Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Maand: maart, 2015

Kunst en geld (3)

Welke mensen hebben het meest verstand van geld?
Antwoord: bankiers en kunstenaars.
De bankiers omdat ze de hele dag met geld bezig zijn, de kunstenaars omdat ze altijd geld tekort hebben (en er dus ook voortdurend mee bezig zijn).
Het is een grapje, maar er schuilt veel waarheid in.
Kunstenaars wijden hun leven aan de kunst.
Kunst is voor hen een bijna religieuze missie.
Maar door de aard van de zaak zijn ze tegelijk verplicht zich zeer intens bezig te houden met ‘het slijk der aarde’.
Kunst mag dan nog zo geestelijk zijn, ze kan zich nooit losmaken van de materie.
Dat is heel in het bijzonder het geval voor de beeldende kunsten.
De muzische kunsten zijn veel minder materieel van aard.
Een schrijver heeft genoeg aan pen en papier, een muzikant kan een heel leven met één instrument.
Een schilder daarentegen heeft doek nodig, en verf, en penselen, en olie, en terpentijn, en een ezel, en een atelier, enzovoort.

Uit de Middeleeuwen kennen we de troubadours die met hun luit van hof naar hof trokken en daar hun liederen zongen.
Ze werden met open armen ontvangen, want veel vertier was er niet in die dagen.
Maar zelfs vandaag, nu er vertier in overvloed is en iedereen een radio en een ipod heeft, zijn er nog altijd ‘troubadours’ die met hun gitaar van stad naar stad trekken en er op straat hun liederen zingen.
Men zou er verbaasd van staan hoeveel geld ze op een mooie dag kunnen verdienen.
Een beroepsmuzikant vertelde me ooit dat hij op straat een violist aan het werk zag die zo voortreffelijk speelde dat hij zei: man, jij moet in een orkest gaan spelen!
De straatmuzikant antwoorde: dat héb ik gedaan, ik heb jaren bij de Berliner Philharmoniker gespeeld, maar nu verdien ik méér en bovendien kan ik spelen wat ik zelf wil!

Voor tekenaars, schilders en beeldhouwers liggen de zaken heel anders.
Vincent van Gogh bijvoorbeeld heeft in zijn hele leven maar één schilderij verkocht.
Hij was financieel was volkomen afhankelijk van zijn broer en zonder diens (royale) steun zouden we nooit van de Zonnebloemen of de Aardappeleters gehoord hebben.
En van Gogh was geen uitzondering, hij was de regel.
Beeldende kunstenaars zijn altijd afhankelijk geweest van mensen die hen wilden steunen.
Artistieke problemen waren voor hen ook altijd financiële problemen.
Ze wisten: als ik mijn zin doe, lijd ik honger, als ik wil eten moet ik mij voegen naar de eisen van mijn broodheer.
Sommigen slaagden erin die twee – kunst en geld – met elkaar te verzoenen, maar zoals gezegd: het waren uitzonderingen.

Kunstenaar-zijn is al sinds de oudheid een kommervol bestaan.
De reden daarvoor ligt in de nauwe band tussen geest en materie die eigen is aan de (beeldende) kunst.
We beseffen het niet, maar die band wekt onze weerzin op.
We willen helemaal niet dat geest en materie zo’n nauwe verbinding aangaan, we verzetten ons daar instinctief tegen.
Daarom wordt er in kunstboeken ook zelden gesproken over het grootste probleem van de kunstenaar: geld.
We lezen alles over zijn leven, over zijn liefdes, over zijn werk.
Maar we lezen niets over hoe hij zijn geld verdiende.
We WILLEN daar ook niet over lezen, want dan komt de kunst te dicht bij het leven, dan komt ze te dicht bij onszelf.
Wij willen dat de kunst luciferisch blijft, dat ze een droom blijft.
Kunst moet haar geestelijke karakter behouden, ze mag niet bevuild worden met het ‘slijk der aarde’!

We leven in zeer materialistische tijden, maar dat betekent geenszins dat we nu dicht bij de materie staan, wel integendeel.
De materie is ons nog nooit zo vreemd geweest als vandaag.
Kinderen staan nog dicht bij de materiële wereld.
Ze doen niets liever dan zich vuil maken: ze wentelen zich als varkentjes in het slijk, ze steken alles wat ze tegenkomen in hun mond, ze smeren hun snottebellen over hun gezicht.
Ze zijn als het ware nog één met de materie.
Van die kinderlijke en vanzelfsprekende relatie met de materie blijft vandaag nagenoeg niets meer over.
Er gaapt een diepe kloof tussen onszelf en de materiële wereld.
We omringen ons met dode materialen waarmee we geen verhouding meer (kunnen) hebben.

Hetzelfde zien we in de wereld van de kunst.
Vroeger kon een schilder nog aanzien verwerven door zijn ambachtelijke kunnen (dat hij dankte aan het feit dat hij zijn handen vuilmaakte).
Vandaag valt daar geen eer meer mee te behalen.
Alles nu draait om de ideeën, de visie, het concept.
Hedendaagse kunstenaars steken soms geen vinger meer uit naar het eigenlijke kunstwerk, dat laten ze aan anderen over.
Hun aandacht en energie gaat uit naar de intellectuele kant van de zaak.
Ze zijn in feite denkers geworden, ontwerpers van ideeën.
Hun kunst is niet meer dan een verlengstuk, een illustratie van hun ideeën.
Zonder die ideeën heeft ze geen enkele betekenis.
Ze bestaat dan louter uit pispotten, kartonnen dozen, oude schoenen, kortom afval.

Aan de Hedendaagse kunst kunnen we inderdaad aflezen wat materie echt voor ons is: een afvalproduct, iets bijkomstigs, een illustratie van ideeën.
In ons hoofd zien we de zaken nochtans omgekeerd: daar is het de geest die een afvalproduct is, een bijwerking van de materie.
Maar zo handelen we niet.
We scheppen juist steeds meer afstand tot de materie, we elimineren ze zoveel mogelijk uit ons leven.
De geest daarentegen verafgoden we, daar moet alles voor wijken.
De BBC lijdt momenteel grote verliezen omdat ze Jeremy Clarkson geschorst heeft.
Ze heeft dat niet gedaan omdat de man zijn werk niet goed doet, maar omdat hij zich niet wil voegen naar het politiek correcte denken.
Clarkson verstaat zijn vak, hij is een voortreffelijk ambachtsman en hij brengt de BBC veel geld op, maar hoe groot de materiële belangen ook zijn, ze moeten wijken voor de ideologische, ‘geestelijke’ belangen.
Hetzelfde zien we in de talloze gevallen van geweld en kindermisbruik door moslims: zelfs de fysieke integriteit van de mens is geen argument meer tegen de alles overheersende politiek correcte ideologie.
Onze (onbewuste) afkeer van de materie is zo groot geworden dat we ons zelfs niet meer verzetten tegen geestelijk geïnspireerd geweld.

Waar we vandaag mee geconfronteerd worden – zonder het evenwel te beseffen – is het dubbele gezicht van het materialisme.
We vergeten gemakkelijk dat het materialisme een ideologie is, een overtuiging, een geest.
Het is een geest die ontkent dat de geest bestaat.
Die contradictie heeft zich vandaag diep in de ziel van de mens genesteld en van hem een gespleten wezen gemaakt dat precies het tegenovergestelde doet van wat het gelooft.
We geloven dat er geen geest bestaat en dat alles materie is.
Daar zijn we diep van doordrongen en we voelen een instinctieve afkeer voor alles wat met geloof, religie en spiritualiteit te maken heeft.
Maar tegelijk voelen we een diepe afkeer voor alles wat met materie te maken heeft en zijn we fanatieke verdedigers geworden van politiek correcte (en in wezen christelijke) idealen die we met geweld aan de materie willen opleggen.
Van die groteske tegenspraak zijn we ons niet bewust, want we geloven niet in de geest.
En dus geloven we ook niet in de tegenstelling tussen geest en materie.
Op die manier kan het materialisme – zowel in onze ziel als in de buitenwereld – een hevige strijd doen ontbranden tussen Lucifer en Ahriman, een strijd die we al even hevig ontkennen, een strijd die we niet willen zien.

Aan de kunst kunnen we aflezen dat die strijd al zo oud als de straat is.
Reeds in de Oudheid was men vol bewondering voor de kunst, maar vol minachting voor de kunstenaars.
Er werd een scherpe grens getrokken tussen materie (het scheppen van het kunstwerk) en geest (het beschouwen van het kunstwerk).
Pas in de Renaissance werd die grens tijdelijk opgeheven en werden beeldende kunstenaars mensen van aanzien.
Maar dat duurde niet lang.
Algauw kreeg de oude minachting weer de overhand en verdwenen de kunstenaars naar de marge van de maatschappij waar ze moesten vechten om te overleven.
Om het met een boutade te zeggen: hun kunst werd de hemel in geprezen, maar zelf werden ze naar de hel verbannen.
In de 19de eeuw bereikte die gespletenheid een hoogtepunt: de (beeldende) kunstenaars wier werk nu voor gigantische bedragen verkocht wordt, leefden toen in de meest miserabele omstandigheden.
De beroemdste onder hen – Vincent van Gogh – was zelfs nooit schilder kunnen worden als zijn broer hem niet onderhouden had.

Vandaag hebben kunstenaars het een stuk beter: er is sociale zekerheid, er zijn subsidies en de kunsthandel draait op volle toeren.
Maar de gespletenheid is geenszins verdwenen.
Vroeger waren kunstenaars het slachtoffer van die gespletenheid, maar ze overwonnen haar in hun kunst.
Vandaag is de kunst zelf slachtoffer geworden.
Kunstenaars hebben zich altijd verzet tegen het dualisme dat de Europese cultuur steeds sterker in zijn ban kreeg.
Met hun kunst – die geest en materie verenigde – boden ze er tegenwicht aan.
Maar vandaag lukt hen dat niet meer.
Ze slagen er niet langer in geest en materie te verenigen.
Ze plaatsen beide gewoon naast elkaar
Ze nemen een stuk materie, voegen daar wat abstracte ideeën aan toe, en dat is dat.
De kijker moet op hun gezag aannemen dat er een verband is tussen beide want zelf kan hij het niet zien.
De kunstenaar staat als het ware persoonlijk garant voor de eenheid van materie en geest.
Het is dus niet langer het kunstwerk dat die eenheid belichaamt, maar de kunstenaar.
Hij is met andere woorden zelf kunstwerk geworden.
Het is de kunstenaar die in en met zijn persoon de (ahrimanische) materie van het kunstwerk verbindt met de (luciferische) ideeën in zijn hoofd, en zichzelf op die manier als een soort Christusfiguur naar voor schuift, een mensheidsrepresentant die het midden houdt tussen geest en materie en samen met hen een drieledige eenheid vormt.

