Een oog voor kunst

door lievendebrouwere

Een stelling die ik reeds lang verdedig, is dat alle kunst christelijk is.
Dat bedoel ik natuurlijk niet in religieuze zin, dat zou wat al te belachelijk zijn.
Nee, met ‘christelijk’ doel ik op een kwaliteit die alle kunst bezit, ongeacht door wie ze waar of wanneer ook gemaakt is.
Het gaat meer bepaald om de kwaliteit die een kunstwerk tot kunstwerk maakt en waardoor bijvoorbeeld een schilderij meer is dan alleen maar een schilderij.
Hoewel deze kwaliteit zintuiglijk kan worden waargenomen, is ze toch bovenzintuiglijk van aard, want niemand kan bewijzen of iets al dan niet kunst is.
Ik noem deze kwaliteit ‘christelijk’ omdat in het christendom God mens wordt.
Het bovenzintuiglijke verenigt zich hier zodanig met het zintuiglijke dat beide niet meer los van elkaar kunnen gezien worden.
Dat is precies wat ook in de kunst gebeurt: geest en materie worden één.

Ten aanzien van het christendom is de grote vraag: bestaat Christus?
Ten aanzien van de kunst wordt dat: bestaat de bovenzintuiglijke kwaliteit die we in ieder afzonderlijk kunstwerk kunnen waarnemen?
Is het christelijke met andere woorden een feit of is het alleen maar iets wat we ons inbeelden?
Over die vraag hoeven we niet lang na te denken.
Het antwoord luidt: NEEN!
We geloven sowieso niet dat Christus, die 2000 jaar geleden stierf, verrezen is en nog altijd bestaat.
Dat gaat in tegen alle wetenschappelijke inzichten.
We geloven ook niet dat ‘kunst’ een geestelijke realiteit is.
Het is gewoon een naam die we aan bepaalde dingen geven.
Dit nominalisme brak in de kunst door toen Marcel Duchamp in 1917 zijn beroemde pispot tentoonstelde.
Hij had niet langer iets gemaakt dat een bepaalde kwaliteit bezat, zoals tot dan toe gebruikelijk was in de kunst.
Hij had doodeenvoudig ergens het etiket ‘kunst’ opgeplakt.

Dat is inmiddels bijna 100 jaar geleden.
We weten intussen niet beter meer dan dat het begrip ‘kunst’ is een loutere abstractie is, een naam die we ergens aan geven.
Dat het kunstbegrip (net als het Godsbegrip) niet zomaar een uitvinding is van de mens maar een levende geestelijke werkelijkheid, dat kan er bij ons absoluut niet meer in.
Alles in ons verzet zich tegen deze ‘geestelijke’ opvatting van kunst, en dat komt nergens beter tot uiting dan in onze reactie op de bewering dat ‘kunst’ een objectief waarneembare kwaliteit is.
We ontkennen in alle toonaarden dat het mogelijk is een objectief oordeel te vellen over kunst.
We zijn er heilig van overtuigd dat kunst ‘een kwestie van smaak’ is, dat ieder oordeel over kunst subjectief is en bijgevolg geen algemeen geldende waarde heeft.
Ook alle ideeën of betekenissen die een kunstwerk mogelijkerwijs zou bevatten, zijn in onze ogen niets anders dan subjectieve projecties (hetzij van de kant van de kunstenaar hetzij van de kant van de kijker).
Niets kan ons ervan overtuigen dat ze objectieve werkelijkheidswaarde hebben.

Beauty is in the eye of the beholder: het materialisme zit niet langer alleen in ons hoofd, het zit ook in ons hart, het zit zelfs in onze wil.
Het is tot een tweede natuur geworden, een onbewust instinct.
Daar moeten we het tegen opnemen als we het materialisme willen overwinnen.
Met louter ideeën, overtuigingen en argumenten lukt dat niet.
Daar is het materialisme reeds immuun voor geworden.
Wie ooit met een materialist heeft gediscussieerd, kent die ‘immuniteit’.
Het is als een muur waar je tegenaan botst.
Tegen die materialistische wil – de wil van Ahriman – kun je niks beginnen als je niet zelf doordringt tot het niveau van de wil, als je de geestelijke Ik-kwaliteit van een kunstwerk niet met eigen ogen waarneemt.

