Brugge und kein Ende

door lievendebrouwere

Ik maak me op om morgen naar Brugge te gaan. De markt is al een maand bezig, maar tot nog toe heb ik niet de moed gevonden om erheen te gaan. Van het enthousiasme waarmee ik verleden jaar aan mijn ‘marktloopbaan’ begon, blijft niets meer over. De tegenvallende verkoop, de monsterboete van de RVA, het mislukken van mijn (reddings)plan om opnieuw mensen te gaan tekenen, en meer algemene zwarigheden van het leven hebben mij de das omgedaan. Toch wil ik het nog niet opgeven. Enerzijds ben ik gehecht geraakt aan Brugge en de markt op de Dijver, en anderzijds wil ik nog eens een poging wagen om portretten te tekenen, want dat is toch het liefste wat ik doe, en in Brugge lopen er zoveel (potentiële) modellen rond…

Rudolf Steiner zegt over oude zielen dat ze de neiging hebben om illusies te koesteren, en dat was in mijn geval zeker waar. Ik dacht een middel gevonden te hebben om wat geld te verdienen (zodat ik eindelijk eens degelijk teken- en schildermateriaal zou kunnen kopen), ik dacht zelfs een gat in de markt gevonden te hebben (er zijn in Brugge nauwelijks getekende of geschilderde afbeeldingen van Brugge te vinden), maar dat bleek verkeerd gedacht. De botsing met de realiteit was hard. Aan het eind van het seizoen, met Michaël, kreeg ze zelfs het karakter van een perte totale. 

Sindsdien is er niks veranderd. Ik heb de afgelopen winter geprobeerd om te begrijpen wat me overkwam, maar ik ben geen stap verder gekomen. Tenzij misschien dat ik het idee om geld te willen verdienen met mijn werk helemaal moet opgeven. Ik wil dat eigenlijk ook niet. Ik ben de wanhoop nabij als ik prijzen moet plakken op m’n werk. Het stuit me hevig tegen de borst om koopwaar te maken van kunst. Misschien voelen de toeristen in Brugge dat wel: ik WIL eigenlijk geen werk verkopen. Is dat laatste alweer zo’n oude-zielenillusie? Ik weet het niet. Ik weet alleen dat de weerzin heel sterk is. Ik ben helemaal gewonnen voor de (bijbelse) idee van de loskoppeling van arbeid en inkomen: je krijgt geen geld voor je werk, je krijgt geld om te leven. Dat is ook alles wat ik vraag: genoeg geld om te kunnen leven en doen wat ik wil doen: tekenen, schilderen, schrijven. Ik wil niet werken voor geld, ik wil werken omdat ik er behoefte aan heb, omdat ik het zinvol vind, omdat ik anders gek word. 

Zo doe ik dat eigenlijk al 30 jaar: ik doe wat ik wil doen, wat ik (vanuit mijn persoonlijke behoefte) moet doen. Geld om te leven krijg ik van de RVA, als een vorm van gewaarborgd basisinkomen avant la lettre. Het is natuurlijk veel te weinig om op een acceptabele manier te kunnen leven en werken (zonder m’n vrouw zou ik het niet redden) maar het is beter dan niets (zoals vroeger). En uitgerekend nu ik zelf iets probeer te verdienen, krijg ik die monsterboete van de RVA. Het is alsof de Rijksdienst zegt: we geven je geld zodat je vrij kunt tekenen en schilderen, maar van zodra je ‘onvrij’ begint te werken – dat wil zeggen voor geld – moet je alles terugbetalen. 

Uiteraard redeneren ze bij de RVA zo niet, maar als ik het ‘karmisch’ probeer te duiden, klinkt de boodschap toch wel een beetje in die zin. Is dat een juiste interpretatie of beeld ik me maar wat in? Ik weet het niet. Ik weet alleen dat ik geen zin meer heb om in Brugge op de markt te gaan staan en daar werk te verkopen. Ik WIL dat eigenlijk ook niet. Maar ik wil wel schilderen, en daar heb ik geld voor nodig. Ik wil ook weer mensen tekenen, en daar heb ik eveneens geld voor nodig. Dus hoe moet dat?

Er is echter ook nog iets anders.

Stel dat ik morgen op de een of andere manier een gewaarborgd basisinkomen kreeg dat me in staat stelde om zonder zorgen te tekenen, te schilderen en te schrijven. Zou ik dan nog naar Brugge gaan? Zeker wel. Ik zou erheen gaan om mensen te tekenen. Dat zou ik geweldig vinden, want ik krijg nooit genoeg van menselijke gezichten, ik zou ze allemaal willen tekenen. Maar wat zou ik dan met die tekeningen, die portretten doen? Ze gewoon weggeven? Volgens Steiner is dat geen goed idee, omdat je dan Ahriman tegen zijn schenen schopt. Je mag niet zomaar voor niks werken, daar komt miserie van. Het komt vooral tot uiting in de manier waarop mensen dan je werk behandelen: ze tonen er geen begrip of waardering voor. Het is me al overkomen dat ze een tekening van me zorgvuldig in vier vouwden en in hun zak staken. Of dat ik portret later tegen een keukenmuur aantrof, vastgeprikt met punaises en ‘verbeterd’ met viltstift. 

Wat komt er terecht van tekeningen en schilderijen die je gewoon weggeeft of voor veel te weinig verkoopt? Ik mag er niet aan denken. Het is nu eenmaal zo dat waardering voor kunst vaak het gevolg is van het prijskaartje: hoe duurder een kunstwerk des te beter is het. Een gratis kunstwerk draagt als het ware de boodschap: dit is niks waard. Kunst (en niet alleen kunst) wordt niet langer beoordeeld op zijn intrinsieke kwaliteiten, maar op grond van allerlei zaken die er in wezen niks mee te maken hebben, zoals prijs, reputatie, ideeën, commentaren. Deze oneigenlijke waardering is een gevolg van het toenemende onvermogen van de moderne mens om geestelijke kwaliteiten waar te nemen. Dat onvermogen neemt in onze tijd schrikbarende afmetingen aan. Kunstliefhebbers zien geen (kwaliteits)verschil meer tussen een meesterwerk en wat afval. En ze beseffen niet hoe blind ze zijn geworden, want ze geloven niet meer in geestelijke kwaliteiten. Hoe kun je immers blind zijn voor iets wat niet bestaat?

Deze zich steeds verder uitbreidende blindheid voor de geest is niet alleen iets waar je mee te maken krijgt als je werk wilt verkopen, het speelt ook een rol bij het maken van dat werk. Waarom zou je immers goed werk proberen te maken als niemand er nog oog voor heeft, als niemand nog verschil ziet tussen goed en slecht ? Dat werkt enorm demoraliserend. Je kunt het oordeel van de kijker nog enigszins sturen door genoeg geld te vragen voor je werk, zodat ze denken: het kost veel, dus het zal wel goed zijn! Maar in Brugge op de markt is dat dus niet mogelijk. En in mijn geval werkt het zelfs omgekeerd, want ik WIL eigenlijk geen geld vragen voor mijn werk. 

Ik heb morgen alvast genoeg om over na te denken daar aan de Dijver. Als ik tenminste uit m’n bed raak.

  

Advertenties