Bart De Wever, racisme en Plato

door lievendebrouwere

Onderstaand artikel is van de hand van Nikolaas De Jong  (bron: The Brussels Journal)

Het hoeft niet te verbazen dat Bart De Wever zich met zijn recente uitspraken over de relativiteit van racisme alweer de woede van de linkse intellectuelen en de meest prominente vertegenwoordigers van de allochtone gemeenschap op de hals gehaald heeft. Op die episode en de politieke gevolgen ervan zullen we hier niet verder ingaan, maar wel op de inhoud van De Wevers uitspraken en het debat over racisme dat ze beginnen los te maken. Met andere woorden: heeft de burgemeester van Antwerpen gelijk wanneer hij zegt dat racisme relatief is, en dat de weigering van bepaalde bevolkingsgroepen om zich te integreren misschien een groter maatschappelijk probleem is? Of heeft de antiracistische beweging daarentegen gelijk wanneer ze zegt dat racisme in de Vlaamse (en Europese) mentaliteit ingebakken zit en nu zelfs in hoogste regionen van de politiek gebanaliseerd wordt? Hoe meer de tweede groep immers zijn aantijgingen herhaalt, hoe meer de Vlaming begint de denken dat er toch iets van aan moet zijn. Indien er geen groot racismeprobleem is, waarom dan al het geklaag erover?

Laten we eerst eens de feiten opsommen, en vooral zien hoe we die feiten moeten interpreteren. Bart De Wever heeft volledig gelijk als hij zegt dat racisme een relatief begrip is; alleen is het zeer jammer dat hij, zoals altijd, niet de meest effectieve argumenten gaf om die uitspraak te staven. Want de feiten spreken voor zich. Als we kort naar de situatie in de rest van de wereld kijken, zien we al snel dat het Westen in feite de minst racistische cultuur van allemaal is – met de mogelijke uitzondering van Latijns-Amerika. Daarnaast is racisme doorheen de geschiedenis, en in de meeste delen van de wereld, veeleer de norm dan de uitzondering geweest. Wat dus opmerkelijk is aan de huidige toestand van de Westerse cultuur is niet zozeer dat er racisme is, wel dat racisme in zulke mate afgezwakt is geweest. 

Waarom dan de voortdurende bekommernis om het racistische Westen? We hebben hier met een opmerkelijke paradox te maken: omdat het Westen de enige cultuur is waar racisme überhaupt als problematisch wordt ervaren en er dus voortdurend over gediscussieerd wordt, lijkt het alsof alleen in het Westen racisme een probleem is. Het Westen is ook de enige cultuur die zich iets aantrekt van klachten over racisme en andere wandaden die mensen uit andere culturen tot ons richten. Dat is ook de reden waarom de slachtoffers van racisme, kolonialisme, en slavenhandel hun beklag gaan doen in het Westen, en niet in pakweg de Arabische wereld, waar ze meteen weggelachen zouden worden.

Er is ook nog het bijkomende probleem – dat al helemaal niet ter sprake komt in het huidige debat – dat het onderzoek naar racisme in onze samenleving altijd vertrekt van de verkeerde veronderstelling dat alleen minderheden gediscrimineerd kunnen worden, en alleen meerderheden kunnen discrimineren. Wanneer stellen we ons eens vragen bij de houding van de allochtone bevolking – om te beginnen de moslims – tegenover Europeanen? Wie in een islamitische wijk woont weet zeer goed dat het racisme van moslims tegenover niet-moslims van een heel ander kaliber is dan het “racisme” van de Vlaming tegenover vreemdelingen. Bovendien kunnen we ons de vraag stellen in welke zin een samenleving waarin meer dan 30% van de allochtone bevolking werkloos is en dus met de belastingen van autochtonen wordt onderhouden, en waar jaarlijks miljarden worden uitgegeven aan opvang van immigranten (legaal en illegaal), echt racistisch genoemd kan worden. Om maar te zwijgen van de voorkeursbehandeling die zowel moslims als linkse aanhangers van het multiculturalisme bij het gerecht genieten. 

Nu rest ons de grote vraag: indien racisme inderdaad relatief is, wat drijft dan de linkse intelligentsia en de vertegenwoordigers van de allochtone gemeenschap in hun kruistocht tegen een imaginair kwaad? 

