Niet mijn wil, maar uw wil

door lievendebrouwere

Het Europese Hof van Justitie heeft onlangs beslist dat de lidstaten het recht hebben om homosexuelen uit te sluiten als bloeddonor (als tenminste aan bepaalde voorwaarden is voldaan). Deze beslissing kwam er nadat een homosexuele man klacht had ingediend omdat hij zich gediscrimineerd voelde door die uitsluiting. In Nederland werd alvast beslist homosexuelen NIET langer uit te sluiten van bloeddonatie, ongetwijfeld ook onder druk van de homo-gemeenschap. Deze rechtspraak is een fraai voorbeeld van de ontsporing van het hele antidiscriminatiestreven. Zoals antiracisme een vorm van racisme is geworden, zo is antidiscriminatie een vorm van discriminatie geworden. Door de bloedgevende homo’s niet te willen discrimineren, worden de bloedontvangende hetero’s gediscrimineerd, want zij lopen het risico geïnfecteerd te worden met besmet bloed. 

Men kan nu wel zeggen dat het risico op infectie heel klein is geworden als gevolg van geavanceerde detectietechnieken, maar weegt de emotionele gekwetstheid van homo’s (omdat ze geen bloed mogen geven) dan op tegen de fysieke gekwetstheid van zelfs maar één iemand die per ongeluk geïnfecteerd raakt door donorbloed? Wat moet ik mij trouwens voorstellen bij dat ‘recht om bloed te geven’? Als ik mensen wil helpen en ze zeggen ‘nee, dank je’, ga ik dan klacht indienen omdat ik gediscrimineerd word? Ga ik die mensen dan verplichten om door mij geholpen te worden – lees mijn bloed te aanvaarden – omdat ik het recht heb hen te helpen? 

Er wordt vandaag luid geprotesteerd tegen sexueel geweld, maar ik zie eerlijk gezegd niet veel verschil tussen een verkrachting en ‘het recht om bloed te geven’. Tenslotte wil een verkrachter ook niets anders dan zijn zaad ‘doneren’. Uiteraard doet hij dat niet uit menslievendheid maar omwille van het genot dat hij daaraan beleeft. Er lopen op deze wereld heel wat mensen rond – mannen én vrouwen – die per se anderen willen helpen en die zich beledigd voelen als die anderen niet (door hen) geholpen willen worden. Hun gekwetstheid wijst er juist op dat hun motieven egoïstisch waren, dat ze andere mensen alleen maar wilden helpen om er genot aan te beleven. 

Ik zie ‘het recht om bloed te geven’ dat homo’s nu voor zich opeisen, dan ook als een vorm van verkrachting. Ik kan me levendig voorstellen dat mensen geen bloed van homo’s in hun lichaam willen, maar daar willen homo’s (althans sommige, ik wil ze niet allemaal over één kam scheren) geen rekening mee houden. Ze willen die mensen dwingen om hun bloed te accepteren. Je zou zelfs zover kunnen gaan te zeggen dat ze per se hun bloed willen verspreiden. Daarachter zit natuurlijk het streven om de mensheid duidelijk te maken dat homosexualiteit geen ziekte of afwijking is, maar iets volkomen natuurlijks en normaals. Als men die overtuiging echter aan anderen op wil dringen, dan rijst het vermoeden dat achter die overtuiging grote onzekerheid schuilt. Wie een ander kost wat kost wil overtuigen, is niet zeker van zijn zaak. Hij heeft de bevestiging van anderen nodig om zich zeker te voelen. 

Je zou ook nog kunnen zeggen dat deze bekeringsijver een uitdrukking is van het recht op leven. Want er zijn nog altijd mensen die vinden dat holebi’s geen recht van bestaan hebben en dat ze van de daken van de huizen moeten gegooid worden. De vraag is echter of men dat recht van bestaan kan afdwingen door mensen ervan te overtuigen dat er geen verschil is tussen homosexualiteit en heterosexualiteit. Veronderstelt verdraagzaamheid en naastenliefde niet juist het aanvaarden van het anders-zijn? En veronderstelt die aanvaarding op zijn beurt niet de overtuiging dat mensen in wezen gelijk zijn? 

