Baltimore

door lievendebrouwere

In de Amerikaanse havenstad Baltimore zijn hevige rellen uitgebroken nadat een zwarte jongeman stierf na zijn arrestatie door de politie. Het is reeds het zoveelste incident op rij, en telkens gaat het om een zwarte die de dood vindt door blanke handen. We denken daarbij natuurlijk automatisch aan racisme en discriminatie, en we zijn verontwaardigd over het feit dat de blanken de zwarten nog altijd als tweederangsburgers of erger beschouwen. Zoals gewoonlijk geldt die verontwaardiging nooit onszelf, hoewel we toch ook tot dat blijkbaar onverbeterlijk racistische blanke ras behoren. Nee, die afschuwelijke racisten zijn altijd ‘de anderen’: een soort mensen waar wij niks mee te maken hebben, waar we een diepe afkeer voor voelen en waar we ons mijlenver boven verheven voelen. Geen moment komt het in ons op dat we die ‘racisten’ in feite precies zo behandelen als zij kleurlingen behandelen. 

Het kost nochtans niet veel denkwerk om in te zien dat het racisme van die ‘anderen’ en ons eigen antiracisme van hetzelfde allooi zijn: het zijn allebei instinctieve reacties die getuigen van een volgens moderne normen beschamend gebrek aan bewustzijn. Wat onze verontwaardiging wekt is het primitieve, animale karakter van racisme, maar die verontwaardiging is zelf een onbewuste reflex waar we niet bij nadenken. We vragen ons bijvoorbeeld niet af waarom de politie in Amerika zo hardhandig optreedt tegen zwarten. Is dat werkelijk omdat ze blank zijn en omdat blanken nu eenmaal racistisch zijn? Of zijn ze gewelddadig omdat ze voortdurend geconfronteerd worden met zwart geweld? Ook bij ons klagen kleurlingen erover dat ze voortdurend lastig gevallen worden door de politie. Maar wat was er het eerst: de agressie van de politie of de agressie van de kleurlingen? Dat is lang niet duidelijk.

Dat soort vragen stellen we ons veel te weinig, en met name degenen die ze zouden moeten stellen en die ze ook kunnen stellen – de intellectuelen – doen dat niet. Ze geven zich liever over aan hun verontwaardiging en schrijven stukken in de krant die tendentieus zijn, opruiend en onruststokend. Ze gedragen zich met andere woorden precies als de relschoppers in Baltimore. En ze doen dat omdat ze zich gerechtvaardigd voelen door de grote idealen waardoor ze bezield worden: gelijkheid, broederlijkheid, solidariteit, naastenliefde. Is dat trouwens ook niet het morele schild waarachter het zwarte geweld in Baltimore zich verbergt? Steken zij de stad niet in brand omdat ze naar gelijkheid en rechtvaardigheid streven? En realiseren ze zich niet evenmin hoe diep de kloof is tussen hun idealisme en hun animale reflexen? Ze zwelgen in hun idealen en ze zwelgen in hun primitieve driften, maar daartussenin willen ze niet gaan staan. 

Is dat niet het werkelijke probleem van zowel blank als zwart? Zien we vandaag niet overal geweld uitbreken dat gecamoufleerd wordt door grote idealen, humanistische of religieuze? En ligt de oorzaak niet vooral in dat idealisme? Want racisme is van alle tijden, het is eigen aan de lichamelijke, dierlijke aard van de mens. Het vurige idealisme dat de hedendaagse mens bezielt en dat hem overgevoelig maakt voor het minste kwaad is echter niet van alle tijden. Het is beslist geen toeval dat er in het beschaafde Europa, dat zijn dierlijke aard min of meer onder controle heeft gekregen, een explosie van beestachtig geweld plaatsvindt op het moment dat het Kali Yuga afloopt en het nieuwe Michaëltijdperk aanbreekt, en de mens dus weer in contact komt met de geestelijke wereld en de grote mensheidsidealen die daar leven. 

Aan het eind van de 19de eeuw is de Europese mens als het ware geestelijk uitgehongerd, en als de sluizen van de geest weer opengezet worden, zwelgt hij (zonder het te beseffen) in die ‘geestelijkheid’. Hij raakt in een idealistische roes die zijn bewustzijn verdooft en de tegenmachten (die eveneens geestelijk van aard zijn) de kans geven om zijn lagere, dierlijke driften te ontketenen. Sindsdien is er eigenlijk niks veranderd. De mensheid gaat in toenemende mate ‘over de drempel’, ze komt steeds meer in contact met de geestelijke wereld – dat valt eenvoudig niet tegen te houden – en die wereld blijft hem het hoofd op hol jagen. Na een uitbarsting van geweld is hij even uitgeput, maar daarna begint alles weer opnieuw: het idealisme laait weer hoog op, het bewustzijn raakt verdoofd en … de hel viert kermis.

