De verscheurde kunst

door lievendebrouwere

Eergisteren heb ik voor het eerst sinds lang nog eens deelgenomen aan een antroposofische activiteit: Mieke Mosmuller kwam in Burcht (bij Antwerpen) spreken over kunst en antroposofie. Een lezer had me daar attent op gemaakt en tegelijk vervoer aangeboden, dus dat kon ik moeilijk weigeren. Het gebeurt niet elke dag dat er rond dit onderwerp een bijeenkomst plaatsvindt. De laatste keer dat ik er een bijwoonde, moet zo’n 25 jaar geleden zijn, toen er (in Antwerpen) een weekend rond Joseph Beuys werd georganiseerd. Het was zonder veel enthousiasme dat ik daaraan deelnam, want ik had al zo’n vermoeden waar het zou op uitdraaien. Ik zat er tussen allemaal Beuysfans die niet begrepen waarom ik zo negatief stond tegenover Joseph Beuys. Dat was overigens volkomen wederzijds: ik begreep ook niet hoe mensen zo positief konden staan tegenover dingen die me ziek maakten. Het was alsof we in twee verschillende werelden leefden.

In Burcht verwachtte ik eenzelfde scenario en daar vergiste ik me (opnieuw) niet in. Alleen lagen de zaken nu omgekeerd. Het ging namelijk niet over Joseph Beuys, maar over Goethe, Novalis, Wagner, Rafaël, Fra Angelico en Michelangelo. Voor mij niet gelaten natuurlijk: als ik moet kiezen tussen de Klassieke Kunst en de Hedendaagse kunst, dan twijfel ik geen moment. Maar wat me stoorde en wat ik (net als 25 jaar geleden) niet begreep, is hoe mensen de enorme kloof die er tussen die twee ‘soorten’ kunst gaapt, kunnen negeren. Ik snap niet hoe je vandaag over kunst kunt spreken en doen alsof er niks aan de hand is. Want daar komt het toch op neer: men spreekt over de Klassieke kunst en men spreekt over de Hedendaagse kunst, maar over de schreeuwende tegenstelling tussen beide wordt zedig gezwegen. Hoort men dat schreeuwen dan niet? 

Mieke Mosmuller ging uit van Rudolf Steiners voordracht over Goethe als vader van een nieuwe esthetica. De enige conclusie die je uit die voordracht kunt trekken, is dat we op cultureel en kunstzinnig gebied het verkeerde spoor volgen. Maar daar ging ze niet dieper op in. Ze sprak onbekommerd over de ‘ware’ kunst. De rest bestond volgens haar uit afsplitsingen en aftakkingen van de rechte weg: ze droegen wel iets waars in zich maar vormden toch een doodlopend spoor. Meer zei ze daar niet over. Waar de rechte weg precies liep en waar de afdwalingen begonnen, was helemaal niet duidelijk. Ik benijdde haar om de rustige zekerheid waarmee ze de ‘rechte weg’ bewandelde en zich niet liet afleiden door zijsporen. Maar bij dat alles kwam ze qua ‘ware kunst’ toch niet verder dan het eind van de 19de eeuw, met als enige 20ste eeuwse uitschieter het Goetheanum in Dornach. 

Ik had haar kunnen vragen: waar loopt de ‘rechte weg’ in 20ste eeuw? Loopt hij alleen nog door de antroposofische wereld? Is de enige ware hedendaagse kunst dan werkelijk de euritmie? Die vragen heb ik echter niet gesteld omdat ik het gezellige samenzijn niet wilde verstoren. Van de ene vraag zou namelijk de andere gekomen zijn. Zo vond Rudolf Steiner bijvoorbeeld dat ieder ontwikkeld mens als vanzelfsprekend belang moest stellen in de kunst van zijn (eigen) tijd, iets waar ik het volkomen mee eens ben. Maar betekent dat dan dat hij zich moet interesseren voor de pispotten van Marcel Duchamp en de getatoeëerde varkens van Wim Delvoye? Of moet hij zich beperken tot de euritmie en andere vormen van ‘antroposofische kunst’? Maar hoe maak je dan onderscheid tussen ‘antroposofische kunst’ en ‘hedendaagse kunst’? Want die twee zijn soms moeilijk van elkaar te onderscheiden. 

