Het kruis van onze tijd

door lievendebrouwere


De vereniging met de geest bewerkt ten slotte de gelijkheid. Vóór de totstandkoming van deze gelijkheid is er echter een onderscheid, en dat feit bevat een diep geheim van de menselijke natuur. Het is voor iedere occulte wetenschap van groot belang dit geheim te kennen, want het is de sleutel tot belangrijke levensraadsels. (Rudolf Steiner)

In de krant lees ik een artikel waarin enkele holebi-verenigingen verklaren ‘trots te zijn op hun medeburgers’. Aanleiding voor die verklaring was de bijzonder lage opkomst voor de betoging van Pro Familia (een katholieke vereniging die het klassieke gezin verdedigt) en de bijzonder hoge opkomst voor de Belgian Pride enkele dagen voordien (80.000 deelnemers). De holebi’s – of hun organisaties (dat onderscheid wil ik altijd maken) – zijn trots op hun medeburgers omdat deze zo overduidelijk partij kiezen voor hen. Je zou dus kunnen denken dat de holebi’s in dit land niks te klagen hebben, maar dat is verkeerd gedacht. Toen enkelen onder hen ‘een kijkje gingen nemen’ bij de betoging van Pro Familia werden ze door de politie aangemaand ‘zich niet provocatief te gedragen’. En dat vinden de verenigingen ‘een bittere pil om te slikken’ want ‘nog altijd ontlokken kussende holebi’s vreemde blikken die hen eraan herinneren dat ze er niet bijhoren en niet dezelfde mate van respect genieten als hun medeburgers’. 

Dezelfde mate van respect als hun medeburgers: dat is wat de holebi’s willen. Tenminste, dat beweren ze. Maar ik denk daar het mijne van. Neem nu dat woordje ‘trots’. Mocht ikzelf tot een onderdrukte minderheid behoren dan zou het nooit in me opkomen trots te zijn op mijn onderdrukker als hij ophield met onderdrukken. Ik zou blij zijn, en opgelucht, en misschien vergevingsgezind. Maar trots? Uit dat woordje spreekt zoveel paternalisme dat het alleen uit meerderwaardigheidsgevoel ontstaan kan zijn. Ik herken dat superioriteitsgevoel ook in de holebi-strijd om gelijke rechten, die in werkelijkheid een strijd is om ongelijke rechten. Door bijvoorbeeld bloed te willen doneren, eisen holebi’s méér rechten dan anderen, want niemand heeft het recht om andermans gezondheid in gevaar te brengen. 

Ook het provocerende gedrag van holebi’s getuigt niet van veel respect voor hun medeburgers. Toen ze ‘een kijkje kwamen nemen’ bij de betoging van Pro Familia werden ze aangemaand om niet te provoceren, wat erop wijst dat ze reeds aan het provoceren waren, anders had de politie hen niet eens als holebi’s herkend. Provoceren doen ze ook tijdens de jaarlijkse Gay Parades (nu Belgian Pride). Er wordt tijdens die optochten totaal geen rekening gehouden met de opvattingen van anderen. Wel integendeel, ze worden op ostentatieve manier uitgedaagd. Ik denk dan vooral aan de moslimbevolking, voor wie deze Gay Parades een slag in het gezicht moeten zijn. Maar blijkbaar gunt men holebi’s het recht om moslims te beledigen, een recht dat anderen met klem ontzegd wordt. Ik vind het trouwens merkwaardig dat moslimverenigingen niet massaal protesteren tegen deze Gay Parades, die in hun ogen toch alles vertegenwoordigen wat ze verafschuwen. Zou dat misschien komen doordat moslims (of hun verenigingen) hetzelfde provocerende gedrag vertonen, behept zijn met hetzelfde superioriteitsgevoel, eveneens méér rechten eisen dan anderen en hun eigen waarden en normen willen opdringen?

In Brussel werd onlangs een beurs georganiseerd waar homo’s ongestoord … kinderen konden kopen. Vrouwen stelden er hun baarmoeder ter beschikking tegen betaling van 77.000 tot 170.000 euro. Ik herinner me nog dat er enkele jaren geleden een groot schandaal annex proces was toen een kinderloos (hetero)koppel een kindje besteld had bij een ander koppel. De hele zaak werd breed uitgemeten in de media en voor- en tegenstanders kwamen aan het woord. Van dat alles was echter niets te merken nu dit soort kinderhandel op grote schaal werd georganiseerd door Men Having Babies, een overkoepelende homovereniging. Er klonken een paar afkeurende stemmen, maar daar bleef het bij. Geen luide protesten, geen klachten, geen proces, geen betogingen. Enkele Belgische holebi-verenigingen keurden het initiatief weliswaar af, maar dat deden ze niet om principiële redenen. Nee, ze vonden de zaak alleen ‘te commercieel’.