Nogal wat mensen denken geen materialist te zijn omdat ze er religieuze of spirituele overtuigingen op nahouden.
Ze beseffen niet dat het materialisme honderd jaar geleden al de grens tussen hoofd en hart overschreed, toen de Hedendaagse kunst geboren werd.
Intussen is het materialisme ook onze wil binnengedrongen en verspreidt het terrorisme zich als een lopend vuurtje.
Tegen dit gevoels- en wilsmatige materialisme heeft abstracte spiritualiteit geen enkel verhaal.
Integendeel, het is er een bondgenoot van.
Het onttrekt dit materialistische instinct aan ons bewustzijn zodat het ongestoord zijn gang kan gaan.
Onze houding tegenover kunst is dan ook een goede graadmeter voor ons materialisme.
Als de gedachte dat kunst géén kwestie van smaak is ons tegen de borst stoot, dan weten we dat onze spiritualiteit slechts schijn is.

We mogen in theorie nog zo stellig geloven dat er een geestelijke wereld bestaat en dat het mogelijk is die (helderziend) waar te nemen, in de praktijk van de kunst ontkennen we dat maar al te graag.
Hoe vaak heb ik niet moeten horen ‘dat is JOUW mening!’ als ik over iets zei dat het kunst (of geen kunst) was.
Als ik dan uitlegde dat het geen mening was maar een waarneming, even objectief als gelijk welke zintuiglijke waarneming, kon ik ze bijna horen denken: wie ben jij wel dat je denkt te kunnen zeggen wat kunst is en wat niet?
Het was telkens een kleine clash of civilisations en als ik mijn been stijf hield, kwam er geheid ruzie van.

Zo herinner ik mij nog een discussie uit mijn studententijd.
We zaten met een paar jonge mensen samen op mijn kot en op een gegeven moment kwam het gesprek op kunst.
Een student economie wees op mijn bureaulamp en zei: voor mij is dat kunst!
Ik antwoordde: dat is helemaal geen kunst!
Hij hield vol dat mijn bureaulamp een kunstwerk was.
Ik zei: je bent gek, dat is gewoon een bureaulamp!
Dat ging zo nog een tijdje door tot hij woedend wegliep en de deur achter zich dicht sloeg.
Ik begreep er niks van.
Wat bezielde iemand om een banale lamp een kunstwerk te noemen?
Waarom werd hij zo kwaad toen ik dat ontkende?

Wat mij nog het meest verbaasde, was dat een rustige, flegmatieke kerel (die nooit blijk had gegeven van enige belangstelling voor kunst) zich opeens zo kon opwinden over … een bureaulamp.
Ik ben dat vreemde verschijnsel sindsdien keer op keer tegengekomen.
Het volstond om te beweren dat je kon zien of iets kunst was of niet, en de gemoederen raakten verhit.
Nochtans was dat zien voor mij de normaalste zaak ter wereld.
Als je genoeg naar kunst kijkt, leer je vanzelf de artistieke kwaliteit van een kunstwerk onderscheiden.
Ik begreep niet hoe mensen zoiets konden ontkennen, want daarmee ontkenden ze het bestaan van kunst zelf.
Wat voor zin heeft het om over kunst te spreken als je geen onderscheid maakt tussen goed en slecht?
Dat spreekt toch vanzelf!

Pas langzaam begon ik te begrijpen dat juist die vanzelfsprekendheid zoveel mensen ergerde.
Als ik zei: ‘ik VIND dit een kunstwerk’, dan was er niks aan de hand.
Maar als ik zei: ‘dit IS een kunstwerk’, dan gingen de poppen aan het dansen.
Zolang mijn oordeel subjectief bleef, werd het geaccepteerd.
Maar van zodra het een – objectieve – waarneming werd, stuitte het op hevige weerstand.
Op die manier leerde ik de onverzettelijke wil van Ahriman kennen.
Hij had niks tegen subjectieve oordelen.
Hij had ook niks tegen objectieve oordelen.
Maar het samenvallen van die twee, daar verzette hij zich hevig tegen.
Dan verloor hij zijn cool en liet een heel ander, agressief gezicht zien.
Ik wist dan dat ik niet te ver mocht gaan of er kwam slaande ruzie van.

