Zomeruniversiteit

door lievendebrouwere

Vanmorgen werd ik wakker uit een droom. Ik moest plaatsnemen aan een tafel en een professor zou me ondervragen. Het gebeurde ergens in openlucht en overal om ons heen waren andere studenten. Ik kende mijn ondervrager niet, ik had hem nooit gezien. Waarschijnlijk had ik zijn lessen nooit bijgewoond, dat is me in mijn studententijd wel meer overkomen. Hij stak van wal met een verhaal over een boek dat ik nooit gelezen had, een verhaal dat ik zo meteen moest verder vertellen. Ik probeerde erachter te komen over welk boek het ging, maar het enige wat in me opkwam, was: Baron von Munchausen. Toen het mijn beurt was, probeerde ik me eruit te kletsen, maar ik kon geen zinnig woord uitbrengen. Ook dat was me vroeger meer dan eens overkomen. De professor, een vriendelijke en welwillende man, voelde zich bedrogen: ik had misbruik gemaakt van zijn tijd en inzet. Hij schoof me zonder een woord te zeggen een of ander symbool toe waaruit bleek dat ik in mijn hemd stond. Maar het liet me koud. Wat kon mij die hele universiteit schelen! 

Na de toets liep ik met een medestudent naar m’n kot. Ik zei: ik denk dat het tijd wordt om hiermee op te houden. Hij trok vragend de wenkbrauwen op. Ik vervolgde: ik doe dit alleen om erbij te horen, die hele studie interesseert me geen bal. Maar ik ben graag onder jonge mensen die zich met iets anders bezighouden dan voetbal en geldverdienen. Als ik straks naar huis ga, verdwijnt dat allemaal, die hele ‘geestesgemeenschap’. Dan sta ik weer alleen, in een wereld waar ik geen enkele affiniteit mee heb. En dat wilde ik nog even uitstellen door hier te komen doen alsof ik studeer. 

Tot daar mijn droom.

Vreemd dat die dingen nog altijd naar boven komen, zelfs op m’n oude dag. Of komt het doordat ik straks weer naar de ‘universiteit’ ga? Geen gewone universiteit dit keer – godbewareme – maar een antroposofische, die bovendien maar een week duurt. Ik ga ook niet als student, maar als … ‘professor’. Precies het omgekeerde dus. Het is inmiddels al een eeuwigheid geleden dat ik het naïeve plan opvatte om leraar te worden en daartoe naar de universiteit trok. Van die naïeviteit was ik op slag genezen na mijn eerste proeflessen. Ik wist meteen: dit nooit! Niet alleen voelde ik een diepe weerzin voor de leerstof – het was dode leerstof – maar ik voelde me ook meer dierentemmer dan lesgever. Ik stond immers voor een klas vol verveelde en onwillige leerlingen die alleen wakker schoten als ze bloed roken. Hoe goed begreep ik hen! Hoe had ik ooit kunnen denken dat het anders zou zijn als ik aan de andere kant van de klas stond! 

Maar straks zal het dus echt anders zijn. De ‘studenten’ komen niet naar de zomeruniversiteit omdat ze dat moeten, omdat ze een diploma nodig hebben om geld te kunnen verdienen. Ze komen uit vrije wil, uit interesse. En misschien komen ze ook wel – zoals ik in mijn droom (en ook in de werkelijkheid) – om erbij te horen, om deel uit te maken van een ‘geestesgemeenschap’. Want thuis staan ze als antroposoof alleen, in een wereld waarin ze nauwelijks aanknopingspunten vinden en eigenlijk incognito moeten leven. Of projecteer ik nu teveel mezelf op die deelnemers aan de zomeruniversiteit? Denk ik te veel als oude ziel?

Het is inderdaad dat oude-ziel-zijn waarmee ik geconfronteerd word tijdens mijn ‘lesvoorbereiding’. Het maakt natuurlijk deel uit van mijn ‘leerstof’, maar anders dan aan een gewone universiteit is het levende leerstof, het is leerstof waarmee ik met mijn hele wezen verbonden ben. En juist daarom denk ik dat deze vorm van ‘lesgeven’ méér is dan alleen maar een vorm. Het is niet alleen een formule die antroposofen door de moderne tijd wordt opgedrongen in die zin dat ze eigenlijk alleen nog tijdens de vakantie tijd en ruimte vinden om zich serieus met antroposofie bezig te houden, het is ook, vermoed ik, een onderwijsvorm die uit oude tijden stamt. En dat geldt dan vooral voor de oude zielen. 