Mieke Mosmuller vertelde dat de esthetica een relatief nieuwe wetenschap is. Het hoort namelijk bij het tijdperk van de bewustzijnsziel dat de mens zich gaat afvragen: wat is kunst eigenlijk? Die vraag kwam vroeger niet bij de mens op. Vandaag kan hij ze niet ontwijken.  Als hij tegenover nieuwe kunst komt te staan, rijst onvermijdelijk de vraag: is dit werkelijk kunst? En zo ja: wat is dan het verband met de oude kunst? Of moeten we die helemaal vergeten? Het is duidelijk dat we sinds de pispot van Marcel Duchamp in een totaal andere kunstwereld terecht zijn gekomen. Bewust of onbewust is dat de fundamentele ervaring van de moderne kunstliefhebber, en zelfs van de moderne mens tout court: ik zie twee totaal verschillende werelden naast elkaar staan – een oude en een nieuwe – en ik weet niet hoe ik ze met elkaar moet verbinden of tussen beide een keuze moet maken. De moderne mens voelt zich op artistiek gebied met andere woorden ‘verscheurd’, en wellicht is dat een gevolg van het bewustzijnszieletijdperk. Maar hoort het ook bij de bewustzijnsziel dat ze die verscheurdheid moet negeren, dat ze er geen vragen mag over stellen, dat ze moet doen alsof er niets aan de hand is?

Ik hoor in antroposofische kring steeds weer verkondigen dat de kunst van onze tijd een bewuste kunst moet zijn en dat die bewustwording juist het kenmerk is van de moderne kunst. Maar niemand kan mij vertellen wat dat dan precies is: bewuste kunst. Het wordt mij ook niet in dank afgenomen als ik daarnaar vraag. Ja, het wordt als onwelvoeglijk beschouwd om kritische vragen te stellen over kunst. Als er bij wijze van kunst een hoop afval in het Goetheanum wordt uitgestort, dan mag ik daar geen opmerkingen over maken. Ik moet eerbiedig het hoofd buigen en zwijgen. Doe ik dat niet, dan hoor ik er niet meer bij, dan praat men niet meer met mij. Hoe ik dat allemaal moet rijmen met het bewustzijnszieletijdperk is mij een raadsel. 

Tijdens de workshop met Mieke Mosmuller in Burcht was er ook euritmie. Ik zit daar doorgaans met gekrulde tenen naar te kijken (en vermijd het dan ook zoveel mogelijk) maar dit keer viel het mee. Hoewel het vreemd bleef, zag ik toch dat de jonge vrouw haar vak verstond en ik heb altijd respect voor mensen die iets kunnen. Maar na afloop viel er een diepe stilte die wel een halve minuut aanhield, alsof God himself net voorbij was gewandeld. En die stilte werd niet veroorzaakt door de euritmie zelf, ze werd van buitenaf opgelegd. Het was dezelfde stilte die je ook kunt beluisteren wanneer mensen eerbiedig staan te kijken naar een pispot of een hoop bananenschillen. Maar hoe kun je van eerbied spreken als het je niet uitmaakt waarnaar je kijkt, als je geen onderscheid maakt tussen euritmie en bananenschillen, als je niet vrij bent? 

Er werd in Burcht wel over kunst gesproken, maar er werd niet vanuit kunst gesproken. En vanuit kunst spreken, betekent vandaag: spreken vanuit de verscheurdheid van de kunst, vanuit de kwellende problematiek dat er een diepe kloof gaapt tussen kunstliefhebbers. Er zijn namelijk mensen die enthousiast worden over kunstwerken die anderen misselijk maken, en tussen die twee groepen is geen gesprek mogelijk. Er vindt in de kunst een scheiding der geesten plaats, een scheiding van mensen die allebei denken dat ze de rechte weg bewandelen en de ware kunst volgen. Hun wegen gaan steeds verder uiteen en de vraag is of ze ooit nog samen kunnen komen. Hoe kan de kloof tussen beide ooit overbrugd worden als niemand die kloof wil zien, als er zelfs geen vragen mogen over gesteld worden? Dat is de vraag die ik me stel en blijf stellen. 

Advertenties