Politieke correctheid en autisme (1)

door lievendebrouwere

Vroeger – ik spreek nu over 50 jaar en meer geleden – zag je voor het raam van heel wat cafés een bordje staan met de woorden ‘interdit aux Nord-Africains’.
Dat had niks te maken met racisme maar alles met realisme.
Als er Noord-Afrikanen in de zaak waren, was de kans namelijk reëel dat er ruzie van kwam en dat de inboedel aan diggelen werd geslagen.
In steden als Antwerpen kwam de hele wereld over de vloer, dus daar hadden ze in de cafés echt wel ervaring met het multiculturele samenzijn.
Maar om de een of andere reden wilde dat samenzijn niet lukken als er Noord-Afrikanen bij waren.
Dat was trouwens niet alleen in Antwerpen zo, dat was in heel Europa zo.
Overal wisten de café-houders: met Noord-Afrikanen heb je altijd problemen.
En dat is nog niet veranderd.

Waarom juist Noord-Afrikanen?
Volgens henzelf (en de politiek-correcte intelligentsia) worden ze overal als zondebokken behandeld en onthaald op discriminatie en agressie.
Ze zijn als het ware de ‘nieuwe joden’ van Europa.
Iedereen met een beetje gezond verstand weet natuurlijk dat dit de wereld op zijn kop is.
Noord-Afrikanen zijn helemaal niet de kneusjes die overal gepest worden waar ze komen.
Ze zijn juist de pestkoppen.
Met name de Marokkanen hebben op dat vlak een bijzonder slechte reputatie.
Het was Mister Politiek-Correct himself, Yves Desmet, die destijds het begrip ‘kutmarokkaantjes’ introduceerde.
De ‘berbers’ gedroegen zich zo onuitstaanbaar dat het zelfs hem teveel werd.
De uitdrukking sloeg meteen aan.
Eindelijk eens iemand die de waarheid durfde te zeggen!

Hoelang is dat inmiddels geleden? Tien, twintig jaar?
Sindsdien is er heel wat veranderd.
Vandaag durft Yves Desmet, ondanks zijn smetteloze politiek-correcte reputatie, de term ‘kutmarokkaantjes’ niet meer in de mond nemen.
Integendeel, hij huilt vol overtuiging mee met de wolven in het bos die het vel van Bart De Wever willen.
Want die onverlaat heeft het gewaagd te zeggen dat er problemen zijn met Berbers, dat ze ‘een zeer gesloten gemeenschap’ vormen.
Dat komt niet eens in de buurt van ‘kutmarokkanen’ maar het was genoeg om een storm van verontwaardiging te doen losbarsten.
Abou Jahjah eiste meteen het ontslag van De Wever en Abderrahim Lahlali (die ervaring heeft met het verdedigen van terroristen) bracht de zaak voor het gerecht.
Het regende verontwaardigde artikels en commentaren in de media en toen iemand in het Vlaams Parlement van leer trok tegen De Wever kreeg hij applaus op alle banken.
Iedereen was het er roerend over eens: dit keer was De Wever te ver gegaan.

Ik volg nu al jaren de ononderbroken hetze tegen Bart De Wever en hoewel ze mijn weerzin blijft oproepen – hoe beschamend is het niet om met z’n allen op één man in te beuken – ben ik eraan gewend geraakt.
Dit keer sloeg de schrik me echter om het hart.
Met verbijstering keek ik naar die collectieve hysterie.
Wat scheelt er in godsnaam met de Vlaamse intellectuelen dat ze zo woedend reageren als iemand die de waarheid vertelt?
Want laten we wel wezen, wat Bart De Wever zei over de Berbers, was de waarheid en dat is dan nog zacht uitgedrukt.
De harde waarheid had heel anders geklonken.
Om een idee te geven: te midden van alle heisa was Farid le Fou weer in het nieuws, de meest beruchte Noord-Afrikaan van ons land, de schrik van alle gevangenissen.
Omdat men geen blijf met hem weet, heeft men hem gewoon … vrijgelaten, hoewel hij nog meer dan 10 jaar cel moet uitzitten voor moord, geweld, ontvoering en verkrachting.
Men heeft hem zelfs een schadevergoeding van 11.000 euro gegeven.
Omdat dit wat al te gortig werd, heeft men besloten hem toch weer op te sluiten, maar nu durft men hem niet oppakken omdat hij zo gewelddadig is.
Het is bijna een metafoor van hoe men in dit land met Marokkanen omgaat.

There is something rotten in the state of Belgium.
Zoveel is duidelijk.
Als de intellectuele klasse de waarheid niet meer verdedigt maar aanvalt, dan is er iets ernstigs aan de hand.
Maar wat?
Wat scheelt er toch met onze intellectuelen?