Het wordt blijkbaar normaal gevonden dat holebi’s meer rechten hebben dan hetero’s. Deze mentaliteitswijziging, die in feite een radicale omkering is – holebi’s zijn niet langer minderwaardig maar meerderwaardig – wordt ons in hoge mate van bovenaf opgedrongen. Want de gewone bevolking werpt nog altijd ‘vreemde blikken’ als twee holebi’s elkaar kussen of op andere manieren uiting geven aan hun sexuele geaardheid. Ze is bereid om hen te aanvaarden, maar niet om hen als superieure wezens te beschouwen. De vraag is dan ook wat er achter deze gedwongen ‘omkering’ zit. Of wie. En dan kom ik als vanzelf uit bij Lucifer. Het provoceren, het exhibitionisme, de exclusiviteit, het superioriteitsgevoel: het zijn allemaal luciferische eigenschappen

In de homosexualiteit, die aan het begin staat van de hele genderevolutie, herkennen we zonder veel moeite het luciferische op-zichzelf-gericht-zijn, het zich afkeren van de ander, in casu het andere geslacht. In het transgenderisme herkennen we dan weer een ander aspect van het luciferische: er zijn namelijk veel meer mannen (ongeveer drie keer zoveel) die vrouw willen worden dan omgekeerd – Lucifer is uitgesproken vrouwelijk. En in het afwijzen van de geslachtelijkheid op zich – het voorlopige eindpunt in de genderevolutie – herkennen we het ‘geestelijke’ streven van Lucifer: hij wil niet weten van de fysieke, materiële werkelijkheid met zijn scheiding der geslachten. Egocentrisme, vervrouwelijking en ascetisme: het zijn allemaal deelapecten van Lucifer die samengevat kunnen worden als het streven om de mens in zijn oorspronkelijke ongedeelde vorm te herstellen. Lucifer wil terug naar het verleden, naar de eenheid van de geest, naar het paradijs

Maar de holebi- en transgenderbeweging is ook ahrimanisch van aard. Het spirituele streven van Lucifer wordt in de materie geprojecteerd. Het volstaat niet dat mannen zich vrouwelijk gaan gedragen of kleden, ze laten zich – dankzij het technische vernuft van Ahriman – lichamelijk ‘ombouwen’. En ook het ideaal om ‘geslachtloos als de engelen’ door het leven te gaan, wordt niet nagestreefd door middel van spirituele oefeningen maar door middel van lichaamsverminkende operaties. Zoals Lucifer de mens doet verlangen naar het verleden (toen de mens nog een geslachtsloze geest was), zo doet Ahriman de mens verlangen naar de toekomst (wanneer de mens opnieuw een geslachtsloze geest zal zijn). Beide tegenmachten slaan de handen in elkaar om het heden – waarin de geest zich verbindt met een mannelijk of vrouwelijk lichaam – uit te wissen

Het gaat er natuurlijk niet om holebi’s en transgenders met de vinger te wijzen (of op te hemelen), maar om te begrijpen waarom de weerzin tegen de scheiding der geslachten vandaag zo sterk is dat ze zich tot in het fysieke uitdrukt. Een begin van verklaring vinden we in het feit dat voor het eerst in de geschiedenis mannen en vrouwen als gelijken tegenover elkaar. In het verleden overheerste steeds één van beide geslachten, maar vandaag is er (althans in de moderne wereld) een evenwicht ontstaan en dat creëert hoog oplopende spanningen. Die spanningen kunnen model staan voor de onverzoenlijke tegenstellingen die zich vandaag op ieder gebied manifesteren: tussen links en rechts, tussen klassiek en hedendaags, tussen rijk en arm, tussen christendom en islam, tussen joden en palestijnen, tussen soennieten en sjiieten, tussen allochtonen en autochtonen, tussen Vlamingen en Walen, enzovoort. Al deze tegenpolen hebben één ding gemeen: ze kunnen niet met elkaar leven, maar ze kunnen ook niet zonder elkaar leven. Hoe groter de tegenstelling, hoe groter ook het streven naar eenwording. Dat leidt onvermijdelijk tot geweld: men zoekt de eenheid niet meer in overleg, compromis of samenwerking, maar in het vernietigen van de tegenstelling, dat wil zeggen van de tegenpartij.