Dit beeld spreekt de naar geest hongerende mens sterk aan en ligt aan de basis van het wereldwijde succes van de Hedendaagse kunst.
Het is de wederkomst van Christus zelf die hier imaginatief zichtbaar wordt en die alle deuren doet opengaan.
Maar de werking van dit oerbeeld is onbewust en instinctief.
Want niemand ziet dit beeld, niemand is er zich van bewust.
Het valt zintuiglijk dan ook niet waar te nemen, het wordt maar zichtbaar als we het in gedachten vormen, als we de uiterlijke bestanddelen met elkaar verbinden tot een innerlijk beeld.
En pas wanneer dit beeld in ons gestalte aanneemt, merken we dat de Hedendaagse kunstenaar ons niet het beeld van Christus voorhoudt, maar precies het omgekeerde.
Hij verbindt geest en materie niet op een speelse, kinderlijke manier die rechtstreeks tot ons hart spreekt en onze gespleten ziel ‘heelt’.
Hij verbindt ze op een autoritaire, dwingende manier die we op geen enkele manier kunnen waarnemen en die onze ziel nog verder in twee splijt.

De Hedendaagse kunstenaar belichaamt een buitengewoon agressief intellectualisme, dat zo diep in onze ziel doordringt dat ze deze ‘omkeert’: wat normaliter onze weerzin oproept (vuilnis, afval, geweld) leren we bewonderen en wat doorgaans onze bewondering oproept (vakmanschap, materiaalbeheersing, schoonheid) leren we minachten.
Als we het beeld dat hij ons voorhoudt bewust waarnemen (door het imaginatief in onszelf op te bouwen), dan zien we niemand anders dan de geïncarneerde Ahriman.
Als we het daarentegen onbewust waarnemen (zonder moeite te doen een samenhangend beeld te vormen), dan menen we de wedergekomen Christus te zien.

De kunstenaar heeft in onze cultuur het bewustzijn van Christus het langst levend gehouden, niet in abstracte begrippen maar in levendige beelden.
Hij is dan ook altijd nauw verbonden geweest met het esoterische christendom dat de oorspronkelijke christelijke geest uit de verstarrende, abstraherende greep van Ahriman probeerde te houden.
Maar naarmate Ahriman zijn greep verstevigde, werd de taak van de kunstenaar steeds zwaarder.
In de 19de eeuw bereikte zijn ellende een absoluut dieptepunt en in de 20ste eeuw brak de veer: de kunstenaar gaf zich over.
Hij die zich altijd verzet had tegen Ahriman, werd nu zijn werktuig.
Hij werd dat zelfs nog veel meer dan de doorsnee intellectueel, want hij maakte de materialistische geest op zo’n manier zichtbaar dat hij niet te onderscheiden viel van de christelijke geest.
Door die imitatio Christi kon Ahriman veel dieper in de ziel van de moderne mens doordringen.

Doordat Ahriman de kunst in zijn greep kreeg werden de woorden van Goethe bewaarheid: wie wetenschap heeft en wie kunst heeft, die heeft ook religie.
Na de wetenschap (in de 19de eeuw) en de kunst (in de 20ste eeuw) heeft Ahriman nu ook de religie in zijn greep gekregen.
Hij doet nu in de werkelijkheid wat hij de vorige eeuw in de kunst deed: een zodanige terreur uitoefenen dat we ons niet meer durven verzetten, ja dat we zelfs gaan toejuichen wat we (in wezen) verafschuwen.
In het Gentse SMAK liep onlangs een tentoonstelling van Berlinde De Bruyckere.
Naast kadavers van dieren, waren er ook gruwelijke half-menselijke, half-plantaardige vormen te zien.
Het was om misselijk van te worden, maar de tentoonstelling werd alom met lof overladen.
Ze was een ‘must’ voor iedere cultuurminnaar.
Nog misselijker makend is de gedachte dat deze ‘omkering’ zich in de komende eeuw ook zal uitbreiden tot de werkelijkheid en dat we de meest gruwelijke taferelen zullen toejuichen als een hoogtepunt van beschaving.
En dat dit vooruitzicht geen science fiction is, lezen we dagelijks in de kranten.

In de wetenschap is Ahriman in zijn (intellectuele) element.
In de kunst gaat hij een bondgenootschap aan met (het gevoelselement van) Lucifer.
Maar in de religie dringt hij door tot de wil van de mens en wordt hij het gezicht van de Antichrist die de aanval opent op het Ik van de mens.
Het enige wat daartegen opgewassen is, is bewustzijn, Ik-bewustzijn.
Rudolf Steiner zei al dat we niet de illusie moeten koesteren Ahriman te kunnen overwinnen.
Hij staat op het hoogtepunt van zijn macht en zal die macht nog minstens 1000 jaar uitoefenen.
Het enige wat we kunnen doen, is hem doorzien, ons bewust worden van zijn wezen en werking.
Daartoe is intellectueel inzicht uiteraard niet genoeg, want op dit ‘dode’ niveau is Ahriman heer en meester en doet hij ons geloven dat de geest – en dus ook hijzelf – niet bestaat.
We kunnen ons alleen een beeld van hem vormen als we ons denken weer tot leven wekken, als we ermee doordringen in de etherische sfeer, die ook de sfeer van de kunst is.
En hier moeten we onderscheid leren maken tussen Christus en de Antichrist, want het is door ze naast elkaar te zien dat we ons een (innerlijk) beeld van beiden kunnen vormen.

De kunst helpt ons daarbij want in de ‘klassieke’ kunst hangt zij een beeld op van Christus en in de ‘hedendaagse’ kunst een beeld van de Antichrist.
We beschikken over de nodige (innerlijke) vermogens om dit dubbele beeld te kunnen lezen en het te begrijpen als een beeld van de grote geestelijke strijd die zich vandaag afspeelt.
Maar we moeten die vermogens wel gebruiken en daar is moed voor nodig.
We moeten weer durven luisteren naar ons hart.
We moeten ons verstand weer durven gebruiken.
En we moeten die twee weer met elkaar durven verbinden.
In die volgorde.
Hoe moeilijk dat is, ondervinden we zodra we het proberen.
Als we tegenover een pispot in een museum durven voelen wat ieder normaal mens daarvoor voelt, dan ervaren we wat het betekent een Ik te zijn: we komen alleen te staan.
We verliezen de geborgenheid van de zwijgende meerderheid.
Als we ons gevoel ernstig nemen en erover beginnen nadenken, wordt ons Ik-isolement nog verdiept.
En als we onze gedachten ten slotte durven uitspreken, wordt ons geestelijk isolement ook een fysiek isolement: we worden uit de gemeenschap der weldenkende, beschaafde mensen gestoten.

Als we ten aanzien van de kunst ons hart laten spreken dan delen we het lot van de kunstenaar.
We ondervinden dan aan den lijve wat hij zelf altijd ondervonden heeft: een outcast te zijn, iemand die er niet bij hoorde, iemand die hoogstens geduld werd (omdat je nu eenmaal kunstenaars nodig hebt om kunstwerken te maken).
We nemen dan ook de fakkel van hem over, want zelf kan hij die niet meer dragen.
Hij is in handen gevallen van Ahriman, hij is tot diens werktuig geworden.
In feite is dat een – onbewust – offer: de kunstenaar is in de huid van de draak gekropen en hij beseft het niet.
Dat besef moet van ons, kijkers, komen.
We moeten de kunstenaar verlossen door zijn lot te delen en dat doen we door onze ziel NIET te laten ‘omkeren’ door zijn gruwelijke beelden, maar ze nuchter onder ogen te zien.
We beginnen dan aan een echte lijdensweg, want het is afschuwelijk om de beelden van de Hedendaagse kunst niet met je hoofd maar met je hart te zien.
Maar we gaan dan wel begrijpen welke aanslag er in de 20ste eeuw op de kunst is gepleegd.
En we gaan ook begrijpen welk aandeel we daar zelf in hadden door – zoals Parsifal – eerbiedig te zwijgen tegenover het lijden van de visserkoning die de kunstenaar is.

Follow the money!
Dat is de richtlijn die vaak weerklinkt in moderne misdaadseries: volg het spoor van het geld, want dat leidt naar de ware schuldigen.
Het is ook het spoor dat we moeten volgen als we opheldering willen krijgen over de aanslag die in de 20ste eeuw op de kunst werd gepleegd.
We moeten de vraag stellen die nooit gesteld wordt omdat ze ten aanzien van de ‘koninklijke’ kunst zo oneerbiedig klinkt: de Parsifalvraag naar het geld.
Als we dat doen bij de beroemdste kunstenaar van de moderne tijd – Vincent van Gogh – dan komen we meteen uit bij de ontroerende (geestelijke) relatie tussen beide broers, Vincent en Theo.
Die relatie is als een lichtend voorbeeld van wat altijd de voorwaarde voor kunst is geweest en dat altijd zal blijven: een broederlijke samenwerking.

Advertenties

Kunst en geld (2)

Kunst is het zichtbaar maken van het geestelijke IN het materiële.
Het is NIET het uitdrukken van spirituele ideeën in een materiële vorm, maar precies het omgekeerde: het tevoorschijn roepen van wat er in het materiële reeds aan geestelijks aanwezig is.
En het is NOOIT de bedoeling dat dit geestelijke los komt te staan van de materiële vormen.
In de kunst zijn en blijven geest en materie één.
Dat klinkt begrijpelijk, om niet te zeggen vanzelfsprekend, maar in de praktijk is het zowel voor materialisten als spiritualisten heel moeilijk om deze eenheid te vatten.
Beide zien geest en materie namelijk als gescheiden werkelijkheden.
De materialist ziet materie zonder geest en de spiritualist ziet geest zonder materie.
De antroposoof daarentegen ziet beide (in principe) als een eenheid.
In die zin is de antroposofie niets anders dan de bewustwording van de kunst, de bewustwording van die mysterieuze eenheid van geest en materie.
Uiteraard omvat die bewustwording de (wetenschappelijke) kennis van de materie en de (esoterische) kennis van de geest, maar het gaat in de eerste plaats toch om het inzicht in hun beider eenheid, en DAT is nog iets anders.
De eenheid van geest en materie kan niet herleid worden tot één van beide.
Ze is een derde element, dat weliswaar niet kan worden losgezien van beide andere maar er toch van onderscheiden moet worden.
Dit derde – christelijke – element is het wezen van zowel de kunst als de antroposofie.

