Kunst en geld (3)

door lievendebrouwere

Welke mensen hebben het meest verstand van geld?
Antwoord: bankiers en kunstenaars.
De bankiers omdat ze de hele dag met geld bezig zijn, de kunstenaars omdat ze altijd geld tekort hebben (en er dus ook voortdurend mee bezig zijn).
Het is een grapje, maar er schuilt veel waarheid in.
Kunstenaars wijden hun leven aan de kunst.
Kunst is voor hen een bijna religieuze missie.
Maar door de aard van de zaak zijn ze tegelijk verplicht zich zeer intens bezig te houden met ‘het slijk der aarde’.
Kunst mag dan nog zo geestelijk zijn, ze kan zich nooit losmaken van de materie.
Dat is heel in het bijzonder het geval voor de beeldende kunsten.
De muzische kunsten zijn veel minder materieel van aard.
Een schrijver heeft genoeg aan pen en papier, een muzikant kan een heel leven met één instrument.
Een schilder daarentegen heeft doek nodig, en verf, en penselen, en olie, en terpentijn, en een ezel, en een atelier, enzovoort.

Uit de Middeleeuwen kennen we de troubadours die met hun luit van hof naar hof trokken en daar hun liederen zongen.
Ze werden met open armen ontvangen, want veel vertier was er niet in die dagen.
Maar zelfs vandaag, nu er vertier in overvloed is en iedereen een radio en een ipod heeft, zijn er nog altijd ‘troubadours’ die met hun gitaar van stad naar stad trekken en er op straat hun liederen zingen.
Men zou er verbaasd van staan hoeveel geld ze op een mooie dag kunnen verdienen.
Een beroepsmuzikant vertelde me ooit dat hij op straat een violist aan het werk zag die zo voortreffelijk speelde dat hij zei: man, jij moet in een orkest gaan spelen!
De straatmuzikant antwoorde: dat héb ik gedaan, ik heb jaren bij de Berliner Philharmoniker gespeeld, maar nu verdien ik méér en bovendien kan ik spelen wat ik zelf wil!

Voor tekenaars, schilders en beeldhouwers liggen de zaken heel anders.
Vincent van Gogh bijvoorbeeld heeft in zijn hele leven maar één schilderij verkocht.
Hij was financieel was volkomen afhankelijk van zijn broer en zonder diens (royale) steun zouden we nooit van de Zonnebloemen of de Aardappeleters gehoord hebben.
En van Gogh was geen uitzondering, hij was de regel.
Beeldende kunstenaars zijn altijd afhankelijk geweest van mensen die hen wilden steunen.
Artistieke problemen waren voor hen ook altijd financiële problemen.
Ze wisten: als ik mijn zin doe, lijd ik honger, als ik wil eten moet ik mij voegen naar de eisen van mijn broodheer.
Sommigen slaagden erin die twee – kunst en geld – met elkaar te verzoenen, maar zoals gezegd: het waren uitzonderingen.

Kunstenaar-zijn is al sinds de oudheid een kommervol bestaan.
De reden daarvoor ligt in de nauwe band tussen geest en materie die eigen is aan de (beeldende) kunst.
We beseffen het niet, maar die band wekt onze weerzin op.
We willen helemaal niet dat geest en materie zo’n nauwe verbinding aangaan, we verzetten ons daar instinctief tegen.
Daarom wordt er in kunstboeken ook zelden gesproken over het grootste probleem van de kunstenaar: geld.
We lezen alles over zijn leven, over zijn liefdes, over zijn werk.
Maar we lezen niets over hoe hij zijn geld verdiende.
We WILLEN daar ook niet over lezen, want dan komt de kunst te dicht bij het leven, dan komt ze te dicht bij onszelf.
Wij willen dat de kunst luciferisch blijft, dat ze een droom blijft.
Kunst moet haar geestelijke karakter behouden, ze mag niet bevuild worden met het ‘slijk der aarde’!