Op politiek vlak herkennen we dat heel duidelijk in de strijd tussen links en rechts. Deze tegenstelling is niets anders dan de scheiding der geslachten geprojecteerd in het politieke vlak: links is onmiskenbaar vrouwelijk en rechts is onmiskenbaar mannelijk. Maar zo wordt dat niet (langer) begrepen. Links en rechts worden in toenemende mate beschouwd als goed en kwaad, waarbij het natuurlijk van het eigen standpunt afhangt wat goed is en wat kwaad. Het komt er in ieder geval op neer dat het goede – bijvoorbeeld een betere wereld – alleen bereikt kan worden door het kwaad (de tegenpartij) uit te schakelen. Een tegenstelling die zich in het fysieke vlak situeert, wordt dus gezien als een morele tegenstelling, een tegenstelling op geestelijk vlak dus. En uiteindelijk is het deze vermenging of verwisseling van twee niveaus – het materiële en het geestelijke – die tot het uitzichtloze en nietsontziende geweld leidt dat onze tijd op alle gebieden teistert

De oorzaak van deze verwarring valt niet ver te zoeken: het materialisme belet ons om onderscheid te maken tussen materie en geest. De geest bestaat niet en dus worden oplossingen en verklaringen enkel in het materiële vlak gezocht. Die oplossingen en verklaringen gelden problemen en raadsels die eigenlijk in één zin kunnen samengevat worden: we bevinden ons op het keerpunt der tijden. De tijd waarin we leven valt precies in het midden van de mensheidsgeschiedenis. En dat betekent dat we bloot staan aan alle mogelijke tegengestelde krachten die elkaar in dit middelpunt ontmoeten. Ik had het al over man(nelijk) en vrouw(elijk) die voor het eerst als gelijken tegenover elkaar staan, maar ook verleden en toekomst ontmoeten elkaar in onze tijd. We hoeven maar te denken aan de clash of civilisations tussen de islam en het Westen, waarbij de islam terug wil naar het verleden terwijl in het Westen vernieuwing en progressiviteit de grote slagwoorden zijn

Het is niet moeilijk om de krachten die in het verleden gewerkt hebben mannelijk te noemen, want ze hebben een toenemende scheiding tussen de mens en de geestelijke wereld veroorzaakt, en ze hebben geleid tot het moderne materialisme met alles wat het met zich meebrengt. Maar op het keerpunt der tijden ontmoeten deze mannelijke, scheidende krachten de vanuit de toekomst werkende vrouwelijke krachten die de mens weer met de geest willen verbinden. De realiteit van dit keerpunt of middelpunt kunnen we niet meer ontkennen. Was de 19de eeuw nog zo materialistisch dat ze van de geestelijke wereld (ook in de religies) nauwelijks nog iets afwist, dan zien we in de 20ste eeuw een ware explosie van spiritualiteit die als uit het niets lijkt op te duiken. We zien echter ook een al even onverwachte explosie van geweld zoals de wereld er nog nooit een gezien heeft. De botsing der tegenpolen is een feit, ze is HET feit van onze tijd

Maar juist doordat al deze tegengestelde krachten elkaar op dit keerpunt der tijden ontmoeten, ontstaat er voor de mens een vrijheidsmoment zoals hij er nog nooit een gehad heeft. Hij wordt voor de keuze geplaatst: wat gaat hij met dit vrijheidsmoment doen? Er openen zich twee mogelijkheden: ofwel laat hij zich meesleuren door de botsing van de tegenpolen en geeft hij zich over aan de roes van het genot dat met die botsing gepaard gaat, ofwel wordt hij zich bewust van de situatie en probeert hij er zich boven te verheffen. Er vindt met andere woorden nog een andere ontmoeting plaats: die tussen goed en kwaad. De tegenpolen kunnen namelijk op twee manieren met elkaar verbonden worden: op een bewuste en op een onbewuste manier. De bewuste manier wordt geïnspireerd door de ‘goede goden’ (met in hun centrum Christus) en de onbewuste manier door de ‘tegenmachten’ (met in hun centrum de Antichrist).