Met de bewustwording van dat mysterieuze en ongrijpbare element word ik momenteel geconfronteerd.
Eind september vorig jaar botste ik op de markt in Brugge op een onzichtbare ‘muur’.
Iets wat ik heel graag wilde en bijna als een morele plicht ervoer – het tekenen van mensen – bleek onverwachts op een probleem te stuiten waar ik geen oplossing voor zag en nog altijd niet zie.
Het tekenen op zich was geen probleem: ik kon het nog, ik vond het nog altijd even boeiend, ik had voldoende materiaal en de omstandigheden waren geschikt.
Ook de mensen op zich vormden geen probleem: ze wilden graag getekend worden, ze stonden zowat aan te schuiven.
Maar … ze wilden er niet voor betalen.
We wilden allebei iets heel erg graag – ik tekenen en zij getekend worden – dat was dus niet het probleem.
Het probleem was het samengaan van die twee polen.
En dat samengaan kwam tot uitdrukking in … geld.

Dat is natuurlijk geen verrassing.
Kunstenaars hebben altijd al problemen gehad met geld, dat is algemeen geweten.
Maar merkwaardig genoeg wordt daar nooit serieus over nagedacht.
Je leest in de boeken zelden of nooit hoe kunstenaars aan de kost kwamen terwijl dat nu juist hun grootste bekommernis was (en nog altijd is).
Toen de regering onlangs besloot om 5 procent te besparen op cultuur ging er een golf van ontzetting door de artistieke wereld die in geen verhouding stond met die minieme besparing (ter vergelijking: in Nederland werd er 20 procent bespaard).
De ontzetting was dan ook niet het gevolg van die besparingsmaatregel van de regering.
Ze ontstond doordat de kunstwereld met een schok herinnerd werd aan haar grootste en meest fundamentele probleem: geld.
Eigenlijk heeft een kunstenaar maar twee problemen: artistieke problemen en financiële problemen.
En van die twee zijn de financiële het grootst, want zonder geld kun je geen kunst maken.

Dat is wat ik nu aan den lijve ondervind.
Ik wil schilderen maar daarvoor heb ik geld nodig en dus ben ik in Brugge op de markt gaan staan.
Maar het lukt me niet om daar geld mee te verdienen en dat betekent dat ik moet ophouden met schilderen.
Om dat zware verdict te vermijden, ben ik dan maar opnieuw mensen beginnen tekenen – iets waar ik in het verleden wél geld mee kon verdienen – maar het mocht niet baten: ook dát lukte niet meer.
Het trof me dieper dan ik zelf wilde bekennen.
Op de kop af dertig jaar geleden besloot ik om ‘mijn leven aan de kunst te wijden’ en me nergens anders nog wat van aan te trekken.
Dat was geen roekeloos besluit.
Het was een overlevingsreflex.
Zonder kunst kan ik eenvoudig niet leven, en ik kan het weten want ik heb het geprobeerd.
Vijftien jaar lang had ik het geprobeerd, tot er vrijwel niets meer van me overbleef en ik een soort wandelende zombie was geworden.
Ik had geen contact meer noch met mezelf noch met de wereld.
Ik was innerlijk volkomen dood.

Het vooruitzicht niet meer te kunnen tekenen en schilderen treft me dan ook als een doodvonnis.
Een leven zonder kunst is voor mij geen leven.
Wat er dan gebeurt, is dat ik me langzaam uit mezelf terugtrek, dat mijn Ik (geest) mijn lichaam (materie) verlaat, en dat de verbinding tussen beide steeds zwakker wordt.
Het is een vorm van dementeren – mens betekent geest – en dat is niet iets wat je bewust wilt meemaken.
Het feit dat zo talloos veel mensen vandaag getroffen worden door dementie is volgens mij een gevolg van het feit dat ze zonder kunst moeten leven, en ‘kunst’ bedoel ik hier in de zeer ruime zin van ‘het samengaan van geest en materie’.
Naarmate de moderne mens materialistischer wordt, verliest hij het contact met de geest en komt hij terecht in een soort schimmenrijk, want hij verliest ook het contact met de materiële wereld.
Dat hij in een louter materiële wereld zou kunnen leven, is een illusie.
Materie en geest gaan samen: wie het contact met het een verliest, verliest ook het contact met het ander.
Dementeren betekent in feite: het contact verliezen met Christus, want hij is het wezen van dat samengaan van materie en geest.
Om het met de woorden van Willem Zeylmans te zeggen, ‘Christus is de werkelijkheid waarin we leven’.
Zonder Christus zouden we eenvoudig niet kunnen leven in een zo materialistische wereld als de onze.
Hij is degene die het ons mogelijk maakt zo diep in de materie af te dalen.

Maar vandaag is er een grens bereikt.
Als we er niet in slagen bewust contact te maken met Christus, dat wil zeggen met ‘de werkelijkheid waarin we leven’, dan zullen we langzaam het contact met die werkelijkheid verliezen, we zullen langzaam dementeren.
Dat dementeringsproces is reeds volop aan de gang.
We zien het niet alleen op materieel vlak: zelfs jonge mensen worden vandaag door dementie getroffen.
We zien het ook op geestelijk vlak: we verliezen onze werkelijkheidszin, ons gezond verstand.
Wat we ‘politieke correctheid’ noemen, is in wezen een vorm van geestelijke dementie.
En die is gevaarlijker dan de fysieke dementie, want we kunnen ze zintuiglijk niet waarnemen.
Het is een verbinding van extreem materialisme (de mens is louter lichaam, louter ras, louter volk) en extreem spiritualisme (Alle Menschen werden Brüder).
Maar het is geen christelijke verbinding, het is geen kunstzinnige verbinding.
Het is een anti-christelijke, anti-kunstzinnige verbinding.

De reden waarom ik vandaag (op meer dan één vlak trouwens) geconfronteerd word met het vooruitzicht van een langzame geestelijke dementie ten gevolge van de onmogelijkheid om nog te kunnen tekenen of schilderen, ligt uiteindelijk in mijn radicale afwijzing van de antichristelijke, anti-kunstzinnige geest.
Ik verafschuw hem zo diep dat ik onder geen beding met hem te maken wil hebben.
Daardoor blijft de kunstwereld voor mij hermetisch afgesloten en word ik gedwongen op de markt te gaan staan, want niemand krijgt toegang tot de kunstwereld (en zijn grote geldpot) die niet op de een of andere manier de knie buigt voor de Antichrist.
Ik word op mijn oude dag bewust geconfronteerd met de onmogelijke keuze waarvoor iedere jonge kunstenaar vandaag onbewust komt te staan: ofwel kiest hij voor de geest van de anti-kunst ofwel geeft hij de kunst helemaal op.
Geen enkele kunstenaar zal dat laatste doen, want hij weet instinctief dat hij dan zijn doodvonnis tekent.
Kunstenaars zijn gekwetste zielen die zonder (de helende werking van) kunst hun kwetsuur niet kunnen overleven.
Dat geldt in feite voor ieder mens, maar als kunstenaar beleef je het een stuk bewuster.

De tragiek van de hedendaagse kunstenaar is dus dat hij voor de anti-kunst kiest omdat hij anders de kunst moet opgeven.
Dat dringt evenwel niet tot hem door omdat hij al heel vroeg voor die keuze wordt gesteld, op een leeftijd dat hij nog niet kan kiezen.
Het hedendaagse kunstonderwijs – waar je als jonge kunstenaar-in-de-dop onvermijdelijk in terechtkomt – is een soort inwijding in de mysteriën van de Antichrist.
Ik heb zelf nog een allerlaatste uitloper van het klassieke kunstonderwijs meegemaakt en dat was eveneens een inwijding, maar dan in de omgekeerde, christelijke mysteriën.
Ook al viel ze – volgens mijn eigen leraar – niet meer te vergelijken met de oorspronkelijke inwijding, ze maakt het mij tot op de huidige dag onmogelijk om de knie te buigen voor de geest van de anti-kunst.
Van de ontelbare jonge mensen die dat toch doen (en er zijn er waarschijnlijk geen andere, want zelfs de steinerschool biedt geen bescherming) kan ik alleen maar denken: ze zijn nooit ingewijd in de geest van de kunst, ja ze kennen die geest waarschijnlijk niet.
En dus kennen ze ook de tegenovergestelde geest niet waaraan ze zich overgeven.
Want het is pas wanneer je de twee naast elkaar ziet, dat je ze werkelijk kunt onderscheiden, dat je werkelijk een keuze hebt.

Ik heb destijds als jonge kunstenaar NIET voor de kunst gekozen, maar dat was niet MIJN keuze, ik werd er door het lot toe gedwongen.
Ik vond het vreselijk om gescheiden te worden van de kunst en terecht te komen aan de universiteit, de meest onkunstzinnige wereld die je je maar kunt voorstellen.
Het was het begin van één lang en bewust doorleefd dementeringsproces.
De scheiding van de kunst was immers tegelijk een scheiding van mezelf, en ik vond mezelf pas terug toen ik me – vijftien jaar later – weer verbond met de kunst.
Die herverbinding was WEL mijn eigen keuze, en ze was tevens het begin van het inzicht dat de (onvrijwillige) scheiding mijn relatie met de kunst gered had.
Als ik voor de kunst had gekozen, zou dat geleid hebben tot een confrontatie met de antichristelijke geest die de kunstwereld en het kunstonderwijs toen al stevig in zijn greep had.
Die confrontatie zou me zo’n diepe weerzin hebben ingeboezemd dat ik waarschijnlijk nooit meer iets met kunst te maken had willen hebben.
Die zo pijnlijke scheiding – van m’n 18de tot mijn 33ste – heeft me eigenlijk gered.
Ze heeft mijn relatie met de kunst gered, maar ze heeft er tegelijk een vrije relatie van gemaakt.
Ik voel me niet gedwongen om kunst te maken en het kost me zelfs telkens een grote inspanning om ermee te beginnen, maar ik weet wat ze voor mij betekent, ik leer haar steeds beter kennen.

