Kunst en geweld

door lievendebrouwere

In de citaten die ik de afgelopen dagen gepubliceerd heb, noemt Rudolf Steiner het afwijzen van de geestelijke wereld als oorzaak van het geweld dat de mensheid momenteel teistert.
De geestelijke wereld wil op twee manieren doordringen tot de mens: van buitenaf via de zintuigen en van binnenuit via (dixit Steiner) het onderlichaam.
Als de geest erin slaagde de mens te bereiken via de zintuigen dan zouden zintuiglijke indrukken tot imaginaties worden.
Deze imaginaties zouden de spookvoorstellingen van de materialistische natuurwetenschap vervangen en daardoor de weg vrij maken voor de geestelijke impulsen die in de mens willen opstijgen tot inspiraties.
De materialistische voorstellingen van de wetenschap sluiten deze geestelijke impulsen bij wijze van spreken op in het ‘onderlijf’ waar ze – nog steeds bij wijze van spreken – het bloed doen koken en wilde, dierlijke driften doen oplaaien.

De moderne mens leeft overdag alsof het nacht is.
Hij ziet overal dingen die er niet zijn.
Hij laat zich de stuipen op het lijf jagen door schaduwen en schimmen.
In de voorstellingen van de wetenschap werkt de maan van het dode intellect en dat schept een angstaanjagende nachtwereld vol spoken.
In de imaginaties daarentegen werkt de zon van de scheppende geest en die laat ons de wereld in het juiste (dag)licht zien.

De oorzaak van het huidige geweld is dus dubbel: enerzijds het verstarrende materialisme, anderzijds de opdringende geestelijke wereld.
Het Kali Yuga is voorbij en we beleven de wederkomst van Christus.
Er vindt dus een enorme geestelijke heropleving plaats.
Maar die wordt tegengehouden door het materialisme.
Het is alsof een bijna uitgedroogde rivier opeens weer begint te stromen, maar gestuit wordt door een hoge stuwdam.
Het gevolg ligt voor de hand: vroeg of laat breekt de dam en het levenbrengende water verandert in een vernietigende kracht.
Het geweld dat de wereld sinds het einde van het Kali Yuga treft, is in wezen opgehoopte, samengeperste geestelijke kracht die de mens overspoelt.
Het is scheppingskracht die tot vernietigingskracht is geworden doordat ze zichzelf niet kan ontplooien.

Zo komt Rudolf Steiner tot de verrassende uitspraak dat aan de basis van het hedendaagse geweld gebrek aan … kunstzinnige geest ligt.
Het is niet meteen waar de moderne mens aan denkt als hij zich bezint over het geweld dat de wereld teistert.
Het is zelfs het allerlaatste waar hij aan denkt.
En toch ligt hier de sleutel volgens Steiner
Er zal nooit een eind komen aan het geweld als we ons niet openstellen voor de geest.
En dat laatste kunnen we alleen op kunstzinnige wijze.
Om een eind te maken aan het geweld moeten we de wereld als een kunstwerk leren zien, zoals Goethe dat deed, en daarvoor moeten we ‘anschauende Urteilskraft’ ontwikkelen, aanschouwende oordeelskracht.

Anschauende Urteilskraft is de kracht waarmee we de kunstzinnige kwaliteit van iets waarnemen.
Die kunstzinnige kwaliteit wordt alleen zichtbaar wanneer we oordelen, wanneer we innerlijk actief worden.
Dat doen we vanzelf wanneer we naar kunst kijken.
We vragen ons dan (meestal onbewust) af: is het goed of is het slecht?
Dat oordeel drukt zich uit in een gevoel: treft het kunstwerk ons aangenaam, dan vinden we het goed, treft het ons onaangenaam dan vinden we het slecht.
Naarmate we meer oordelen, wordt ons gevoelsoordeel niet alleen objectiever maar ook bewuster.
We leren gaandeweg onderscheid maken tussen meer en minder goede kunst.
We leren de kwaliteit ‘kunst’ waarnemen: ons (subjectieve) oordeel ontwikkelt zich tot een (objectief) zien, een ‘aanschouwen’.

