Kunst en geld (1)

door lievendebrouwere

Sneeuwklokjes en krokussen, narcissen en speenkruid.
De heerlijke geur van het ontdooiende leven.
Geen twijfel mogelijk: de lente komt eraan!
Ik heb het daar altijd moeilijk mee, heel moeilijk.
Want het aanbreken van de lente betekent een totale ommekeer.
De meest dode der maanden (maart) gaat over in de meest levende (april).
Van het ene uiterste in het andere dus.
Wie dicht bij de natuur leeft, heeft daar geen moeite mee, integendeel.
Het is een genot om weer naar buiten te kunnen, in de tuin te werken, frisse lucht in te ademen, de zon op je huid te voelen.
Wie echter in zijn hoofd leeft, ervaart die plotse omslag als een pijnlijke geboorte.

Ik heb de afgelopen winter niks anders gedaan dan nagedacht.
Dat nadenken begon verleden jaar met Michaël, toen ik frontaal op een onzichtbare muur botste.
Niet alleen werd ik door de RVA getrakteerd op een monsterboete, maar het werd ook niks met het tekenen van mensen dat ik na zoveel jaren ten einde raad weer had opgepakt omdat ik m’n schilderijen aan de straatstenen niet kwijt kon.
Een en ander resulteerde in een enorme kater die ik al denkend probeerde te verwerken.
Is me dat gelukt?
Niet echt, nee.
Volgend weekend begint het nieuwe marktseizoen in Brugge al en het is alsof de wekker afloopt en ik met heel veel moeite uit een diepe (winter)slaap ontwaak.
Ik moet me nu weer bezighouden met zaken die ik de afgelopen maanden juist heb proberen te vergeten.
Zoals: hoe moet dat nu, daar op de markt in Brugge?
Er is immers niks veranderd sinds vorig seizoen.
Waarom zou nu opeens wél lukken wat toen niet lukte?
Problemen verdwijnen niet als je gaat slapen, je krijgt ze ’s morgens gewoon weer op je bord.

Heb ik dan helemaal niks overgehouden aan m’n winterslaap?
Heb ik niks ‘meegebracht uit de nacht’ zoals antroposofen dat plegen te zeggen?
Toch wel.
Ik ben op het idee gekomen de zaken radicaal om te draaien.
Het klinkt eenvoudig, maar het is het niet.

Verleden jaar heb ik geschilderd om geld te verdienen zodat ik kon schilderen om … te schilderen.
Paradoxaal genoeg ben ik aan dat laatste soort schilderen – het vrije schilderen zeg maar – niet toegekomen, daarvoor had ik het te druk met het eerste soort schilderen.
Ik heb vrijwel alleen geschilderd om geld te verdienen, en dat was niet de bedoeling.
Het was de bedoeling om geld te verdienen zodat ik kon schilderen.
Van een vicieuze cirkel gesproken.
Nu is geld verdienen in meer dan één opzicht een grote stimulans om te schilderen (of om het even wat te doen).
Hoeveel mensen zouden blijven doen wat ze doen als ze er geen geld meer mee verdienden?
Ik heb door de noodzaak om geld te verdienen meer geschilderd dan ik anders had gedaan, dat geef ik grif toe.
Maar tegelijk sloop er toch een zekere verstarring in mijn werk en voor ik het wist, beleefde ik er geen vreugde meer aan.
Die vreugde beleef je doordat je groeit in je werk, doordat je beter wordt.
Dat is de essentie van het kunstenaarschap: proberen de dingen beter te doen.
Van zodra je niet langer probeert beter te worden, houd je op kunstenaar te zijn en verlies je ook de vreugde in je werk.

Als je succes hebt, wil je dat behouden.
Je wil dan dat de dingen blijven zoals ze zijn, en dat botst met de wil om de dingen te verbeteren.
Als je geen succes hebt, zoek je naar middelen om dat wel te hebben en je begint je te voegen naar de verwachtingen van de koper, de vraag van de markt.
In beide gevallen raak je je vrijheid kwijt, de vrijheid die juist zo cruciaal is voor de kunst.
Dat is wat me overkomen is in Brugge.
Ik schilderde steeds meer in functie van de toeristen en beleefde daar steeds minder vreugde aan.
Bovendien werkte het niet.
Hoe meer ik in functie van de toeristen schilderde, hoe minder ze geïnteresseerd bleken.