Vandaag sta ik weer voor een stap in dat bewustwordingsproces, een stap die op de een of andere manier een metamorfose is van vorige stappen.
Want ik word vandaag weer geconfronteerd met die onmogelijke keuze tussen (zeg maar) Christus en de Antichrist.
Geen haar op m’n hoofd denkt eraan om voor de laatste te kiezen en op die manier toegang te krijgen tot de Hedendaagse kunst en haar geldpotten.
Maar hoe moet ik voor Christus kiezen, hoe moet ik voor de kunst kiezen?
Want als ik geen geld kan verdienen met mijn kunst is het afgelopen.
Ik zou dan nog altijd kunnen kiezen voor het schrijven over kunst, dat is tenslotte toch ook een kunstzinnige activiteit.
Maar ik ondervind aan den lijve hoe sterk ik dan in de greep van Ahriman raak.
Zuiver geestelijk, in mijn denken, kan ik hem nog min of meer op afstand houden, maar hij verplaatst zijn verlammende greep dan naar mijn hart en mijn lichaam.
En daar kan ik met mijn denken niet doordringen, daarvoor heb ik de kunst en haar ‘handwerk’ nodig.

Daarom is het voor mij geen optie om ‘voor de antroposofie te kiezen’ zoals iemand onlangs suggereerde.
De antroposofie zit vandaag zelf te veel in de greep van Ahriman dan dat ik er de genezende krachten zou kunnen aan ontlenen die ik nodig heb.
Die krachten zouden er wel zijn als de antroposofie een ‘sociaal kunstwerk’ was, maar dat is ze alleen in Beuysiaanse zin, dat wil zeggen zonder een echt levend verband tussen geest (de esoterie) en materie (de exoterische werkgebieden).
De antroposofie is alleen in abstracto een sociaal kunstwerk en van de abstractie gaat geen genezende werking uit.
Ik sta dus voor de opgave om zelf een ‘sociaal kunstwerk’ te creëren, daar komt het wel een beetje op neer.
Als ik contact wil maken met Christus, dat wil zeggen met de helende kracht van de kunst, dan moet ik contact maken met de toeristen in Brugge, en wel op zo’n manier dat ze bereid zijn geld te geven voor een portret.
Alleen dankzij dat geld zal ik in staat zijn kunst te blijven maken en niet langzaam te dementeren onder die vreselijke, verlammende druk van Ahriman.
Daar moet ik dus nog eens diep over nadenken, want de relatie tussen geld en Christus zie ik niet meteen.

Bloedige ernst

Top Gear is een populair BBC-programma over auto’s.
Het is al aan zijn 22ste seizoen toe en iedere aflevering wordt bekeken door honderden miljoenen mensen over de hele wereld.
Lang geleden heb ik er (op aandringen van zoon Jan) eens naar gekeken en ofschoon het onderwerp me niet of nauwelijks interesseert, vond ik het zeer vermakelijk.
Het is een kruising tussen een klassiek programma waarin nieuwe auto’s aan allerlei tests worden onderworpen en een … komische reeks.
De auto’s zijn namelijk geen gewone auto’s en de testers zijn ook geen gewone testers.
Het zijn drie kwajongens die hun gang mogen gaan met de auto’s van hun dromen.
Ze amuseren zich rot en dat plezier slaat over op de kijker.
Het programma is bij momenten hilarisch.
Het heeft ook iets decadents, want er wordt op geen geld gekeken en de drie rijden overal ter wereld de meest exclusieve wagens in de prak.
Maar je moet er desondanks om lachen.
Zoals ik al zei: een kwajongensprogramma.

Aan het buitengewone succes van deze reeks dreigt nu een eind te komen omdat de hoofdpresentator Jeremy Clarkson beschuldigd wordt van … racisme.
Strikt genomen wordt hem nu iets anders aangewreven: hij zou een producer een klap hebben verkocht omdat er geen eten op tafel stond.
Maar er waren al veel langer problemen met Clarkson en men zocht duidelijk naar een stok om de hond te slaan.
Wat had hij dan wel op zijn geweten?
Niks bijzonders eigenlijk.
Hij vertelde alleen af en toe een aangebrande mop en er was altijd wel iemand die daar aanstoot aan nam.
Clarkson verontschuldigde zich dan en vertelde daarna opnieuw een mop.
Anders gezegd, hij trok er zich niks van aan.
Dat maakte hem ook zo buitengewoon populair: hier was eindelijk eens iemand die recht voor de raap sprak, die zich niet liet ringeloren door de politieke correctheid.

Dat kon natuurlijk niet blijven duren.
Niemand is opgewassen tegen de politieke correctheid, zeker in Engeland niet.
Dat bleek onlangs nog maar eens toen bekend werd dat in Oxford honderden kinderen jarenlang systematisch sexueel misbruikt en mishandeld werden door moslims.
Het tuig kon ongestraft zijn gang gaan omdat niemand de moslimgemeenschap voor het hoofd wilde stoten.
Het jaar daarvoor was het Rotherham waar 1400 jonge meisjes meer dan tien jaar lang mishandeld werden door Pakistanen.
En zo zijn er ongetwijfeld nog tal van andere steden.
Het gebeurt overigens niet alleen in Engeland.
Ook Zweden wordt geteisterd door moslimgeweld.
Niet toevallig zijn Zweden en Engeland allebei zeer politiek correcte landen.
Men durft er geen vinger uitsteken naar moslims, ook al verkrachten en mishandelen ze aan de lopende band.

Dat alles maakt de hetze tegen Jeremy Clarkson zo beschamend.
De man vertelt een paar gewaagde grapjes op tv en meteen regent het klachten van minderheden en mensenrechtenorganisaties.
Intussen gaan moslims zich systematisch te buiten aan het meest abjecte geweld en … niemand geeft een kik.
Een aangebrand grapje en kind dat gemarteld wordt: ziedaar waar de politieke correctheid het zwaarst aan tilt.
Onlangs was het weer van dat.
De hoofdredactrice van Vogue – een modeblad – was langs straat een dakloze tegengekomen die een nummer van … Vogue aan het lezen was.
Ze had – hoe zou je zelf zijn – snel een foto genomen en die op Facebook gezet.
Niets aan de hand zou je denken, maar dat was zonder de politieke correctheid gerekend: de redactrice kwam in het oog van een storm van verontwaardiging te staan.
Ze werd ondermeer verweten … wreedaardig te zijn.

Zoals zo vaak was dat verwijt een projectie.
Achter al die politiek correcte verontwaardiging gaat wreedheid schuil.
Men geniet ervan onschuldige mensen te beschuldigen, te vernederen, te kwellen.
En de slachtoffers kunnen zich niet verdedigen.
In feite zijn die honderden kinderen die straffeloos gemarteld worden het echte beeld van de politieke correctheid.
Er is geen wezenlijk verschil tussen die barbaarse, verkrachtende en moordende moslims en die keurige, zichzelf zo superieur wanende politiek correcte kwezels.
Naast hun wreedaardigheid hebben ze nog iets anders gemeen:
Ze hebben geen gevoel voor humor.
Ze kunnen geen grapjes verdragen.
Het is hen bloedige ernst.

Wie de geest van de moderne natuurwetenschap in zijn ziel opneemt, vervreemdt van andere mensen. Hij ontwikkelt in zich antisociale impulsen. De sympathieën van mens tot mens verbleken, de antipathieën nemen meer en meer toe. De natuurwetenschap mag nog zo’n grote triomfen vieren, ze ruïneert de menselijke natuur, ze verwekt antisociale driften, ze doet afgronden ontstaan tussen mens en mens.

(Rudolf Steiner)

GA 192 – Stuttgart, 29 juni 1919

Kunst en geld (1)

Sneeuwklokjes en krokussen, narcissen en speenkruid.
De heerlijke geur van het ontdooiende leven.
Geen twijfel mogelijk: de lente komt eraan!
Ik heb het daar altijd moeilijk mee, heel moeilijk.
Want het aanbreken van de lente betekent een totale ommekeer.
De meest dode der maanden (maart) gaat over in de meest levende (april).
Van het ene uiterste in het andere dus.
Wie dicht bij de natuur leeft, heeft daar geen moeite mee, integendeel.
Het is een genot om weer naar buiten te kunnen, in de tuin te werken, frisse lucht in te ademen, de zon op je huid te voelen.
Wie echter in zijn hoofd leeft, ervaart die plotse omslag als een pijnlijke geboorte.

Ik heb de afgelopen winter niks anders gedaan dan nagedacht.
Dat nadenken begon verleden jaar met Michaël, toen ik frontaal op een onzichtbare muur botste.
Niet alleen werd ik door de RVA getrakteerd op een monsterboete, maar het werd ook niks met het tekenen van mensen dat ik na zoveel jaren ten einde raad weer had opgepakt omdat ik m’n schilderijen aan de straatstenen niet kwijt kon.
Een en ander resulteerde in een enorme kater die ik al denkend probeerde te verwerken.
Is me dat gelukt?
Niet echt, nee.
Volgend weekend begint het nieuwe marktseizoen in Brugge al en het is alsof de wekker afloopt en ik met heel veel moeite uit een diepe (winter)slaap ontwaak.
Ik moet me nu weer bezighouden met zaken die ik de afgelopen maanden juist heb proberen te vergeten.
Zoals: hoe moet dat nu, daar op de markt in Brugge?
Er is immers niks veranderd sinds vorig seizoen.
Waarom zou nu opeens wél lukken wat toen niet lukte?
Problemen verdwijnen niet als je gaat slapen, je krijgt ze ’s morgens gewoon weer op je bord.

Heb ik dan helemaal niks overgehouden aan m’n winterslaap?
Heb ik niks ‘meegebracht uit de nacht’ zoals antroposofen dat plegen te zeggen?
Toch wel.
Ik ben op het idee gekomen de zaken radicaal om te draaien.
Het klinkt eenvoudig, maar het is het niet.