Ik had een voldoende slecht karakter om er plezier in te scheppen mensen een beetje te sarren met hun – in mijn ogen – absurde overtuiging dat een bureaulamp of een pispot kunst waren.
Maar het lachen verging me toen ik zag hoe talrijk ze waren en hoeveel agressie er schuilging achter hun ‘nominalistische’ overtuiging.
Want de opwinding werd niet veroorzaakt door een botsing van tegengestelde meningen.
Ze werd veroorzaakt door de botsing tussen een waarneming en een mening.
Als ik zei dat iets kunst was, dan had ik het over iets wat ik zag.
Als zij echter beweerden dat iets kunst was, dan hadden ze het over een etiket dat ze ergens opplakten.
En dat is een heel ander uitgangspunt.
Ik steunde op een waarneming, zij steunden op een concept.
Ik had het over iets wat buiten mijn wil om bestond en waar ik mij bij neerlegde.
Zij hadden het over iets wat ze wilden dat bestond en waarvoor het bestaande moest wijken.

Als mensen me vandaag vragen wat ik denk van een tekening of een schilderij, dan leid ik hun aandacht af. De ervaring heeft me namelijk geleerd dat het gevaarlijk is daar rechtstreeks op te antwoorden.
Vroeger, toen ik nog jong en onervaren was, deed ik dat zonder erbij na te denken.
Zo heb ik meer dan één vriend verloren, want wat ik zei was meestal niet wat ze wilden horen.
Wat hen zo stoorde was echter niet zozeer WAT ik vertelde, maar HOE ik het vertelde.
Ik deed dat namelijk alsof het vaststond, alsof er geen discussie mogelijk was.
In hun ogen was dat van een onbetamelijke arrogantie.
In mijn eigen ogen was het gewoon iets wat ik zag.
Ik realiseerde me niet dat het een bovenzintuiglijk ‘zien’ was.
Ik besefte ook (nog) niet dat de moderne mens zo materialistisch is geworden dat hij instinctief alles verwerpt wat geestelijk van aard is.

Nu realiseer ik me dat wel en ontwijk ik vragen naar de kwaliteit van een tekening of een schilderij.
Ik weet dat de meeste mensen die vraag alleen maar stellen om hun eigen mening bevestigd te zien.
Wordt die mening bevestigd dan voelen ze een soort ziele-verwantschap.
Wordt ze niet bevestigd, dan zeggen: nu ja, dat is JOUW mening!
Ik weet dan dat ik mijn mond moet houden, want als ik het ontken, komt er ruzie van.
Maar ik heb het er wel moeilijk mee.
Het is geen pretje om te beseffen dat zoveel mensen in de greep van Ahriman zitten en bereid zijn voor hem te vechten en vriendschappen op te blazen.
Dat wil natuurlijk niet zeggen dat ikzelf Ahriman-vrij ben.
Het tegendeel is waar.
Maar op één gebied ben ik erin geslaagd me aan zijn greep te ontworstelen, en dat is de kunst.
Op dat gebied ben ik – tot op zekere hoogte – helderziend geworden.
Dat klinkt natuurlijk bijzonder arrogant, tenminste in de oren van mensen die zelf hun helderziendheid kwijt zijn.
Bovenzintuiglijk waarnemen is namelijk geen uitzonderlijk vermogen dat alleen zeldzame uitverkorenen bezitten. Het is een aangeboren eigenschap die we – door toedoen van het intellectualisme van Ahriman – kwijtgespeeld zijn.