Om te begrijpen waarom linkse intellectuelen zich gedragen zoals ze zich gedragen, moeten we eerst en vooral begrijpen dat de intelligentsia in feite een klasse op zich is, naast de gekende sociale klassen zoals de arbeidersklasse, de middenklasse, en de (economische) elite. Wat intellectuelen evenwel onderscheidt van de andere sociale klassen, is dat die andere klassen zich allemaal bezighouden met een concrete activiteit, waarmee ze in hun levensonderhoud voorzien, terwijl intellectuelen zich bezighouden met iets abstracts, namelijk de vraag hoe de samenleving er zou moeten uitzien of op welke morele principes ze gestoeld zou moeten zijn. Het leidt geen enkele twijfel dat een gezonde samenleving een morele basis nodig heeft, en dat die alleen door intellectuelen (die we doorheen de geschiedenis in een veelheid aan functies terugvinden) kan worden verschaft. Maar zoals Ayn Rand voortdurend benadrukte, kunnen intellectuelen door hun morele impact op de samenleving ook enorm veel schade berokkenen als ze de verkeerde ideeën propageren – met andere woorden, wanneer hun ideeën slechts bestaan in functie van hun zoektocht naar status en macht. 

Men zou kunnen stellen dat er in essentie twee soorten intellectuelen bestaan, en hun onderscheid gaat terug tot het conflict tussen Plato en Aristoteles, de eersten die zich afvroegen hoe de samenleving van een morele basis voorzien moest worden. De aanpak van Plato was de utopische: de huidige samenleving en het menselijke leven zelf is volledig verrot, en moet zo snel mogelijk vervangen worden door een radicaal nieuwe orde, met een kleine groep verlichte intellectuelen als alleenheersers. Aristoteles zette zich snel af tegen deze onrealistische en onmenselijke visie van zijn leermeester, en was daarentegen de mening toegedaan dat het individu de belangrijkste eenheid van de samenleving was, en dat politiek in de laatste instantie de belangen van het individu moest dienen. De samenleving was volgens Aristoteles oneindig veel complexer dan Plato dacht, en om het morele gehalte van die samenleving te verhogen zou het dus altijd verstandiger zijn om binnen bestaande omstandigheden naar haalbare oplossingen te streven, in plaats van de realiteit voortdurend te toetsen aan een utopie, en alles wat niet in de utopie paste onvoorwaardelijk te veroordelen. 

(Het is niet verbazend dat de Westerse volkswijsheid ons vertelt dat we een ideale balans moeten zoeken tussen Plato en Aristoteles, of tussen vernieuwing en behoudgezindheid.  Soms is vernieuwing nodig om misstanden in de samenleving weg te werken, en soms is behoudgezindheid nuttig om onrealistische en roekeloze plannen tegen te houden. Zoals ik al eerder vertelde, gaat deze volkswijsheid uit van een valse tegenstelling, namelijk dat het goede ofwel het bestaande ofwel het nieuwe is – oftewel het intrinsieke of het subjectieve. Ayn Rand zou de volgende belangrijke stap zetten in de ontwikkeling van de Westerse filosofie: het goede is objectief te bepalen, en wordt bepaald door de aard van de mens zelf.)

De lezer heeft natuurlijk reeds opgemerkt dat de meeste intellectuelen vandaag de dag erfgenamen van Plato zijn. En dat ligt voor de hand, omdat de intellectuelen in de visie van Plato toevallig ook degenen zijn die de leiding zullen nemen in de zuivering van de samenleving. De huidige aanvallen van de linkse intelligentsia op de status quo moeten we dan ook in dit licht zien: wanneer de toestand van de samenleving totaal verdorven is, impliceert dit uiteraard dat alleen zij, de verlichte intellectuelen, het juiste medicijn kunnen aanreiken om die samenleving weer gezond te maken. 

