Kunst en geld (2)

door lievendebrouwere

Kunst is het zichtbaar maken van het geestelijke IN het materiële.
Het is NIET het uitdrukken van spirituele ideeën in een materiële vorm, maar precies het omgekeerde: het tevoorschijn roepen van wat er in het materiële reeds aan geestelijks aanwezig is.
En het is NOOIT de bedoeling dat dit geestelijke los komt te staan van de materiële vormen.
In de kunst zijn en blijven geest en materie één.
Dat klinkt begrijpelijk, om niet te zeggen vanzelfsprekend, maar in de praktijk is het zowel voor materialisten als spiritualisten heel moeilijk om deze eenheid te vatten.
Beide zien geest en materie namelijk als gescheiden werkelijkheden.
De materialist ziet materie zonder geest en de spiritualist ziet geest zonder materie.
De antroposoof daarentegen ziet beide (in principe) als een eenheid.
In die zin is de antroposofie niets anders dan de bewustwording van de kunst, de bewustwording van die mysterieuze eenheid van geest en materie.
Uiteraard omvat die bewustwording de (wetenschappelijke) kennis van de materie en de (esoterische) kennis van de geest, maar het gaat in de eerste plaats toch om het inzicht in hun beider eenheid, en DAT is nog iets anders.
De eenheid van geest en materie kan niet herleid worden tot één van beide.
Ze is een derde element, dat weliswaar niet kan worden losgezien van beide andere maar er toch van onderscheiden moet worden.
Dit derde – christelijke – element is het wezen van zowel de kunst als de antroposofie.

Met de bewustwording van dat mysterieuze en ongrijpbare element word ik momenteel geconfronteerd.
Eind september vorig jaar botste ik op de markt in Brugge op een onzichtbare ‘muur’.
Iets wat ik heel graag wilde en bijna als een morele plicht ervoer – het tekenen van mensen – bleek onverwachts op een probleem te stuiten waar ik geen oplossing voor zag en nog altijd niet zie.
Het tekenen op zich was geen probleem: ik kon het nog, ik vond het nog altijd even boeiend, ik had voldoende materiaal en de omstandigheden waren geschikt.
Ook de mensen op zich vormden geen probleem: ze wilden graag getekend worden, ze stonden zowat aan te schuiven.
Maar … ze wilden er niet voor betalen.
We wilden allebei iets heel erg graag – ik tekenen en zij getekend worden – dat was dus niet het probleem.
Het probleem was het samengaan van die twee polen.
En dat samengaan kwam tot uitdrukking in … geld.

Dat is natuurlijk geen verrassing.
Kunstenaars hebben altijd al problemen gehad met geld, dat is algemeen geweten.
Maar merkwaardig genoeg wordt daar nooit serieus over nagedacht.
Je leest in de boeken zelden of nooit hoe kunstenaars aan de kost kwamen terwijl dat nu juist hun grootste bekommernis was (en nog altijd is).
Toen de regering onlangs besloot om 5 procent te besparen op cultuur ging er een golf van ontzetting door de artistieke wereld die in geen verhouding stond met die minieme besparing (ter vergelijking: in Nederland werd er 20 procent bespaard).
De ontzetting was dan ook niet het gevolg van die besparingsmaatregel van de regering.
Ze ontstond doordat de kunstwereld met een schok herinnerd werd aan haar grootste en meest fundamentele probleem: geld.
Eigenlijk heeft een kunstenaar maar twee problemen: artistieke problemen en financiële problemen.
En van die twee zijn de financiële het grootst, want zonder geld kun je geen kunst maken.

Dat is wat ik nu aan den lijve ondervind.
Ik wil schilderen maar daarvoor heb ik geld nodig en dus ben ik in Brugge op de markt gaan staan.
Maar het lukt me niet om daar geld mee te verdienen en dat betekent dat ik moet ophouden met schilderen.
Om dat zware verdict te vermijden, ben ik dan maar opnieuw mensen beginnen tekenen – iets waar ik in het verleden wél geld mee kon verdienen – maar het mocht niet baten: ook dát lukte niet meer.
Het trof me dieper dan ik zelf wilde bekennen.
Op de kop af dertig jaar geleden besloot ik om ‘mijn leven aan de kunst te wijden’ en me nergens anders nog wat van aan te trekken.
Dat was geen roekeloos besluit.
Het was een overlevingsreflex.
Zonder kunst kan ik eenvoudig niet leven, en ik kan het weten want ik heb het geprobeerd.
Vijftien jaar lang had ik het geprobeerd, tot er vrijwel niets meer van me overbleef en ik een soort wandelende zombie was geworden.
Ik had geen contact meer noch met mezelf noch met de wereld.
Ik was innerlijk volkomen dood.

