De Europese zonnegeest

door lievendebrouwere

Toen ik enkele dagen geleden iets schreef over VRT-journaliste Danira Boukhriss (die zogezegd niet wist dat er nog racisme bestond in Vlaanderen) en over Antwerpen (dat langzaam maar zeker verandert in een moslimstad) luisterde ik toevallig naar Domino, het bekende Franse chanson van André Claveau (‘le printemps chante en moi Dominique, j’ai le coeur comme une boite á musique’). Ik werd overvallen door een golf van weemoed. Hoe mooi, hoe lieflijk en hoe zonnig is de geest niet die spreekt uit het Franse chanson (Yves Montand, Edith Piaf, Charles Trenet, Juliette Greco et les autres)! En hoe lelijk, hoe grimmig en hoe duister is de geest niet die sindsdien zijn plaats heeft ingenomen!

Frankrijk heeft een centrale rol gespeeld in de ontwikkeling van de Europese beschaving, denken we maar aan de kathedraalbouwers, de Tempeliers, Jeanne d’Arc, de Franse revolutie. Maar die beschavingsrol is vandaag uitgespeeld. Frankrijk is nog slechts een schim van zichzelf. Het Franse chanson was de zwanenzang van deze ooit zo grote cultuur. Hetzelfde geldt voor het impressionisme, dat dezelfde zonnige geest uitademde: het was een nabloei, een laatste oplichten, een gouden herfst, niet alleen van de Franse cultuur, maar van de hele Europese cultuur. Die heeft zijn leven gerekt tot pakweg 1950, maar toen was het afgelopen. Toen nam Amerika het stuur definitief over. 

Ik voel me heel, heel diep verbonden met die zonnige geest van de Europese beschaving en ik verafschuw uit de grond van mijn hart de geest die hem vervangen heeft. Als ik zie hoe mensen deze akelige ahrimanische geest als vanzelfsprekend accepteren of hem zelfs enthousiast toejuichen (zoals in de Hedendaagse Kunst), dan kan ik alleen maar denken: zij kennen de Europese zonnegeest niet, anders zouden ze geschokt zijn door de tegenstelling. Mijn generatie is geboren na WO2 toen de Europese geest al vervangen was. Ze heeft die geest enkel nog leren kennen door zijn ‘overblijfselen’. Ik vorm een uitzondering op die regel want ik heb de levende zonnegeest nog op de valreep leren kennen.

  

Dat gebeurde in Mechelen, aan de voet van de St.Romboutstoren, in de academie waar de ooit zo glorieuze Vlaamse kunsttraditie haar laatste adem uitblies. Toen ik mijn leraar ooit zei hoe blij ik was dat nog te mogen meemaken, antwoordde hij meewarig: ach jongen, jij weet helemaal niet wat een echte academie is, zelfs ik heb dat niet meer meegemaakt! Hij was er zich zeer van bewust in een stervende traditie te staan en misschien verleende dat bewustzijn wel die heel bijzondere glans aan de geest die hij – als een der allerlaatsten – vertegenwoordigde. In ieder geval, ik heb die stralende, zonnige geest heel diep in mijn hart opgenomen. Tot op de huidige dag blijft hij het mooiste wat ik ooit gekend heb.

Het lot heeft me evenwel belet die geest te volgen (en met hem ten onder te gaan). Ik werd naar de tegenovergestelde geest geleid, de grauwe geest van het intellectualisme. Zo zonnig als mijn dagen aan de academie waren, zo koud en duister waren ze aan de universiteit. Ik kwam er terecht in een wereld van schijn, dikdoenerij, leugen en bedrog, een wereld bevolkt met mensen die ik onmogelijk au sérieux kon nemen. De tegenstelling kon niet groter zijn. Ik leerde er voor het eerst de ahrimanische geest in al zijn onbarmhartige kilheid kennen. Ik had het gevoel dat ik als mens niet meer meetelde, dat ik iemand anders moest worden dan wie ik was. En dus trok ik mij terug, diep in mezelf, onbereikbaar voor iedereen.

