Kunst en geld (4)

door lievendebrouwere

Als kunstenaar heb je geld nodig om te kunnen leven en werken, dat spreekt.
Maar je hebt het ook nog om een andere reden nodig.
Stel dat je door een of andere gelukkige speling van het lot geld genoeg hebt en je werk dus niet hoeft te verkopen, wat ga je er dan mee doen?
Opstapelen in je atelier?
Dat kan niet de bedoeling zijn.
Tentoonstellen dus.
Maar mensen die tentoonstellingen bezoeken, willen ook wel eens iets kopen.
Wie iets echt graag ziet, wil het ook hebben, want dat is de enige manier om er elke dag te kunnen naar kijken.
Dus toch verkopen, tenzij je je werk gewoon weggeeft.

Maar weggeven is geen goed idee.

Zo heb ik een schilderij van me al eens ergens in een rommelkast aangetroffen, tussen de afgedankte spullen.
Of ik zag een portret van me aan de muur hangen, vastgespijkerd met punaises en met viltstift ‘verbeterd’ door de eigenaar.
Ik heb het ook eens meegemaakt dat iemand een tekening in vier vouwde en in zijn binnenzak stak.
En dan spreek ik nog niet over degenen die het gekregen werk gewoon doorverkopen.
Nee, wie een beetje respect heeft voor zijn werk kan het niet weggeven.
Het voor een ‘schappelijke’ prijs van de hand te doen, is evenmin een goed idee.
Zo had ik ooit het plan opgevat om portretten tegen halve prijs te tekenen, omdat ik het een onaangename gedachte vond dat alleen welgestelde mensen zich een portret kunnen permitteren.
Het resultaat was dat men begon … af te dingen, en het waren heus geen arme mensen die dat deden.

Geld brengt brood op de plank, maar het heeft ook nog een andere, geestelijke betekenis.
Het is namelijk uitdrukking van de waardering die men voor je werk heeft.
De enige betrouwbare waardering, helaas.
Toen ik verleden jaar in Brugge gratis portretten begon te tekenen, was dat een groot succes.
De kandidaten stonden aan te schuiven, ik had geen tijd om te eten en ik werd de hemel in geprezen.
Bewondering alom!
Maar toen ik het weekend daarop 50 euro vroeg voor een portret (dat een veelvoud daarvan waard was) bleek niemand nog geïnteresseerd.
Niet één kandidaat diende zich aan.
Alle ‘bewondering’ was als bij toverslag verdwenen.

Hoe ontzettend goedkoop bewondering voor kunst vandaag is geworden, werd onlangs nog eens aangetoond door een jonge Nederlander die in IKEA voor 10 euro een (geprint) schilderij had gekocht en ermee in het Arnhemse Museum voor Moderne Kunst was gaan staan.
Wat vindt u ervan? had hij aan de bezoekers gevraagd.
Ze waren zonder uitzondering vol waardering, bewondering en zelfs enthousiasme.
Eentje vond het een geniaal werk, een ander wilde er 2,5 miljoen (gulden of euro?) voor geven.
Niemand die zag dat het geen echt schilderij was.
Niemand die verschil zag tussen een meesterwerk en een waardeloos prul.
Misschien hadden ze de kritische stemmen uit het filmpje geknipt, dat is mogelijk, maar het gaf toch een goed beeld van hoe het er tegenwoordig in de kunstwereld aan toegaat: men bewondert alles, zolang het maar voorzien is van het etiket ‘kunst’.
Was de jonge Nederlander met zijn IKEA-schilderij buiten het museum gaan staan, dan had niemand het waarschijnlijk een blik waardig gekeurd, maar van zodra het binnen het museum stond – en dus als ‘kunst’ gelabeld werd – steeg de bewondering tot ijle hoogten.