De grote episodes uit de triomftocht van links zijn allemaal mooie voorbeelden van deze dynamiek: tijdens de Franse revolutie wierp links de duistere krachten van het feodalisme en het absolutisme omver, in de negentiende eeuw kwam links op voor de zwaar onderdrukte arbeiders, en toen was er natuurlijk de Russische revolutie tegen de barbaarse autocratie van de tsaren. De excessen van links, de vele genocides dus, worden dan afgedaan als een spijtige maar begrijpelijke reactie op de conservatieve onderdrukking. We krijgen natuurlijk nergens de lastige details te horen, bijvoorbeeld dat Frankrijk ten tijde van de revolutie een van de meer liberale landen in Europa was, en niet eens de macht had haar burgers zomaar belastingen op te leggen. Of dat het gemiddelde inkomen van de “onderdrukte” arbeiders gedurende de negentiende eeuw minstens verdrievoudigde. Of dat het brutale regime van de tsaren blijkbaar een parlement en recht op vrije meningsuiting kende, waar communisten naar hartenlust hun mening konden ventileren, en dat de linkse ideologie verspreid werd via universiteit die door de staat werden gefinancierd. Keer op keer spiegelde de linkse intelligentsia de status quo aan een utopische toestand, en verklaarde ze dat de bestaande samenleving met geweld vernietigd mocht worden omdat ze niet aan die standaard voldeed. Het ligt voor de hand dat de heisa van vandaag over de het veronderstelde racismeprobleem in dit rijtje thuishoort: het nieuwe proletariaat van de derde wereld wordt genadeloos onderdrukt, en de linkse intellectuelen zullen hun aanvoerders zijn wanneer ze de ketenen van die onderdrukkende, racistische bestaande orde afwerpen.

Dat is althans het plan. De moeilijkheid is echter dat de immigranten uit de derde wereld niet alleen een proletariaat vormen zoals het vroegere proletariaat van de arbeiders, maar ook vertegenwoordigers zijn van een zelfstandige cultuur. Zeker in het geval de islam hebben we niet te maken met een manipuleerbare groep  van verstotenen, maar met een onafhankelijk machtscentrum dat zijn eigen doel nastreeft: heerschappij over Europa. Wat linkse intellectuelen in al hun verfijning en sluwheid niet begrijpen, is dat moslims in laatste instantie precies hetzelfde doel nastreven als zijzelf: macht. En als de islam erin slaagt zijn plannen voor Europa uit te voeren, zal dat ook meteen het einde betekenen van de linkse bewegingen, en van de frustraties van linkse intellectuelen. De laatste grote stunt van links, het multiculturalisme, zal tevens de ondergang van de linkse beweging betekenen. 

Het moge duidelijk zijn dat het discours over discriminatie en rechten van minderheden slechts een dekmantel is voor het afdwingen van hegemonie in de samenleving. De meeste Westerlingen zien nog altijd niet in dat het woord “discriminatie” iets helemaal anders betekent wanneer het door moslims in de mond genomen wordt, dan wanneer Westerlingen het gebruiken. De islam deelt de wereld in in het Huis van de Islam en het Huis van de Oorlog, dat deel van de wereld dat nog veroverd moeten worden door de Islam. Met andere woorden: de rest van de planeet is slechts bezit van de moslims die er nog moeten aankomen, en de andere volkeren van de wereld zijn er alleen om te bekeren, om te onderwerpen (indien het Joden of Christenen zijn), of om uit te moorden (indien het heidenen zijn, of  joden en christenen die zich weigeren te onderwerpen.) Wanneer moslims dus zeggen dat ze in Europa last hebben van discriminatie, bedoelen ze daarmee gewoon dat ze niet snel genoeg alles krijgen waar ze recht op denken te hebben. De materiële bezittingen van de kuffir zijn door Allah slechts gecreëerd om moslims welvaart te garanderen, dus hoe durven ze ons te ontzeggen wat ons rechtmatig toekomt? De gewone moslim, die nooit grondig nagedacht heeft over de religie waarin hij geboren is, zal er zich trouwens niet van bewust zijn dat zijn houding hypocriet is; binnen zijn ideologisch kader zal hij er oprecht van overtuigd zijn dat hem onrecht wordt aangedaan in de kille Europese samenleving, waarin de arrogante kuffir niet voortdurend klaarstaat om hem op zijn wenken te bedienen. 

Het probleem is evenwel niet beperkt tot de islam, maar strekt zich in mindere of meerdere mate uit tot alle immigranten uit het arme Zuiden– uit de landen die volgens de linkse orthodoxie arm zijn gebleven door de nasleep van het Westerse imperialisme. Zij hebben, net zoals het canaille in Ferguson in de Verenigde Staten, of het ANC in Zuid-Afrika, vaak helemaal geen probleem met racisme; ze hebben alleen een probleem met racisme als het tegen henzelf gericht is, en eisen uiteindelijk gewoon het recht op om hun dominantie te vestigen over blanke Westerlingen. Of om het met het citaat te zeggen dat aan Louis Veuillot wordt toegeschreven: “Quand je suis le plus faible, je vous demande la liberté parce que tel est votre principe ; mais quand je suis le plus fort, je vous l’ôte, parce que tel est le mien.” 

Advertenties