We leven in zeer materialistische tijden, maar dat betekent geenszins dat we nu dicht bij de materie staan, wel integendeel.
De materie is ons nog nooit zo vreemd geweest als vandaag.
Kinderen staan nog dicht bij de materiële wereld.
Ze doen niets liever dan zich vuil maken: ze wentelen zich als varkentjes in het slijk, ze steken alles wat ze tegenkomen in hun mond, ze smeren hun snottebellen over hun gezicht.
Ze zijn als het ware nog één met de materie.
Van die kinderlijke en vanzelfsprekende relatie met de materie blijft vandaag nagenoeg niets meer over.
Er gaapt een diepe kloof tussen onszelf en de materiële wereld.
We omringen ons met dode materialen waarmee we geen verhouding meer (kunnen) hebben.

Hetzelfde zien we in de wereld van de kunst.
Vroeger kon een schilder nog aanzien verwerven door zijn ambachtelijke kunnen (dat hij dankte aan het feit dat hij zijn handen vuilmaakte).
Vandaag valt daar geen eer meer mee te behalen.
Alles nu draait om de ideeën, de visie, het concept.
Hedendaagse kunstenaars steken soms geen vinger meer uit naar het eigenlijke kunstwerk, dat laten ze aan anderen over.
Hun aandacht en energie gaat uit naar de intellectuele kant van de zaak.
Ze zijn in feite denkers geworden, ontwerpers van ideeën.
Hun kunst is niet meer dan een verlengstuk, een illustratie van hun ideeën.
Zonder die ideeën heeft ze geen enkele betekenis.
Ze bestaat dan louter uit pispotten, kartonnen dozen, oude schoenen, kortom afval.

Aan de Hedendaagse kunst kunnen we inderdaad aflezen wat materie echt voor ons is: een afvalproduct, iets bijkomstigs, een illustratie van ideeën.
In ons hoofd zien we de zaken nochtans omgekeerd: daar is het de geest die een afvalproduct is, een bijwerking van de materie.
Maar zo handelen we niet.
We scheppen juist steeds meer afstand tot de materie, we elimineren ze zoveel mogelijk uit ons leven.
De geest daarentegen verafgoden we, daar moet alles voor wijken.
De BBC lijdt momenteel grote verliezen omdat ze Jeremy Clarkson geschorst heeft.
Ze heeft dat niet gedaan omdat de man zijn werk niet goed doet, maar omdat hij zich niet wil voegen naar het politiek correcte denken.
Clarkson verstaat zijn vak, hij is een voortreffelijk ambachtsman en hij brengt de BBC veel geld op, maar hoe groot de materiële belangen ook zijn, ze moeten wijken voor de ideologische, ‘geestelijke’ belangen.
Hetzelfde zien we in de talloze gevallen van geweld en kindermisbruik door moslims: zelfs de fysieke integriteit van de mens is geen argument meer tegen de alles overheersende politiek correcte ideologie.
Onze (onbewuste) afkeer van de materie is zo groot geworden dat we ons zelfs niet meer verzetten tegen geestelijk geïnspireerd geweld.

Waar we vandaag mee geconfronteerd worden – zonder het evenwel te beseffen – is het dubbele gezicht van het materialisme.
We vergeten gemakkelijk dat het materialisme een ideologie is, een overtuiging, een geest.
Het is een geest die ontkent dat de geest bestaat.
Die contradictie heeft zich vandaag diep in de ziel van de mens genesteld en van hem een gespleten wezen gemaakt dat precies het tegenovergestelde doet van wat het gelooft.
We geloven dat er geen geest bestaat en dat alles materie is.
Daar zijn we diep van doordrongen en we voelen een instinctieve afkeer voor alles wat met geloof, religie en spiritualiteit te maken heeft.
Maar tegelijk voelen we een diepe afkeer voor alles wat met materie te maken heeft en zijn we fanatieke verdedigers geworden van politiek correcte (en in wezen christelijke) idealen die we met geweld aan de materie willen opleggen.
Van die groteske tegenspraak zijn we ons niet bewust, want we geloven niet in de geest.
En dus geloven we ook niet in de tegenstelling tussen geest en materie.
Op die manier kan het materialisme – zowel in onze ziel als in de buitenwereld – een hevige strijd doen ontbranden tussen Lucifer en Ahriman, een strijd die we al even hevig ontkennen, een strijd die we niet willen zien.