De moderne kunstliefhebber bewondert niet langer het kunstwerk, hij bewondert het label ‘kunst’.
Hangt dat label aan een schilderij van Rafaël, dan vindt hij dat schilderij prachtig.
Hangt het aan een pispot, dan vindt hij die pispot prachtig.
Het maakt helemaal niet uit waaraan dat label hangt.
Kunst is vandaag gereduceerd tot een volkomen leeg begrip.
En ook de bewondering die dat begrip oproept, is volkomen leeg.
Het is een Pavlov-reactie.
Het verhaal is bekend: een hond begint te kwijlen als hij voedsel krijgt.
Gaat dat gepaard met een geluid dan begint de hond na verloop van tijd te kwijlen wanneer hij dat geluid hoort, zelfs al krijgt hij geen voedsel.
De hond is met andere woorden ‘geconditioneerd’.
Op dezelfde manier is ook de moderne kunstliefhebber geconditioneerd.
Eerst bewonderde hij tekeningen, schilderijen, beeldhouwwerken.
Daarna werd aan die voorwerpen de naam ‘kunst’ gegeven.
Vandaag begint de kunstliefhebber al te kwijlen als hij de naam ‘kunst’ hoort, ook al krijgt hij helemaal geen kunst voorgeschoteld.

Die Pavlov-reactie wordt ook opgewekt door het prijskaartje, want kunst en geld betekenen allebei: waardevol, kostbaar.
Een kunstwerk dat 1500 euro kost is 30 keer meer kunst dan een portret dat maar 50 euro kost, ook al is dat ‘kunstwerk’ een … drol (en dat is helaas géén fictief voorbeeld).
Een collega in Brugge vertelde me ooit over een juwelenmaker die op de markt stond maar niks verkocht. Wat hij ook probeerde, de toeristen wilden zijn juwelen niet kopen.
Tot hij in een opwelling besloot zijn prijzen te verdubbelen.
En zie, opeens wilde iedereen zijn juwelen hebben!
De redenering achter zijn succes was even simpel als kinderachtig: als het niet veel kost, zal het wel niet veel waard zijn.
Jaren geleden informeerden buren eens naar de prijs voor een portret van hun kind.
Ik dacht: het zijn buren, dus ik doe het voor een zacht prijsje.
Ik hoorde er niks meer van, maar vernam later wel dat ze de prijs te laag vonden en iemand gezocht hadden die duurder – en dus beter – was.

De oplossing voor mijn probleem ligt dus voor de hand: ik vraag niet langer 50 euro voor een portret maar 100 euro of meer.
Maar zo eenvoudig ligt het niet.
Kunstliefhebbers betalen niet voor kwaliteit maar voor exclusiviteit.
Hedendaagse kunst bestaat vaak uit rommel en afval, maar die rommel wordt wel tentoongesteld in bijzonder chique en exclusieve galerijen en musea.
De duurste rommel wordt zelfs helemaal NIET meer tentoongesteld: hij is voorbehouden aan een uitgelezen schare van kenners die zich niet willen blootstellen aan het plebs.
De prijszetting van Hedendaagse kunst is uitdrukking van deze exclusiviteit.
Wie deze kunst kan kopen behoort tot een kleine kring van uitverkorenen die niet alleen materieel maar ook geestelijk superieur zijn, want ze kopen kunst die het gewone volk noch kan kopen noch kan begrijpen.