Verleden jaar heb ik geschilderd om geld te verdienen zodat ik kon schilderen om … te schilderen.
Paradoxaal genoeg ben ik aan dat laatste soort schilderen – het vrije schilderen zeg maar – niet toegekomen, daarvoor had ik het te druk met het eerste soort schilderen.
Ik heb vrijwel alleen geschilderd om geld te verdienen, en dat was niet de bedoeling.
Het was de bedoeling om geld te verdienen zodat ik kon schilderen.
Van een vicieuze cirkel gesproken.
Nu is geld verdienen in meer dan één opzicht een grote stimulans om te schilderen (of om het even wat te doen).
Hoeveel mensen zouden blijven doen wat ze doen als ze er geen geld meer mee verdienden?
Ik heb door de noodzaak om geld te verdienen meer geschilderd dan ik anders had gedaan, dat geef ik grif toe.
Maar tegelijk sloop er toch een zekere verstarring in mijn werk en voor ik het wist, beleefde ik er geen vreugde meer aan.
Die vreugde beleef je doordat je groeit in je werk, doordat je beter wordt.
Dat is de essentie van het kunstenaarschap: proberen de dingen beter te doen.
Van zodra je niet langer probeert beter te worden, houd je op kunstenaar te zijn en verlies je ook de vreugde in je werk.

Als je succes hebt, wil je dat behouden.
Je wil dan dat de dingen blijven zoals ze zijn, en dat botst met de wil om de dingen te verbeteren.
Als je geen succes hebt, zoek je naar middelen om dat wel te hebben en je begint je te voegen naar de verwachtingen van de koper, de vraag van de markt.
In beide gevallen raak je je vrijheid kwijt, de vrijheid die juist zo cruciaal is voor de kunst.
Dat is wat me overkomen is in Brugge.
Ik schilderde steeds meer in functie van de toeristen en beleefde daar steeds minder vreugde aan.
Bovendien werkte het niet.
Hoe meer ik in functie van de toeristen schilderde, hoe minder ze geïnteresseerd bleken.

Dus besloot ik eind september de zaken om te keren.
In plaats van te schilderen wat (ik dacht dat) de toeristen wilden, ging ik weer doen wat ik ZELF wilde: mensen tekenen.
Het was tegelijk ook iets wat ANDEREN wilden, dat had ik in het verleden ondervonden.
Vooral bij kinderen bestond de behoefte om getekend te worden: ze konden uren braaf op hun beurt zitten wachten.
Dat bleek in Brugge niet anders te zijn.
Toen ik weer aanknoopte bij wat ik altijd al het liefst had gedaan – en ook het best kon – stroomden de kandidaten toe.
Zoals in the good old days tekende ik aan één stuk door, de hele dag.
Mijn levensgeesten ontwaakten weer.
De markt zou in extremis toch nog een succes worden.
Maar met één ding had ik geen rekening gehouden: geld.
Omdat ik voor het eerst in kleur wilde werken, probeerde ik het uit in een try out en werkte gratis.
Toen ik er het volgende weekend echter geld voor vroeg, bleef iedereen – als bij toverslag – weg.

Die anti-climax kwam hard aan.
Nadat de verkoop in de loop van het seizoen steeds minder was geworden tot hij ten slotte helemaal opdroogde, voelde dat eerste tekensucces als het doorbreken van de lente.
Er hing iets sprankelends in de lucht, iets dat één en al belofte was.
Zelfs de andere marktkramers voelden het.
En ook het weer werkte mee: het was een zalige Sint-Michielszomer.
Maar toen kwam de man met de hamer en sloeg alles plat.
Ik ging KO, mijn seizoen was afgelopen.
Ik vond de kracht niet meer om die laatste anderhalve maand vol te maken.
Waarom trouwens?
Om mezelf met mijn neus in de mislukking te wrijven?

Toch wilde ik het nog niet helemaal opgeven.
De consequenties waren te groot.
Niet alleen zou ik een hoop geld verliezen aan mijn eerste seizoen als marktkramer (daar zorgde de RVA wel voor), maar opgeven zou ook betekenen dat ik m’n schilderdroom moest opgeven.
En dat kon ik vooralsnog niet over m’n hart krijgen.
Sommige mensen vonden dat het een teken was: ik moest me concentreren op het schrijven, op de antroposofie.
Maar was dat werkelijk zo?
Ik herinner me nog duidelijk hoe ik tijdens die Sint-Michielszomer in Brugge zat te kijken naar al die duizenden mensen die langs mijn kraam passeerden en opeens de gedachte in me opkwam: ik wil die gezichten weer tekenen, ik moet die gezichten weer tekenen!
Het was niet alleen een krachtige gedachte – een week later had ik ze (zeer tegen mijn gewoonte in) al in de praktijk omgezet – maar het was ook een gedachte die niet alleen uit mezelf leek te komen.
Ze dook in me op toen ik zat te kijken, niet toen ik zat na te denken of te piekeren.
Alsof het die passerende mensen zelf waren die – woordenloos – vroegen om getekend te worden.

Dat klinkt natuurlijk als pure inbeelding, maar het was niet de eerste keer dat ik het gevoel had alsof de wereld me vroeg om haar te tekenen.
En telkens ‘hoorde’ ik die vraag op een moment dat mijn eigen wil om te tekenen ‘zweeg’.
Ik geloof dan ook niet dat de wil van de kunstenaar om de wereld te tekenen of te schilderen los staat van de wil van de wereld om getekend of geschilderd te worden.
Men maakt mij ook niet wijs dat de wil van de vrouw om zich mooi te maken los staat van de wil van de man om van die schoonheid te genieten.
Volgens mij gaat het om één en dezelfde wil die zich op twee tegengestelde manieren manifesteert: een vrouwelijke en een mannelijke wil, een scheppende en een beschouwende.
En juist omdat die ‘wereldwil’ zich als het ware splitst, ontstaat er ruimte voor vrijheid.
Ik voel me bijvoorbeeld niet verplicht om mensen te tekenen.
Het kost me – in dit concrete geval – zelfs buitengewoon veel moeite om het te doen.
Tegelijk weet ik dat de inspanning de moeite loont, want tekenen biedt mij de mogelijkheid om de éénwording van die gespleten wil te beleven, om de kloof tussen mijn wil en de wil van de anderen te overbruggen.

Stel dat dit alles geen inbeelding is.
Stel dat kunst inderdaad de wereldwil kan ‘helen’ en een brug slaan tussen wat ik wil (tekenen en schilderen) en wat de wereld wil (getekend en geschilderd worden).
Hoe moet ik dan de kloof tussen mezelf en de toeristen in Brugge overbruggen (sic)?
Ik heb dat geprobeerd door mijn eigen wil te onderwerpen aan hun wil, maar dat is niet gelukt.
Ik heb het geprobeerd door de zaak om te keren en opnieuw te doen wat ik zelf wil, maar ook dat is niet gelukt.
Is er nog een derde mogelijkheid?

Wat ik oorspronkelijk wilde was schilderen, met kleur werken.
Daar is het allemaal mee begonnen.
Daaruit ontstond de noodzaak om geld te verdienen.
Want in tegenstelling tot tekenen is schilderen met kleuren een dure zaak, zeker als je geen inkomen hebt.
Zo ben ik op de markt in Brugge terechtgekomen.

Nu ik dat zo op een rijtje zet, heb ik een déjà vu.

Als kind wilde ik niks anders dan tekenen.
Maar met tekenen kun je geen geld verdienen, zeker niet als je in elkaar zit zoals ik.
Dus moest ik een manier vinden om geld te verdienen.
Dat zou het onderwijs worden: een goed inkomen en véél vrije tijd.
Het klonk als een redelijk plan.
Alleen, het mislukte.
Niet alleen bleek ik volkomen ongeschikt voor het onderwijs, maar ik kon ook niet leven met de gespletenheid tussen werken (om geld te verdienen) en tekenen (om er vreugde aan te beleven).
Ik was van mezelf al gespleten genoeg.
Ik had de ‘helende’ kracht van de kunst nodig, niet als een luxe die ik me in mijn vrije tijd kon veroorloven, maar als een absolute noodzaak.

Toen ik op m’n 33ste het radicale besluit nam om ‘mijn leven aan de kunst te wijden’ leek dat een totaal onverantwoorde daad, want ik was getrouwd, ik had drie kinderen en mijn vrouw was huismoeder.
Het was echter de enige manier om überhaupt nog verder te kunnen leven, want de kloof tussen mezelf en de wereld was zo groot geworden dat ik er (innerlijk) geen enkel contact meer mee had.
Het was alsof ik onder een glazen stolp leefde.
Ik ondervond toen dat wie geen contact heeft met de wereld, ook geen contact heeft met zichzelf.
Ik wist totaal niet meer wie ik was.
Het woordje ‘ik’ maakte niets meer in me wakker.

Ook toen begon alles met een gedachte die me inviel: ik ga weer tekenen!
Die gedachte was tegelijk een daad: ik zou het doen, wat er ook gebeurde.
Ik had immers niets meer te verliezen.
Ook vandaag heb ik niks meer te verliezen in Brugge.
Als er niks verandert, houd ik het hooguit nog een maand of twee uit.
En dan ga ik dezelfde weg op als Marleen, die eveneens een kraampje met schilderijtjes had, vrijwel niks verkocht en ten slotte in een diepe depressie verzeild raakte.
Als ik dat wil vermijden, moet ik een even radicaal besluit nemen als (bijna) 30 jaar geleden.
Ik moet afstappen van de gedachte dat ik geld moet verdienen om te kunnen schilderen.
Want hoe redelijk en realistisch en noodzakelijk dat ook klinkt, het werkt niet.
Het is ook niet wat ik wil.
Ik wil helemaal geen geld verdienen, ik wil tekenen en schilderen.
Als ik die volgorde omkeer, blokkeert alles.

En dus heb ik nu het plan opgevat om naar de markt in Brugge te gaan om te tekenen en te schilderen, niet om geld te verdienen.
Dat wil niet zeggen dat ik er niks wil verdienen.
Die noodzaak bestaat nog altijd.
Ik kan het me niet permitteren om geld uit te geven (aan een standplaats, aan vervoer, aan materiaal, aan boetes), het hele weekend hard te werken en daar niks voor terug te krijgen.
Dat houd ik al evenmin vol.
Bovendien is het niet goed om ‘paarlen voor de zwijnen’ te gooien.
Dat brengt allerlei kwalijks in de mens naar boven.
Volgens Steiner maakt het Ahriman kwaad, en die wil je niet tegen je hebben.
Nee, ik kan en mag niet gratis werken zoals ik dat tijdens mijn try out gedaan heb, dat staat als een paal boven water.
En toch moet ik ervan af om geld te willen verdienen in Brugge.
Want dat lukt ook niet.