Daarmee bereiken we, denk ik, de grond van de zaak: mensen zijn in wezen gelijk, en dat ‘wezen’ is geestelijk van aard: het staat boven alle lichamelijke of psychische verschillen. Het is voor een hetero dus perfect mogelijk om een homo als zijn gelijke te zien zonder daarom heterosexualiteit en homosexualiteit als gelijken te zien. Daarvoor moet hij natuurlijk wel onderscheid kunnen maken tussen lichaam en geest. Hij moet met andere woorden de geest of het Ik van de mens kunnen onderscheiden. 

Maar de moderne mens wordt vandaag voortdurend voorgehouden dat de geest niet bestaat, dat de mens geen Ik heeft. Enerzijds heeft dat tot gevolg dat de mens geen moeite meer doet om dat Ik te onderscheiden en dat onderscheidingsvermogen dan ook verliest. Anderzijds heeft het tot gevolg dat hij de gelijkheid tussen mensen steeds meer gaat zoeken op het fysieke vlak, en ervan overtuigd raakt dat homo’s en hetero’s alleen maar als gelijken kunnen beschouwd worden als homosexualiteit en heterosexualiteit als gelijkwaardig beschouwd worden. 

De zaken worden dus omgekeerd: wat op geestelijk vlak moet gezocht worden, wordt op lichamelijk vlak gezocht. En dat resulteert onvermijdelijk in geweld. 

Het opeisen van ‘het recht om bloed te geven’ is in wezen uitdrukking van een geestelijk streven: het Ik van de moderne mens streeft naar de (h)erkenning van andere Ikken. Het streeft naar dat grote geestelijke geheel waarvan alle afzonderlijke Ikken deel uitmaken: het ‘lichaam van Christus’. Maar doordat dit geestelijke streven botst op de materialistische overtuiging dat zo’n geestelijk lichaam helemaal niet bestaat, wordt het afgebogen naar het fysieke lichaam. Dat wordt in zekere zin ‘heilig’ verklaard. En samen met dat lichaam wordt ook het bloed heilig verklaard: het wordt beschouwd als de drager van het Ik, en het afwijzen van dat bloed wordt aangevoeld als een afwijzen van het eigen diepste wezen. 

Een en ander illustreert hoe diep het geestelijk streven van de mens tegenwoordig vervlochten is met het materialisme en hoe moeilijk het is die twee uit elkaar te houden. Want we weten uit de antroposofie dat het bloed inderdaad de (fysieke) drager is van het Ik. Blut ist ein ganz besondrer Saft, zoals Goethe het uitdrukt. Men kan zich dus voorstellen dat er in de homo-gemeenschap een soort aanvoelen bestaat van deze bijzondere aard van het bloed, een aanvoelen dat voortkomt uit een reëel contact met de geest. Dat contact geeft een mens altijd een enorme drive, een soort ‘geloof dat bergen kan verzetten’ en juist die geestelijke gedrevenheid leidt tot kwalijke gevolgen wanneer ze vermengd wordt met materialisme. 

Men hoeft daarbij maar te denken aan het sexuele geweld, niet alleen tegen vrouwen maar ook tegen kinderen. Het is bekend dat pedofielen, of beter gezegd pedosexuelen, onverbeterlijk zijn. Ze voelen zich vervuld van een ‘hogere’ liefde die gewone stervelingen niet kunnen begrijpen. De afkeer die ze oproepen en de straffen die ze ondergaan, ervaren als een soort kruisweg, een plaatsvervangend lijden dat onvermijdelijk is voor mensen die hun tijd vooruit zijn en uitstijgen boven de kleinzieligheid van hun tijdgenoten. 

Datzelfde fenomeen nemen we ook waar bij de politieke correctheid, bij hedendaagse kunstenaars, bij de jihadi’s van IS. Al die mensen zijn gegrepen door de geest en worden bezield door de grootste idealen, maar hun ‘helderziendheid’ wordt onbewust vermengd met materialisme en resulteert in alle mogelijke vormen van fysiek en mentaal geweld. De afkeer die dit geweld oproept, ervaren ze als een bevestiging van hun uitverkoren-zijn en het versterkt alleen maar hun geloof-dat-bergen-kan-verzetten. Het brengt hen tot steeds ergere vormen van geweld, die hen stap voor stap inwijden in het kwaad. 