Wie Hedendaagse kunst koopt, koopt niet zozeer een kunstwerk dan wel een naam, een etiket, iets wat dus alleen in gedachten bestaat: de gedachten van een exclusieve gemeenschap, een avant-garde die ‘de massa’ ver vooruit is.
Als ik mijn prijzen in Brugge zou verdubbelen, moet ik ook de rest van het etiket ‘verdubbelen’: ik moet mijn kraam exclusiever maken, ik moet mezelf exclusiever maken, ik moet exclusieve praatjes gaan verkopen.
Afgezien van het feit dat ik dat niet KAN en ook niet WIL, is het nogal belachelijk om dat op een … markt te willen doen, een markt die per definitie NIET exclusief is.
Dat is trouwens wat ik zo aangenaam vind aan die markt: het niet-exclusieve.
De Brugse ‘folkloremarkt’ (alweer een etiket dat niks te maken heeft met de werkelijkheid) is in feite een rommelmarkt.
Daarin verschilt ze niet wezenlijk van de hedendaagse kunstwereld, want die biedt ook hoofdzakelijk rommel aan.
Het enige verschil is de exclusiviteit van de artistieke rommel.
Daarom betaal je op de folkloremarkt 5, 10, 20 of 50 euro, en op de kunstmarkt 500, 1000, 2000 of 5000 euro.
Het verschil is louter illusie, gebakken lucht.
Je betaalt Lucifer en in ruil laat hij je dromen.

In feite is dat altijd de functie van kunst geweest: een mens laten dromen, hem verplaatsen in een andere, geestelijker dimensie.
Daar is op zich niks mis mee, want als een mens niet meer kan dromen wordt de wereld wel een heel onaangename plek.
Materieel gezien heeft de moderne mens het beter dan ooit, maar toch is hij niet tevreden, wel integendeel.
Hij is waarschijnlijk de meest ontevreden mens uit de hele geschiedenis.
De reden?
Hij kan niet meer dromen.
Vroeger kon de mens nog dromen over een geestelijke wereld, een wereld waar alles beter en mooier was.
Vandaag kan hij dat niet meer.
De wetenschap vertelt hem namelijk dat zo’n wereld niet bestaat.

Alleen de kunst kan de moderne mens nog doen dromen.
Maar haar materiële karakter maakt hem dat in toenemende mate moeilijk.
De hedendaagse kijker kan in de materie geen geest meer zien en dus dreigt met name de beeldende kunst uit de boot te vallen als ‘dromenleverancier’.
Dat heeft deze kunst ‘opgelost’ door haar geest (het begrip ‘kunst’) los te maken van de materie (het concrete kunstwerk).
De kijker kan nu weer de geest aanbidden zonder gestoord te worden door de materie.
Hij kan weer volop dromen, al moet hij wel de ogen sluiten voor het kunstwerk.

Vroeger was de droomgeest van de kunst luciferisch en leefde hij in het gevoel.
Vandaag is hij ahrimanisch geworden en leeft hij alleen nog in gedachten.
Dat wil zeggen: hij leeft NIET meer, hij is dood.
Honderd jaar geleden kon Nietzsche zeggen: God is dood en we hebben de kunst nodig om die waarheid te overleven.
Vandaag moeten we zeggen: ook de kunst is dood en we weten niet meer hoe we dát moeten overleven.
Het vernietigen van kunstwerken door de jihadi’s van de Islamitische Staat is – andermaal – een spiegelbeeld.
We doen namelijk precies hetzelfde, zij het dan op geestelijk gebied.
Door de kunst te reduceren tot een abstract begrip, tot een etiket dat om het even waar kan opgeplakt worden, hebben we haar vernietigd.
IS maakt dat zichtbaar door kunst ook materieel te vernietigen.
De moslims voltrekken een doodvonnis dat we zelf geveld hebben.

We kunnen dat materiële geweld niet stoppen als we niet ophouden met het geestelijke geweld.
Het heeft geen zin de spiegel in stukken te slaan als we zelf niet veranderen.
In zekere zin moeten we de moslimwereld dankbaar zijn dat hij ons een spiegel voorhoudt, want die spiegel vertelt ons wat we verkeerd doen.
Het is beslist geen toeval dat de jihadi’s zoveel belang hechten aan kunst.
Ze overspoelen de wereld met zorgvuldig geregisseerde video’s van hun onthoofdingsperformances.
Ze executeren de tekenaars van Charlie Hebdo.
Ze vernietigen eeuwenoude kunstwerken.
Ze hebben net een aanslag gepleegd op een museum in Tunesië.
What’s next?
Het Lam Gods? De Sixtijnse kapel? De kathedraal van Chartres?
De musea voor Hedendaagse kunst zullen ze wel met rust laten, want daar is het vernietigingswerk al verricht, daar is het zelfs tot … kunst verheven.