Aan de kunst kunnen we aflezen dat die strijd al zo oud als de straat is.
Reeds in de Oudheid was men vol bewondering voor de kunst, maar vol minachting voor de kunstenaars.
Er werd een scherpe grens getrokken tussen materie (het scheppen van het kunstwerk) en geest (het beschouwen van het kunstwerk).
Pas in de Renaissance werd die grens tijdelijk opgeheven en werden beeldende kunstenaars mensen van aanzien.
Maar dat duurde niet lang.
Algauw kreeg de oude minachting weer de overhand en verdwenen de kunstenaars naar de marge van de maatschappij waar ze moesten vechten om te overleven.
Om het met een boutade te zeggen: hun kunst werd de hemel in geprezen, maar zelf werden ze naar de hel verbannen.
In de 19de eeuw bereikte die gespletenheid een hoogtepunt: de (beeldende) kunstenaars wier werk nu voor gigantische bedragen verkocht wordt, leefden toen in de meest miserabele omstandigheden.
De beroemdste onder hen – Vincent van Gogh – was zelfs nooit schilder kunnen worden als zijn broer hem niet onderhouden had.

Vandaag hebben kunstenaars het een stuk beter: er is sociale zekerheid, er zijn subsidies en de kunsthandel draait op volle toeren.
Maar de gespletenheid is geenszins verdwenen.
Vroeger waren kunstenaars het slachtoffer van die gespletenheid, maar ze overwonnen haar in hun kunst.
Vandaag is de kunst zelf slachtoffer geworden.
Kunstenaars hebben zich altijd verzet tegen het dualisme dat de Europese cultuur steeds sterker in zijn ban kreeg.
Met hun kunst – die geest en materie verenigde – boden ze er tegenwicht aan.
Maar vandaag lukt hen dat niet meer.
Ze slagen er niet langer in geest en materie te verenigen.
Ze plaatsen beide gewoon naast elkaar
Ze nemen een stuk materie, voegen daar wat abstracte ideeën aan toe, en dat is dat.
De kijker moet op hun gezag aannemen dat er een verband is tussen beide want zelf kan hij het niet zien.
De kunstenaar staat als het ware persoonlijk garant voor de eenheid van materie en geest.
Het is dus niet langer het kunstwerk dat die eenheid belichaamt, maar de kunstenaar.
Hij is met andere woorden zelf kunstwerk geworden.
Het is de kunstenaar die in en met zijn persoon de (ahrimanische) materie van het kunstwerk verbindt met de (luciferische) ideeën in zijn hoofd, en zichzelf op die manier als een soort Christusfiguur naar voor schuift, een mensheidsrepresentant die het midden houdt tussen geest en materie en samen met hen een drieledige eenheid vormt.

Dit beeld spreekt de naar geest hongerende mens sterk aan en ligt aan de basis van het wereldwijde succes van de Hedendaagse kunst.
Het is de wederkomst van Christus zelf die hier imaginatief zichtbaar wordt en die alle deuren doet opengaan.
Maar de werking van dit oerbeeld is onbewust en instinctief.
Want niemand ziet dit beeld, niemand is er zich van bewust.
Het valt zintuiglijk dan ook niet waar te nemen, het wordt maar zichtbaar als we het in gedachten vormen, als we de uiterlijke bestanddelen met elkaar verbinden tot een innerlijk beeld.
En pas wanneer dit beeld in ons gestalte aanneemt, merken we dat de Hedendaagse kunstenaar ons niet het beeld van Christus voorhoudt, maar precies het omgekeerde.
Hij verbindt geest en materie niet op een speelse, kinderlijke manier die rechtstreeks tot ons hart spreekt en onze gespleten ziel ‘heelt’.
Hij verbindt ze op een autoritaire, dwingende manier die we op geen enkele manier kunnen waarnemen en die onze ziel nog verder in twee splijt.