Het vooruitzicht niet meer te kunnen tekenen en schilderen treft me dan ook als een doodvonnis.
Een leven zonder kunst is voor mij geen leven.
Wat er dan gebeurt, is dat ik me langzaam uit mezelf terugtrek, dat mijn Ik (geest) mijn lichaam (materie) verlaat, en dat de verbinding tussen beide steeds zwakker wordt.
Het is een vorm van dementeren – mens betekent geest – en dat is niet iets wat je bewust wilt meemaken.
Het feit dat zo talloos veel mensen vandaag getroffen worden door dementie is volgens mij een gevolg van het feit dat ze zonder kunst moeten leven, en ‘kunst’ bedoel ik hier in de zeer ruime zin van ‘het samengaan van geest en materie’.
Naarmate de moderne mens materialistischer wordt, verliest hij het contact met de geest en komt hij terecht in een soort schimmenrijk, want hij verliest ook het contact met de materiële wereld.
Dat hij in een louter materiële wereld zou kunnen leven, is een illusie.
Materie en geest gaan samen: wie het contact met het een verliest, verliest ook het contact met het ander.
Dementeren betekent in feite: het contact verliezen met Christus, want hij is het wezen van dat samengaan van materie en geest.
Om het met de woorden van Willem Zeylmans te zeggen, ‘Christus is de werkelijkheid waarin we leven’.
Zonder Christus zouden we eenvoudig niet kunnen leven in een zo materialistische wereld als de onze.
Hij is degene die het ons mogelijk maakt zo diep in de materie af te dalen.

Maar vandaag is er een grens bereikt.
Als we er niet in slagen bewust contact te maken met Christus, dat wil zeggen met ‘de werkelijkheid waarin we leven’, dan zullen we langzaam het contact met die werkelijkheid verliezen, we zullen langzaam dementeren.
Dat dementeringsproces is reeds volop aan de gang.
We zien het niet alleen op materieel vlak: zelfs jonge mensen worden vandaag door dementie getroffen.
We zien het ook op geestelijk vlak: we verliezen onze werkelijkheidszin, ons gezond verstand.
Wat we ‘politieke correctheid’ noemen, is in wezen een vorm van geestelijke dementie.
En die is gevaarlijker dan de fysieke dementie, want we kunnen ze zintuiglijk niet waarnemen.
Het is een verbinding van extreem materialisme (de mens is louter lichaam, louter ras, louter volk) en extreem spiritualisme (Alle Menschen werden Brüder).
Maar het is geen christelijke verbinding, het is geen kunstzinnige verbinding.
Het is een anti-christelijke, anti-kunstzinnige verbinding.

De reden waarom ik vandaag (op meer dan één vlak trouwens) geconfronteerd word met het vooruitzicht van een langzame geestelijke dementie ten gevolge van de onmogelijkheid om nog te kunnen tekenen of schilderen, ligt uiteindelijk in mijn radicale afwijzing van de antichristelijke, anti-kunstzinnige geest.
Ik verafschuw hem zo diep dat ik onder geen beding met hem te maken wil hebben.
Daardoor blijft de kunstwereld voor mij hermetisch afgesloten en word ik gedwongen op de markt te gaan staan, want niemand krijgt toegang tot de kunstwereld (en zijn grote geldpot) die niet op de een of andere manier de knie buigt voor de Antichrist.
Ik word op mijn oude dag bewust geconfronteerd met de onmogelijke keuze waarvoor iedere jonge kunstenaar vandaag onbewust komt te staan: ofwel kiest hij voor de geest van de anti-kunst ofwel geeft hij de kunst helemaal op.
Geen enkele kunstenaar zal dat laatste doen, want hij weet instinctief dat hij dan zijn doodvonnis tekent.
Kunstenaars zijn gekwetste zielen die zonder (de helende werking van) kunst hun kwetsuur niet kunnen overleven.
Dat geldt in feite voor ieder mens, maar als kunstenaar beleef je het een stuk bewuster.

De tragiek van de hedendaagse kunstenaar is dus dat hij voor de anti-kunst kiest omdat hij anders de kunst moet opgeven.
Dat dringt evenwel niet tot hem door omdat hij al heel vroeg voor die keuze wordt gesteld, op een leeftijd dat hij nog niet kan kiezen.
Het hedendaagse kunstonderwijs – waar je als jonge kunstenaar-in-de-dop onvermijdelijk in terechtkomt – is een soort inwijding in de mysteriën van de Antichrist.
Ik heb zelf nog een allerlaatste uitloper van het klassieke kunstonderwijs meegemaakt en dat was eveneens een inwijding, maar dan in de omgekeerde, christelijke mysteriën.
Ook al viel ze – volgens mijn eigen leraar – niet meer te vergelijken met de oorspronkelijke inwijding, ze maakt het mij tot op de huidige dag onmogelijk om de knie te buigen voor de geest van de anti-kunst.
Van de ontelbare jonge mensen die dat toch doen (en er zijn er waarschijnlijk geen andere, want zelfs de steinerschool biedt geen bescherming) kan ik alleen maar denken: ze zijn nooit ingewijd in de geest van de kunst, ja ze kennen die geest waarschijnlijk niet.
En dus kennen ze ook de tegenovergestelde geest niet waaraan ze zich overgeven.
Want het is pas wanneer je de twee naast elkaar ziet, dat je ze werkelijk kunt onderscheiden, dat je werkelijk een keuze hebt.

