lauweren)?
Het is een bijzonder moeilijke keuze want op dit beslissende moment wordt de verschrikkelijke kloof zichtbaar die onze wereld in twee deelt en het vergt moed om die kloof onder ogen te zien.
We wenden instinctief de blik af van deze ‘wonde’.
We willen de tweedeling eenvoudig niet zien.
Maar juist deze weigering maakt ons blind voor het verschil tussen de twee geesten die IN die kloof leven: de God die er uit de hemel is in afgedaald en het Beest dat er vanuit de aarde in oprijst.
In de kunstwereld zien we wat daar het gevolg van is.
We maken geen onderscheid meer tussen de klassieke ‘christelijke’ kunst waar de mens – als geest EN als lichaam – centraal staat, en de hedendaagse anti-kunst waar geest en lichaam van de mens gescheiden worden en op afschuwelijke wijze verminkt.
We gaan er zelfs prat op dat we niet discrimineren en voelen ons superieur aan de racisten met hun polariserende wij/zij denken.
We stijgen in onze eigen achting telkens we de gruwelen van deze nieuwe ‘kunst’ bewonderen.
En het ontgaat ons volkomen dat we ons gedragen als de eerste de beste moslimjongere die zijn haat tegen het christelijke Westen botviert …

Advertenties