We kunnen ons het Middelpunt der Tijden dus voorstellen als een kruis: in het horizontale vlak ontmoeten de materiële tegenpolen elkaar (verleden en toekomst, mannelijk en vrouwelijk, geest en materie, enzovoort), in het verticale vlak ontmoeten de geestelijke tegenpolen elkaar (Christus en de Antichrist). Om geïnspireerd te worden door de geestelijke bovenpool moeten we ons onttrekken aan de roes van de botsing van de tegenpolen in het materiële vlak. En dat kunnen we alleen door ons bewust te worden van de hele situatie, want pas wanneer we inzien tot wat onze keuze zal leiden, vinden we ook de kracht om die keuze te maken. Kiezen en inzien zijn hier één en hetzelfde. Zonder inzicht in de gevolgen van onze keuze kunnen we eigenlijk niet kiezen. We laten ons dan meesleuren door de roes die de ontmoeting der tegenpolen veroorzaakt, we laten ons dan (zonder het te beseffen) inspireren door de geestelijke onderpool. Met andere woorden: voor Christus kunnen we alleen bewust kiezen, met inspanning van al onze krachten, voor de Antichrist hoeven we niet te kiezen, die sleurt ons vanzelf wel naar beneden.

De keuze waarvoor de mens staat op dit keerpunt der tijden luidt dus: kies ik in vrijheid (en bij vol bewustzijn) of laat ik een ander voor mij kiezen (en geef ik mij gedachtenloos over)? We hoeven ons van de geestelijke dimensie van onze tijd niet bewust te zijn om te beseffen dat we de keuzes in ons leven niet meer aan anderen kunnen overlaten, want dat loopt verkeerd af. Er is uiteindelijk maar één iemand die we kunnen vertrouwen en dat zijn we zelf. Tegelijk realiseren we ons echter dat dit ‘zelf’ niet volstaat. Om de juiste keuzes te kunnen maken, hebben we inspiratie nodig, inspiratie van de geest. Alles in onze tijd wijst erop dat we het zonder deze inspiratie ‘van boven’ niet redden. Dat is de enige redelijke conclusie die we kunnen trekken. Wie denkt het zonder de geestelijke wereld te kunnen, louter op materieel vlak, maakt zich illusies. Dat wordt met de dag duidelijker: de materialistische visie op de wereld leidt in toenemende mate tot irrationeel gedrag: ofwel steken we onze kop in het zand ofwel reageren we hysterisch, maar in beide gevallen is de ratio het grote slachtoffer.

De keuze waarvoor we staan, kan dus simpelweg als volgt uitgedrukt worden: gebruiken we ons verstand of niet? En met verstand wordt bedoeld: ons gezond verstand, ons onderscheidingsvermogen, niet ons vermogen om te doen alsof we verstandig zijn. Met name in confrontatie met de islam wordt duidelijk hoe zwak ons denkvermogen geworden is. Het put zich uit in eindeloze beschouwingen die niet bij machte zijn de kern van de zaak te raken en in feite niets anders zijn dan een soort intellectuele zelfbevrediging. Hetzelfde zien we, zo mogelijk nog duidelijker, in ons denken over kunst, dat een aanfluiting is van alle rationaliteit of onderscheidingsvermogen. In beide gevallen doen we niet veel meer dan onze onmacht verbergen om denkend door te dringen in de werkelijkheid. We zijn op rationeel gebied met andere woorden impotent geworden. Ons verstand gebruiken betekent dus in eerste instantie: de verregaande zwakte van ons denken erkennen en … er iets aan doen.

Die denkzwakte wordt veroorzaakt door de confrontatie met de wereld van de geest. Aan het eind van de 19de eeuw waren we er nog van overtuigd bijna alle raadsels van het bestaan opgelost te hebben. Maar toen kwam de 20ste eeuw: de mannelijke ratio ontmoet zijn vrouwelijke tegenpool en realiseert zich opeens zijn ‘halfheid’. Enkelingen gaan de uitdaging aan en overschrijden de grens. Ze ontsluiten voor de ratio gebieden die nooit voordien bewust betreden zijn, maar de grote meerderheid deinst terug voor de drempel en sluit zich op in het eigen gebied. Maar tegen de ‘vrouwelijke’ krachten die vanuit de toekomst het heden binnendringen, is geen kruid gewassen en de ratio raakt in toenemende mate vermengd met allerlei irrationele elementen die als zodanig niet onderkend worden. Op die manier wordt het onderscheidingsvermogen stelselmatig verzwakt en raakt de mens steeds meer in de greep van de antichristelijke krachten uit de onderwereld.     