Ik heb destijds als jonge kunstenaar NIET voor de kunst gekozen, maar dat was niet MIJN keuze, ik werd er door het lot toe gedwongen.
Ik vond het vreselijk om gescheiden te worden van de kunst en terecht te komen aan de universiteit, de meest onkunstzinnige wereld die je je maar kunt voorstellen.
Het was het begin van één lang en bewust doorleefd dementeringsproces.
De scheiding van de kunst was immers tegelijk een scheiding van mezelf, en ik vond mezelf pas terug toen ik me – vijftien jaar later – weer verbond met de kunst.
Die herverbinding was WEL mijn eigen keuze, en ze was tevens het begin van het inzicht dat de (onvrijwillige) scheiding mijn relatie met de kunst gered had.
Als ik voor de kunst had gekozen, zou dat geleid hebben tot een confrontatie met de antichristelijke geest die de kunstwereld en het kunstonderwijs toen al stevig in zijn greep had.
Die confrontatie zou me zo’n diepe weerzin hebben ingeboezemd dat ik waarschijnlijk nooit meer iets met kunst te maken had willen hebben.
Die zo pijnlijke scheiding – van m’n 18de tot mijn 33ste – heeft me eigenlijk gered.
Ze heeft mijn relatie met de kunst gered, maar ze heeft er tegelijk een vrije relatie van gemaakt.
Ik voel me niet gedwongen om kunst te maken en het kost me zelfs telkens een grote inspanning om ermee te beginnen, maar ik weet wat ze voor mij betekent, ik leer haar steeds beter kennen.

Vandaag sta ik weer voor een stap in dat bewustwordingsproces, een stap die op de een of andere manier een metamorfose is van vorige stappen.
Want ik word vandaag weer geconfronteerd met die onmogelijke keuze tussen (zeg maar) Christus en de Antichrist.
Geen haar op m’n hoofd denkt eraan om voor de laatste te kiezen en op die manier toegang te krijgen tot de Hedendaagse kunst en haar geldpotten.
Maar hoe moet ik voor Christus kiezen, hoe moet ik voor de kunst kiezen?
Want als ik geen geld kan verdienen met mijn kunst is het afgelopen.
Ik zou dan nog altijd kunnen kiezen voor het schrijven over kunst, dat is tenslotte toch ook een kunstzinnige activiteit.
Maar ik ondervind aan den lijve hoe sterk ik dan in de greep van Ahriman raak.
Zuiver geestelijk, in mijn denken, kan ik hem nog min of meer op afstand houden, maar hij verplaatst zijn verlammende greep dan naar mijn hart en mijn lichaam.
En daar kan ik met mijn denken niet doordringen, daarvoor heb ik de kunst en haar ‘handwerk’ nodig.

Daarom is het voor mij geen optie om ‘voor de antroposofie te kiezen’ zoals iemand onlangs suggereerde.
De antroposofie zit vandaag zelf te veel in de greep van Ahriman dan dat ik er de genezende krachten zou kunnen aan ontlenen die ik nodig heb.
Die krachten zouden er wel zijn als de antroposofie een ‘sociaal kunstwerk’ was, maar dat is ze alleen in Beuysiaanse zin, dat wil zeggen zonder een echt levend verband tussen geest (de esoterie) en materie (de exoterische werkgebieden).
De antroposofie is alleen in abstracto een sociaal kunstwerk en van de abstractie gaat geen genezende werking uit.
Ik sta dus voor de opgave om zelf een ‘sociaal kunstwerk’ te creëren, daar komt het wel een beetje op neer.
Als ik contact wil maken met Christus, dat wil zeggen met de helende kracht van de kunst, dan moet ik contact maken met de toeristen in Brugge, en wel op zo’n manier dat ze bereid zijn geld te geven voor een portret.
Alleen dankzij dat geld zal ik in staat zijn kunst te blijven maken en niet langzaam te dementeren onder die vreselijke, verlammende druk van Ahriman.
Daar moet ik dus nog eens diep over nadenken, want de relatie tussen geld en Christus zie ik niet meteen.

Advertenties