Het grote probleem zit dus niet in onze dierlijke aard met zijn instinctieve reflexen, het zit in ons bewustzijn dat overspoeld wordt door geest en daar dronken van wordt. We zijn allemaal in meer of mindere mate ‘stoned’ en we beseffen het niet. Integendeel, we voelen ons zeer bij de pinken. Onze voorouders, ja DIE lieten zich het hoofd op hol jagen door religieuze denkbeelden! Maar WIJ, wij zijn zo nuchter als maar kan, wij zien de werkelijkheid zoals ze is. Je hoeft echter maar eens in discussie te gaan met zo’n nuchtere materialist om te weten dat je een fanatieke gelovige voor je hebt die voor geen rede vatbaar is. Hij is volkomen ‘high’ van Ahriman, zoals anderen – vooral moslims tegenwoordig – een luciferische ‘trip’ maken. En allebei zijn ze hevig verontwaardigd over het ‘racisme’ van de ander. Dat is het spelletje dat Lucifer en Ahriman met de moderne mens spelen: ze zuigen hem in hun actie-reactiepatroon en ze zuigen hem steeds dieper naar beneden. 

De enige manier om aan die vicieuze cirkel te ontsnappen, is door er ons bewust van te worden. We moeten ons bewust worden van ons idealisme, want zoals het vandaag is – instinctief, reflexmatig – IS het ons idealisme (nog) niet. Het is het idealisme van de tegenmachten: het spirituele idealisme van Lucifer, het aardse idealisme van Ahriman. Tot pakweg 1900 bleven die twee vormen van idealisme tamelijk gescheiden, maar sinds de eeuwwisseling bundelen ze in toenemende mate hun krachten en proberen ze het bewustzijn van de mens eronder te krijgen. Ons oude bewustzijn is niet opgewassen tegen deze geallieerde tegenkrachten, en dus moeten we het versterken. Dat doen we door tegenover ons idealisme te gaan staan, want zoals Rudolf Steiner zegt: wie niet tegenover de idee kan gaan staan, wordt erdoor geknecht. En dat is precies wat vandaag gebeurt: we worden tot slaven van onze idealen, van onze geestelijke ideeën. Zonder dat we het beseffen, gooien ze ons heen en weer, tot we helemaal verdoofd zijn, tot we niet meer weten wat we doen.

Tegen die verdoving moeten we ons verzetten als we niet gereduceerd willen worden tot intelligente roofdieren, tot wolven in een schaapsvel die elkaar opvreten in de overtuiging dat ze door de hoogste idealen bezield worden. En tegen die verdierlijking verzetten we ons door er ons bewust van te worden, door te zien hoe instinctief en reflexmatig ons gedrag is geworden, ook – en vooral – wanneer we door de schitterendste idealen bezield worden. We moeten ons dus niet verzetten tegen het racisme en evenmin tegen het antiracisme, we moeten ons alleen bewust worden van de kettingreactie die ze veroorzaken, van de vicieuze cirkel waarin ze ons opsluiten. We moeten dus kijken naar het geweld van de politie in Baltimore én naar het geweld van de zwarten. We moeten kijken naar het racisme én we moeten kijken naar het antiracisme. We moeten tegenover die dualiteit gaan staan in plaats van erin gezogen te worden. Maar we mogen er ons ook niet van losmaken, want dan komen we in een andere dualiteit terecht. 

We moeten met andere woorden een driehoeksverhouding creëren, en dat doen we door bewust en vrijwillig heen en weer te bewegen tussen de tegenpolen, dat wil zeggen tussen Lucifer en Ahriman, tussen ons aardse (materialistische) idealisme en ons hemelse (spirituele of religieuze) idealisme. We zijn immers nog niet in staat om tegenover beide te gaan staan, tenzij misschien in gedachten. Maar dat louter intellectuele bewustzijn heeft geen kracht, het is niet bestand tegen de zuigkracht van Lucifer en Ahriman. Het moet die kracht ontwikkelen door zich bloot te stellen aan die zuigkracht, zonder er evenwel door verdoofd te worden. En dat is alleen mogelijk door beide krachten voortdurend af te wisselen zoals een … kunstenaar dat doet. Want een kunstenaar pendelt voortdurend tussen het ideaal dat hem voor ogen staat en de realiteit van de materie waarmee hij werkt. Als hij bijvoorbeeld een portret tekent, slaat hij honderden malen de ogen op en neer. Ontelbare keren verplaatst hij de aandacht van zijn model naar zijn blad papier, in één ononderbroken ritmische beweging. 