Ik sta dus voor de uitdaging om die twee met elkaar te verzoenen: de noodzaak om geld te verdienen en de noodzaak om geen geld te willen verdienen.
Ik moet met andere woorden een manier vinden om geld te verdienen zonder geld te willen verdienen.
Het klinkt paradoxaal, maar is het niet hoe de meeste rijkelui aan hun geld komen?
Ze zeggen allemaal hetzelfde: geld interesseert hen niet.
Het is gewoon een aangenaam gevolg van wat ze doen, maar het is niet wat ze willen.
Ik heb me, als armoedzaaier, altijd geërgerd aan dergelijke uitspraken.
Hoe gemakkelijk is het niet om te zeggen dat geld je niet interesseert als je erin zwemt!
Maar nu word ik dus, tot mijn verbazing, zelf geconfronteerd met die paradox.
Of ik erin zal slagen hem op te lossen, weet ik niet.
Maar het is het proberen waard.
Ik heb immers niets te verliezen.

De Grote Scheiding

Op het voorplein van de Internationale Kunstmarkt in Keulen is een vrouw aan het schilderen.
Ze staat wijdbeens boven een doek en perst verf uit haar vagina.
Ofschoon ze jong, aantrekkelijk en spiernaakt is, oogst ze weinig belangstelling.
De bezoekers van de ‘messe’ zijn dan ook ervaren kunstliefhebbers, ze hebben dit soort kunst al ontelbare keren gezien en halen hun schouders op voor wat ze in Duitsland ‘kalter kaffee’ noemen.
Er is niets wat hen nog kan choqueren.
Wat bij de doorsnee cultuurbarbaar, met zijn onuitroeibare voorkeur voor tekeningen, schilderijen en andere kleinburgerlijke kunst, weerzin oproept, laat hen onberoerd of vervult hen juist met bewondering en enthousiasme.
Zo is de hedendaagse kunstminnaar: gestaald door zijn liefde voor de kunst.
Wat anderen braakneigingen bezorgt, brengt hem in vervoering.

Voor alle duidelijkheid, ik heb het hier niet over sadomasochisten, pornografen, horrorfanaten, jihadi’s en andere terroristen.
Ik heb het over academici, hoogleraren, schrijvers, filosofen, over de intelligentsia dus, het kruim van onze beschaving.
Ze zullen wel niet allemaal even enthousiast zijn over de Hedendaagse Kunst, maar er is toch niemand die protesteert, hoe bont de Jan Fabres dezer wereld het ook maken.

Deze grenzeloze verdraagzaamheid staat in schril contrast met de bijna continue staat van verontwaardiging waarin dezelfde intelligentsia verkeert als het gaat om onbenulligheden als een banaan die op een voetbalveld gegooid wordt, een wieleraffiche met een opwaaiend rokje, een scheldwoord dat met krijt op een muur wordt geschreven, enzovoort.
Wie niet goed op zijn tellen let, heeft vandaag een klacht, een boete of erger aan zijn been.
De kunstwereld daarentegen krijgt carte blanche.
Zij wordt zelfs gesubsidieerd voor het plegen van wat elders misdaden zouden worden genoemd.
Ook de criminele wereld wordt door onze intelligentsia in de watten gelegd.
Steeds meer terroristen, moordenaars en andere zware criminelen gaan vrijuit.
Als ze het goed aan boord leggen kunnen ze ook nog eens rekenen op een fikse schadevergoeding van de overheid wegens schending van hun mensenrechten.
De grens tussen kunst en misdaad is smal geworden.
Beide gaan als het ware geruisloos in elkaar over.
Als Banksy een gebouw met graffiti bekladt – een strafbaar feit – dan wordt het meteen een beschermd monument.
Als IS eeuwenoude kunstwerken vernielt, dan doet het niet veel anders dan de Duitse kunstenaar die een halve eeuw geleden vleugelpiano’s te lijf ging met een drilboor.

En dat zijn geen willekeurige associaties.
Ik heb het vroeger al gehad over de opvallende overeenkomsten tussen de wereld van de Hedendaagse kunst en de wereld van de extremistische islam.
Artistiek gezien leven we in een kalifaat en wie zich niet bekent tot de Enige Ware Kunst wordt als een dhimmi behandeld.
Er zijn ook al opvallende overeenkomsten vastgesteld tussen IS en het nazisme.
Ze gebruiken precies dezelfde technieken en methoden.
En ze delen hun belangstelling voor het kunstzinnige.
In zijn boek ‘Lenteriten’ legt de historicus Modris Eksteins uit dat het nazisme de ‘Entartete kunst’ weliswaar veroordeelde, maar wel haar dynamiek en geest overnam.

Hedendaagse kunstenaars, moslimterroristen, zware criminelen en Westerse intellectuelen: ze vertonen een onmiskenbare verwantschap.
Très étonnés de se trouver ensemble vormen ze een soort gemeenschap van onaantastbaren, een exclusieve wereld die boven de wet staat, terwijl de gewone wereld met die wet rond de oren wordt geslagen.
Er tekent zich vandaag inderdaad een scheiding der geesten af, met aan de ene kant Ubermenschen die zowat alles mogen en aan de andere kant Untermenschen die steeds minder mogen.
De eersten vereenzelvigen zich met Het Goede en zien het als hun taak om Het Kwaad te bestrijden en uit te roeien.
Volgens Rudolf Steiner moeten deze ‘etiketten’ echter omgewisseld worden, want volgens hem wordt de wereld in toenemende mate geleid door de slechtsten en niet door de besten.
Eén van de opvallende eigenschappen van deze ‘slechtsten’ – die zichzelf de besten wanen – is dat ze zeer ‘sociaal’ zijn.
Ze opereren internationaal en vormen een wereldwijd web, een mondiale broederschap van mensen die door eenzelfde geest met elkaar verbonden zijn.
Zonder dat het hen verteld moet worden, denken, voelen en willen ze als één wezen.
Ze vormen in feite het lichaam van de incarnerende Ahriman.

Van deze ahrimanische broederschap gaat enerzijds een sterke aantrekkingskracht uit en anderzijds een sterke dreiging.
Heel veel mensen willen er deel van uitmaken (het ongeschreven lidmaatschap heeft tal van voordelen) en heel weinig mensen durven er zich tegen verzetten (de ‘broederschap’ kent geen genade voor critici en ketters).
Wie eenmaal in haar web gevangen zit, raakt er heel moeilijk nog uit.
Hij wordt in steeds meer draden ingesponnen, uiterlijke en innerlijke, tot hij niet meer kan bewegen en gevangen zit in een cocon.
Maar in plaats van zich te verpoppen tot een vlinder wordt hij tot voedsel voor de Grote Spin.
Tegen dan heeft hij het bewustzijn al verloren en waant hij zich in de zevende hemel.

In feite is deze ahrimanische broederschap het exacte spiegelbeeld van de christelijke broederschap.
De krachten waar zij gebruik van maakt zijn christelijke krachten, de scheppende krachten van de mens.
Ze worden alleen omgekeerd, in spiegelbeeld geplaatst.
Daarom spreekt de ahrimanische gemeenschap de menselijke wil ook zo sterk aan: de wil is namelijk blind en ziet geen verschil tussen het oorspronkelijke beeld en het spiegelbeeld.
Mensen die deel worden van deze gemeenschap doen dat in de (onbewuste) overtuiging dat ze deel uitmaken van ‘het lichaam van Christus’.
Het enige wat hen kan beletten zich met huid en haar over te geven aan de Antichrist, is het bewuste vermogen om die Antichrist te onderscheiden van Christus.
Het gaat hier niet om een intellectueel onderscheidingsvermogen, want dat ziet alleen verschil tussen de (dode) namen.
Het gaat om een reëel onderscheidingsvermogen dat ook in staat is de (levende) werkelijkheid te zien waarvoor die twee religieuze begrippen staan.

De moderne mens dankt zijn vrijheid aan zijn scherpe zintuiglijke onderscheidingsvermogen: hij kan heel goed afzonderlijke objecten onderscheiden.
Wat hij echter niet meer ziet, zijn de onzichtbare draden die deze objecten met elkaar verbinden.
Ook zichzelf ziet hij als een afzonderlijk object dat ‘ongebonden’ op zichzelf staat.
De keerzijde van deze vrijheid is echter de eenzaamheid, en de daaruit voortvloeiende intense behoefte aan gemeenschap.
Die twee grote verlangens – het verlangen naar vrijheid en het verlangen naar gemeenschap – vechten in de ziel van de moderne mens om voorrang.
Zij vormen de grondslag voor de clash of civilisations.
In het Westen overheerst het verlangen naar vrijheid.
In de moslimwereld overheerst het verlangen naar gemeenschap.
Maar in beide werelden heerst het verlangen om die twee met elkaar te verbinden, want in hun afzondering zijn ze ondraaglijk geworden.
De Westerse wereld verlangt intens naar gemeenschap, maar wil zijn vrijheid niet opgeven.
De moslimwereld verlangt intens naar vrijheid, maar wil zijn gemeenschap niet opgeven.

Deze tegenstelling blijft abstract zolang we haar alleen in de buitenwereld waarnemen.
Ze wordt pas concreet wanneer we haar ook in onszelf waarnemen.
Pas dan, wanneer de buitenwereld tot spiegel wordt van onze innerlijke wereld, dringen we door tot de levende werkelijkheid.
Zoals Goethe zei: we leren onszelf kennen door naar de wereld te kijken, en we leren de wereld maar kennen door naar onszelf te kijken.
Levende kennis ontstaat uit de wisselwerking tussen beide blikrichtingen.

De relatie tussen de Westerse wereld en de moslimwereld is een uitvergroting van de relatie tussen man en vrouw.
De moderne vrouw verlangt naar de vrijheid die de man (reeds) bezit, maar wil daar kinderen, familie en alles wat haar met de anderen verbindt niet aan opofferen.
De moderne man van zijn kant verlangt naar de sociale verbondenheid die de vrouw van nature (nog) bezit, maar wil daar zijn vrijheid niet voor opofferen.
Die tegenstelling leeft ook in ieder mens, in de relatie tussen zijn astrale en etherische lichaam.
In zijn astrale lichaam is de mens vrij en bewust, want verwant aan de geest.
In zijn etherische lichaam is de mens verbonden, want verwant aan de materie.
Als de mens vandaag ‘over de drempel’ gaat, dan wordt hij gedreven door het wederzijdse verlangen tussen de astrale en de etherische wereld, dat in wezen het verlangen is van de mens naar Christus en van Christus naar de mens.
Dat wederzijdse verlangen is niets anders dan liefde.
Het is liefde die man en vrouw naar elkaar doet verlangen.
Het is liefde die het Westen en de moslimwereld naar elkaar toe drijft.
En het is gebrek aan onderscheidingsvermogen die beide met elkaar doet botsen.
De liefde handelt in het duister, het ontbreekt haar aan licht.
Liefde zonder wijsheid en wijsheid zonder liefde: ziedaar de kern van de clash of civilisations.