Ik kwam het antwoord op het spoor toen ik nadacht over het opinieartikel waarin Yves Desmet waarschuwt voor de stigmatisering van depressieve mensen.
Hij ging lang niet zo hysterisch tekeer als zijn collega’s in het geval De Wever, maar in de grond deed hij net hetzelfde: hij verwisselde daders en slachtoffers, hij keerde de waarheid gewoon om.
Er was nog maar net sprake van depressie (en antidepressiva) als oorzaak van de vliegtuigcrash of Yves Desmet ging al in de tegenaanval, alsof de slachtoffers op het punt stonden wraak te nemen op alle depressieve mensen.
Hetzelfde gebeurde na de aanslag op Charlie Hebdo.
De slachtoffers waren nog niet begraven of in de kranten verschenen alweer artikels die waarschuwden voor de stigmatisering van moslims.
Selahattin Kocak bestond het zelfs om een klaagzang aan te heffen over hoe bedreigd moslims zich wel voelen in Europa.
Het getuigde van een aan autisme grenzend gebrek aan inlevingsvermogen.
Je vraagt geen begrip voor de moordenaar op de begrafenis van zijn slachtoffers.

Toen ik deze drie gevallen op een rijtje zette, begreep ik opeens wat ze gemeen hadden: autisme.
Politieke correctheid is een vorm van autisme.
De moslimmentaliteit is een vorm van autisme.
Het moderne denken is simpelweg autistisch.
Hedendaagse intellectuelen (Westerse of islamitische) gedragen zich als autisten.
En wat erger is: ze beseffen het niet.
Ze projecteren hun autisme op de buitenwereld, zoals Jan Blommaert.
Ze beweren dat wie de waarheid spreekt de wereld op zijn kop zet.
Eigenlijk hebben deze intellectuele autisten een zeer helder beeld van zichzelf.
Ze durven er alleen niet naar kijken: ze projecteren het dwangmatig op anderen.
Daarin verschillen ze van echte autisten, want die wéten tenminste dat ze ziek zijn.
Voor zover ze het contact met de buitenwereld nog niet helemaal verloren hebben …

Luisteren we nog even naar Jan Blommaert over Bart De Wever.

‘Hij lijkt zich vaak op lichtjaren afstand te bewegen van wat men “de realiteit” noemt.
Hij produceert aan de lopende band verzinsels, kwakkels, leugens en stereotypen over allerhande thema’s – doorgaans over wie “goed” en “slecht” is – terwijl hij die nonsens als grote wijsheden beweert te slijten.
Wie afwijkende visies en standpunten hanteert wordt snel als ongeïnformeerd, eenzijdig en bevooroordeeld, een slecht hoorder of een al te letterlijk citeerder afgeschilderd.
De wereld die zich tegenover zijn verzinsels, kwakkels, leugens en stereotypen onvouwt is er één van … verzinsels, kwakkels, leugens en stereotypen, zo beweert hij nogal vaak en graag.
Domheden worden dus gemotiveerd vanuit een standpunt waarbij kritiek erop als domheid wordt voorgesteld.
Sta me toe dat ik dat als ‘idioot’ bestempel.’

Het is een treffende beschrijving van de politiek-correcte intellectueel.
Maar die intellectueel is niet dom of idioot, zoals Blommaert meent, hij is autistisch.
Hij zit zodanig opgesloten in zijn hoofd dat hij het contact met de werkelijkheid is kwijtgeraakt.
Zoals bekend heeft de (zware) autist geen contact meer met zijn lichaam, althans niet innerlijk.
Een normaal mens heeft dat wel: hij weet bijvoorbeeld precies waar zijn neus staat, ook al ziet hem niet.
Hij neemt die neus, en zijn hele lichaam, van binnenuit waar.
De autist doet dat niet.
Hij heeft geen innerlijke waarneming van zijn lichaam.
Hij ziet het wel van buitenaf maar hij herkent het niet als het zijne.
Hij voelt er geen enkele band mee, het is gewoon een ding onder de dingen.
Hij heeft er geen controle over, zoals wij (met ons bewustzijn) ook geen controle hebben over een kachel, een stoel of gelijk welk ander ding.
De autist ontleent dan ook geen zelfgevoel aan zijn lichaam.
Hij weet niet wat een ‘ik’ is.