In dat diepste isolement, in dat bijna volstrekte duister ging er een lichtje branden: ik ontmoette de antroposofie. Niet in de vorm van een leer of (godbewareme) een wetenschap, maar in de vorm van een mens. Ik vond er mijn vrouw, en via haar vond ik een toegang tot het werk van Rudolf Steiner. Op een andere manier was dat laatste niet mogelijk geweest. Hoe had ik ooit de levende zonnegeest kunnen herkennen in de dorre geesteswetenschap van de steevast in het zwart geklede Herr Doctor! Ik verafschuwde doctors en professors, ik had alleen respect voor mensen die iets met hun handen konden. Als mijn tekenleraar iets zei, spitste ik mijn oren, want ik had gezien wat hij met zijn handen kon. 

  

De antroposofie is christelijk, maar ze is dat op een michaëlische manier. Dat wil zeggen: zij is gepantserd, zij is strijdbaar, zij is bewust. Zij is eigenlijk het tegenovergestelde van de zonnegeest die ik aan de Mechelse academie leerde kennen en die dromerig was, ontwapenend en kinderlijk onschuldig. En toch, als ik nuchter terugdenk aan die tijd dan moet ik erkennen dat er in die zo stille, zonnige academie, onder de beiaardklanken van St.Rombouts, hevige innerlijke gevechten werden gevoerd, want te midden van de (naar mijn gevoel) absolute vrijheid die er heerste, gold één ijzeren stelregel: wat je deed, moest juist zijn. Je mocht geen loopje nemen met de werkelijkheid, daar werd streng op toegekeken. 

Anders gezegd: de onzichtbare binnenkant van die hartverwarmende zonnigheid, was michaëlische strijdlust. Mijn leraar was allesbehalve begripsvol en toegeeflijk. Hij was in feite ongenadig: klopte er iets niet, dan moest je herbeginnen. Niets liet hij passeren. Maar dat werd niet als dwang of plicht ervaren. Je wist: dit is de weg naar het doel dat ik wil bereiken. Deze ononderbroken morele strijd tegen schijn, leugen en (zelf)bedrog is de weg naar de vreugde van het scheppen. Jaren later heb ik zelf nog een tijdje les gegeven, op dezelfde ‘michaëlische’ manier, en ik ondervond toen hoe ongelooflijk zwaar deze weg is. Als kind had ik hem spelenderwijs bewandeld, als volwassene waren mijn benen als van lood. 

Het heeft lang geduurd voor ik door het michaëlische pantser van de antroposofie heen raakte en doordrong tot de zonnige ‘binnenkant’ ervan. Slechts heel langzaam begon ik in te zien dat de antroposofie de zonnegeest van de (Europese) kunst weerspiegelde. Aanvankelijk zag ik alleen maar de immense tegenstelling tussen de levende geest en zijn dode spiegelbeeld. Hoe ongelooflijk dor, saai en hard is de antroposofie niet vergeleken bij de betoverende kinderlijkheid van de zonnegeest die ik in mijn jeugd had leren kennen! En toch, als ik zag hoe kinderen in de steinerschool naar hartelust konden tekenen, herkende ik iets van die zonnige geest. Ik begreep later ook dat het de bedoeling was dat hij zich in een steinerschool op alle gebieden manifesteerde, en niet alleen in de kunstvakken. 

   

Vandaag begrijp ik dat de zonnegeest moet sterven om zich te kunnen vermenigvuldigen. Hij moet als het ware gereduceerd worden tot zijn spiegelbeeld om daarna weer op grotere schaal te kunnen verrijzen. Dat is ook de reden waarom ik ben beginnen nadenken over kunst: omdat het de enige manier was om haar te redden. Ik zag hoe de kunst tenonder ging en ik wist dat ik daar niks kon aan veranderen, de tegenkrachten waren veel te groot. Het enige wat ik kon doen, was proberen de zaak te begrijpen. Daartoe moest ik doen wat ik nooit had gekund zolang de kunst nog leefde: afstand nemen, ertegenover gaan staan. Die scheiding was zo pijnlijk dat ik ze niet had overleefd zonder de hulp van de antroposofie. 