Deze ‘anschauende Urteilskraft’ ontwikkelen we spelenderwijs in onze omgang met kunst, tenminste als die omgang intens genoeg is.
De problemen beginnen wanneer we dit ‘oordelende zien’ ook willen toepassen op de werkelijkheid, wanneer we bijvoorbeeld een groententuin, een geschiedenisles, een medische diagnose of een wetenschappelijk onderzoek als een kunstwerk willen zien en dus kunstzinnig beoordelen.
Dat is namelijk not done in onze materialistische cultuur.
Nemen we bijvoorbeeld de moderne windmolens.
Dat zijn monsterlijke dingen, die in een kunstzinnige maatschappij geen enkele kans zouden maken.
Maar kunstzinnige overwegingen spelen geen enkele rol in onze moderne maatschappij.
Ze worden alleen geduld in de zorgvuldig afgebakende wereld van de kunst.
Daarbuiten gelden alleen materiële overwegingen (zijn windmolens rendabel?) en morele overwegingen (zijn windmolens goed voor het milieu?).
Samen leveren ze een bijzonder onkunstzinnig, ja zelfs anti-kunstzinnig resultaat op, want moderne windmolens zijn een verkrachting van de natuurlijke schoonheid van het landschap.

Wie zich, op grond van kunstzinnige overwegingen, verzet tegen de bouw van windmolens roept haat op: de ahrimanische haat van de rendabiliteitsdenkers en de luciferische haat van de ecologische denkers.
Beide soorten denkers haten ook elkaar, maar méér nog haten ze de kunstzinnige benadering van de werkelijkheid, want die benadering oriënteert zich op de geest.
Deze haat-tegen-de-geest is zelfs de kunstwereld binnengedrongen en heeft zich ook daar gekant tegen de ‘anschauende Urteilskraft’.
Het wordt als onmogelijk beschouwd om van het (subjectieve) oordelen tot een (objectief) zien te komen.
Er valt immers helemaal niets te zien.
De kunstzinnige kwaliteit van een kunstwerk is een geestelijke kwaliteit.
Ze kan op geen enkele ‘wetenschappelijke’ manier gemeten of bewezen worden en dus behoort ze tot het rijk der fantasie.
Ze bestaat doodeenvoudig niet voor de materialist.

Deze overtuiging is vandaag zo wijd verspreid en zo diep geworteld dat ik er nog nooit in geslaagd ben iemand van het tegendeel te overtuigen.
Het is voor de moderne mens nagenoeg onmogelijk om te geloven dat kunstwerken een geestelijke kwaliteit bezitten die (dankzij onze anschauende Urteilskraft) even objectief kan waargenomen worden als de materiële wereld.
Dit ongeloof is als een muur waar je tegenaan botst.
De idee dat kunst de levende waarheid kan spreken, wordt als fantasie beschouwd.
Enkel de dode waarheid wordt erkend.
Als kunst ‘spreekt’, zo is de algemene opvatting, doet ze dat door middel van ideeën die uit het hoofd (van de kunstenaar) afkomstig zijn, ideeën die bewust in het kunstwerk zijn gelegd.
Dat ze ook kan spreken door middel van ideeën die uit het ‘onderlijf’ afkomstig zijn (en waar de kunstenaar zelf niets vanaf weet) stoot de moderne mens hevig tegen de borst.
De gedachte dat er ideeën leven in de natuur (en niet alleen in het hoofd van de mens) wekt zijn ongeloof, zijn woede en zelfs zijn haat.
Ideeën worden alleen geaccepteerd in hun intellectuele, dode en abstracte vorm.
In hun levende, zintuiglijk waarneembare vorm worden ze met grote kracht afgewezen.

Het rechtstreeks gevolg van dit ongeloof – Steiner zou het een bijgeloof noemen – is dat de hedendaagse kunstliefhebber geen enkele moeite meer doet om anschauende Urteilskraft te ontwikkelen, dat wil zeggen om zijn subjectieve oordeel te ‘slijpen’ tot een objectieve lens.
Integendeel, in de hedendaagse kunstwereld is oordelen taboe.
Niemand waagt het nog om zelf te oordelen over een kunstwerk.
Het gevolg daarvan is dat de kijker blind wordt voor de levende geest en hem zelfs vervangt door een grauwe ahrimanische geest.
Nu kan men zeggen: ach wat, laat die artistieke snobs maar in extase staan voor een pispot, een getatoeëerd varken of een hoop bananenschillen, daar zal de wereld niet van vergaan!
Maar het wordt met de dag duidelijker dat de grens tussen kunst en werkelijkheid vervaagt en dat de blindheid voor de geest zich als een besmettelijke ziekte over hele wereld verspreidt en de ‘wraak der goden’ oproept.

Nee, kunst is geen tijdverdrijf meer, het is een manier om te overleven.

Advertenties