Het probleem is niet de liefde.
Die IS er, bij beide partijen, anders zouden ze niet met elkaar in botsing komen.
Het probleem is de wijsheid.
We zijn ons niet bewust van de drijvende kracht achter deze botsing.
We zijn ons niet bewust van (de wederkomst van) Christus.

Het gewone, zintuiglijke onderscheidingsvermogen volstaat natuurlijk niet om de clash of civilisations te vermijden.
Het leidt wel tot kennis, maar niet tot wijsheid.
We moeten ook op bovenzintuiglijk vlak leren onderscheiden.
We moeten het wezen van de liefde, Christus, leren onderscheiden.
Dat is onze grootste en belangrijkste opgave.
Maar we kunnen Christus niet onderscheiden zonder ook de Antichrist te leren kennen.
Onderscheiden veronderstelt altijd een tweedeling.
Dat zien we duidelijk in de wereld van de kunst.
Wie zich inlaat met kunst doet dat uit liefde.
Hij voelt zich onweerstaanbaar aangetrokken door de wereld waarin hij leeft en die hij onbewust beleeft als een spiegel van zijn eigen ziel.
Ook Hedendaagse kunstenaars en kunstliefhebbers handelen uit liefde.
Ook zij herkennen zichzelf in de buitenwereld.
Maar ze zijn zich daar niet van bewust, en daarom zijn ze zich ook van geen kwaad bewust.
Ze herkennen het kwaad niet in zichzelf, en ze herkennen het kwaad niet in de buitenwereld.
Ze zijn het product van een kunstwereld die niet ‘over de drempel’ is geraakt, die er niet in geslaagd is zich bewust te worden van de liefde die haar drijft.
Daardoor zijn ze in handen gevallen van de Antichrist, die hun (scheppende) liefde omkeert tot (vernietigende) haat.
Omdat het hen ontbreekt aan wijsheid.
Omdat hun kennis en inzicht dood en abstract is.

Pas als we de tweespalt in de kunst – die teruggaat op de tweespalt tussen Christus en de Antichrist – onder ogen zien, kunnen we ons bewust worden van haar wezen.
En die bewustwording houdt een keuze in.
Naarmate we het wezen van beide tegengestelde kunsten duidelijker onderscheiden, wordt het ook duidelijk dat er geen vergelijk mogelijk is.
Er is geen gulden middenweg tussen Christus en de Antichrist.
Men is vóór of men is tegen.
En van dat ‘voor’ wordt men zich pas bewust als men ook het ‘tegen’ leert kennen.

De twee ‘kunsten’ waarin de kunst uiteen is gevallen, zijn een beeld van de twee gemeenschappen waarin de moderne samenleving momenteel wordt opgesplitst, van de scheiding der geesten die is ingezet.
Die scheiding is iets ontzettends, het is een apocalyptisch mensheidsdrama.
De mensheid begint uiteen te vallen in twee delen: een deel dat voor Christus kiest en een deel dat voor de Antichrist kiest.
En die keuze betekent tegelijk het ontstaan van twee samenlevingen: een christelijke en een antichristelijke.
De kloof tussen die twee samenlevingen zal steeds groter worden.
Ze zal zo groot worden als de kloof tussen de twee kunsten: er zal geen enkel contact tussen hen zijn, ze zullen elkaars bestaan volkomen negeren.
In die gescheiden samenlevingen zullen zich twee verschillende mensenrassen ontwikkelen die elkaar niet meer als mens zullen (h)erkennen.

De kiemen voor die (geestelijke) rassenscheiding worden vandaag reeds zichtbaar in de werkelijkheid.
In de kunstwereld zijn ze al veel langer zichtbaar, ze zijn daar al uitgegroeid tot echte planten.
De manier waarop de moderne intellectuelen reageren op deze artistieke flora is een graadmeter van het moderne bewustzijn.
Ze reageren namelijk NIET.
Ze zien een kunstenaar die in zijn atelier met veel zorg een schilderij maakt van een naakte vrouw.
Vervolgens zien ze die naakte vrouw buiten op straat een schilderij maken door verf uit haar vagina te persen.
En ze halen de schouders op.
Ze sluiten de ogen voor deze groteske tegenstelling.
En ze beseffen niet dat ze kiezen.
Ze beseffen niet dat ze kiezen voor de Antichrist.
Ze beseffen niet dat ze ervoor kiezen deel uit te maken van de ahrimanische gemeenschap, waar iedereen slaapt en in de waan verkeert bij het betere deel van de mensheid te horen.
Ze beseffen het niet omdat ze kiezen met hun onderbuik.
Ze kiezen zoals ‘hedendaagse’ kunstenaars schilderen.
Het resultaat is dan ook navenant.

Een oog voor kunst

Een stelling die ik reeds lang verdedig, is dat alle kunst christelijk is.
Dat bedoel ik natuurlijk niet in religieuze zin, dat zou wat al te belachelijk zijn.
Nee, met ‘christelijk’ doel ik op een kwaliteit die alle kunst bezit, ongeacht door wie ze waar of wanneer ook gemaakt is.
Het gaat meer bepaald om de kwaliteit die een kunstwerk tot kunstwerk maakt en waardoor bijvoorbeeld een schilderij meer is dan alleen maar een schilderij.
Hoewel deze kwaliteit zintuiglijk kan worden waargenomen, is ze toch bovenzintuiglijk van aard, want niemand kan bewijzen of iets al dan niet kunst is.
Ik noem deze kwaliteit ‘christelijk’ omdat in het christendom God mens wordt.
Het bovenzintuiglijke verenigt zich hier zodanig met het zintuiglijke dat beide niet meer los van elkaar kunnen gezien worden.
Dat is precies wat ook in de kunst gebeurt: geest en materie worden één.

Ten aanzien van het christendom is de grote vraag: bestaat Christus?
Ten aanzien van de kunst wordt dat: bestaat de bovenzintuiglijke kwaliteit die we in ieder afzonderlijk kunstwerk kunnen waarnemen?
Is het christelijke met andere woorden een feit of is het alleen maar iets wat we ons inbeelden?
Over die vraag hoeven we niet lang na te denken.
Het antwoord luidt: NEEN!
We geloven sowieso niet dat Christus, die 2000 jaar geleden stierf, verrezen is en nog altijd bestaat.
Dat gaat in tegen alle wetenschappelijke inzichten.
We geloven ook niet dat ‘kunst’ een geestelijke realiteit is.
Het is gewoon een naam die we aan bepaalde dingen geven.
Dit nominalisme brak in de kunst door toen Marcel Duchamp in 1917 zijn beroemde pispot tentoonstelde.
Hij had niet langer iets gemaakt dat een bepaalde kwaliteit bezat, zoals tot dan toe gebruikelijk was in de kunst.
Hij had doodeenvoudig ergens het etiket ‘kunst’ opgeplakt.

Dat is inmiddels bijna 100 jaar geleden.
We weten intussen niet beter meer dan dat het begrip ‘kunst’ is een loutere abstractie is, een naam die we ergens aan geven.
Dat het kunstbegrip (net als het Godsbegrip) niet zomaar een uitvinding is van de mens maar een levende geestelijke werkelijkheid, dat kan er bij ons absoluut niet meer in.
Alles in ons verzet zich tegen deze ‘geestelijke’ opvatting van kunst, en dat komt nergens beter tot uiting dan in onze reactie op de bewering dat ‘kunst’ een objectief waarneembare kwaliteit is.
We ontkennen in alle toonaarden dat het mogelijk is een objectief oordeel te vellen over kunst.
We zijn er heilig van overtuigd dat kunst ‘een kwestie van smaak’ is, dat ieder oordeel over kunst subjectief is en bijgevolg geen algemeen geldende waarde heeft.
Ook alle ideeën of betekenissen die een kunstwerk mogelijkerwijs zou bevatten, zijn in onze ogen niets anders dan subjectieve projecties (hetzij van de kant van de kunstenaar hetzij van de kant van de kijker).
Niets kan ons ervan overtuigen dat ze objectieve werkelijkheidswaarde hebben.

Beauty is in the eye of the beholder: het materialisme zit niet langer alleen in ons hoofd, het zit ook in ons hart, het zit zelfs in onze wil.
Het is tot een tweede natuur geworden, een onbewust instinct.
Daar moeten we het tegen opnemen als we het materialisme willen overwinnen.
Met louter ideeën, overtuigingen en argumenten lukt dat niet.
Daar is het materialisme reeds immuun voor geworden.
Wie ooit met een materialist heeft gediscussieerd, kent die ‘immuniteit’.
Het is als een muur waar je tegenaan botst.
Tegen die materialistische wil – de wil van Ahriman – kun je niks beginnen als je niet zelf doordringt tot het niveau van de wil, als je de geestelijke Ik-kwaliteit van een kunstwerk niet met eigen ogen waarneemt.

Nogal wat mensen denken geen materialist te zijn omdat ze er religieuze of spirituele overtuigingen op nahouden.
Ze beseffen niet dat het materialisme honderd jaar geleden al de grens tussen hoofd en hart overschreed, toen de Hedendaagse kunst geboren werd.
Intussen is het materialisme ook onze wil binnengedrongen en verspreidt het terrorisme zich als een lopend vuurtje.
Tegen dit gevoels- en wilsmatige materialisme heeft abstracte spiritualiteit geen enkel verhaal.
Integendeel, het is er een bondgenoot van.
Het onttrekt dit materialistische instinct aan ons bewustzijn zodat het ongestoord zijn gang kan gaan.
Onze houding tegenover kunst is dan ook een goede graadmeter voor ons materialisme.
Als de gedachte dat kunst géén kwestie van smaak is ons tegen de borst stoot, dan weten we dat onze spiritualiteit slechts schijn is.

We mogen in theorie nog zo stellig geloven dat er een geestelijke wereld bestaat en dat het mogelijk is die (helderziend) waar te nemen, in de praktijk van de kunst ontkennen we dat maar al te graag.
Hoe vaak heb ik niet moeten horen ‘dat is JOUW mening!’ als ik over iets zei dat het kunst (of geen kunst) was.
Als ik dan uitlegde dat het geen mening was maar een waarneming, even objectief als gelijk welke zintuiglijke waarneming, kon ik ze bijna horen denken: wie ben jij wel dat je denkt te kunnen zeggen wat kunst is en wat niet?
Het was telkens een kleine clash of civilisations en als ik mijn been stijf hield, kwam er geheid ruzie van.