Dat laatste wordt door de moderne mens heel goed aangevoeld. Hij hoeft trouwens de kranten maar open te slaan om te beseffen dat de problemen alsmaar groter en onoverkomelijker worden. Iedere poging om ze aan te pakken of op te lossen, lijdt schipbreuk want het moderne verstand is niet opgewassen tegen de situatie. Juist doordat het de geestelijke dimensie van die problemen ontkent – en daarmee de oertegenstelling van onze tijd – is het niet bij machte welke tegenstelling ook onder ogen te zien. Het materialisme, dat ooit een stuwende kracht was achter de ontwikkeling van de ratio, blokkeert vandaag die ontwikkeling. Het doet het machteloze onderscheidingsvermogen als het ware exploderen. Het is niet meer bij machte om bijvoorbeeld de man-vrouwtegenstelling onder ogen te zien. In plaats daarvan ‘ziet’ het een wolk van gendervarianten. In de kunst is het niet anders. Hoe extreem de tegenstelling tussen de klassieke en de ‘hedendaagse’ kunst ook is, ze verdrinkt als het ware in een zee van kunstrichtingen. En zo kunnen er nog een hele reeks voorbeelden worden opgesomd die alle hetzelfde patroon vertonen: een fundamentele tegenstelling wordt herleid tot een ‘diversiteit’. 

Op zowat ieder gebied wordt de diversiteit tot een ideaal uitgeroepen terwijl de tegenstelling taboe wordt verklaard. Met redelijkheid heeft dat niet veel te maken, met angst en andere niet onderkende gevoelens des te meer. Het artikel waarin holebi-verenigingen beweren trots te zijn op hun medeburgers maakt dat duidelijk. Het holebi-verschijnsel is nagenoeg onbespreekbaar geworden en het zal waarschijnlijk niet lang meer duren voor dat ook het geval is met de relatie tussen man en vrouw. Het is gewoon een kwestie van tijd voor het denken in tegenstellingen verboden wordt en het ‘diversiteitsdenken’ tot gebod verheven. Het gevolg zal zijn dat we onze greep op de werkelijkheid helemaal verliezen en – zoals reeds zoveel mensen in Afrika en het Midden-Oosten – overgeleverd worden aan de krachten van de onderwereld. Is het wellicht niet mogelijk om die mensen materieel te helpen, dan kunnen we ze toch geestelijk helpen door ons onderscheidingsvermogen te ontwikkelen en te proberen de eindeloze veelheid waardoor we overspoeld worden (in gedachten) te herleiden tot de oertegenstellingen die het kruis van onze tijd vormen.  

Het citaat van Rudolf Steiner bovenaan dit artikel wordt nog gevolgd door een merkwaardig zinnetje: ‘Voorlopig is het niet geoorloofd dit geheim te ontsluieren.’ Steiner spreekt in dit vijfde hoofdstuk van ‘Uit de Akasha-kroniek’ over de scheiding der geslachten. Het is niet duidelijk over welk geheim hij het heeft, maar in het licht van de huidige gebeurtenissen lijkt de ontsluiering ervan nu toch wel aan de orde te zijn.

P.S. Ik heb wel tien, vijftien keer moeten proberen vóór ik dit artikel in de gewenste vorm op het internet kreeg. Alsof de duivel ermee gemoeid was. Ook het schrijven ervan is heel, heel moeilijk gegaan, alsof ik op een onzichtbare muur stootte waar ik maar niet doorheen kwam. Toeval? Wat er ook van zij, er is geen enkel thema dat vandaag op zoveel weerstanden botst – ook in antroposofische kringen – als juist het thema van de dualiteit. Zou dat nu komen doordat ‘het voorlopig niet geoorloofd is dit geheim te ontsluieren’? Ik kan me eerlijk gezegd niet goed voorstellen dat de ‘goede goden’ zich bezig houden met het saboteren van een blogartikel. Van de ‘kwade goden’ kan ik me dat pestgedrag echter heel goed voorstellen. Aan hun getreiter meen ik dan ook het belang van dit thema te kunnen aflezen.


Advertenties