De gewone universiteiten zoals we die vandaag kennen, zijn duidelijk een jonge-zielenaangelegenheid. Ze zijn niet alleen zeer intellectueel, ze zijn ook helemaal geworteld in de werkelijkheid: je leert er dingen die je in het gewone leven kunt gebruiken. Oude zielen daarentegen houden zich vooral bezig met dingen die je nergens voor kunt gebruiken. Lang geleden, toen de mens nog veel nauwer verbonden was met de geestelijke wereld, lag dat natuurlijk anders. Wat we nu spiritualiteit noemen, was toen nog heel praktisch. Vandaag is het echter als water dat op poeierdroge zandgrond valt: het dringt er niet in door, het blijft er bovenop liggen en verdampt weer. Dat is ook een beetje het levensgevoel van oude zielen in onze tijd: je ‘valt’ op aarde maar je kunt er niet in doordringen, je krijgt er geen verbinding mee en datgene wat in je ziel leeft ‘verdampt’ weer. Een maat voor niks dus. Hét voorbeeld van zo’n oude-ziel-in-de-moderne-tijd is Karl Julius Schröer, de leraar van Rudolf Steiner. Hij was de reïncarnatie van Plato, de oude ziel bij uitstek, en wat in zijn ziel leefde had tot antroposofie moeten worden. Maar dat lukte dus niet. Schröer was niet bij machte zijn oude-zielenspiritualiteit te verbinden met het intellectuele bewustzijn van de moderne tijd. Rudolf Steiner moest dat in zijn plaats doen. Heel die wijsheid van Plato/Schroër is dus verdampt en vruchteloos gebleven. Maar toch niet helemaal: het is Schröer die Steiner in contact heeft gebracht met Goethe, de antroposoof avant la lettre, en hem aldus de weg heeft gewezen. 

Steiner heeft nadien een indrukwekkende ‘professorale’ activiteit ontplooid. Weliswaar niet aan een officiële universiteit, maar toch in een kathedervorm waarbij de leraar letterlijk en figuurlijk hoog uittorende boven zijn leerlingen. Zijn contact met Schröer was van een heel andere aard. Het was veel meer een gesprek tussen vrienden, tussen gelijken. Ze vulden elkaar als het ware aan. De komende zomeruniversiteit zie ik een beetje als een combinatie van beide leersituaties. Er is natuurlijk de naam en er zullen ook voordrachten en lezingen worden gehouden. Maar het geheel zal toch niet dat streng gedisciplineerde hebben dat universiteiten eigen is. Het zal veel meer het karakter hebben van een vriendschappelijk gesprek tussen gelijkgestemden. Tenminste zo stel ik het mij voor. Ik zie mijn eigen (drie) voordrachten dan ook niet als een doorgeven van kennis of leerstof, maar als een aanzet tot gesprek, niet alleen ter plekke, maar ook nadien. Zo heb ik vroeger ook mijn jaren aan de academie ook beleefd. Ik ontmoette daar een leraar die ook werkelijk een leraar was, een echte autoriteit, maar die zijn leerlingen als gelijken zag en heel vriendschappelijk met hen omging, niet alleen in de academie maar ook erbuiten. En het gelukkigst was hij als hij het vuur in anderen kon ontsteken, als zij uit eigen beweging gingen doen wat hij zelf ook deed. 

Vreemd vind ik dat, hoe de dingen uit mijn jeugd weer lijken terug te keren. Dat heb ik op andere gebieden ook al menen vast te stellen. Les extrêmes se touchent, ouderdom en jeugd raken elkaar. Maar het is niet alleen de jeugd uit dit leven. Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat er ook dingen uit vorige levens terugkeren, dat een leven altijd in meer of mindere mate een herhaling en een metamorfose is van vorige levens. Ik zie die opeenvolgende levens als de kunstwerken die een kunstenaar maakt: daar zit zeker groei en ontwikkeling in – eindeloze groei en ontwikkeling zelfs – maar toch kun je niet zomaar maken wat je wilt. Je bent als het ware gebonden aan jezelf, je kunstwerken zijn altijd uitdrukking van jezelf, nooit van iemand anders. Een Rubens kan nooit gaan schilderen als een Rembrandt, dat bestaat niet. Hij is in al zijn werken onmiskenbaar Rubens. En zo is ieder mens volgens mij in al zijn levens onmiskenbaar zichzelf en niemand anders. Al die levens hebben een duidelijk gemeenschappelijk karakter, een eigen onvervreemdbare ‘stijl’ (die zich overigens ook uitdrukt in de inhoud). 

Ik denk dus niet dat mijn huidige leven zoveel zal verschillen van mijn vorige. Uiterlijk misschien wel, maar niet wat de grondpatronen betreft, de oerbeelden zeg maar. Het is natuurlijk niet gemakkelijk om achter die oerbeelden van je eigen leven te komen en ik kan ook niet zeggen dat ik daar reeds in geslaagd ben. Maar soms ga je toch dingen vermoeden. Zoals met die zomeruniversiteit. Ik denk dat ik dat met mijn ‘ketterse’ verleden als oude ziel vroeger al heb meegemaakt: een soort openlucht-universiteit, mensen die op informele manier samenkomen om elkaar zaken door te geven die elders geen kans maken. De academie die ik als kind heb gekend, heb ik ervaren als een tempel waar je werd ingewijd. Het was weliswaar een officiële instelling, maar dat was slechts de buitenkant. Er leefde een geest die overal elders reeds verdwenen was, maar hier nog een laatste nabloei kende. De zomeruniversiteit die mij op mijn oude dag uitgenodigd heeft, lijkt me het omgekeerde te zijn: het ontkiemen van een nieuwe geest, van een nieuwe onderwijsvorm die niet van bovenaf wordt opgelegd maar uit het vrije gesprek ontstaat. Juist dit nieuwe raakt echter aan het heel oude, aan onderwijsvormen die lang geleden ook al bestonden maar verdwenen zijn om vandaag weer in een nieuwe vorm op te duiken. Daaraan herken je volgens mij het werkelijk nieuwe: als het tegelijk heel oud is. 

Ik ben benieuwd of dat klopt. We zien wel. 

Advertenties