Ik heb in de loop der jaren ondervonden dat er twee soorten mensen zijn die een scherp oog hebben voor kunst.
Enerzijds zijn dat de ‘kenners’.
Ze onderscheiden zich niet van andere mensen doordat ze dingen weten, maar doordat ze dingen zien.
In onze materialistische tijd zijn ze uiterst zeldzaam geworden.
Hun plaats is ingenomen door ahrimanische ‘kenners’, door mensen die alles weten over het gebruik van het etiket ‘kunst’: ze weten precies waar het mag opgeplakt worden en waar niet.
Hun helderziendheid betreft niet de christelijke kwaliteit van een kunstwerk maar de antichristelijke kwaliteit ervan.
Dit soort kenners heeft in onze maatschappij een hoge status gekregen.

De tweede soort mensen die een scherp oog hebben voor (christelijke) kwaliteit van kunst zijn eenvoudige mensen, die gevrijwaard zijn gebleven van het intellectualisme van Ahriman.
Het is me meer dan eens opgevallen hoe diep (maar onbewust) het begrip voor kunst is bij simpele werkmensen, mensen die met hun handen werken en niet met hun hoofd.
Ook zij behoren tot een uitstervend ras.
Iedereen werkt vandaag met zijn hoofd, van kindsbeen af.
Er is geen betere manier om blind te worden voor kunst dan zo vroeg en zo lang mogelijk naar school te gaan.
We zien dan ook dat ‘kunstblindheid’ het grootst is onder de intelligentsia.
Niemand is daar nog in staat het verschil te zien tussen christelijke en antichristelijke kunst.
Als gevolg daarvan wordt het begrip ‘hedendaagse kunst’ enkel nog toegepast op de antichristelijke kunst van Ahriman.

Ons oog voor kunst is gesloten door Ahriman.
We denken misschien dat we kunst zien, maar in feite zien we alleen een etiket.
We zijn als wijnkenners die alles weten over wijnsoorten, wijnboeren, wijnjaren, enzovoort, maar die nog nooit een glas wijn gedronken hebben.
We kennen de Dionysische dronkenschap van de kunst niet.
We zijn nuchter als een moslim.
Het is een heel andere dronkenschap die we kennen: die van de macht.
Wij kunnen bepalen wat kunst is en wat niet.
Wij kunnen de werkelijkheid naar onze hand zetten.
Wij zijn vrij om te doen wat we willen.
Dat ahrimanische adagium wordt in de Hedendaagse kunst zeer consequent toegepast.
Wie de macht heeft in deze wereld mag het etiket ‘kunst’ plakken waar hij wil.

Ophouden met het plakken van etiketten volstaat echter niet om ons oog voor kunst weer te openen.
Net als de ons omringende natuur is ook de menselijke natuur te zwak geworden om zich nog op eigen kracht te kunnen herstellen.
We moeten de etherische wereld (waar ons oog voor kunst toe behoort) ‘dynamiseren’ en weer tot leven wekken.
Maar daarvoor moeten we die wereld leren kennen.
En daarvoor hebben we Ahriman nodig.
Door hem aan de kant te schuiven (een utopische veronderstelling overigens) zullen we de kunstzinnige etherische wereld niet leren kennen en genezen.
Nee, we moeten Ahriman gebruiken om Christus (die in deze wereld leeft) te leren kennen.
Maar eerst moeten we hem leren zien, en daarvoor hebben we Lucifer nodig.
We moeten zijn licht, dat nu op ons ego gericht is, op ons Ik richten.
En dat Ik komt, zoals Rudolf Steiner zegt, van buitenaf op ons toe.
We herkennen het in de kunstzinnige kwaliteit van de wereld.

Pas als we die – christelijke – kwaliteit waarnemen, kunnen we met ons bewustzijn doordringen in de etherische wereld van de kunst zonder deze te misvormen en nog zieker te maken dan hij als is.
Zien we echter geen verschil tussen christelijke en antichristelijke kwaliteiten, dan komen we zonder het te beseffen terecht in een onderwereld, in een etherische wereld die herschapen is naar het beeld en gelijkenis van Ahriman.
Voor we het weten staan we dan vol bewondering te kijken naar een pispot of een kakmachine en voelen ons ver verheven boven de simpele lieden die daar alleen maar een pispot of een kakmachine kunnen in zien.

Advertenties