Dus besloot ik eind september de zaken om te keren.
In plaats van te schilderen wat (ik dacht dat) de toeristen wilden, ging ik weer doen wat ik ZELF wilde: mensen tekenen.
Het was tegelijk ook iets wat ANDEREN wilden, dat had ik in het verleden ondervonden.
Vooral bij kinderen bestond de behoefte om getekend te worden: ze konden uren braaf op hun beurt zitten wachten.
Dat bleek in Brugge niet anders te zijn.
Toen ik weer aanknoopte bij wat ik altijd al het liefst had gedaan – en ook het best kon – stroomden de kandidaten toe.
Zoals in the good old days tekende ik aan één stuk door, de hele dag.
Mijn levensgeesten ontwaakten weer.
De markt zou in extremis toch nog een succes worden.
Maar met één ding had ik geen rekening gehouden: geld.
Omdat ik voor het eerst in kleur wilde werken, probeerde ik het uit in een try out en werkte gratis.
Toen ik er het volgende weekend echter geld voor vroeg, bleef iedereen – als bij toverslag – weg.

Die anti-climax kwam hard aan.
Nadat de verkoop in de loop van het seizoen steeds minder was geworden tot hij ten slotte helemaal opdroogde, voelde dat eerste tekensucces als het doorbreken van de lente.
Er hing iets sprankelends in de lucht, iets dat één en al belofte was.
Zelfs de andere marktkramers voelden het.
En ook het weer werkte mee: het was een zalige Sint-Michielszomer.
Maar toen kwam de man met de hamer en sloeg alles plat.
Ik ging KO, mijn seizoen was afgelopen.
Ik vond de kracht niet meer om die laatste anderhalve maand vol te maken.
Waarom trouwens?
Om mezelf met mijn neus in de mislukking te wrijven?

Toch wilde ik het nog niet helemaal opgeven.
De consequenties waren te groot.
Niet alleen zou ik een hoop geld verliezen aan mijn eerste seizoen als marktkramer (daar zorgde de RVA wel voor), maar opgeven zou ook betekenen dat ik m’n schilderdroom moest opgeven.
En dat kon ik vooralsnog niet over m’n hart krijgen.
Sommige mensen vonden dat het een teken was: ik moest me concentreren op het schrijven, op de antroposofie.
Maar was dat werkelijk zo?
Ik herinner me nog duidelijk hoe ik tijdens die Sint-Michielszomer in Brugge zat te kijken naar al die duizenden mensen die langs mijn kraam passeerden en opeens de gedachte in me opkwam: ik wil die gezichten weer tekenen, ik moet die gezichten weer tekenen!
Het was niet alleen een krachtige gedachte – een week later had ik ze (zeer tegen mijn gewoonte in) al in de praktijk omgezet – maar het was ook een gedachte die niet alleen uit mezelf leek te komen.
Ze dook in me op toen ik zat te kijken, niet toen ik zat na te denken of te piekeren.
Alsof het die passerende mensen zelf waren die – woordenloos – vroegen om getekend te worden.

Dat klinkt natuurlijk als pure inbeelding, maar het was niet de eerste keer dat ik het gevoel had alsof de wereld me vroeg om haar te tekenen.
En telkens ‘hoorde’ ik die vraag op een moment dat mijn eigen wil om te tekenen ‘zweeg’.
Ik geloof dan ook niet dat de wil van de kunstenaar om de wereld te tekenen of te schilderen los staat van de wil van de wereld om getekend of geschilderd te worden.
Men maakt mij ook niet wijs dat de wil van de vrouw om zich mooi te maken los staat van de wil van de man om van die schoonheid te genieten.
Volgens mij gaat het om één en dezelfde wil die zich op twee tegengestelde manieren manifesteert: een vrouwelijke en een mannelijke wil, een scheppende en een beschouwende.
En juist omdat die ‘wereldwil’ zich als het ware splitst, ontstaat er ruimte voor vrijheid.
Ik voel me bijvoorbeeld niet verplicht om mensen te tekenen.
Het kost me – in dit concrete geval – zelfs buitengewoon veel moeite om het te doen.
Tegelijk weet ik dat de inspanning de moeite loont, want tekenen biedt mij de mogelijkheid om de éénwording van die gespleten wil te beleven, om de kloof tussen mijn wil en de wil van de anderen te overbruggen.

Stel dat dit alles geen inbeelding is.
Stel dat kunst inderdaad de wereldwil kan ‘helen’ en een brug slaan tussen wat ik wil (tekenen en schilderen) en wat de wereld wil (getekend en geschilderd worden).
Hoe moet ik dan de kloof tussen mezelf en de toeristen in Brugge overbruggen (sic)?
Ik heb dat geprobeerd door mijn eigen wil te onderwerpen aan hun wil, maar dat is niet gelukt.
Ik heb het geprobeerd door de zaak om te keren en opnieuw te doen wat ik zelf wil, maar ook dat is niet gelukt.
Is er nog een derde mogelijkheid?

Wat ik oorspronkelijk wilde was schilderen, met kleur werken.
Daar is het allemaal mee begonnen.
Daaruit ontstond de noodzaak om geld te verdienen.
Want in tegenstelling tot tekenen is schilderen met kleuren een dure zaak, zeker als je geen inkomen hebt.
Zo ben ik op de markt in Brugge terechtgekomen.