Het nieuwe – of beter gezegd versterkte – bewustzijn dat we moeten ontwikkelen om bestand te zijn tegen het idealisme dat de opdringende geestelijke wereld in ons veroorzaakt, is een kunstzinnig bewustzijn. Het is een bewustzijn zoals de kunstenaar dat tot uitdrukking brengt in zijn artistieke handelen, in de manier waarop hij ‘instinctief’ te werk gaat. Het is tegelijk ook een bewustwording van de (eveneens instinctieve) manier waarop we naar kunst kijken, want die is een spiegelbeeld van de manier waarop de kunstenaar tewerk gaat. Het bewustzijn dat we nodig hebben om opgewassen te zijn tegen de (nieuwe) werkelijkheid waarin we leven, is in de kunst reeds aanwezig als een Schone Slaapster. Het moet alleen nog wakker worden gemaakt, en dat is geen sinecure. Het vereist liefde en moed. Het vergt een totale ‘michaëlische’ inzet. 

Dat zijn natuurlijk allemaal abstracte woorden die wel heel bleek afsteken bij het brandende geweld in Baltimore. Maar tussen alle artikels verscheen in de krant ook een reactie van David Simon. Volgens hem kan er iets goeds komen uit de spanningen die momenteel heersen, maar dan moet het geweld eerst ophouden: If you can’t seek redress and demand reform without a brick in your hand, you risk losing this moment for all of us in Baltimore. Turn around. Go home. Please. David Simon is de geestelijke vader van ‘The Wire’, de beroemde televisiereeks die zich in Baltimore afspeelt. Deze onvolprezen tv-serie is een schitterend voorbeeld van het soort bewustzijn dat we in onze tijd nodig hebben. 

In de media is deze serie vaak beschreven als keihard, ruig en ongenadig realistisch, en dat is ze ook. Ze toont op nietsontziende wijze hoe het er in Baltimore aan toegaat, op alle niveaus, van de simpelste drugsdealer tot de burgemeester van de stad. Dit is nu eens werkelijk ‘maatschappijkritische’ kunst, veel meer dan alle ‘hedendaagse’ kunst samen. Ze hangt een ontluisterend beeld op van de samenleving in Baltimore. Maar ondanks dat harde realisme is The Wire in de eerste plaats een weergaloos kunstwerk, van een in onze tijd zelden geziene schoonheid en menselijkheid. Het is gemaakt door iemand die houdt van Baltimore en zijn inwoners, en juist het feit dat hij zijn ogen niet sluit voor het kwaad dat er in overvloedige mate aanwezig is, maakt zijn liefde zo sterk en intens. David Simon blijft niet aan de buitenkant staan maar kijkt achter de schermen en ziet daar egoïsme, corruptie en misdadigheid in alle geledingen van de maatschappij. Maar hoe dieper hij doordringt in al die duisternis, des te helderder gaat zijn innerlijke licht schijnen. Zijn liefde voor de mens lijkt alleen maar groter te worden naarmate hij diens duistere kanten leert zien. En dat is precies het soort bewustzijn dat we nodig hebben. 

Ik twijfel er niet aan dat de werkelijkheid in Baltimore nog veel rauwer is dan David Simon ze voorstelt. Maar hij is zo diep in die werkelijkheid doorgedrongen als zijn kunstzinnige vermogens dat toelieten. Toen hij The Wire schiep, wilde hij in de eerste plaats een kunstwerk afleveren. Al de rest was daaraan ondergeschikt en zo hoort het ook. Kunst mag op geen enkele manier ondergeschikt worden aan welk ideaal dan ook. In de kunst is er slechts één ideaal: de kunst zelf. Het is een driegeleed ideaal dat voortdurend de gulden middenweg zoekt tussen de tegenpolen, dat er afwisselend afstand van neemt en er zich mee verbindt, en daarom altijd in wording, in verwezenlijking is. Het feit dat een kunstwerk als The Wire – het grootste dat de 21ste eeuw tot dusver opgeleverd heeft – überhaupt ontstaan is, moet ons hoop geven en de weg wijzen. Het is een lichtend voorbeeld van hoe we het bewustzijn kunnen ontwikkelen dat we zo nodig hebben, een kunstzinnig bewustzijn, een bewustzijn dat alles wat het doet tot kunst probeert te verheffen en alles daaraan ondergeschikt maakt, zowel zijn laagste driften als zijn hoogste idealen. 

  

Advertenties