De Hedendaagse kunstenaar belichaamt een buitengewoon agressief intellectualisme, dat zo diep in onze ziel doordringt dat ze deze ‘omkeert’: wat normaliter onze weerzin oproept (vuilnis, afval, geweld) leren we bewonderen en wat doorgaans onze bewondering oproept (vakmanschap, materiaalbeheersing, schoonheid) leren we minachten.
Als we het beeld dat hij ons voorhoudt bewust waarnemen (door het imaginatief in onszelf op te bouwen), dan zien we niemand anders dan de geïncarneerde Ahriman.
Als we het daarentegen onbewust waarnemen (zonder moeite te doen een samenhangend beeld te vormen), dan menen we de wedergekomen Christus te zien.

De kunstenaar heeft in onze cultuur het bewustzijn van Christus het langst levend gehouden, niet in abstracte begrippen maar in levendige beelden.
Hij is dan ook altijd nauw verbonden geweest met het esoterische christendom dat de oorspronkelijke christelijke geest uit de verstarrende, abstraherende greep van Ahriman probeerde te houden.
Maar naarmate Ahriman zijn greep verstevigde, werd de taak van de kunstenaar steeds zwaarder.
In de 19de eeuw bereikte zijn ellende een absoluut dieptepunt en in de 20ste eeuw brak de veer: de kunstenaar gaf zich over.
Hij die zich altijd verzet had tegen Ahriman, werd nu zijn werktuig.
Hij werd dat zelfs nog veel meer dan de doorsnee intellectueel, want hij maakte de materialistische geest op zo’n manier zichtbaar dat hij niet te onderscheiden viel van de christelijke geest.
Door die imitatio Christi kon Ahriman veel dieper in de ziel van de moderne mens doordringen.

Doordat Ahriman de kunst in zijn greep kreeg werden de woorden van Goethe bewaarheid: wie wetenschap heeft en wie kunst heeft, die heeft ook religie.
Na de wetenschap (in de 19de eeuw) en de kunst (in de 20ste eeuw) heeft Ahriman nu ook de religie in zijn greep gekregen.
Hij doet nu in de werkelijkheid wat hij de vorige eeuw in de kunst deed: een zodanige terreur uitoefenen dat we ons niet meer durven verzetten, ja dat we zelfs gaan toejuichen wat we (in wezen) verafschuwen.
In het Gentse SMAK liep onlangs een tentoonstelling van Berlinde De Bruyckere.
Naast kadavers van dieren, waren er ook gruwelijke half-menselijke, half-plantaardige vormen te zien.
Het was om misselijk van te worden, maar de tentoonstelling werd alom met lof overladen.
Ze was een ‘must’ voor iedere cultuurminnaar.
Nog misselijker makend is de gedachte dat deze ‘omkering’ zich in de komende eeuw ook zal uitbreiden tot de werkelijkheid en dat we de meest gruwelijke taferelen zullen toejuichen als een hoogtepunt van beschaving.
En dat dit vooruitzicht geen science fiction is, lezen we dagelijks in de kranten.

In de wetenschap is Ahriman in zijn (intellectuele) element.
In de kunst gaat hij een bondgenootschap aan met (het gevoelselement van) Lucifer.
Maar in de religie dringt hij door tot de wil van de mens en wordt hij het gezicht van de Antichrist die de aanval opent op het Ik van de mens.
Het enige wat daartegen opgewassen is, is bewustzijn, Ik-bewustzijn.
Rudolf Steiner zei al dat we niet de illusie moeten koesteren Ahriman te kunnen overwinnen.
Hij staat op het hoogtepunt van zijn macht en zal die macht nog minstens 1000 jaar uitoefenen.
Het enige wat we kunnen doen, is hem doorzien, ons bewust worden van zijn wezen en werking.
Daartoe is intellectueel inzicht uiteraard niet genoeg, want op dit ‘dode’ niveau is Ahriman heer en meester en doet hij ons geloven dat de geest – en dus ook hijzelf – niet bestaat.
We kunnen ons alleen een beeld van hem vormen als we ons denken weer tot leven wekken, als we ermee doordringen in de etherische sfeer, die ook de sfeer van de kunst is.
En hier moeten we onderscheid leren maken tussen Christus en de Antichrist, want het is door ze naast elkaar te zien dat we ons een (innerlijk) beeld van beiden kunnen vormen.