Nu ik dat zo op een rijtje zet, heb ik een déjà vu.

Als kind wilde ik niks anders dan tekenen.
Maar met tekenen kun je geen geld verdienen, zeker niet als je in elkaar zit zoals ik.
Dus moest ik een manier vinden om geld te verdienen.
Dat zou het onderwijs worden: een goed inkomen en véél vrije tijd.
Het klonk als een redelijk plan.
Alleen, het mislukte.
Niet alleen bleek ik volkomen ongeschikt voor het onderwijs, maar ik kon ook niet leven met de gespletenheid tussen werken (om geld te verdienen) en tekenen (om er vreugde aan te beleven).
Ik was van mezelf al gespleten genoeg.
Ik had de ‘helende’ kracht van de kunst nodig, niet als een luxe die ik me in mijn vrije tijd kon veroorloven, maar als een absolute noodzaak.

Toen ik op m’n 33ste het radicale besluit nam om ‘mijn leven aan de kunst te wijden’ leek dat een totaal onverantwoorde daad, want ik was getrouwd, ik had drie kinderen en mijn vrouw was huismoeder.
Het was echter de enige manier om überhaupt nog verder te kunnen leven, want de kloof tussen mezelf en de wereld was zo groot geworden dat ik er (innerlijk) geen enkel contact meer mee had.
Het was alsof ik onder een glazen stolp leefde.
Ik ondervond toen dat wie geen contact heeft met de wereld, ook geen contact heeft met zichzelf.
Ik wist totaal niet meer wie ik was.
Het woordje ‘ik’ maakte niets meer in me wakker.

Ook toen begon alles met een gedachte die me inviel: ik ga weer tekenen!
Die gedachte was tegelijk een daad: ik zou het doen, wat er ook gebeurde.
Ik had immers niets meer te verliezen.
Ook vandaag heb ik niks meer te verliezen in Brugge.
Als er niks verandert, houd ik het hooguit nog een maand of twee uit.
En dan ga ik dezelfde weg op als Marleen, die eveneens een kraampje met schilderijtjes had, vrijwel niks verkocht en ten slotte in een diepe depressie verzeild raakte.
Als ik dat wil vermijden, moet ik een even radicaal besluit nemen als (bijna) 30 jaar geleden.
Ik moet afstappen van de gedachte dat ik geld moet verdienen om te kunnen schilderen.
Want hoe redelijk en realistisch en noodzakelijk dat ook klinkt, het werkt niet.
Het is ook niet wat ik wil.
Ik wil helemaal geen geld verdienen, ik wil tekenen en schilderen.
Als ik die volgorde omkeer, blokkeert alles.

En dus heb ik nu het plan opgevat om naar de markt in Brugge te gaan om te tekenen en te schilderen, niet om geld te verdienen.
Dat wil niet zeggen dat ik er niks wil verdienen.
Die noodzaak bestaat nog altijd.
Ik kan het me niet permitteren om geld uit te geven (aan een standplaats, aan vervoer, aan materiaal, aan boetes), het hele weekend hard te werken en daar niks voor terug te krijgen.
Dat houd ik al evenmin vol.
Bovendien is het niet goed om ‘paarlen voor de zwijnen’ te gooien.
Dat brengt allerlei kwalijks in de mens naar boven.
Volgens Steiner maakt het Ahriman kwaad, en die wil je niet tegen je hebben.
Nee, ik kan en mag niet gratis werken zoals ik dat tijdens mijn try out gedaan heb, dat staat als een paal boven water.
En toch moet ik ervan af om geld te willen verdienen in Brugge.
Want dat lukt ook niet.

Ik sta dus voor de uitdaging om die twee met elkaar te verzoenen: de noodzaak om geld te verdienen en de noodzaak om geen geld te willen verdienen.
Ik moet met andere woorden een manier vinden om geld te verdienen zonder geld te willen verdienen.
Het klinkt paradoxaal, maar is het niet hoe de meeste rijkelui aan hun geld komen?
Ze zeggen allemaal hetzelfde: geld interesseert hen niet.
Het is gewoon een aangenaam gevolg van wat ze doen, maar het is niet wat ze willen.
Ik heb me, als armoedzaaier, altijd geërgerd aan dergelijke uitspraken.
Hoe gemakkelijk is het niet om te zeggen dat geld je niet interesseert als je erin zwemt!
Maar nu word ik dus, tot mijn verbazing, zelf geconfronteerd met die paradox.
Of ik erin zal slagen hem op te lossen, weet ik niet.
Maar het is het proberen waard.
Ik heb immers niets te verliezen.

Advertenties