Zo doemt de grote tragedie van onze tijd op: de wederkomst van Christus wekt in talloze mensen een vurig idealisme, een intens verlangen van en naar de geest dat echter niet onderkend wordt en daardoor vermengd raakt met de meest egoïstische materiële verlangens. In plaats dat menselijke Ikken elkaar vinden en (h)erkennen in het lichaam van Christus, sluiten de ego’s zich aaneen tot het lichaam van de Antichrist. 

Die zaken vinden vandaag onder onze ogen plaats, maar we zien ze niet omdat we in de greep zitten van Ahriman die ons bewustzijn vastklinkt aan de materiële, zintuiglijke wereld en ons blind maakt voor de geest. Maar in al die materialistische duisternis schijnt één helder lichtpuntje: ons gezond verstand, de poolster van ons bewustzijn. We hoeven niet helderziend te zijn of antroposofie gestudeerd te hebben om bijvoorbeeld te begrijpen dat het ‘recht op bloedgeven’ dat de homo-gemeenschap vandaag opeist klinkklare onzin is. Het volstaat om daar even nuchter over na te denken om in te zien dat het vermomd egoïsme is. Hetzelfde geldt trouwens voor het ‘recht op kinderen’ dat diezelfde homo’s opeisen. Denken zij ook aan de rechten VAN die kinderen – bijvoorbeeld het recht op een vader en een moeder – of denken ze alleen aan hun eigen behoefte aan kinderen? Doen zij onderzoek naar de mening en de ervaringen van kinderen die door homo-koppels zijn opgevoed? Of zijn die ondergeschikt aan HUN rechten?

Dat zijn allemaal eenvoudige, voor de hand liggende vragen die iedereen met wat gezond verstand kan beantwoorden. Maar dat gebeurt dus niet. Ons gezonde verstand wordt op grote schaal overspoeld door ‘de geest’ in de vorm van de schitterendste christelijke idealen: naastenliefde, verdraagzaamheid, gelijkheid, broederlijkheid, enzovoort. Het is dus onmiskenbaar de wedergekomen Christus die in ons leeft en werkt. Maar hoe consequent hij ons de vrijheid gunt, blijkt uit het feit dat hij ons zijn krachten laat gebruiken om geweld uit te oefenen. In feite zegt Christus tegen ons: niet mijn wil maar uw wil geschiede. Zoals de zon schijnt over alle mensen, zo schenkt Christus ons zijn krachten: zonder er enige voorwaarde aan te verbinden. We doen ermee wat we willen. Gebruiken we ze om moord en brand te stichten en anderen te bestrijden als waren ze het vleesgeworden kwaad: het zij zo. Christus legt ons geen strobreed in de weg, hij vertrouwt erop dat we vroeg of laat tot rede zullen komen en zijn ware aard erkennen. 

We kunnen dat nu reeds doen, door ons gezonde verstand te gebruiken, want dat is van dezelfde aard als hij. Het is een piepklein zonnetje dat in ons leeft en dat dankzij de onophoudelijke toevoer van Christuskrachten, kan uitgroeien tot een grote stralende zon. Als wij dat tenminste willen. Maar voordat die Christus-zon in ons kan gaan schijnen, moet er natuurlijk heel veel duisternis overwonnen worden. Het helpt echter wel als we inzien dat veel van die duisternis eigenlijk ‘omgekeerd licht’ is: Christuslicht dat omgebogen werd in de materie. Het geweld dat homo’s bijvoorbeeld plegen – en dat in wezen van dezelfde aard is als heel veel ander geweld dat vandaag gepleegd wordt – is in wezen een onbegrepen streven naar de geest, een streven naar Christus. Dat kunnen we zonder al te veel moeite begrijpen. De liefde voor Christus – die de liefde is voor de mens – begint met de liefde voor ons gezond verstand. Als ze elders begint, is het eigenliefde. 
  

Advertenties