De kunst helpt ons daarbij want in de ‘klassieke’ kunst hangt zij een beeld op van Christus en in de ‘hedendaagse’ kunst een beeld van de Antichrist.
We beschikken over de nodige (innerlijke) vermogens om dit dubbele beeld te kunnen lezen en het te begrijpen als een beeld van de grote geestelijke strijd die zich vandaag afspeelt.
Maar we moeten die vermogens wel gebruiken en daar is moed voor nodig.
We moeten weer durven luisteren naar ons hart.
We moeten ons verstand weer durven gebruiken.
En we moeten die twee weer met elkaar durven verbinden.
In die volgorde.
Hoe moeilijk dat is, ondervinden we zodra we het proberen.
Als we tegenover een pispot in een museum durven voelen wat ieder normaal mens daarvoor voelt, dan ervaren we wat het betekent een Ik te zijn: we komen alleen te staan.
We verliezen de geborgenheid van de zwijgende meerderheid.
Als we ons gevoel ernstig nemen en erover beginnen nadenken, wordt ons Ik-isolement nog verdiept.
En als we onze gedachten ten slotte durven uitspreken, wordt ons geestelijk isolement ook een fysiek isolement: we worden uit de gemeenschap der weldenkende, beschaafde mensen gestoten.

Als we ten aanzien van de kunst ons hart laten spreken dan delen we het lot van de kunstenaar.
We ondervinden dan aan den lijve wat hij zelf altijd ondervonden heeft: een outcast te zijn, iemand die er niet bij hoorde, iemand die hoogstens geduld werd (omdat je nu eenmaal kunstenaars nodig hebt om kunstwerken te maken).
We nemen dan ook de fakkel van hem over, want zelf kan hij die niet meer dragen.
Hij is in handen gevallen van Ahriman, hij is tot diens werktuig geworden.
In feite is dat een – onbewust – offer: de kunstenaar is in de huid van de draak gekropen en hij beseft het niet.
Dat besef moet van ons, kijkers, komen.
We moeten de kunstenaar verlossen door zijn lot te delen en dat doen we door onze ziel NIET te laten ‘omkeren’ door zijn gruwelijke beelden, maar ze nuchter onder ogen te zien.
We beginnen dan aan een echte lijdensweg, want het is afschuwelijk om de beelden van de Hedendaagse kunst niet met je hoofd maar met je hart te zien.
Maar we gaan dan wel begrijpen welke aanslag er in de 20ste eeuw op de kunst is gepleegd.
En we gaan ook begrijpen welk aandeel we daar zelf in hadden door – zoals Parsifal – eerbiedig te zwijgen tegenover het lijden van de visserkoning die de kunstenaar is.

Follow the money!
Dat is de richtlijn die vaak weerklinkt in moderne misdaadseries: volg het spoor van het geld, want dat leidt naar de ware schuldigen.
Het is ook het spoor dat we moeten volgen als we opheldering willen krijgen over de aanslag die in de 20ste eeuw op de kunst werd gepleegd.
We moeten de vraag stellen die nooit gesteld wordt omdat ze ten aanzien van de ‘koninklijke’ kunst zo oneerbiedig klinkt: de Parsifalvraag naar het geld.
Als we dat doen bij de beroemdste kunstenaar van de moderne tijd – Vincent van Gogh – dan komen we meteen uit bij de ontroerende (geestelijke) relatie tussen beide broers, Vincent en Theo.
Die relatie is als een lichtend voorbeeld van wat altijd de voorwaarde voor kunst is geweest en dat altijd zal blijven: een broederlijke samenwerking.