Het bewustzijn waarmee wij ons lichaam van binnenuit waarnemen (en waarop we ons zelfgevoel baseren), is bij de autist als het ware naar buiten gestulpt.
Hij beleeft zijn zelf in de buitenwereld.
Vandaar ook dat iedere verandering in zijn omgeving hem hevig in beroering brengt.
Hij voelt die verandering als een aanslag op zichzelf, een aanslag waartegen hij zich niet kan verweren.
Helemààl erg wordt het wanneer hij een ander mens ontmoet, want die mens verschijnt als het ware IN hemzelf.
Hij heeft het gevoel alsof iemand anders zijn plaats inneemt en hijzelf nergens meer is.
Vandaar dat hij ieder oogcontact – dat wil zeggen ieder contact met een ander Ik – angstvallig vermijdt.
Mensen moeten dingen blijven, alleen op die manier kan hij (min of meer) zichzelf blijven.

Het zelfgevoel van de autist is ontzettend kwetsbaar, want het bevindt zich overal om hem heen en staat voortdurend bloot aan aanvallen (lees: veranderingen).
De autist voelt zich helemaal overgeleverd aan de wereld.
Hij is als een kind, maar dan zonder de – fysieke en geestelijke – bescherming die een kind geniet.
De wereld is voor een autist dan ook uitermate onveilig en bedreigend.
Alles raakt hem rechtstreeks, zonder de filter van het (doffe) lichaamsbewustzijn.
Daarom trekt hij zich uit de wereld terug, onbereikbaar voor alles en iedereen.
Hij maakt eigenlijk rechtsomkeer, hij kruipt weer in de baarmoeder, hij keert weer terug naar de geestelijke wereld.
Tenminste dat probeert hij.
De autist verkeert voor een deel in de bewustzijnstoestand van mensen die gestorven zijn.
Na de dood keren de verhoudingen om.
Keek de levende mens vanuit het middelpunt (dat hijzelf is) naar de wereld, dan kijkt de dode vanuit de (steeds groter wordende) omtrek naar het lichaam dat ooit het middelpunt van zijn leven was.
Zo doet de autist dat ook.
Hij ziet alles omgekeerd: hij ziet zichzelf in de wereld en de wereld in zichzelf.
Alleen is het geen bewust ‘zien’, het is een dromerig – zeg maar nachtmerrieachtig – beleven.

Autisme wordt vaak toegeschreven aan een voortijdig wakker worden als gevolg van een trauma dat de mens zeer vroeg in zijn leven (en zelfs vóór de geboorte) oploopt en dat zijn ontwikkeling in de war stuurt.
Die ontwikkeling noemt de antroposofie ook wel ‘incarnatie’.
Rudolf Steiner vertelt dat mensen voor hun geboorte een soort voorafbeelding zien van het leven dat hen te wachten staat, en dat sommigen daarvoor terugdeinzen.
Ze willen als het ware niet geboren worden en verzetten zich tegen de verbinding met hun lichaam en met de aarde.
Als gevolg daarvan ‘zitten ze slecht in hun lichaam’.
Ze zijn niet goed geïncarneerd.
Hun geest zit niet IN hun lichaam maar zweeft erboven als een ballon aan een draadje.
Hun Ik kan zich niet verbinden met dat lichaam maar het kan er zich evenmin van losmaken.
Dat is de tragiek van de autist: hij zit gevangen in een soort tussenwereld.

Het is ook de tragiek van de politiek-correcte intellectueel.
De aardse realiteit boezemt hem afschuw in, want ze beantwoordt niet aan zijn hoge idealen.
Daarom trekt hij zich terug in een (abstracte) ‘geestelijke wereld’ waar alles is zoals het zou moeten zijn.
Maar omdat zijn geest als met een elastiek verbonden is met zijn lichaam, doet dit ‘streven naar de sterren’ hem met geweld terugbotsen op de aarde.
Die aarde verzet zich uiteraard tegen dat ‘botsende’ idealisme en daardoor voelt de politiek-correcte intellectueel zich afgewezen en verongelijkt.
Hij wil de wereld toch alleen maar verbeteren?
Als die wereld niet wil verbeteren, kan dat alleen maar betekenen dat hij slecht wil zijn.
Aldus de autistische redenering, die geen rekening houdt met de manier waarop geest en materie verenigd kunnen worden.
Juist die vereniging is bij de autist verstoord en zonder het te beseffen projecteert hij ze op de wereld.
Voortdurend verwijt hij de wereld waar hij zelf aan lijdt: dat er geen levende, harmonische relatie is tussen geest en materie, tussen hoofd en lichaam.

Het grote probleem is dat hij gelijk heeft: de wereld IS inderdaad gepolariseerd.
Daardoor blijft de autistische intellectueel blind voor het feit dat hijzelf deel van het probleem is, het grootste deel zelfs, want zolang het autistische denken niet verandert, kan er in de wereld niks ten goede veranderen.

(wordt vervolgd)

Advertenties