Zo herinner ik mij nog een discussie uit mijn studententijd.
We zaten met een paar jonge mensen samen op mijn kot en op een gegeven moment kwam het gesprek op kunst.
Een student economie wees op mijn bureaulamp en zei: voor mij is dat kunst!
Ik antwoordde: dat is helemaal geen kunst!
Hij hield vol dat mijn bureaulamp een kunstwerk was.
Ik zei: je bent gek, dat is gewoon een bureaulamp!
Dat ging zo nog een tijdje door tot hij woedend wegliep en de deur achter zich dicht sloeg.
Ik begreep er niks van.
Wat bezielde iemand om een banale lamp een kunstwerk te noemen?
Waarom werd hij zo kwaad toen ik dat ontkende?

Wat mij nog het meest verbaasde, was dat een rustige, flegmatieke kerel (die nooit blijk had gegeven van enige belangstelling voor kunst) zich opeens zo kon opwinden over … een bureaulamp.
Ik ben dat vreemde verschijnsel sindsdien keer op keer tegengekomen.
Het volstond om te beweren dat je kon zien of iets kunst was of niet, en de gemoederen raakten verhit.
Nochtans was dat zien voor mij de normaalste zaak ter wereld.
Als je genoeg naar kunst kijkt, leer je vanzelf de artistieke kwaliteit van een kunstwerk onderscheiden.
Ik begreep niet hoe mensen zoiets konden ontkennen, want daarmee ontkenden ze het bestaan van kunst zelf.
Wat voor zin heeft het om over kunst te spreken als je geen onderscheid maakt tussen goed en slecht?
Dat spreekt toch vanzelf!

Pas langzaam begon ik te begrijpen dat juist die vanzelfsprekendheid zoveel mensen ergerde.
Als ik zei: ‘ik VIND dit een kunstwerk’, dan was er niks aan de hand.
Maar als ik zei: ‘dit IS een kunstwerk’, dan gingen de poppen aan het dansen.
Zolang mijn oordeel subjectief bleef, werd het geaccepteerd.
Maar van zodra het een – objectieve – waarneming werd, stuitte het op hevige weerstand.
Op die manier leerde ik de onverzettelijke wil van Ahriman kennen.
Hij had niks tegen subjectieve oordelen.
Hij had ook niks tegen objectieve oordelen.
Maar het samenvallen van die twee, daar verzette hij zich hevig tegen.
Dan verloor hij zijn cool en liet een heel ander, agressief gezicht zien.
Ik wist dan dat ik niet te ver mocht gaan of er kwam slaande ruzie van.

Ik had een voldoende slecht karakter om er plezier in te scheppen mensen een beetje te sarren met hun – in mijn ogen – absurde overtuiging dat een bureaulamp of een pispot kunst waren.
Maar het lachen verging me toen ik zag hoe talrijk ze waren en hoeveel agressie er schuilging achter hun ‘nominalistische’ overtuiging.
Want de opwinding werd niet veroorzaakt door een botsing van tegengestelde meningen.
Ze werd veroorzaakt door de botsing tussen een waarneming en een mening.
Als ik zei dat iets kunst was, dan had ik het over iets wat ik zag.
Als zij echter beweerden dat iets kunst was, dan hadden ze het over een etiket dat ze ergens opplakten.
En dat is een heel ander uitgangspunt.
Ik steunde op een waarneming, zij steunden op een concept.
Ik had het over iets wat buiten mijn wil om bestond en waar ik mij bij neerlegde.
Zij hadden het over iets wat ze wilden dat bestond en waarvoor het bestaande moest wijken.

Als mensen me vandaag vragen wat ik denk van een tekening of een schilderij, dan leid ik hun aandacht af. De ervaring heeft me namelijk geleerd dat het gevaarlijk is daar rechtstreeks op te antwoorden.
Vroeger, toen ik nog jong en onervaren was, deed ik dat zonder erbij na te denken.
Zo heb ik meer dan één vriend verloren, want wat ik zei was meestal niet wat ze wilden horen.
Wat hen zo stoorde was echter niet zozeer WAT ik vertelde, maar HOE ik het vertelde.
Ik deed dat namelijk alsof het vaststond, alsof er geen discussie mogelijk was.
In hun ogen was dat van een onbetamelijke arrogantie.
In mijn eigen ogen was het gewoon iets wat ik zag.
Ik realiseerde me niet dat het een bovenzintuiglijk ‘zien’ was.
Ik besefte ook (nog) niet dat de moderne mens zo materialistisch is geworden dat hij instinctief alles verwerpt wat geestelijk van aard is.

Nu realiseer ik me dat wel en ontwijk ik vragen naar de kwaliteit van een tekening of een schilderij.
Ik weet dat de meeste mensen die vraag alleen maar stellen om hun eigen mening bevestigd te zien.
Wordt die mening bevestigd dan voelen ze een soort ziele-verwantschap.
Wordt ze niet bevestigd, dan zeggen: nu ja, dat is JOUW mening!
Ik weet dan dat ik mijn mond moet houden, want als ik het ontken, komt er ruzie van.
Maar ik heb het er wel moeilijk mee.
Het is geen pretje om te beseffen dat zoveel mensen in de greep van Ahriman zitten en bereid zijn voor hem te vechten en vriendschappen op te blazen.
Dat wil natuurlijk niet zeggen dat ikzelf Ahriman-vrij ben.
Het tegendeel is waar.
Maar op één gebied ben ik erin geslaagd me aan zijn greep te ontworstelen, en dat is de kunst.
Op dat gebied ben ik – tot op zekere hoogte – helderziend geworden.
Dat klinkt natuurlijk bijzonder arrogant, tenminste in de oren van mensen die zelf hun helderziendheid kwijt zijn.
Bovenzintuiglijk waarnemen is namelijk geen uitzonderlijk vermogen dat alleen zeldzame uitverkorenen bezitten. Het is een aangeboren eigenschap die we – door toedoen van het intellectualisme van Ahriman – kwijtgespeeld zijn.

Ik heb in de loop der jaren ondervonden dat er twee soorten mensen zijn die een scherp oog hebben voor kunst.
Enerzijds zijn dat de ‘kenners’.
Ze onderscheiden zich niet van andere mensen doordat ze dingen weten, maar doordat ze dingen zien.
In onze materialistische tijd zijn ze uiterst zeldzaam geworden.
Hun plaats is ingenomen door ahrimanische ‘kenners’, door mensen die alles weten over het gebruik van het etiket ‘kunst’: ze weten precies waar het mag opgeplakt worden en waar niet.
Hun helderziendheid betreft niet de christelijke kwaliteit van een kunstwerk maar de antichristelijke kwaliteit ervan.
Dit soort kenners heeft in onze maatschappij een hoge status gekregen.

De tweede soort mensen die een scherp oog hebben voor (christelijke) kwaliteit van kunst zijn eenvoudige mensen, die gevrijwaard zijn gebleven van het intellectualisme van Ahriman.
Het is me meer dan eens opgevallen hoe diep (maar onbewust) het begrip voor kunst is bij simpele werkmensen, mensen die met hun handen werken en niet met hun hoofd.
Ook zij behoren tot een uitstervend ras.
Iedereen werkt vandaag met zijn hoofd, van kindsbeen af.
Er is geen betere manier om blind te worden voor kunst dan zo vroeg en zo lang mogelijk naar school te gaan.
We zien dan ook dat ‘kunstblindheid’ het grootst is onder de intelligentsia.
Niemand is daar nog in staat het verschil te zien tussen christelijke en antichristelijke kunst.
Als gevolg daarvan wordt het begrip ‘hedendaagse kunst’ enkel nog toegepast op de antichristelijke kunst van Ahriman.

Ons oog voor kunst is gesloten door Ahriman.
We denken misschien dat we kunst zien, maar in feite zien we alleen een etiket.
We zijn als wijnkenners die alles weten over wijnsoorten, wijnboeren, wijnjaren, enzovoort, maar die nog nooit een glas wijn gedronken hebben.
We kennen de Dionysische dronkenschap van de kunst niet.
We zijn nuchter als een moslim.
Het is een heel andere dronkenschap die we kennen: die van de macht.
Wij kunnen bepalen wat kunst is en wat niet.
Wij kunnen de werkelijkheid naar onze hand zetten.
Wij zijn vrij om te doen wat we willen.
Dat ahrimanische adagium wordt in de Hedendaagse kunst zeer consequent toegepast.
Wie de macht heeft in deze wereld mag het etiket ‘kunst’ plakken waar hij wil.

Ophouden met het plakken van etiketten volstaat echter niet om ons oog voor kunst weer te openen.
Net als de ons omringende natuur is ook de menselijke natuur te zwak geworden om zich nog op eigen kracht te kunnen herstellen.
We moeten de etherische wereld (waar ons oog voor kunst toe behoort) ‘dynamiseren’ en weer tot leven wekken.
Maar daarvoor moeten we die wereld leren kennen.
En daarvoor hebben we Ahriman nodig.
Door hem aan de kant te schuiven (een utopische veronderstelling overigens) zullen we de kunstzinnige etherische wereld niet leren kennen en genezen.
Nee, we moeten Ahriman gebruiken om Christus (die in deze wereld leeft) te leren kennen.
Maar eerst moeten we hem leren zien, en daarvoor hebben we Lucifer nodig.
We moeten zijn licht, dat nu op ons ego gericht is, op ons Ik richten.
En dat Ik komt, zoals Rudolf Steiner zegt, van buitenaf op ons toe.
We herkennen het in de kunstzinnige kwaliteit van de wereld.

Pas als we die – christelijke – kwaliteit waarnemen, kunnen we met ons bewustzijn doordringen in de etherische wereld van de kunst zonder deze te misvormen en nog zieker te maken dan hij als is.
Zien we echter geen verschil tussen christelijke en antichristelijke kwaliteiten, dan komen we zonder het te beseffen terecht in een onderwereld, in een etherische wereld die herschapen is naar het beeld en gelijkenis van Ahriman.
Voor we het weten staan we dan vol bewondering te kijken naar een pispot of een kakmachine en voelen ons ver verheven boven de simpele lieden die daar alleen maar een pispot of een kakmachine kunnen in zien.