De jihadi’s doen eigenlijk net hetzelfde als de Westerse intellectuelen: ze bewonderen de kunst van het vernietigen.
Het is het enige wat hen nog kan doen dromen.
Het is het enige wat een louter materiële wereld draaglijk kan maken.
Achter deze vernietigingsdrang schuilt in feite een enorme behoefte aan geest.
De religies kunnen in die behoefte niet meer voorzien, want ze dateren uit een tijd dat de mens de geest nog duidelijk genoeg kon waarnemen dat hij erdoor geïnspireerd werd.
De moderne mens kan de geest alleen nog in de kunst waarnemen, maar daar is hij zich niet van bewust.
In het beste geval ‘droomt’ hij die geest, in het slechtste ‘denkt’ hij hem alleen.
Het ‘artistieke’ geweld van IS lijkt ons aan te manen om wakker te worden voor de geest die in de kunst werkzaam is.
Ja, de hele Hedendaagse kunst lijkt ons daartoe te dwingen.
Ze roept onwillekeurig de vraag in ons op: wat is kunst?
Maar in plaats van te ontwaken voor de (echte) geest van de kunst – de enige die we nog hebben – vallen we in slaap en geven ons over aan de droom van een volstrekt illusoire luciferische geest.
Terwijl Ahriman intussen ongestoord zijn vernietigingswerk kan doen.

Als we niet ten prooi willen vallen aan blinde vernietigingsdriften, dan moeten we onze ogen openen voor de geest van de kunst.
Aangezien de hele wereld een kunstwerk is, is de geest van de kunst ook de geest van onze wereld.
We kunnen hem overal waarnemen als we tenminste met een kunstzinnige blik kijken.
Die blik kunnen we oefenen in de wereld van de kunst.
Als we dat tenminste willen, als we dat tenminste durven.
Het IKEA-filmpje was heel geestig, heel ludiek, en toen de aap uit de mouw kwam, moest iedereen (met één uitzondering) hartelijk lachen om de grap.
Maar onder al dat ‘plezier’ ging een diepe angst schuil: de angst om te oordelen, de angst om geest en materie met elkaar te verbinden – niet de dode, abstracte geest van het etiket ‘kunst’, maar de eigen levende geest.
Want daar komt het op aan als we naar kunst kijken: dat we in onszelf de geest wakker maken zodat hij zich kan herkennen in de spiegel van het kunstwerk.

Uiteindelijk is dat ook de opgave waarvoor ik in Brugge sta.
Ik moet de toeristen ertoe kunnen bewegen zichzelf te herkennen in mijn portretten.
Daarvoor moet ik natuurlijk mijn uiterste best doen om goede, gelijkende portretten te tekenen.
Maar dat is niet genoeg.
Ik moet de toeristen zover krijgen dat ze in die spiegel durven kijken, dat ze in die spiegel willen kijken.
Ik moet hen ertoe bewegen de geest in henzelf wakker te maken.
En ik weet nog altijd niet hoe ik dat moet doen, want die geest is diep in slaap.
Er worden in Brugge aan de lopende band selfies genomen – toeristen lijken meer geïnteresseerd in zichzelf dan in Brugge – maar het is niet hun geest die op de foto’s verschijnt, het is alleen de materiële buitenkant.
Wat ze, zonder het te weten, met hun gesofisticeerde fototoestellen en smartfoons doen, is geest en materie scheiden.
Hoe breng ik hen aan het verstand dat ze in wezen precies het omgekeerde willen?
Hoe breng ik aan hun verstand dat ze hun Ik weer willen verenigen met hun gezicht?
Hoe breng ik hen aan het verstand dat ze een selfie van mij willen?

Advertenties