Mijn hele leven is getekend door die scheiding. Gisteren ben ik voor het eerst dit jaar weer naar Brugge geweest. Uiterlijk gezien, was het een heerlijk weerzien, een weerzien met de zon. Reeds tijdens de ochtendlijke rit op de autostrade keek ik mijn ogen uit op de zonovergoten velden en bomen. Hoe ongelooflijk zuiver zag de wereld eruit in het licht van de lentezon! Ook op de Dijver was het zalig. Ik trof er een beetje dezelfde atmosfeer aan als toen ik vroeger op zondag door het slapende Mechelen naar de academie fietste (of hoe ook de eigen levensgeschiedenis zich herhaalt). Ik heb zowat de hele dag in de zon gezeten, luisterend naar het geroezemoes van de toeristen, kijkend naar de lichtgevende groene blaadjes aan de lindebomen.  

Maar zo zonnig als deze heerlijke lentedag was, zo donker en somber was het in mijn hart. Want ik voelde heel goed dat ik met mijn schilderijen de harten van de toeristen niet bereikte. De dingen die ik maak behoren dan ook tot het verleden. Het zijn overblijfselen, ‘stoffelijke resten’ van de zonnegeest. Ze zijn een soort eerbetoon aan een gestorven geliefde. Ik voel me niet in staat om uitdrukking te geven aan de levende zonnegeest en dat is een blijvende kwelling. Het feit dat ook anderen daar niet in slagen, biedt geen troost, integendeel. Hun onmacht reflecteert mijn eigen onmacht. Het enige verschil is dat ik mij bewust ben van die onmacht, terwijl de meesten doen alsof er niks aan de hand is.

   

 

  

De Europese zonnegeest is gestorven. We leven vandaag in een dode wereld. Het enige wat nog ‘leeft’ zijn de ontbindingskrachten die het dode lichaam langzaam maar zeker doen uiteenvallen. Het is vreselijk om dat onder ogen te moeten zien, maar het is het enige wat we nog kunnen doen. Wie zijn ogen sluit voor dit ontbindingsproces werkt eraan mee. De islamisering van Europa – om maar één voorbeeld te noemen – kan niet meer tot staan worden gebracht. Het is slechts een kwestie van tijd voor in alle grote Europese steden overwegend moslims leven. En zij zullen de macht grijpen, daar hoeft niet aan getwijfeld te worden. Maar zij veroorzaken de ondergang van de Europese beschaving niet, ze maken die alleen zichtbaar. 

Rudolf Steiner verklaarde 100 jaar geleden al dat de Europese beschaving in een deplorabele toestand verkeerde. Wie vandaag nog denkt dat ze te redden is, gedraagt zich als iemand die zich vastklampt aan het lichaam van een gestorven geliefde. De politiek correcten geven door hun idealen blijk van een vurig christendom. Maar doordat ze hun intense liefde voor de Europese zonnegeest richten op zijn stoffelijk overschot – en weigeren zijn dood onder ogen te zien – worden ze tot handlangers van de ahrimanische ontbindingskrachten die alles tot stof willen herleiden. Nooit was het mysterie van Golgotha – het sterven van de zonnegeest – zo actueel als vandaag, nooit was het onder ogen zien van die vreselijke dood zo belangrijk.

Christus sterft in onze tijd niet op een heuvel in Palestina, hij sterft overal, en hij sterft vooral in Europa, waar zijn zonnegeest tot nog toe het duidelijkst tot uitdrukking is gekomen. De michaëlische opgave van de antroposofie en van eenieder die deze ‘Europese’ geest liefheeft, bestaat erin om zich los te maken van zijn gestorven lichaam, om er tegenover te gaan staan en de harde waarheid van zijn dood onder ogen te zien. Alleen op die manier kunnen we weer voeling krijgen met de sfeer waar zijn geest nog leeft en zich voorbereidt op zijn wederopstanding. Maar dan moeten we wel een harde leerschool doorlopen en een hevige strijd voeren tegen schijn, leugen en zelfbedrog. 

Advertenties